-A +A

Voorrecht van de verhuurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het voorrecht van de verhuurder slaat op al wat het verhuurde pand
stoffeert. Op deze goederen heeft de verhuurder een zakelijke zekerheid, waarbij hij ten belope van de huurgleden op de opbrengst hiervan bij voorrang betaald wordt.

Het voorrecht slaat op: indien het een huis betreft, voor twee vervallen jaren ; daarenboven voor het lopende jaar, alsmede voor het jaar dat daarop volgt, en zelfs, indien de huurkontrakten, authentiek zijn of indien zij, onderhands zijnde, een vaste dagtekening hebben, voor a/ hetgeen nog moet vervallen.

Het voorrecht van de onbetaalde verhuurder verhuurder omvat op alle goederen die het verhuurde pand stofferen. 

In oude rechtsleer werd gesteld dat deze "stoffering" diende te voldoen aan een bestendigheidsvereiste, in die zin dat de goederen parmanent aanwezig zouden moeten zijn en tevens zouden moeten bijdragen tot het genot en de exploitatie van het onroerend goed en conform zijn aan de bestemming ervan.

Vandaag wordt het voorrecht principieel uitgeoefend op al wat zich in de woning bevindt, zo ook op verbruiksgoederen, grindstoffen en koopwaren en zelfs op goederen van derden.

Zie Cassatie 4 december 2003, AR C020174N, juridat

Samenvatting:

Het voorrecht dat de verhuurder van een onroerend goed kan uitoefenen op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert omvat ook de goederen die aan derden toebehoren, op voorwaarde van zijn goede trouw die moet beoordeeld worden op het tijdstip waarop de goederen het onroerend goed worden binnengebracht.

Tekst arrest

Nr. C.02.0174.N
ALL-CAR-RENT, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 2170 Merksem, Frans de l'Arbrelaan 61, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 288.726,
eiseres,
tegen
1. ERDA KOMADA, coöperatieve vennootschap, met maatschappelijke zetel te 8670 Oostduinkerke, Bitterzoetlaan 46A,
2. T.G. handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV G2S, met maatschappelijke zetel te 1780 Wemmel, Brusselsesteenweg 213,
verweerders.

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

artikel 20, enig lid, 1°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851, zoals gewijzigd door artikel 11 van de wet van 7 maart 1929, vormend titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek ;
artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek ;
artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Aangevochten beslissing

Na te hebben uiteengezet welke bepalingen en beginselen op onderhavige zaak van toepassing zijn (zie arrest, p. 4, punten 8. en 9.) en te hebben vastgesteld dat in het voorliggend geval de drie door de gefailleerde gehuurde wagens duidelijk gebruikt werden voor bedrijfsdoeleinden (zie arrest, p. 9, punt 10.), oordeelt het hof van beroep op grond van volgende motieven (arrest, p. 5, punten 11. en 12.) dat de verhuurder van de lokalen (eerste verweerster) te dezen te goeder trouw mocht aannemen dat de gehuurde wagens tot de zate van haar voorrecht behoorden op het ogenblik dat ze de bedrijfsruimte werden binnengebracht, zodat het principaal beroep en het incidenteel beroep van tweede verweerder gegrond werden verklaard en het incidenteel beroep van eiseres ongegrond werd verklaard, waarna het bestreden vonnis grotendeels werd hervormd en, opnieuw wijzende, de vordering van eiseres tot teruggave van de voertuigen werd verworpen, voor recht werd gezegd dat de drie voertuigen behoren tot de zate van het voorrecht van eerste verweerster, dit bij toepassing van artikel 20, enig lid, 1°, van de Hypotheekwet, voor recht werd gezegd dat het bedrag van 900.000 BEF dat door eiseres werd geconsigneerd in handen van de curator, meer de interesten erop, dient te worden vrijgegeven ten voordele van eerste verweerster, en eiseres werd veroordeeld in de gedingkosten van beide aanleggen :

"Huurder, noch verhuurder van de voertuigen hebben (eerste verweerster) op dat ogenblik ingelicht nopens het bestaan van een huurovereenkomst. Evenmin kan worden gesteld dat uit de aard of de omvang van de activiteit welke de huurder krachtens de overeenkomst mocht ontplooien volgens de bestemming van de plaatsen (burelen, stockageruimte en atelier) de verhuurder kon of moest weten dat deze bedrijfswagens zouden worden gehuurd.

(...) Verder is niet dienend of de verhuurder voor het eerst op de datum van het faillissement, of eventueel zelfs later, kennis kreeg van de aanwezigheid van de voertuigen, noch dat deze niet in beslag werden genomen ter gelegenheid van het pandbeslag op 3 december 1998. Evenmin is decisief dat op de voertuigen uiterlijke tekenen waren aangebracht die naar het eigendomsrecht van (eiseres) verwezen.

Uit geen enkel gegeven kan immers worden afgeleid dat (eerste verweerster, de verhuurder van de lokalen) hiervan (bedoeld wordt :
het eigendomsrecht van eiseres) weet had op het ogenblik dat de voertuigen tot de stofferende goederen gingen behoren door hun aanwezigheid in het gebouw.

Tenslotte doen de problemen waarmee (eiseres) wordt geconfronteerd met betrekking tot (haar) mogelijkheid om uit te maken of (haar) contractpartner al dan niet ook huurder van een gebouw is, geen afbreuk aan de rechten uit artikel 20.1° Hypotheekwet. Ze behoren integendeel tot het risico van de verhuuractiviteit inzake roerende goederen".

