-A +A

Vordering tot betaling tegen een vennootschap in vereffening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Hoewel de afsluiting van de vereffening geen afbreuk kan doen aan de rechten van schuldeisers kunnen zij echter geen betaling meer vorderen van hun vordering: de vereffende vennootschap heeft immers geen vermogen meer.

De afsluiting van de vereffening heeft tot gevolg dat de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap een einde neemt.

Aangezien het gehele vermogen van de vennootschap reeds vereffend en verdeeld werd, heeft een schuldeiser dan ook niet meer de mogelijkheid om een eventueel positief vonnis uit te voeren, bij gebrek aan executievermogen.

De virtuele passieve rechtspersoonlijkheid van de vereffende vennootschap doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

Indien een schuldeiser alsnog betaling van zijn schuldvordering wenst te verkrijgen, dient hij dus tevens de nietigheid van de beslissing tot sluiting van de vereffening (of minstens de niet-tegenwerpelijkheid ervan, via bv. de pauliaanse vordering) te vorderen

• Hof van Beroep Gent 18 april 2016, RW 2016-2017, 1628

Samenvatting

Hoewel de afsluiting van de vereffening geen afbreuk kan doen aan de rechten van schuldeisers (die zich op grond van art. 198, § 1 derde streepje W.Venn. kunnen wenden tegen de vereffenaar “als zodanig”), kunnen zij echter geen betaling meer vorderen van hun vordering: de vereffende vennootschap heeft immers geen vermogen meer

Tekst arrest

E. Van G. t/ H.N. en H.N. q.q.

Met dagvaarding van 26 februari 2013 vordert E. Van G. de veroordeling van H.N., zowel in eigen naam als “in hoedanigheid van vereffenaar-orgaan van de NV S. H.N.”, tot de betaling van 80.000 euro provisioneel, vermeerderd met de gerechtelijke interesten.

E. Van G. voert aan dat hij bij de oprichting van de NV S. H.N. op 28 december 1978 voor tien aandelen heeft ingeschreven. Sinds minstens 2001 zou hij ten onrechte nooit meer geldig zijn opgeroepen voor de algemene vergaderingen van de vennootschap.

Op 19 juni 2008 heeft de buitengewone algemene vergadering van de vennootschap beslist de vennootschap te ontbinden, met de aanstelling van H.N. als vereffenaar. De buitengewone algemene vergadering van 23 december 2008 heeft beslist tot de sluiting van de vereffening.

E. Van G. is van oordeel dat hij voor 10/125sten gerechtigd is in het vereffeningsprovenu zijnde 80.000 euro.

Aangezien hij van mening is aandeelhouder te zijn én geen enkele uitbetaling heeft ontvangen uit de vereffening, vordert hij de kwestieuze som in rechte.

De eerste rechter verklaart de vordering van E. Van G. ontvankelijk, maar ongegrond in al haar onderdelen.

E. Van G., de appellant, blijft H.N. aanspreken, zowel in eigen naam als in zijn hoedanigheid van “vereffenaar-orgaan” van de NV S. H.N.

Beoordeling

1. In de eerste plaats spreekt de appellant H.N. aan in eigen naam, waar hij hem aansprakelijk acht voor fouten die hij heeft gepleegd bij zijn vereffeningswerkzaamheden.

De ontbinding met aanstelling van de vereffenaar is besloten in de bijzondere algemene vergadering van 19 juni 2008.

De vereffening is afgesloten met kwijting voor de vereffenaar op de bijzondere algemene vergadering van 23 december 2008 en gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2009.

De inleidende dagvaarding dateert van 26 februari 2013.

De fout die de appellant aan H.N. verwijt, bestaat erin dat de laatstgenoemde geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat de appellant aandeelhouder was (voor 10/125sten) van de vennootschap en dat hij bij de uiteindelijke verdeling van het resterende actief hiermee rekening had moeten houden.

Uit de voorliggende uiteenzettingen en stukken blijkt dat H.N. en zijn echtgenote de enigen waren die alle aandelen – alle aandelen waren aan toonder – samen in bezit hadden ten tijde van de ontbinding van de vennootschap.

Door de uitbetalingen te doen aan hemzelf en aan zijn echtgenote, heeft H.N. in zijn vereffeningswerkzaamheden geen fout begaan. Hij heeft immers uitbetaald aan wie de aandeelhouders waren.

Aangezien

– alle aandelen – alle aandelen waren ook aan toonder – voorgelegd werden én lopende de vereffeningswerkzaamheden – die dan toch een half jaar hebben geduurd – er nimmer sprake is geweest van enig verzet op titels noch van enig naspeurbare “gewone” aanspraak van de appellant op enig aandeel, en

– de appellant over een periode van 1987 tot 10 maart 2009 (datum van de aangetekende brief van de raadsman van de appellant) zich niet heeft laten kennen als mogelijke aandeelhouder (hoewel er in die periode een elftal publicaties m.b.t. de kwestieuze vennootschap zijn verricht in het Belgisch Staatsblad),

vermocht H.N. aan zichzelf en aan zijn echtgenote, als enige aandeelhouders, het resterende actief te verdelen, zonder hierbij een fout te begaan.

