-A +A

Waarom advocaten niet aan de BTW zouden mogen onderworpen zijn?

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Vanaf 1 januari 2014 wordt de dienstverlening van advocaten onderworpen aan btw.

De Orde van Vlaamse Balies betreurt dat de regering opnieuw justitie, rechtsbijstand en toegang tot de rechter ondergeschikt maakt aan andere maatregelen.

De btw op advocatenprestaties wordt ingevoerd op 1 januari 2014 maar de precieze invulling moet nog het voorwerp uitmaken van verdere besprekingen en onderhandelingen. De OVB zal ijveren voor een beperking van de btw tot dienstverlening aan bedrijven.
 

Enkele argumenten.

Vooreerst en het allerbelangrijkste is de toegang tot justitie voor de gewone burger.

Het gemiddelde ereloon bedraagt op dit ogenblik 125,00 euro per uur.

Dit betekent concreet dat een gewone burger 1 dag dient te werken om 1 uur voor de tussenkomst van een advocaat te betalen.

Iedereen wordt verondersteld om de wet te kennen.

Dit is een fictie.

Enkel door tussenkomst van een advocaat kan deze fictie realiteit worden.

Voor ondernemingen is de BTW aftrekbaar.

Maar voor de gewone burger die de wet dient te kennen, is de 125,00 euro die volgens heel wat berekeningen een absoluut minimum is om uit de kosten van de advocatuur te raken, niet meer verhoogbaar met 21 %.

De verhoging tot justitie met 21 % zal de toegang van de burger tot justitie in belangrijke mate belemmeren.

Heel wat initiatieven werden genomen om de toegang tot het gerecht toegankelijker te maken.

Een ervan was de verhoging van de rechtsplegingvergoeding.

Het belangrijkste neveneffect hiervan was dat de gewone burger 3 x diende na te denken alvorens een procedure voor de rechtbank in te stellen.

De gewone burger kon afgestraft worden wanneer hij poogde zijn recht te bekomen wanneer dit niet in rechte kon worden afgedwongen door de betaling van de rechtsplegingvergoeding.

Hem opnieuw sanctioneren met 21 % BTW zou intellectueel oneerlijk en zou bovendien de politieke doelstellingen van onze regering die de toegang tot het gerecht eenvoudiger wil maken juist tegenwerken.

Er zijn initiatieven geweest om een soort mutualisering van het gerecht te creëren.

Interventie, lees een soort verplichte verzekering waardoor elke burger via een rechtsbijstandverzekeraar automatisch toegang zou hebben tot het gerecht.

Een en ander bleek niet uitwerkbaar.

Maar het betekent niet dat men via andere maatregelen, met name de invoering van de BTW de toegang tot het gerecht nog moeilijker mag maken.

De BTW op de tussenkomst van de advocaten treft enkel de zwakkeren van de maatschappij.

De rijken, de ondernemingen, de banken, de dienstverleners (voor zover deze rijk zijn) worden hierdoor niet getroffen.

Kortweg mag men stellen dat de invoering van de BTW voor de advocaten de toegang tot het gerecht gewoonweg fnuikt.

De advocatuur wordt ook bovendien duurder door de BTW-administratie die een advocaat dient te houden.

Aan alles hangt een kostenplaatje.

Alleen al de BTW-administratie verhoogt de kostprijs van de toegang tot het gerecht.

De toegang tot het gerecht wordt verzekerd door de advocatuur die zichzelf organiseert door middel van de regionale ordes, de plaatselijke ordes, de patrons, de advocaten, de medewerkers en de stagiairs.

Niet iedereen beschikt over dezelfde infrastructuur en financiële mogelijkheden om een BTW-administratie in te voeren.

Heel wat handelaars die de dag van vandaag een handel beginnen zijn niet belemmerd door het gebrek aan kennis in handelszaken.

Zij storten in het handelsleven en het fiscale leven dat hiermee gepaard gaat en zelfs soms het vennootschapsleven zonder dit leven te kennen.