Grieven

Overeenkomstig artikel 20, enig lid, 1°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851 zijn de huur- en pachtgelden van onroerende goederen tot beloop van het door de wet bepaalde bedrag, bevoorrecht op de vruchten van de oogst van het jaar, en op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert en, van al hetgeen tot de exploitatie van de hoeve dient.

Mede gelet op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek kan de verhuurder de goederen die aan derden toebehoren slechts als zijn onderpand beschouwen voor zover hij te goeder trouw is. Deze goede trouw wordt in beginsel beoordeeld op het ogenblik waarop de goederen in het verhuurde pand worden binnengebracht.

Zoals door eiseres uiteengezet in conclusies (zie de conclusies in hoger beroep van eiseres, pp. 5 tot 8, punten 3. en 4. ; de aanvullende en samenvattende conclusies in hoger beroep van eiseres, pp. 6 tot 11, punten 3. en 4.), leidt een strakke toepassing van deze door het hof van beroep op correcte wijze uiteengezette beginselen (zie arrest, p. 4, punten 8. en 9.) in de commerciële activiteit tot onhoudbare situaties.

Het ogenblik van het binnenbrengen van de goederen in het verhuurde goed als relevant beoordelingsmoment van de goede trouw van de verhuurder kan alleen worden in acht genomen voor zover de verhuurder inderdaad kennis heeft van het binnenbrengen van deze goederen.

Door enkel rekening te houden met het ogenblik van het binnenbrengen van de goederen in de gehuurde lokalen zonder acht te slaan op het ogenblik van de kennisname, in hoofde van de verhuurder van de bedrijfslokalen, van deze aanwezigheid van de goederen, komt men tot theoretische bespiegelingen die losstaan van de economische realiteit.

Door te overwegen dat uit geen enkel gegeven kan worden afgeleid dat eerste verweerster, als verhuurster van de lokalen, van het eigendomsrecht van eiseres weet had op het ogenblik dat de voertuigen tot de stofferende goederen gingen behoren door hun aanwezigheid in het gebouw, wordt het bewijs van kwade trouw (de afwezigheid van goede trouw) geëist in hoofde van een persoon op een ogenblik dat deze zelfs niet op de hoogte blijkt te zijn van het binnenbrengen van de goederen in het gehuurde goed.

Het bewijs van de afwezigheid van goede trouw op het ogenblik van het binnenbrengen van het goed in het gehuurde pand is derhalve alleen relevant voor zover de verhuurder (van de bedrijfslokalen) op dat ogenblik ook effectief kennis neemt van deze inbreng.
Is dit, zoals in casu, niet het geval, dan dient de afwezigheid van goede trouw te worden bewezen op het ogenblik van de kennisname, door de verhuurder van de bedrijfslokalen, van het aanwezig zijn van het goed in zijn pand.

Derhalve kon het hof van beroep op grond van bovengenoemde motieven niet oordelen dat de verhuurder van de lokalen (eerste verweerster) te dezen te goeder trouw mocht aannemen dat de gehuurde wagens tot de zate van haar voorrecht behoorden op het ogenblik dat ze de bedrijfsruimte werden binnengebracht (schending van de artikelen 20, enig lid, 1°, van de Hypotheekwet en 2279 van het Burgerlijk Wetboek).

Minstens wordt geen afdoende antwoord verschaft op de aanvoeringen van eiseres ter zake (zie de conclusies in hoger beroep van eiseres, pp. 5 tot 8, punten 3. en 4. ; de aanvullende en samenvattende conclusies in hoger beroep van eiseres, pp. 6 tot 11, punten 3. en 4.) en is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat, overeenkomstig artikel 20, 1°, van de Hypotheekwet, de huur- en pachtgelden van onroerende goederen bevoorrecht zijn op de vruchten van de oogst van het jaar, en op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert ;

Overwegende dat de verhuurder zijn voorrecht ook kan uitoefenen op goederen die aan derden toebehoren op voorwaarde van zijn goede trouw ; dat die goede trouw moet beoordeeld worden op het tijdstip waarop de goederen in het onroerend goed worden binnengebracht ;

Overwegende dat het middel dat ervan uitgaat dat die goede trouw dient beoordeeld te worden op het tijdstip waarop de verhuurder effectief kennis neemt van het binnenbrengen van de goederen in het gehuurde onroerend goed, berust op een verkeerde rechtsopvatting ;

Dat het middel in zoverre faalt naar recht ;

Overwegende dat het arrest voor het overige met de weergegeven redenen het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ;

Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van zeshonderd tweeëndertig euro zestig cent jegens de eisende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

• Rechtbank van Koophandel te Gent Afdeling Dendermonde, – 9 januari 2017, RW 2016-2017, 1106

samenvatting

Krachtens art. 20, 1o Hypotheekwet, zijn de huurgelden van onroerende goederen bevoorrecht op de waarde van al wat het verhuurde huis stoffeert.

De verhuurder kan zijn voorrecht ook uitoefenen op goederen die aan derden toebehoren, op voorwaarde van zijn goede trouw. De goede trouw moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de goederen in het onroerend goed worden binnengebracht.

Het voorrecht van de onbetaalde verhuurder is gebaseerd op een stilzwijgend pandrecht. Het voorrecht van de verhuurder strekt zich uit tot al de stofferende huisraad, ongeacht of deze in eigendom toebehoort aan de huurder, op voorwaarde van goede trouw van de verhuurder.

Art. 101 Faillissementswet regelt in het algemeen het recht van terugvordering bij faillissement van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud. Dit wijzigt niets aan het beginsel dat het zadel van het voorrecht van de verhuurder (art. 20, 1o Hypotheekwet) zich uitstrekt tot alle stofferende goederen, ook al zijn ze eigendom van derden.

tekst vonnis

NV A. e.a.