De appellant toont voor het overige ook niet aan dat H.N. wist of minstens moest weten dat hij zelf en zijn echtgenote niet de eigenaars waren van alle aandelen.

Ten overvloede

2. De partijen vermengen de eigendomsbetwisting nopens de aandelen in enige mate met de problematiek van de aansprakelijkheid van de vereffenaar.

In zoverre de appellant van oordeel is dat hij zelf aandeelhouder was, zou hij moeten aantonen dat hij aandeelhouder was op het ogenblik dat de vereffenaar overging tot de verdeling van het resterende actief.

Alle aandelen die ook alle aan toonder waren, waren materieel in het bezit bij H.N. en zijn echtgenote (zie supra). Als de appellant de regelmatigheid van dit bezit dat geldt als titel (art. 2279 BW) op nuttige wijze zou willen betwisten, dan zou hij in zijn betwisting niet alleen H.N., maar ook zijn echtgenote (hebben) moeten betrekken.

Hoe dan ook toont de appellant niet aan in de precieze periode van 2008/2009 nog aandeelhouder te zijn geweest van de kwestieuze vennootschap.

3. Subsidiair richt de appellant zijn vordering tegen H.N. q.q. “als orgaan van de vennootschap die met toepassing van art. 198, § 1 W.Venn. haar passieve rechtspersoonlijkheid behoudt, waarbij de dagvaarding werd betekend aan H.N. als (laatste) orgaan van de vennootschap.”

Wat deze vordering betreft, acht het hof de motivering van de eerste rechter alhier uitdrukkelijk hernomen waar hij overweegt wat volgt:

“[De appellant] werpt zich op als schuldeiser, c.q. als aandeelhouder en stelt in dat verband aanspraak te kunnen maken op een deel van het liquidatietegoed.

“Hoewel de afsluiting van de vereffening geen afbreuk kan doen aan de rechten van schuldeisers (die zich op grond van art. 198, § 1 derde streepje W.Venn. kunnen wenden tegen de vereffenaar “als zodanig”), kunnen zij echter geen betaling meer vorderen van hun vordering: de vereffende vennootschap heeft immers geen vermogen meer (J. Ronse e.a., “Overzicht van rechtspraak, Vennootschappen”, TPR 1986, 1423; M. Corynen en E. De Bie”, “Art. 194 W.Venn.” in H. Braeckmans, K. Geens en E. Wymeersch (eds.), Comm. Venn., 30-31).

“De afsluiting van de vereffening heeft tot gevolg dat de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap een einde neemt.

“Aangezien het gehele vermogen van de vennootschap reeds vereffend en verdeeld werd, heeft een schuldeiser dan ook niet meer de mogelijkheid om een eventueel positief vonnis uit te voeren, bij gebrek aan executievermogen.

“De virtuele passieve rechtspersoonlijkheid van de vereffende vennootschap doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

“Indien een schuldeiser alsnog betaling van zijn schuldvordering wenst te verkrijgen, dient hij dus tevens de nietigheid van de beslissing tot sluiting van de vereffening (of minstens de niet-tegenwerpelijkheid ervan, via bv. de pauliaanse vordering) te vorderen (E. De Bie, “Enkele bedenkingen betreffende de heropening van de vereffening van vennootschappen”, TRV 1996, nrs. 21 e.v.; Ph. Descamps, “Les actions dirigées contre une société en liquidation ou liquidée, et la responsabilité du liquidateur” (noot onder Gent 15 december 1995), TBH 1991, 387).”

In zoverre de vordering is ingesteld tegen H.N. als vereffenaar q.q. heeft de eerste rechter dan ook terecht besloten dat deze faalt: “[de appellant] kan geen nuttige vordering stellen tegen de ontbonden en vereffende vennootschap, aangezien – bij ontstentenis van een eis tot nietigverklaring – welkdanige vordering ook niet uitvoerbaar is en bijgevolg aan [de appellant] geen werkzame titel kan opleveren.” (bestreden vonnis).

4. Voor de eerste rechter heeft appellant geen nietigverklaring van het afsluitingsbesluit ingesteld. Een dergelijke vordering zou verregaand laattijdig zijn.

In hoger beroep formuleert de appellant een vordering die luidt als volgt: “Concluant vraagt de niet-tegenwerpelijkheid van de beslissing tot sluiting van de vereffening die werd gesloten met bedrieglijke miskenning van zijn rechten en vordert dus schadevergoeding van gedaagde qualitate qua”. In het beschikkend gedeelte van zijn conclusie wordt die vordering niet hernomen niettegenstaande art. 744, tweede lid Ger.W.

In zijn beroepsakte van 18 november 2013 wordt door de appellant desbetreffend het volgende geschreven nopens de pauliaanse vordering: “Inzake de vordering tot niet-tegenwerpelijkheid, de pauliana, blijft de gemeenrechterlijke termijn gelden.” Niets minder, doch ook niets meer. Een dergelijke zin kan bezwaarlijk worden gelezen als een vordering. Hoogstens kan dan ook worden aangenomen dat de pauliaanse vordering is geformuleerd door de appellant in zijn conclusie neergelegd op 2 oktober 2015.