De advocaat, zelfs de jonge advocaat, zelfs de stagiair-advocaat, is zich ter dege bewust van alle risico’s.

De advocaat weet dat hij niets weet.

Zeker de beginnende advocaat.

De drempel naar de advocaat wordt hierdoor des te hoger, mede gelet op de verantwoordelijkheid van de patron, die er op dient toe te zien dat zijn stagiair strikt de regels van deontologie en de wettelijke regels waaronder de fiscale regels nakomt.

Men mag niet vergeten dat 40 % van de advocaten leeft onder de armoedegrens en niet in staat is om nog eens een bijkomende BTW-administratie te voeren of te laten voeren.

Wanneer een advocaat als een BTW-plichtige wordt aanzien, wordt de natuur van het ereloon ontkracht.

En ereloon is een honorarium, een partijbeslissing, dan wel een vrijwillige betaling die een cliënt betaalt voor de diensten van de advocaat.

De BTW daarentegen is een belasting op de toegevoegde waarde.

In de strikte zin kan men niet spreken over een toegevoegde waarde maar wel over een eigen waarde, de waarde van justitie, de waarde van het recht, op de waarde van het recht is er geen meerwaarde.

Een ereloonstaat is iets meer dan een partijbeslissing, dan wel een uitnodiging van een cliënt om tot betaling hiervan over te gaan.

In de praktijk worden slechts minder dan 60 % van de erelonen voor 100 % betaald.

Wanneer men de BTW zou invoeren, zou dit betekenen dat de advocaten belast worden op 100 % van hetgeen zij slechts ten dele recupereren waarbij hen een hele administratie zou worden opgelegd om pas na verloop van lange tijd de te veel betaalde BTW te kunnen recupereren.

Men mag bovendien niet vergeten dat advocaten heel wat diensten kosteloos verlenen als een dienstverlening aan de samenleving.

Deze dienstverlening zal door de BTW-administratie steeds als verdacht worden aanzien.

Bovendien wordt er door advocaten vaak uit menslievendheid en uit respect voor het recht gewerkt voor onvermogenden, waarbij gewerkt wordt in dit vooruitzicht van de uitslag van de procedure die een onvermogende misschien weer vermogend maakt.

Maar dit lukt verre van altijd.

In heel wat gevallen blijven heel wat honoraria onbetaald.

De betaling van de BTW op deze honoraria zou tot financiële fiasco’s leiden, sinisters die het beroep nauwelijks te boven kan komen.

Elke BTW-plichtige is verplicht om de ontvangen, lees de gefactureerde en dus “niet-ontvangen” BTW te storten tegen de 20ste van de maand volgend op het belastbaar feit.

Wel nu, in de praktijk sturen advocaten provisionele staten, meer zelfs, zij zijn verplicht om dit te versturen.

De betaling wordt meer dan eens, zo niet vaak, uitgesteld tot bij de realisatie van het resultaat.

Concreet betekent dit dat de advocaat verplicht zou worden BTW te storten op nog niet ontvangen bedragen.

De ontvangst van honoraria laat vaak meer dan een jaar op zich wachten door de traagheid van het gerecht, zonder hierbij standpunt in te nemen dat de traagheid van het gerecht daarom enige oorzaak zou kunnen zijn van een slechte werking van het gerecht, al zou de snelheid van het gerecht weliswaar verbeterd kunnen worden.

Maar een en ander leidt er hoe dan ook toe dat de advocatuur financieel onhoudbaar wordt.

Een bijkomende BTW-administratie impliceert een bijhorende BTW-controle met de nodige bijstand van externe raadgevers die ook hun kosten met zich meebrengen.

Maar bovendien is een advocaat gehouden door het beroepsgeheim waardoor deze controles nooit efficiënt en doorzichtig kunnen gebeuren.

Tegenover de vaststelling dat de tussenkomsten van de advocaten vrijgesteld zijn van de BTW, dient de dienstverlening van de advocatuur voor de samenleving en dus voor de staat en de belastingsbetaler geplaatst.