A. Procedure – Voorwerp van de vordering

1. De vordering is ingeleid bij vrijwillige verschijning van 2 december 2016. Zij strekt ertoe het eigendomsvoorbehoud van de NV A. en de BVBA G.W.B. op de op het ogenblik van het faillissement nog aanwezige onbetaalde goederen te erkennen.

2. Bij verzoekschrift van 2 december 2016 vorderen NV N. en M. De W. om vrijwillig te mogen tussenkomen in de ingeleide procedure.

...

B. Feiten voorwerp van de betwisting

4. Bij vonnis van 10 november 2016 van de Rechtbank van Koophandel Gent, afdeling Dendermonde werd de NV H. met zetel te Aalst, (...), failliet verklaard. De gefailleerde vennootschap had twee kledingzaken, één gevestigd te Aalst en één te Sint-Niklaas.

5. Het staat vast dat de verhuurders van de panden waarin de handelszaken werden uitgebaat een schuldvordering hebben op de gefailleerde, de NV N. voor het pand te Sint-Niklaas van 57.943,05 euro en M. De W. voor het pand te Aalst van 46.106,16 euro.

6. Beide verhuurders beroepen zich op hun bijzonder voorrecht van art. 20.1o Hypotheekwet en voeren aan dat het zonder belang is of de goederen de huurder al dan niet in eigendom behoren, zodat de NV A. en de BVBA G.W.B. zich tegenover hen niet op hun eigendomsvoorbehoud kunnen beroepen.

7. De NV A. en BVBA G.W.B. argumenteren, onder verwijzing naar rechtsleer en rechtspraak, dat ingevolge art. 101 Faillissementswet hun eigendomsvoorbehoud algemeen tegenwerpelijk is, dus ook aan de verhuurder. Subsidiair voeren zij aan dat de eigenaars-verhuurders niet als te goeder trouw kunnen worden beschouwd. Volgens eisers moet een verhuurder van winkelruimtes weten dat goederen niet betaald zijn.

C. Beoordeling

8. Krachtens art. 20, 1o Hypotheekwet, zijn de huurgelden van onroerende goederen bevoorrecht op de waarde van al wat het verhuurde huis stoffeert.

De verhuurder kan zijn voorrecht ook uitoefenen op goederen die aan derden toebehoren, op voorwaarde van zijn goede trouw. De goede trouw moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de goederen in het onroerend goed worden binnengebracht (Cass. 4 december 2003, TBBR 2005, 439).

9. De NV A. en BVBA G.W.B. voeren aan dat krachtens art. 101 Faillissementswet eigendomsvoorbehoud algemeen tegenwerpelijk is, dus ook aan de verhuurder.

10. Het voorrecht van de onbetaalde verhuurder is gebaseerd op een stilzwijgend pandrecht. Het voorrecht van de verhuurder strekt zich uit tot al de stofferende huisraad, ongeacht of deze in eigendom toebehoort aan de huurder, op voorwaarde van goede trouw van de verhuurder. De talrijke rechtsleer ook daterend van na de invoering van art. 101 Faillissementswet, bevestigt dit (E. Dirix en R. De Corte, Zekerheidsrechten in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XII, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 177, nr. 258, en p. 427, nr. 609; V. Sagaert en J. Del Corral, Eigendomsvoorbehoud in APR, Mechelen, Kluwer, 2015, 154-155 nr. 234; R. Parijs en F. Helsen, Commentaar bij art. 20, 1o Hyp.W. in Comm.Voor, 2012, nrs. 22-28; S. Van Ommeslaghe, Commentaire art. 20, 1o L. hyp. in Privilèges et hypothèques, 2013, nrs. 24-27 en 25-31; S. Lemiegre, “Het voorrecht van de niet-betaalde verhuurder”, Huur 2015, (125), p. 127, nr. 19). In tegenstelling tot wat eisers beweren, impliceert art. 101 Faillissementswet dus niet dat het zadel van het voorrecht van de verhuurder zich niet zou uitstrekken tot goederen van derden. Art. 101 Faillissementswet regelt in het algemeen het recht van terugvordering bij faillissement van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud. Dit wijzigt niets aan het beginsel dat het zadel van het voorrecht van de verhuurder (art. 20, 1o Hypotheekwet) zich uitstrekt tot alle stofferende goederen, ook al zijn ze eigendom van derden.

11. De NV A. aan een BVBA G.W.B. argumenteren subsidiair dat de verhuurder niet te goeder trouw is, aangezien hij diende te weten dat de goederen onbetaald waren. De bewijslast van de kwade trouw rust op de eigenaar die zijn goederen revindiceert. Voor bepaalde activiteiten zal uit de aard van de activiteit kunnen worden aangenomen dat de goederen aan derden toebehoorden en de verhuurder dit diende te weten, zoals voor de uurwerken bij de horlogemaker, voor de textielgoederen binnengebracht in een wassalon, voor de schoenen bij de schoenmaker. Het is echter niet juist te beweren dat de verhuurder in deze tijd moet weten dat de uitbater van een textielwinkel geen eigenaar is van de goederen. Evengoed kan worden aangevoerd dat in veel gevallen, eenmaal de zaken van de uitbater van een textielwinkel minder goed gaan, het vaak voorkomt dat de leverancier nog slechts wil leveren tegen contante betaling van de geleverde goederen. De stelling dat de verhuurders dienden te weten dat de goederen onbetaald waren, kan niet worden gevolgd.