De pauliaanse vordering is een vordering op grond van de artt. 1382-1383 BW, waarbij de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van vijf jaar geldt (art. 2262 bis, § 1, tweede lid BW).

De ontbinding met aanstelling van de vereffenaar is besloten in de bijzondere algemene vergadering van 19 juni 2008 (bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2008). De vereffening is afgesloten met kwijting voor de vereffenaar op de bijzondere algemene vergadering van 23 december 2008, gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2009.

Terecht werpt H.N. dan ook de verjaring op van de (pauliaanse) vordering tot niet-tegenwerpelijkheid op.

Het hoger beroep tegen het bestreden vonnis is ongegrond.

De pauliaanse vordering is als nieuwe vordering die pas met conclusies neergelegd op 2 oktober 2015 is geformuleerd, onontvankelijk want verjaard.

• Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 3 oktober 2013 RW 2014-2015, 433

Art. 574, 1° Ger.W. bepaalt: “De rechtbank van koophandel neemt, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis van geschillen ter zake van een vennootschap beheerst door het Wetboek van Vennootschappen, tussen vennootschappen en vennoten, tussen vennoten, tussen vennootschappen en bestuurders of zaakvoerders, tussen bestuurders of zaakvoerders, tussen bestuurders of zaakvoerders en derden, tussen bestuurders of zaakvoerders en vennoten, tussen commissarissen, tussen commissarissen en vennootschappen, tussen commissarissen en bestuurders, zaakvoerders of vennoten, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en derden, tussen vereffenaars en vennootschappen of tussen vereffenaars en vennoten, tussen vennootschappen, vennoten, bestuurders of zaakvoerders, commissarissen of vereffenaars en bedrijfsrevisoren, tussen oprichters, tussen oprichters en vennootschappen, tussen oprichters en derden of tussen oprichters, vennootschappen, vennoten en bestuurders of zaakvoerders”.

Belangrijk hierbij is dat verweerder door eiser gedagvaard is in een dubbele hoedanigheid, enerzijds als (gewezen) vertegenwoordiger van de vennootschap (m.a.w. q.q.), anderzijds ook in eigen naam.

In de mate dat verweerder gedagvaard wordt als “wettelijke spreekbuis” van de vereffende vennootschap, zij opgemerkt dat in voorliggende zaak sprake is van een geschil “tussen vennoten en vennootschappen”, als bedoeld in art. 574, 1o Ger.W.

Of eiser nu daadwerkelijk aandeelhouder is of niet, betreft de grond van de zaak en is niet doorslaggevend ter bepaling van de materiële bevoegdheid. Conform vaststaande cassatierechtspraak, voor zoveel als nodig door deze rechtbank bijgevallen, bepaalt het voorwerp van de vordering in de bewoordingen van de eiser immers de bevoegdheid. Het volstaat bijgevolg dat de eiser poneert dat hij aandeelhouder is van de inmiddels volledig vereffende vennootschap. Hier zij enkel nog aan toegevoegd dat het onderzoek naar de draagwijdte of het bestaan van het subjectief recht dat door de eiser wordt ingeroepen de gegrondheid van de vordering betreft (zie o.a.: Cass. 26 februari 2004, RABG 2004, 612; Cass. 14 januari 1983, Arr.Cass. 1982-83, 663).

Dat de vennootschap in kwestie op heden juridisch niet meer bestaat vormt geen bezwaar. De vereffening wordt gesloten door (en op het tijdstip van) de beslissing van de algemene vergadering. Vanaf dan verdwijnt de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap definitief (Cass. 22 maart 1962, Pas. 1962, I, 807). Het is op het ogenblik van de sluiting van de vereffening dat de vennootschap haar rechtspersoonlijkheid verliest en verdwijnt als afzonderlijk rechtssubject; de vennootschap heeft alsdan geen afgescheiden vermogen meer, geen organen die haar nog zouden kunnen vertegenwoordigen en ook geen maatschappelijke zetel meer. Door het verdwijnen van haar rechtspersoonlijkheid verliest de vennootschap ook haar procesbekwaamheid. De vereffenaars van hun kant verliezen hun mandaat om nog op te treden in naam en voor rekening van de vennootschap. Een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid kan in beginsel als zodanig niet in rechte worden aangesproken.

Het verlies van de rechtspersoonlijkheid is evenwel niet absoluut. Overeenkomstig art. 198, § 1 W.Venn. kan een schuldeiser van de vennootschap nog gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening in het Belgisch Staatsblad, een vordering instellen tegen de vereffenaar(s) qualitate qua, d.i. als orgaan van de vennootschap. De vennootschap behoudt – gedurende een periode van vijf jaar na de sluiting van haar vereffening – immers een virtuele passieve rechtspersoonlijkheid, zelfs nadat haar vereffening volledig afgesloten is ingevolge een sluitingsvergadering.