Niet in het minst mag verwezen worden naar de verregaande verplichtingen die de advocaat heeft inzake de witwaswetgeving waarbij hij een controlerende functie uitoefent ten behoeve van de staat en zijn diensten nooit zal verlenen ten behoeve van welkdanige transactie ook die de fiscus zou oplichten.

Er mag hierbij niet vergeten worden dat de Belgische Staat aan de Europese Gemeenschap betaalt ter compensatie van het feit dat de honoraria van advocaten in België vrijgesteld worden van BTW integenstelling tot andere EU-staten.

Een en ander is een vrij goede belegging aangezien deze bijdrage eerder beperkt is (na verluidt 70,00 euro per jaar).

Wanneer de BTW-voor de advocaten in België zou worden ingevoerd, zou een en ander zeer weinig opleveren aan de schatkist.

Vooreerst bestaat de traditie om in dit geval een historische aftrek door te voeren.

Dit betekent dat de advocaten voor de voorbije 10 of 15 jaar hun BTW betalingen alsnog zouden mogen in mindering brengen.

Het effect zou dus pas zichtbaar zijn op vrij lange termijn en dan nog slechts voor die sukkelaars die hun eigen BTW niet kunnen aftrekken, lees de loontrekkende die het vandaag al zo moeilijk hebben.

Men mag bovendien niet vergeten dat de Belgische advocatuur in tegenstelling tot de advocatuur in andere EU-landen heel wat tegenprestaties levert.

Vergeten we hierbij niet dat de lokale en regionale van advocaten volledig zou bedruipend zijn, niettegenstaande zij instellingen zijn die voorzien zijn in het gerechtelijk wetboek als gerechtelijke instanties die gerechtelijke taken vervullen.

De vergoedingen voor de arbiters in de arbitragecommissies, de vergoedingen voor de stafhouders, de vergoedingen voor de lokalen van de Orde en alle andere vergoedingen worden door de balie zelf door de advocaten zelf via hun baliebijdragen betaald.

Vergeten we daarnaast niet dat advocaten de eerste en tweede lijnsrechtsbijstand verzekeren en daarnaast ook instaan voor de bijstand inzake de verplichte saldusregeling.

Wanneer we rekening houden met de gemiddelde vergoeding van ongeveer 25,00 euro per uur, behelst dit ongeveer 1/5 van de kostprijs van een advocatenuur.

Ook deze dienst levert de advocaat aan de rechtstaat.

Het onderscheid tussen de BTW-loze advocaat en de BTW-plichtige gerechtsdeurwaarder, is te verantwoorden door het feit dat de verliezende partij, de in het ongelijk gestelde partij de kosten van justitie en dus ook de gerechtsdeurwaarder betaalt.

Het onderscheid tussen de BTW-plichtige notaris en de niet-BTW-plichtige advocaat, is ruimschoots te verklaren door de toegevoegde waarde, definitie van de BTW die door de tussenkomst van een notaris wordt verleend en waarbij de tussenkomst van een notaris meestal, zo niet, in het overgrote deel gepaard gaat met de overgang van eigendommen en dus de verrijking van een partij.

Het belangrijkste onderscheid is zeker het verschil tussen de tussenkomst van de advocaat en de cijferberoepen zoals de boekhouders en de accountants.

Boekhouders en accountants voor belastingsplichtigen en BTW-plichtigen.

Wanneer een gewone burger beroep doet op deze cijferberoepen, is dit vaak in het kader van een eventuele vermogensplanning of verrijking waarvoor deze cijferberoepen niet bepaald de meest geschikte partners zijn.

Meer zelfs de Belgische Staat voorzien in rechtstreekse kosteloze dienstenverlening aan de burger om de niet-BTW-plichtige burger te helpen bij de vervulling van de fiscale verplichtingen.

Tenslotte is er het perverse gevolg dat zou ontstaan door de invoering van de BTW op de tussenkomst van de advocaten.