12. De goederen van de NV A. en de BVBA G.W.B. die zich in het pand bevinden, dienden slechts aangesproken te worden indien de opbrengst van de overige stofferende goederen onvoldoende is om de verhuurders te betalen (Brussel 26 november 2001, DAOR 2001, 365; Gent 29 juni 1973, RW 1973-74, 2501). Het is echter niet bewezen dat de netto-opbrengst van de overige goederen die het pand stofferen voldoende is om de verhuurders te betalen.

13. Aangezien de NV A. en de BVBA G.W.B. zich niet op hun eigendomsvoorbehoud kunnen beroepen, is verder onderzoek of de goederen al dan niet betaald zijn overbodig. (...).

...

Voorrecht van onbetaalde verhuurder slaat niet op kunstwerken in consinatie van de galerijhoudende verhuurder

Hof van Beroep Gent, 20 december 2016, RW 2017-2018, 1303, met noot J. Baeck en H. Van Cauwenberge Waar gaat de kunst naartoe? Over kunstwerken in een kunstgalerie en het voorrecht van de onbetaalde verhuurder.

samenvatting

Opdat de verhuurder zijn voorrecht zou kunnen uitoefenen op alle roerende goederen die het verhuurde huis stofferen, is wel vereist dat hij niet wist of had moeten weten op het ogenblik dat de voorwerpen in het gehuurde goed werden gebracht, dat zij niet toebehoorden aan de huurder. De aanspraken van de verhuurder kunnen worden gekwalificeerd als een soort stilzwijgend pand, waarop art. 2279 BW van toepassing is. Met andere woorden, de verhuurder moet te goeder trouw zijn, wat impliceert dat hij kon en mocht geloven dat de roerende goederen, in het bezit van zijn huurder, diens eigendom waren en dat hij niet behoorde te weten dat die goederen aan een derde toebehoren. Het is deze goede trouw – het subjectieve niet-weten – die ten aanzien van de verhuurder onderzocht moet worden. De kwade trouw van de verhuurder kan worden bewezen door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

De goede trouw moet als opgeheven worden beschouwd door de tijdige mededeling door de derde – bij het binnenbrengen van de goederen in het verhuurde pand – dat de goederen niet de eigendom zijn van de huurder.

De verhuurder wordt ook geacht niet te goeder trouw te zijn wanneer het gaat om zaken die normalerwijze, krachtens vaststaande en erkende gebruiken, de huurder niet toebehoren. Dit principe geldt onder meer in sectoren waar consignatie gebruikelijk is. De eigenaar die goederen aan een handelaar in consignatie heeft gegeven, kan de goederen in principe terugvorderen, op voorwaarde dat zijn eigendomsrecht tegenwerpelijk is, met name wanneer de consignatie in de betrokken branche als een vaststaand gebruik wordt aanvaard. In de sectoren waarin consignatie een algemeen erkend gebruik is, kan de verhuurder zijn voorrecht niet uitoefenen op de stofferende goederen.

Tekst arrest

NV F.E. t/ E.C. en Faillissement BVBA G.D.B.

...

I. Antecedenten

1.1. Op 1 juni 2012 werd tussen NV F.E., thans appellante, en BVBA G.D.B., thans tweede geïntimeerde, een handelshuurovereenkomst gesloten, waarbij eerstgenoemde aan laatstgenoemde een onroerend goed verhuurde, gelegen te (...), bestemd voor de uitbating van een kunstgalerie en atelier.

Bij verstekvonnis van 28 november 2014 van de Vrederechter te Brugge, derde kanton, werd tweede geïntimeerde veroordeeld tot het betalen van de achterstallige huur en werd de huurovereenkomst ten laste van tweede geïntimeerde ontbonden, met veroordeling van laatstgenoemde tot betaling van de wederverhuringsvergoeding.

Eerste geïntimeerde, mevr. E.C., is professioneel beeldhouwster. Op 20 december 2014 stelde zij negen van haar sculpturen op in de kunstgalerie van tweede geïntimeerde.

1.2. Toen tweede geïntimeerde naliet om de krachtens het vonnis verschuldigde bedragen te betalen, liet appellante overgaan tot betekening van het vonnis en vervolgens tot uitdrijving en uitvoerend beslag.

Op 3, 5 en 9 februari 2015 werd op verzoek van appellante ten laste van tweede geïntimeerde uitvoerend beslag gelegd op een groot aantal kunstwerken die in de kunstgalerie werden aangetroffen en dit op grond van haar voorrecht als verhuurder van de handelszaak (art. 20, 1o Hyp.W.). Daarbij werden de kunstwerken door de gerechtsdeurwaarders geïnventariseerd.

De verkoop van de in beslag genomen kunstwerken werd vastgesteld op 21 maart 2015, die echter sine die werd uitgesteld.

1.3. Bij exploot van 9 april 2015 heeft eerste geïntimeerde een vordering ingesteld tot revindicatie van zeven sculpturen (waarvan er één uit drie stuks bestaat) die onbetwistbaar haar eigendom zouden zijn (...).

Eerste geïntimeerde vroeg te zeggen voor recht dat zij de exclusieve eigenaar is van deze in beslag genomen kunstwerken, het uitvoerend roerende beslag van 3, 5 en 9 februari 2015 te horen opheffen ten aanzien van deze goederen en appellante te horen veroordelen om binnen 24 uur na de uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig opheffing te verlenen van het uitvoerend beslag voor de aan haar toebehorende goederen, bij gebreke waaraan het vonnis tot opheffing zal gelden.

Ook vroeg eerste geïntimeerde de veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding voorlopig geraamd op een provisioneel bedrag van 1 euro op een totale eis voorlopig geraamd op 15.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 3 februari 2015 en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding.