Aangezien schuldeisers na de sluiting van de vereffening nog vorderingen kunnen instellen tegen de vennootschap – zolang de verjaringstermijn van vijf jaar sinds de bekendmaking van de sluiting niet is verstreken – houdt dit noodzakelijkerwijze in dat de vennootschap zich tegen deze vorderingen kan verweren (d.i. de zgn. “passieve rechtsbekwaamheid”). Anders zou eenieder bij verstek een veroordeling van de vennootschap kunnen verkrijgen. Indien de vennootschap na de sluiting van haar vereffening volledig uit het rechtsverkeer zou verdwijnen, zouden de schuldeisers immers geen rechtsvordering meer kunnen instellen (en derhalve geen uitvoerbare titel meer kunnen verkrijgen voor hun schuldvorderingen). De schuldeisers moeten hun rechtsvordering immers tegen iemand kunnen instellen. Hun vordering kan niet zomaar in het luchtledige hangen.

De passieve rechtspersoonlijkheid is derhalve ingegeven vanuit de wens tot bescherming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat de vereffende vennootschap geacht wordt voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap. Het Hof van Cassatie heeft dit nog uitdrukkelijk bevestigd in zijn arrest van 17 april 2008 (RABG 2010, 150).

Aangezien de vereffende vennootschap na de sluiting van de vereffening geen maatschappelijke zetel meer heeft, moet de dagvaarding worden betekend aan (en op de woonplaats van) de (gewezen) vereffenaar. Dit is kennelijk ook gebeurd.

Art. 574, 1o Ger.W. somt de “vereffenaar” overigens ook op onder de personen die bij het geschil betrokken kunnen zijn. Art. 574, 1o Ger.W. bepaalt immers: “De rechtbank van koophandel neemt, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis van geschillen ter zake van een handelsvennootschap tussen (...) vereffenaars en vennoten”.

Overigens wordt in de regel aanvaard dat geschillen tussen vennoten (dat eiser beweert dat hij “vennoot” is, volstaat in het raam van het preliminair bevoegdheidsonderzoek: zie supra) betreffende de verdeling van het vermogen van de vennootschap in geval van vereffening van de vennootschap ressorteren onder de bevoegdheidsgrond van art. 574, 1o Ger.W. (E. Janssens, “De rechtbank van koophandel als bevoegde rechter inzake vennootschapsgeschillen (art. 574, 1o en 2o Ger.W.)”, TRV 2000, (397), p. 403, nr. 18).

Aangenomen dat eiser een loutere derde zou zijn (d.w.z. vreemd aan de vennootschap, bij gebreke van een actueel aandelenbezit), zoals beweerd wordt door verweerder, zij opgemerkt dat ook voor geschillen tussen vereffenaars en derden de rechtbank van koophandel bevoegd is krachtens art. 574, 1o Ger.W.

In zoverre verweerder zijn exceptie van onbevoegdheid bijkomend motiveert door aan te voeren dat er in de kern sprake is van een eigendomsbetwisting tussen de onderhavige partijen in het geding (althans minstens in zoverre verweerder in eigen naam aangesproken wordt), zij opgemerkt dat de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen over de bij hem ingeleide eis, eveneens bevoegd is om kennis te nemen van de verweermiddelen, zelfs wanneer het verweer in kwestie betrekking heeft op geschilpunten die in beginsel niet tot zijn bevoegdheid zouden behoren, tenminste als deze afzonderlijk bij de rechter aanhangig zouden worden gemaakt en het voorwerp zouden uitmaken van afzonderlijke of onderscheiden eisen (zie o.a.: A. Fettweis, Bevoegdheid, Antwerpen, Standaard, 1971, p. 79, nr. 124; J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 300, nr. 596). Hoewel deze bevoegdheidsregel niet expliciet is opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek, wordt aangenomen dat dit principe een toepassing vormt van het (rechts)beginsel “accessorium sequitur principale”.

Deze rechtbank is dan ook zonder enige twijfel bevoegd, gelet op bovenstaande overwegingen en beschouwingen.

De exceptie wordt verworpen.

4.2. Eiser werpt zich op als schuldeiser, c.q. als aandeelhouder en beweert in dat verband aanspraak te kunnen maken op een deel van het liquidatietegoed.

Hoewel de afsluiting van de vereffening geen afbreuk kan doen aan de rechten van schuldeisers (die zich op grond van art. 198, § 1, derde streepje W.Venn. kunnen wenden tegen de vereffenaar “als zodanig”), kunnen zij echter geen betaling meer vorderen van hun vordering: de vereffende vennootschap heeft immers geen vermogen meer (J. Ronse e.a., “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen”, TPR 1986, 1423; M. Corynen en E. De Bie, “Art. 194 W.Venn.” in H. Braeckmans, K. Geens en E. Wymeersch (eds.), Artikelsgewijze Commentaar Vennootschappen, Mechelen, Kluwer, 1994, 30-31).