Meer dan 1 cliënt zou bij de tussenkomst van een advocaat aandringen op de betaling “in het zwart” zonder BTW.

Zonder de schade die dit aan de fiscus zou teweegbrengen in overweging te nemen en die bepaalt verwerpelijk is, dient onmiddellijk opgemerkt dat hierdoor de cliënt in de meest onzekere positie komt ten aanzien van de advocaat waarbij hij geen betalingsbewijs meer heeft voor de betalingen aan de advocaat gedaan.

Rechtsleer:

W. Heyvaert, 5 argumenten voor BTW vrijstelling voor advocaten, ad rem, jaargang nr. 11, nr. 3, 2012, 26.
 

Rechtspraak: 

 Grondwettelijk Hof 14 november 2012, RW 2012-2013, 1254

 

Arrest nr. 141/2012

Onderwerp van het beroep

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2012 ter post aangetekende brief, is beroep tot vernietiging ingesteld van art. 53 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (wijziging van art. 44, § 1, 1o van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, vierde editie, door (...).

...

In rechte

...

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen art. 53 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, luidende:

“In artikel 44, § 1, 1o, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden “notarissen”, en de woorden “en gerechtsdeurwaarders” opgeheven”.

Ten gevolge daarvan bepaalt art. 44, § 1, 1o van het BTW-Wetboek, overeenkomstig art. 56 van de voormelde wet van 28 december 2011, met ingang van 1 januari 2012:

“Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid:

1o advocaten”.

Bij de bestreden bepaling werd aldus de btw-vrijstelling die tot dan betrekking had op de notarissen, de advocaten en de gerechtsdeurwaarders, afgeschaft voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders en behouden voor de advocaten.

...

B.3. De verzoekende partijen voeren een enig middel aan dat uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet is afgeleid. Bij de bestreden bepaling werd de btw-vrijstelling die tot dusver betrekking had op onder meer de notarissen en de advocaten, afgeschaft voor de notarissen en behouden voor de advocaten. Voor dat verschil in behandeling zou geen redelijke verantwoording bestaan.

B.4. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Art. 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden.

B.5.1. Volgens de Ministerraad en de Orde van Vlaamse balies zouden de notarissen en de advocaten niet tot dezelfde beroepscategorie behoren, zodat zij zich ten aanzien van de bestreden maatregel niet in een vergelijkbare situatie zouden bevinden.

B.5.2. Tussen de beroepscategorie van de notarissen en die van de advocaten bestaan verschillen die voortvloeien uit de verschillende regelgeving waaraan beide categorieën zijn onderworpen. Die verschillen hebben betrekking op inzonderheid hun onderscheiden taken, de organisatie van het beroep, de deontologie en de regels voor de toegang tot het beroep. Uit die verschillen kan evenwel niet worden afgeleid dat de beide beroepscategorieën dermate van elkaar te onderscheiden zijn dat zij ten aanzien van de bestreden maatregel niet vergelijkbaar zouden zijn.

B.6. Het komt de bevoegde wetgever toe de vrijstellingen of de afschaffing van vrijstellingen te bepalen van de belastingen waarin hij voorziet. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. In sommige domeinen, met name op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde, is die bevoegdheid evenwel begrensd door de toepasselijke Europese regelgeving.

Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn.

B.7. Het amendement dat tot het bestreden artikel heeft geleid, is als volgt verantwoord:

“De diensten van notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) onderworpen volgens de normale regels van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

“Overeenkomstig art. 371 van voornoemde richtlijn mogen evenwel de lidstaten die op 1 januari 1978 vrijstelling verleenden voor de in de lijst van bijlage X, deel B, van voormelde richtlijn genoemde handelingen, deze onder de in iedere betrokken lidstaat op die datum bestaande voorwaarden, blijven vrijstellen van de belasting. Deze afwijking blijft van toepassing tot de invoering van de definitieve regeling.