...

Tot staving van haar eigendomsrecht beroept eerste geïntimeerde zich in het dagvaardingsexploot op een aantal documenten en feiten die haar eigendom m.b.t. deze kunstwerken moeten bewijzen. Zij voert aan dat zij professioneel kunstenaar is, ingeschreven bij het Maison des Artistes en verwijst naar de informatie die kan worden teruggevonden op haar eigen website in verband met haar opleiding, realisaties, tentoonstellingen.

Zij bewijst via de echtheidscertificaten m.b.t. elk van de in beslag genomen sculpturen dat zij de werkelijke auteur is van de werken, die nog steeds haar eigendom zouden zijn, waarvan ook uitvoerig beeldmateriaal wordt voorgelegd.

Voorts staaft zij haar eigendomsrecht aan de hand van de facturen van de gieterij waar de sculpturen werden gegoten en van de facturen m.b.t. de kristallen vleugels van de sculpturen (...).

Zij verwijst ook naar een aantal foto’s genomen in de periode rond 20 december 2014, op het ogenblik van de opstelling van de tentoonstelling in de Galerie D. van tweede geïntimeerde te Knokke-Heist, welke opstelling door haar persoonlijk is uitgevoerd en die ook is gefilmd.

Eerste geïntimeerde verwijst in het bijzonder naar de consignatie-overeenkomst met tweede geïntimeerde met als voorwerp het tentoonstellen van de werken met het oog op de verkoop en naar de documenten die de afgifte van de sculpturen door haar persoonlijk in de kunstgalerie van tweede geïntimeerde op 20 december 2014 bewijzen (...). Tweede geïntimeerde bevestigde schriftelijk dat eerste geïntimeerde eigenaar is van de in beslag genomen sculpturen.

1.4. Bij de thans bestreden beschikking van 5 mei 2015 werd de revindicatievordering van eerste geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard. Appellante werd veroordeeld om binnen één werkdag na de betekening van de uitspraak opheffing te verlenen van het uitvoerend beslag op de gerevindiceerde goederen. De vordering in schadevergoeding werd ongegrond verklaard.

...

De eerste rechter overwoog dat het auteurschap van eerste geïntimeerde niet betwist kan worden, dat in niets blijkt dat de gerevindiceerde kunstwerken zouden verkocht zijn aan tweede geïntimeerde, dat deze werken niet zomaar kunnen worden beschouwd als «koopwaar» die vervangen kan worden en dat appelante diende te weten dat de kunstwerken meer dan vermoedelijk nog eigendom waren van derden. Appellante zou ook niet ontkend hebben dat dit bij het beslag werd meegedeeld.

1.5. Appellante stelde hoger beroep in bij verzoekschrift van 19 mei 2015. Inmiddels heeft zij in uitvoering van de bestreden beschikking het beslag op de sculpturen gelicht.

Bij fax van 18 april 2016 heeft de raadsman van tweede geïntimeerde het hof ervan op de hoogte gebracht dat haar cliënt bij verstekvonnis van 5 oktober 2015 van de Rechtbank van Koophandel te Brussel, Franstalige kamer, failliet werd verklaard en dat haar cliënte verzet heeft aangetekend tegen dit verstekvonnis. Zij meldde dat zij niet langer kan optreden als raadsman van tweede geïntimeerde. Ter zitting van 15 november 2016 verschijnt mr. Gerard De Lange voor de curator en verklaart dat deze zich wenst te gedragen naar de wijsheid van het hof.

II. Voorwerp van het hoger beroep

2.1. Appellante vraagt de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijking van de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde als ongegrond.

...

2.2. Eerste geïntimeerde vraagt het principaal hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren, akte te nemen van haar incidentieel beroep en het vonnis van de eerste rechter te hervormen, maar beperkt tot en enkel in de mate en betreffende de punten als hierna bepaald: appellante te veroordelen om aan haar een schadevergoeding te betalen voorlopig geraamd op 10.000 euro, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 3 februari 2015 en met de gerechtelijke intresten vanaf heden; (...).

...

III. Beoordeling

3.1. Centraal in dit executiegeschil staat het conflict tussen:

– enerzijds het beweerde eigendomsrecht van een kunstenaar die een revindicatievordering instelt om dit rechte te horen erkennen m.b.t. de kunstvoorwerpen waarvan zij auteur is en die in beslag werden genomen in een kunstgalerie en

– het voorrecht van de niet-betaalde verhuurder van deze kunstgalerie, wettelijk vastgesteld in art. 20,1o Hyp.W., welke verhuurder roerend beslag liet leggen om betaling te verkrijgen van achterstallige huurgelden van de huurder/uitbater van de kunstgalerie.

Het hof dient uitspraak te doen over de positie van de verhuurder, die een kunstgalerie verhuurt aan een galeriehouder (tweede geïntimeerde) en die bij wanbetaling door deze laatste, de veroordeling verkrijgt van de huurder tot betaling van de achterstallen en vervolgens zijn voorrecht inroept op de met kunstwerken van derden gestoffeerde kunstgalerij, waarop uitvoerend beslag wordt gelegd krachtens het veroordelend vonnis. In casu waren ongeveer 200 kunstwerken van diverse kunstenaars, waaronder de zeven die eerste geïntimeerde revindiceert, ondergebracht in een kunstgalerie in Knokke-Heist.