De afsluiting van de vereffening heeft tot gevolg dat de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap een einde neemt. Aangezien het gehele vermogen van de vennootschap reeds vereffend en verdeeld werd, heeft een schuldeiser dan ook niet meer de mogelijkheid om een eventueel positief vonnis uit te voeren, bij gebrek aan executievermogen. De virtuele passieve rechtspersoonlijkheid van de vereffende vennootschap doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

Indien een schuldeiser alsnog betaling van zijn schuldvordering wenst te verkrijgen, dient hij dus ook de nietigheid van de beslissing tot sluiting van de vereffening (of minstens de niet-tegenwerpelijkheid ervan, via bv. de pauliaanse vordering) te vorderen (E. De Bie, “Enkele bedenkingen betreffende de heropening van de vereffening van vennootschappen”, TRV 1996, nrs. 21 e.v.; Ph. Descamps, “Les actions dirigées contre une société en liquidation ou liquidée, et la responsabilité du liquidateur” (noot onder Gent 15 december 1995), TBH 1997, 387).

...

4.3. Rest nog de vraag naar de vordering van eiser, gericht tegen verweerder in eigen of persoonlijke naam.

Alleszins is de vereffenaar niet de rechtsopvolger van de ontbonden en vereffende vennootschap. Dit houdt in dat de vereffenaar slechts in eigen naam kan worden aangesproken na de sluiting van de vereffening, in zoverre hij een fout zou hebben begaan in de uitvoering van zijn mandaat van vereffenaar.

Volgens eiser schiet de vereffenaar, die weet dat er nog een schuld bestaat en die het actief onder de vennoten verdeelt zonder de schuld te betalen of te zorgen voor de vereiste consignatie, tekort in zijn beheer.

In feite betreft het hier een aansprakelijkheidsvordering. Eiser betoogt overigens zelf in conclusies dat de bestaansreden voor de aansprakelijkheid van de vereffenaars tegenover derden te vinden is in de onrechtmatige daad en in art. 1371 en 1382 BW.

De aansprakelijkheid van de vereffenaar wordt uitdrukkelijk door het Wetboek van Vennootschappen bepaald: art. 192 W.Venn. bepaalt immers dat de vereffenaars zowel jegens derden als jegens de vennoten verantwoordelijk zijn voor de vervulling van hun taak en dat ze aansprakelijk zijn voor de tekortkomingen in hun bestuur.

De in art. 192 W.Venn. neergelegde regeling brengt mee dat de vereffenaars zich door de aanvaarding van hun opdracht ertoe verbinden niet enkel oog te hebben voor de belangen van de vennootschap in vereffening, maar tevens nauwgezet de aan hun opdracht verbonden verbintenissen – waarvan sommige in het belang der schuldeisers zijn voorgeschreven – uit te voeren.

Derden die de vereffenaar aanspreken voor begane fouten of eventuele tekortkomingen, dienen – net zoals in het raam van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid – aan te tonen dat ze door de fout van de vereffenaar schade hebben geleden en dat er tussen deze fout en de schade een causaal verband bestaat (J. Lambrechts, De vereffening van de BVBA en de NV, Mechelen, Kluwer, 2007, 244).

De vordering tegen verweerder in eigen naam ent zich in essentie op de vraag of eiser beschikt(e) over een vordering ten aanzien van de vennootschap, c.q. diens (aandeelhouders)rechten werden miskend door verweerder in de uitoefening van zijn vereffenaarsmandaat.

...

• Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 27 juni 2013, RW 2014-2015, 430

BVBA D. t/ Comm.V. N. en P.B.

...

2. Voorwerp van de vorderingen

Eiseres vordert de veroordeling van:

– eerste verweerster tot betaling aan haar van de som van 15.794,71 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten vanaf 25 juni 2012, vermeerderd met de gerechtelijke interesten;

– eerste verweerster tot betaling aan haar van de som van 41.035,38 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten vanaf 25 juni 2012, vermeerderd met de gerechtelijke interesten;

– tweede verweerder hoofdelijk met eerste verweerster tot betaling van voornoemde bedragen.

...

3. Samenvatting van de standpunten van partijen

...

3.2. De aan de grondslag van onderhavige betwisting liggende feiten zijn eenvoudig samen te vatten.

...

Eiseres werd opgericht in 2006 door o.a. tweede verweerder, die ook statutair zaakvoerder was van eiseres, tot begin 2009. Vervolgens was eerste verweerster (de managementvennootschap van tweede verweerder) medezaakvoerder, dit tot september 2011.

De vordering van eiseres kan worden uitgesplitst in twee onderscheiden onderdelen.

Enerzijds vordert eiseres het saldo van een rekening-courant. In dat verband betoogt eiseres dat eerste verweerster, in de persoon van tweede verweerder, ingevolge volmacht op de rekeningen van eiseres (bij vier onderscheiden banken) de beschikking heeft gehad over een bankkaart van eiseres en wegens afhalingen met die bankkaart door tweede verweerder (of diens partner) een bedrag in rekening-courant blijft verschuldigd van 15.794,71 euro. Diverse aanmaningen en betalingsverzoeken zouden volgens eiseres zonder reactie of antwoord gebleven zijn.