“België heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De diensten verricht door notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid zijn sinds 1 januari 1978 van de belasting vrijgesteld gebleven overeenkomstig art. 44, § 1, 1o van het BTW-Wetboek.

“Onderhavig amendement voorziet in de opheffing van deze vrijstelling van de btw wat de diensten van notarissen en gerechtsdeurwaarders betreft” (Parl.St. Kamer 2011-12, DOC 53-1952/004, p. 36).

In de parlementaire voorbereiding wordt tevens vermeld: “Het oorspronkelijk ontwerp dat bij het parlement is ingediend, bevatte slechts één artikel onder de titel Financiën. [...]. In de Commissie Financiën van de Kamer zijn vervolgens een pakket amendementen ingediend door de fracties die de nieuwe meerderheid vormen. Deze amendementen hebben als doel om zeer snel uitvoering te geven aan de beslissingen die met betrekking tot de begroting 2012 zijn genomen bij het tot stand komen van het regeerakkoord. Het is van uitzonderlijk belang dat de maatregelen die uiterlijk op 1 januari 2002 in werking moeten treden, ook effectief tegen die datum door het parlement zijn aangenomen. Daar zijn drie zeer goede redenen voor. Ten eerste een budgettaire: er dient over gewaakt dat de maatregelen ook in 2012 hun vooropgesteld rendement halen. Ten tweede is het belangrijk dat vooral internationaal het vertrouwen terug hersteld wordt in de Belgische financiële markt. Ten slotte is het ook voor de mensen belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de maatregelen die zijn genomen. De maatregelen die nu in het ontwerp zijn opgenomen zijn:

[...]

“6. Het onderwerpen van de diensten van notarissen en gerechtsdeurwaarders aan de btw, naar analogie van alle andere EU-landen (artikelen 53 en 54)” (Parl.St. Senaat 2011-12, nr. 5-1408/4, p. 4-5).

In de plenaire vergadering van de Senaat verklaarde de Minister dat de bestreden bepaling “het resultaat [is] van een politiek akkoord waarbij men heeft nagekeken hoever men kon gaan voor bepaalde groepen” (Hand. Senaat 2011-12, 23 december 2011, p. 9).

B.8. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling deel uitmaakt van een reeks maatregelen die in eerste instantie ertoe strekken om, in het raam van de begroting 2012, zeer snel uitwerking te hebben, zodat het vooropgestelde rendement reeds in 2012 wordt behaald. De opbrengst van de bestreden belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die strekken tot de behartiging van het algemeen belang.

In de parlementaire voorbereiding wordt er nog op gewezen dat in geen enkele andere lidstaat van de Europese Unie de notarissen van de btw zijn vrijgesteld, zodat de bestreden maatregel tevens kan worden geacht een harmonisatie in Europees verband na te streven.

B.9. Zoals de verzoekende partijen aanvoeren, zouden de voormelde doelstellingen nog beter worden verwezenlijkt, indien ook ten aanzien van de advocaten de btw-vrijstelling zou worden opgeheven: er zouden aanzienlijk meer financiële middelen voor de Schatkist worden gegenereerd en de harmonisatie van de regelgeving binnen de Europese Unie zou beter worden gediend. Het komt evenwel aan de wetgever toe te oordelen of het aangewezen is dat ook ten aanzien van de advocaten de btw-vrijstelling zou worden opgeheven of gemoduleerd, rekening houdend met de Europese regelgeving en, in voorkomend geval, met de eigen karakteristieken van dat beroep.

Die vaststellingen zijn niet van dien aard dat kan worden besloten dat de bestreden maatregel discriminerend zou zijn, omdat de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, inzonderheid wat de toegang tot het gerecht betreft, niet kennelijk onredelijk zijn en evenmin op een manifeste vergissing berusten.

B.10. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt.

Het middel is niet gegrond.

zie ook GwH 8 maart 2012, arrest nr. 44/2012.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 26/12/2012 - 19:34
Laatst aangepast op: wo, 20/11/2013 - 20:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.