3.2. Eerste geïntimeerde handhaaft haar standpunt dat zij ten tijde van het beslag eigenaar was van de hiervoor omschreven zeven sculpturen die opgesteld stonden in de kunstgalerie van tweede geïntimeerde en die enkel in bewaring waren gegeven aan tweede geïntimeerde met het oog op het vinden van een koper. Zij voert aan dat appellante wist, minstens behoorde te weten als professionele verhuurder van de kunstgalerie, dat de kunstvoorwerpen op haar naam die in de verhuurde galerie tentoon zijn gesteld, haar eigendom waren. Ze verwijst naar gangbare praktijken in deze sector.

Eerste geïntimeerde werpt ook op dat de geconsigneerde beeldhouwwerken die in de kunstgalerie werden tentoongesteld, geen stofferende goederen zijn in de zin van art. 20, 1o Hyp.W. Niet alle koopwaar in de handelszaak valt zonder meer onder het voorrecht van de onbetaalde verhuurder. De beeldhouwwerken worden door eerste geïntimeerde slechts tijdelijk tentoongesteld in de galerie; zij zijn geenszins op duurzame wijze met het goed verbonden en ze zijn niet dienstig om het genot van het gehuurde pand te vergemakkelijken of dit pand te exploiteren. De kunstwerken werden nooit eigendom van de kunstgalerie, omdat zij enkel in consignatie werden gegeven op 20 december 2014 met het oog op de verkoop.

Er was bovendien een nieuwe tentoonstelling voorzien in Briare (Frankrijk) in samenwerking met een andere galerie, waar eerste geïntimeerde haar werken (o.m. die welke bij tweede geïntimeerde tentoongesteld waren) diende te deponeren tegen uiterlijk 11 mei 2015.

3.3. Appellante beklemtoont haar recht als onbetaalde verhuurder om op basis van art. 20, 1o Hyp.W. haar voorrecht te doen gelden op al wat het verhuurde goed stoffeert, en dit omvat ook de kunstvoorwerpen die in de galerie tentoon en te koop worden gesteld. Te koop aangeboden kunstwerken kunnen worden beschouwd als koopwaar en het voorwerp zijn van voornoemd voorrecht. Het voorrecht zou zich uitstrekken tot al hetgeen in de gehuurde plaatsen werd binnengebracht, ongeacht wie er de eigenaar van is, dus ook de kunstwerken die enkel werden binnengebracht door de kunstenaar ten titel van bewaarneming. Het eigendomsrecht van de derde moet dus volgens appellante wijken voor de bescherming van de niet-betaalde verhuurder. De derde die roerende goederen binnenbrengt in het huis van de huurder, stemt er stilzwijgend mee in dat deze goederen verpand worden tot zekerheid van de uit de huur voortvloeiende verbintenissen. Er ontstaat een schijn van eigendom van de huurder, op basis van het bezit. Zo niet zou het voorrecht van de verhuurder volledig worden uitgehold.

Er moet steeds worden uitgegaan van een algemeen vermoeden dat de goederen in het pand toebehoren aan de huurder.

Zij erkent het feit van de bewaargeving van de kunstwerken op zich, maar voert aan dat zij hiervan geen kennis kreeg toen eerste geïntimeerde haar kunstwerken in de galerie binnenbracht. Zij stelt haar voorrecht als niet-betaalde verhuurder en dus ook haar verhaalsrecht te kunnen realiseren op de stofferende goederen, waaronder de kunstwerken, omdat zij volstrekt te goeder trouw is en door eerste geïntimeerde niet in kennis werd gesteld van het feit dat deze laatste eigen kunstvoorwerpen in de galerie had binnengebracht.

Zij betwist dat zij behoorde te weten dat de in de galerie tentoongestelde werken aan de respectievelijk betrokken artiesten toebehoorden. Haar goede trouw wordt vermoed. Het «behoren te weten» moet strikt beoordeeld worden. Het is eerste geïntimeerde die haar kwade trouw dient te bewijzen en moet aantonen dat zij kennis had, minstens behoorde te hebben van het feit dat de kwestieuze goederen geen eigendom van de huurder waren.

Deze goede trouw moet worden beoordeeld op het ogenblik van het binnenbrengen van de goederen in het gehuurde goed. Indien appellante geen kennis had van het eigendomsrecht van de goederen bij het binnenbrengen van deze goederen, vallen deze goederen toch onder haar voorrecht en kan zij deze rechtmatig in beslag nemen.

Appellante kon bovendien bij het binnenbrengen van de kunstwerken in het atelier redelijkerwijze niet geacht worden te weten dat de kunstwerken niet toebehoorden aan haar huurder, zodat zij niet te kwader trouw is. Het gaat immers juist om een kunstgalerie waarvan de handelsbestemming juist is om de kunstwerken te verkopen. De goederen behoren tot de uitbating van het gehuurde goed.

Appellante stelt formeel dat zij op het ogenblik van het binnenbrengen van de kunstwerken in het gehuurde pand geen kennis had van het feit dat de gerevindiceerde goederen geen eigendom waren van haar huurder. Eerste geïntimeerde heeft nagelaten om – toen zij de kunstwerken binnenbracht in de kunstgalerie – appellante erop te wijzen dat deze werken haar eigendom waren en bleven, zodat ze niet vallen onder het voorrecht van art. 20, 1o Hyp.W., zodat appellante de revindicatievordering van eerste geïntimeerde kan afweren.

Ook al kan het een gewoonte zijn bij bepaalde galeriehouders om kunstwerken enkel in consignatie te aanvaarden om ze te koop aan te bieden, dan belet dit niet dat er ook kunstwerken te koop worden aangeboden die wel eigendom zijn van de verkoper/galeriehouder. Appellante diende er niet van uit te gaan dat alle kunstwerken in het gehuurde goed geen eigendom van tweede geïntimeerde waren, omdat er geen vast gebruik is dat de verkoper van kunstwerken nooit eigenaar is van deze werken. Het behoorde tot het maatschappelijk doel van de huurder om zelf ook kunstwerken aan te kopen om ze vervolgens te verkopen in de eigen kunstgalerie.