Anderzijds vordert eiseres een som terug van 41.035,38 euro (zijnde 9.943,59 euro + 31.091,99 euro) wegens onverschuldigde betaling. In dat verband betoogt eiseres dat eerste verweerster dezelfde prestaties en onkosten factureerde aan zowel de NV L.T.S. als aan eiseres. Eiseres zou dit pas ontdekt hebben na het vertrek van verweerders. Verweerster zou gehouden zijn tot terugbetaling met toepassing van art. 1377 en 1378 BW. Eiseres verduidelijkt dat deze (onverschuldigde) betalingen konden gebeuren doordat eerste verweerster (in de persoon van tweede verweerder) op dat ogenblik nog steeds zaakvoerder was van eiseres.

Tweede verweerder wordt mede in rechte aangesproken, in zijn hoedanigheid van beherend vennoot van eerste verweerster (art. 202 W.Venn.).

Verweerders, die de vordering van eiseres betwisten, concluderen o.a. dat:

– de vordering onontvankelijk en ontoelaatbaar is omdat de beslissing om in rechte op te treden niet genomen werd door het daartoe bevoegde orgaan (de benoeming van de vereffenaar was ten tijde van de betekening van de dagvaarding nog niet bevestigd door de voorzitter van de rechtbank van koophandel), c.q. eiseres om die reden niet voldoet aan de voorschriften van art. 703 Ger.W.

...

4. Beoordeling

4.1. De rechtbank dient ambtshalve haar materiële bevoegdheid te onderzoeken, aangezien deze de openbare orde aanbelangt.

...

Tweede verweerder wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van beherend vennoot van eerste verweerster, die een Comm.V. is. Alleszins betwist tweede verweerder zijn hoedanigheid van beherend vennoot van eerste verweerster niet.

Luidens art. 202 W.Venn. is de gewone commanditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd. Volgens recente cassatierechtspraak kunnen de beherende (dit zijn de actieve of werkende) vennoten van de gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.) als kooplieden worden aangemerkt (Cass. 19 december 2008, C.07.0281.N). Daarom heeft deze rechtbank de vereiste bevoegdheid.

4.2. Verweerders concluderen tot de niet-ontvankelijkheid en niet-toelaatbaarheid van de vordering van eiseres. In dat verband voeren zij in conclusies aan dat eiseres vrijwillig in ontbinding en vereffening is gesteld, terwijl de dagvaarding gebeurde op het ogenblik dat de buitengewone algemene vergadering van eiseres reeds had beslist tot vrijwillige ontbinding en vereffening (vanaf welk ogenblik de zaakvoerders niet meer bevoegd zijn om in rechte op te treden), maar de benoeming van de vereffenaar nog niet bekrachtigd was door de rechtbank. Meer bepaald voeren verweerders volgende – volgens hen relevante – data aan:

– beslissing tot ontbinding en aanstelling van de vereffenaar door de buitengewone algemene vergadering op 28 december 2012;

– neerlegging van het verzoekschrift houdende bevestiging van de benoeming van de vereffenaar op 5 februari 2013;

– beschikking houdende inwilliging van het verzoek van 6 februari 2013;

– dagvaarding op 7 februari 2013.

De exceptie faalt. Wel is de verwijzing door eiseres naar art. 440 Ger.W. op zich niet dienend. De vraag wie binnen de rechtspersonen bevoegd is om namens deze rechtspersoon te beslissen om in rechte te treden, betreft immers het handelen van de rechtspersoon. Deze kwestie wordt door het rechtspersonenrecht, in het bijzonder het Wetboek van Vennootschappen beheerst; de beslissing van de rechtspersoon om in rechte te treden betreft immers een wilsuiting van de rechtspersonen, en deze beslissing is op zich ook geen proceshandeling. Art. 440 Ger.W. zou slechts relevant zijn in de mate dat de vraag gesteld wordt wie binnen de rechtspersonen aan de advocaat mandaat heeft gegeven om namens de rechtspersoon in rechte te verschijnen en alle andere proceshandelingen te stellen (zie o.a.: A. Decroes, “L’action en justice des personnes morales: de la décision d’agir à la comparution”, TBBR 2003, 294; V. Renard, “Action et représentation en justice des personnes morales”, JT 2002, 225; D. Sterckx, “Le mandat procédural de l’avocat”, JT 1997, 401; J. Vananroye, “De bekrachtiging van eenzijdige vertegenwoordigingshandelingen, in het bijzonder van de actio mandati ingesteld zonder beslissing van de A.V.”, TRV 2004, 37 e.v.; M. Crommen, “Procesvertegenwoordiging van de Belgische Staat”, TFR 2003, 989 e.v.; A. Decroes, “La représentation en justice des personnes morales” in Les actions collectives devant les différentes juridictions, Luik, Formation Permanente CUP, nr. 47, 2001, 151 e.v.; T. Delvaux, “Représentation et comparution des sociétés devant les juridictions de l’ordre judiciaire”, Act. dr. 2002, 443 e.v.; Ph. Malherbe, “Réception de la société anonyme au Conseil” in Liber Amicorum Jacques Malherbe, Brussel, Bruylant, 2006, 701 e.v.).

De vennootschap wordt na haar ontbinding geacht verder te bestaan voor haar vereffening (art. 183, § 1, eerste lid W.Venn.). De vennootschap behoudt haar rechtspersoonlijkheid, zij het uitsluitend met het oog op haar vereffening; het vereffeningsdoel treedt in de plaats van het statutair doel. Het behoud van de rechtspersoonlijkheid heeft o.m. tot gevolg dat de vennootschap haar actieve en passieve rechtsbekwaamheid behoudt.

...

Het is correct, zoals verweerders betogen, dat na de ontbinding de vereffenaar de enige persoon is die, met uitsluiting van de bestuurders, bevoegd is om namens de vennootschap alle rechtsgedingen te voeren. Aangezien de ontbinding van de vennootschap van rechtswege resulteert in de beëindiging van het mandaat van de bestuurders/zaakvoerders van de vennootschap (art. 2004 BW), hebben deze vanaf dat ogenblik niet meer de vereiste hoedanigheid om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen. Vanaf de ontbinding zijn de vereffenaars in principe de enige organen die de vennootschap in rechte kunnen vertegenwoordigen.

Feit is echter dat nergens, op straffe van niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de vordering, voorgeschreven is dat de dagvaarding melding zou maken van het orgaan van de rechtspersoon ten verzoeke van wie de procedure ingeleid wordt.

Wanneer een rechtspersoon in rechte optreedt door middel van zijn organen, is er overigens identiteit tussen de formele en de materiële procespartij (C. Mostin, “Contentieux et copropriété”, JT 2007, (469) 470; K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 183, nr. 402). Het orgaan is als het ware de rechtspersoon: deze handelt niet in naam en voor rekening van de rechtspersoon, maar vereenzelvigt zich met de rechtspersoon, aan wie zijn handelen van rechtswege toegerekend wordt. Er bestaat bijgevolg een eenheid tussen orgaan en rechtspersoon, die maakt dat het optreden van de ene, het optreden van de andere is.

Krachtens art. 703 Ger.W., dat integraal van toepassing blijft bij vennootschappen in vereffening, treden rechtspersonen in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen: om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging is het voldoende de benaming, het rechtskarakter en de maatschappelijke zetel van de desbetreffende vennootschap op te geven.

Aan deze vereisten is evenwel duidelijk voldaan. Overigens wordt ook de vermelding van de identiteit van de vereffenaar niet noodzakelijk geacht (H. Braeckmans, Vereffening van vennootschappen buiten faillissement, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 26, nr. 42).

De (proces)rechtshandeling die de vereffenaar als orgaan stelt, is niet zomaar een vertegenwoordigingshandeling, maar de eigen rechtshandeling van de rechtspersoon. Op een vordering de sanctie van de niet-ontvankelijkheid toepassen, houdt dan ook een negatie in van het wezen zelf van een rechtspersoon, die uit zijn aard (noodgedwongen) voor de rechter moet verschijnen door middel van natuurlijke personen, die zijn spreekbuis zijn (vergelijk: Cass. 13 maart 1978, Arr.Cass. 1978, 803).

Er is ten slotte geen sprake van een juridisch vacuüm in de periode tussen de benoeming/aanstelling van de vereffenaar en de homologatie van deze benoeming: principieel zijn de handelingen gesteld door de vereffenaar geldig, ook al is er nog geen bevestiging van zijn benoeming.

Overigens geldt naar Belgisch recht een vermoeden van rechtsschijn, c.q. van rechtsgeldigheid van rechtshandelingen, dat blijft bestaan zolang de nietigverklaring van deze rechtshandeling niet uitgesproken is door de rechter (zie o.a.: Cass. 21 oktober 1971, Pas. 1972, I, 174; Cass. 4 februari 1924, Pas. 1924, I, 190; Gent 16 april 2007, DAOR 2008, 327; Brussel 12 oktober 1999, TRV 2001, 24; W. Van Gerven, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch privaatrecht, I, Antwerpen, Standaard, 1973, nr. 120).

In die zin moet de (thans opgeheven: zie infra) wetsbepaling gelezen worden dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel de handelingen nietig kan verklaren indien ze kennelijk in strijd zouden zijn met de rechten van derden. De rechterlijke controle impliceert dan ook geen homologatie, maar een bevestiging van de benoeming (zie o.a.: H. Braeckmans, “Vereffening van vennootschappen: nieuwe bevoegdheid van de rechtbank van koophandel”, RW 2006-07, (662), p. 665, nr. 13).