Bovendien is het uitsluitend tweede geïntimeerde die de kunstwerken verkoopt en zich gedraagt als eigenaar, omdat zij de facturen opstelt en boekt.

Tot staving van haar standpunt verwijst appellante in het bijzonder naar een noot van R. Timmermans bij onder meer de thans voor dit hof bestreden beschikking van 5 mei 2015 (R. Timmermans, «Het voorrecht van de verhuurder op niet aan de huurder-galerijhouder toebehorende kunstwerken: moet impressionisme wijken voor feiten van algemene bekendheid?», Huur 2015/3, 119).

3.4. Appellante kan zich beroepen op het voorrecht van de onbetaalde verhuurder, zoals bepaald in art. 20, 1o Hyp.W. Volgens deze bepaling zijn de huur- en pachtgelden van onroerende goederen bevoorrecht op de vruchten van de oogst van het jaar en op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert.

Het voorrecht slaat op alles wat naar de bestemming zelf van de plaatsen en voor de uitbating ervan op een gewone en duurzame wijze blijven moet, ongeacht of het toebehoort aan de huurder of aan een derde. Terecht werpt appellante op dat de kunstwerken niet «buiten de handel» zijn.

3.5. Opdat de verhuurder zijn voorrecht zou kunnen uitoefenen op alle roerende goederen die het verhuurde huis stofferen, is wel vereist dat hij niet wist of had moeten weten op het ogenblik dat de voorwerpen in het gehuurde goed werden gebracht, dat zij niet toebehoorden aan de huurder. De aanspraken van de verhuurder kunnen worden gekwalificeerd als een soort stilzwijgend pand, waarop art. 2279 BW van toepassing is. Met andere woorden, de verhuurder moet te goeder trouw zijn, wat impliceert dat hij kon en mocht geloven dat de roerende goederen, in het bezit van zijn huurder, diens eigendom waren en dat hij niet behoorde te weten dat die goederen aan een derde toebehoren. Het is deze goede trouw – het subjectieve niet-weten – die ten aanzien van de verhuurder onderzocht moet worden. De kwade trouw van de verhuurder kan worden bewezen door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

De goede trouw moet als opgeheven worden beschouwd door de tijdige mededeling door de derde – bij het binnenbrengen van de goederen in het verhuurde pand – dat de goederen niet de eigendom zijn van de huurder.

De verhuurder wordt ook geacht niet te goeder trouw te zijn wanneer het gaat om zaken die normalerwijze, krachtens vaststaande en erkende gebruiken, de huurder niet toebehoren. Dit principe geldt onder meer in sectoren waar consignatie gebruikelijk is. De eigenaar die goederen aan een handelaar in consignatie heeft gegeven, kan de goederen in principe terugvorderen, op voorwaarde dat zijn eigendomsrecht tegenwerpelijk is, met name wanneer de consignatie in de betrokken branche als een vaststaand gebruik wordt aanvaard. In de sectoren waarin consignatie een algemeen erkend gebruik is, kan de verhuurder zijn voorrecht niet uitoefenen op de stofferende goederen.

Het hof zal voornoemde principes toetsen aan de feitelijke gegevens van het voorliggend dossier.

3.6. Appellante verhuurde een onroerend goed te (...) aan tweede geïntimeerde op grond van een handelshuurovereenkomst, gesloten op 1 juni 2013. De handelshuurovereenkomst vermeldt uitdrukkelijk dat de verhuurde lokalen uitsluitend bestemd zijn tot kunstgalerie en atelier. De huurder zal de bestemming niet mogen wijzigen, tenzij hiervoor door de verhuurder een uitdrukkelijk en schriftelijk akkoord wordt gegeven.

Het onderpand van dit voorrecht van appellante bestaat dus uit een reeks kunstvoorwerpen van verschillende auteurs, die in de galerij tentoongesteld zijn en te koop worden aangeboden.

Het wordt niet betwist dat eerste geïntimeerde de auteur is van de zeven door haar gerevindiceerde beeldhouwwerken. Zij toont afdoende aan dat zij onbetwistbaar de auteur is van de gerevindiceerde kunstwerken aan de hand van verschillende documenten over de productie en van publiciteit, alsook door middel van echtheidscertificaten.

Daarmee is echter nog niet bewezen dat eerste geïntimeerde ten tijde van het beslag nog eigenaar was van deze kunstwerken. Eerste geïntimeerde dient te bewijzen dat zij wel degelijk eigenaar was op dat moment en dat appellante als verhuurder wist, minstens behoorde te weten dat zij eigenaar was gebleven van de kunstwerken door haar tentoongesteld in het atelier van tweede geïntimeerde.

Eerste geïntimeerde bewijst haar eigendomsrecht m.b.t. de gerevindiceerde kunstwerken aan de hand van stukken waaruit duidelijk blijkt dat zij haar kunstwerken slechts in consignatie heeft gegeven aan tweede geïntimeerde met het oog op de tentoonstelling en de verkoop ervan in de kunstgalerie. Zij legt een stuk voor (document «dépôt») en document «bordereau de dépôt» van 20 december 2014. Bij het laatste document bevestigt de galeriehouder de in bewaarneming gegeven stukken. Dit impliceert dat de galeriehouder de in consignatie gegeven kunstwerken tentoonstelt met het oog op het vinden van een koper, wat betekent dat de onverkochte stukken eigendom zijn gebleven van de kunstenaar die ze in bewaring heeft gegeven. Het contract specificeert zeer duidelijk dat elk werk de integrale eigendom blijft van de artiest tot aan de verkoop en met volledige betaling.