De voorheen bestaande bepaling dat de rechtbank die handelingen met terugwerkende kracht kan bevestigen dan wel nietig verklaren indien zij kennelijk in strijd zijn met de rechten van derden (oud art. 184, § 1, tweede lid W.Venn.), werd in de rechtsleer bekritiseerd omdat zij slecht geformuleerd was. Betoogd werd dat de wetgever had kunnen volstaan met te bepalen dat de rechtbank die handelingen kan nietig verklaren. Wegens het in se volwaardige mandaat van de vereffenaar leek er immers geen reden te zijn om aan te nemen dat handelingen gesteld vóór de bevestiging ervan door de rechter principieel gebrekkig zouden zijn (K. Byttebier en T. Vande Gehuchte, “De wet van 2 juni 2006 tot verbetering van de vereffeningsprocedure: enkele eerste kanttekeningen”, TRV 2007, (3), p. 9-10, nr. 9; P. Malherbe, “Du liquidateur garanti probe”, JT 2006, (753) 754).

De wet van 19 maart 2012 (BS 7 mei 2012, bijgevolg in werking sedert 17 mei 2012) komt tegemoet aan die kritiek. Ter zake werd in de parlementaire voorbereiding geoordeeld dat de bevestiging met terugwerkende kracht overbodig is, omdat handelingen die gesteld zijn vóór de bevestiging van de benoeming verondersteld worden geldig te zijn (Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 1605/001, p. 4; zie ook: J. Lambrechts, De vereffening van de BVBA en de NV in Reeks Notariële Praktijkstudies, Mechelen, Kluwer, 2007, 95). De nieuwe bepaling in art. 184, § 2, derde lid in fine W.Venn., reeds van toepassing op onderhavige procedure (“Hij kan die handelingen nietig verklaren indien ze kennelijk in strijd zijn met de rechten van derden”), is in die optiek een volkomen aanvaardbare wetswijziging (H. Braeckmans, “Nieuwe wijzigingen bij vereffening van vennootschappen: de wet van 19 maart 2012”, RW 2012-13, (1482), p. 1485, nr. 9).

Niettegenstaande de vereiste hoedanigheid in beginsel aanwezig moet zijn op het ogenblik dat de vordering ingeleid wordt, kan men ervan uitgaan dat wanneer een beslissing van een orgaan naderhand geformaliseerd wordt, zij geacht wordt altijd te hebben bestaan tot het ogenblik waarop deze terugwerkt (K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, p. 121, nr. 86). Bijgevolg kunnen verweerders geen dienende argumenten putten uit het feit dat het ingediende verzoek “de handelingen te bevestigen die door de vereffenaar gesteld werden tussen zijn benoeming door de algemene vergadering en de bevestiging”, door de voorzitter van deze rechtbank niet ingewilligd werd, c.q. impliciet zou afgewezen zijn.

De vordering is dan ook ontvankelijk en toelaatbaar.

...

4.7. Zoals hierboven reeds werd aangegeven, is tweede verweerder vennoot van eerste verweerster en in die specifieke hoedanigheid (gelet op zijn hoofdelijke onbeperkte aansprakelijkheid) gedagvaard door eiseres.

Aangezien de vordering ten aanzien van eerste verweerster gegrond is, dient ook tweede verweerder te worden veroordeeld.

Niets belet immers dat tweede verweerder wordt veroordeeld in dezelfde rechterlijke uitspraak als eerste verweerster (zie o.a.: Cass. 6 oktober 2011, C.10.0290.N, www.cass.be).

4.8. Verweerders worden tot de kosten van het geding veroordeeld als partijen die in het ongelijk werden gesteld.

Eiseres kan slechts aanspraak maken op één enkele rechtsplegingsvergoeding, omdat de vorderingen in essentie identiek zijn (tweede verweerder werd enkel in rechte aangesproken in zijn hoedanigheid van hoofdelijk aansprakelijke vennoot van eerste verweerster).

...

 

Rechtspraak: 

• Cass. 28/10/2016, RW 2016-2017, 1618

samenvatting

De vereffenaar van een vennootschap is een orgaan van die vennootschap.

De persoon die als vereffenaar wordt aangesteld bij een vonnis dat de vennootschap ontbindt en in vereffening stelt, is zelf geen partij bij dat vonnis. Hij kan niet persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de door de uitvoering van het vonnis veroorzaakte schade.

Tekst arrest

AR nr. C.15.0515.N

NV A.S. in vereffening t/ NV A.S. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 november 2014 en 28 mei 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 1398, eerste lid Ger.W., zoals hier van toepassing, kan de rechter, behalve in de uitzonderingen die de wet bepaalt, de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan.

Volgens art. 1398, tweede lid Ger.W., zoals hier van toepassing, geschiedt de tenuitvoerlegging van het vonnis alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.

2. De vereffenaar is een orgaan van de vennootschap.

De persoon die als vereffenaar wordt aangesteld bij een vonnis dat de vennootschap ontbindt en in vereffening stelt, is zelf geen partij bij dat vonnis. Hij kan bijgevolg niet persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de tenuitvoerlegging van dat vonnis.

3. Door in het arrest van 28 mei 2015 de eiseres te veroordelen tot de vergoeding van de door de uitvoering van het vonnis veroorzaakte schade, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 11/06/2017 - 13:23
Laatst aangepast op: zo, 11/06/2017 - 13:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.