3.7. Het hof wijst erop dat in de handelswereld een algemeen vaststaand en erkend gebruik bestaat om kunstwerken in bewaring te geven in kunstgalerieën met eigendomsvoorbehoud ten gunste van de kunstenaar om aldaar te worden tentoongesteld met het oog op het vinden van een koper. Dit vaststaand en erkend gebruik volstaat om het vermoeden van goede trouw van de verhuurder om te keren.

Door de artiesten van de kunstwerken, die in de galerie van tweede geïntimeerde werden tentoongesteld, werd ook gewerkt via het gebruikelijke systeem van bewaargeving van de kunstwerken. Dit blijkt uit de stukken die eerste geïntimeerde voorlegt.

Het hof is van oordeel dat de kunstenaar, zoals eerste geïntimeerde – in geval van inbeslagname door de onbetaalde verhuurder van zijn kunstwerken die zich in de verhuurde kunstgalerie bevinden met het oog op expositie en verkoop – die aantoont dat haar kunstwerken enkel in consignatie werden gegeven, zodat zij steeds eigenaar is gebleven van deze werken, op basis van dit bewijs van eigendom en van de gebruikelijke handelwijze in de sector om de kunstwerken in kunstgalerieën enkel ter consignatie te plaatsen, zonder die aan de galeriehouder te verkopen, de kunstwerken waarvan hij het eigendomsbewijs voorlegt, kan onttrekken aan het onderpand van de onbetaalde verhuurder en aan het voorrecht van art. 20, 1o Hyp.W.

Van eerste geïntimeerde kon in het licht van de vaststaande gebruiken in de sector niet worden verwacht dat zij de verhuurder van de galerie voorafgaandelijk op de hoogte zou brengen van haar eigendomsrecht m.b.t. haar sculpturen en erop wijzen dat deze niet vallen onder het voorrecht van art. 20, 1o Hyp.W.

Eerste geïntimeerde revindiceerde terecht de sculpturen waarvan zij eigenaar is.

Appellante, professionele verhuurder van panden, wist, minstens behoorde te weten wegens het vaststaand en algemeen erkend gebruik in de sector dat de meer dan 200 werken die zich in de galerie bevonden, door de kunstenaars in bewaring werden gegeven met het oog op de verkoop en geen eigendom waren van haar huurder. Appellante kon niet te goeder trouw aannemen dat de talrijke kunstwerken (ongeveer 200) in de galerie van haar huurder diens eigendom waren op het ogenblik dat ze in het pand werden gebracht (zie ook: L. Aynès en P. Crocq, Les sûretés – La publicité foncière, vijfde uitgave, Uitgeverij Defrenois, p. 272, voetnoot 13; Cass.fr.civ.1re, 12 maart 1969, Bull.Civ.I, nr. 176).

Het principaal hoger beroep van appellante is ongegrond.

3.8. Eerste geïntimeerde vraagt de veroordeling van appellante tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden en zal lijden ingevolge het beslag en de weigering tot opheffing. Zij voert aan dat de aansprakelijkheid van appellante vaststaat, aangezien haar gerechtsdeurwaarder er zich niet van heeft onthouden om datgene in beslag te nemen dat, hetzij onmiddellijk, hetzij het na zeer summier onderzoek, niet bleek toe te behoren aan de beslagen schuldenaar, maar wel aan de duidelijk te goeder trouw zijnde derden. Zij voert aan dat de gerechtsdeurwaarder aansprakelijk is als hij beslag legt op goederen die niet toebehoren aan de schuldenaar, doordat hij verzuimt de nodige inlichtingen in te winnen.

De fout van appellante bestaat voorts in de omstandigheid dat zij de gevolgen van het beslag heeft willen handhaven en heeft gehandhaafd, zelfs na de revindicatie en geen vrijwillige handlichting wilde geven van het beslag, ondanks gemotiveerd verzoek daartoe.

Eerste geïntimeerde had een expositie gepland in Frankrijk, Briare en had hiervoor op 11 mei 2015 een uitzonderlijk evenement. Uit de uitnodiging en flyer van de betrokken tentoonstelling bleek dat de kunstwerken zouden worden tentoongesteld in Briare van 14 mei tot 13 september 2015. Eerste geïntimeerde zag zich verplicht een bijkomend exemplaar te maken om te kunnen voldoen aan haar verplichtingen in het kader van de nieuwe tentoonstelling, wat een belangrijke investering vergde.

Het hof is van oordeel dat appellante foutief heeft gehandeld door over te gaan tot uitvoerend beslag op kunstwerken waarvan zij wist, minstens behoorde te weten als professionele verhuurder dat deze wegens vaststaande en erkende gebruiken in de sector in principe geen eigendom zijn van de huurder van de kunstgalerie.

Al heeft appellante de in beslag genomen kunstwerken kort na de uitspraak van de bestreden beschikking teruggegeven aan eerste geïntimeerde, deze zag zich verplicht om voor de nakende expositie in een andere kunstgalerie te Briare die zij had toegezegd van 14 mei tot 13 september 2015 een nieuw kunstwerk te maken.

Bovendien verloor eerste geïntimeerde ook de kans om de sculpturen intussen te verkopen.

De schade die appellante aan eerste geïntimeerde berokkende door dit onvoorzichtig en foutief handelen, kan ex aequo et bono worden begroot op 2.500 euro.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 06/05/2016 - 14:57
Laatst aangepast op: do, 12/04/2018 - 19:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.