-A +A

Verzekeringen kennisgeving verzekerd risico en objectieve vaststellingen detective

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Eén buitengerechtelijke bekentenis, zelfs aan een detectieve is geen bewijs.

Op de verzekerde rust de plicht de verzekeraar nauwkeurig in kennis te stellen van de bestanddelen van het risico dat hij wil laten dekken.

Het nalaten kennis te geven van een omstandigheid waarvan de verzekeraar wettig onwetend was en die de waardering van het risico kan verzwaren maakt een verzwijging uit die de verzekering nietig kan maken, zelfs indien de verzekerde ter goeder trouw is en ten onrechte in de mening verkeerde dat hij niet tot mededeling van gezegde omstandigheid was gehouden. (Luik, 25.03.1994, JLMB, 1995,702)

Meer zelfs:

De verzekeringsovereenkomst is nietig wegens onopzettelijk onjuist mededelen van gegevens over het risico waardoor de verzekeraar werd misleid bij de beoordeling van het risico (Antwerpen, 24.12.2003, T.Gez., 2005-2006, 36).

Wanneer de verzekeraar een privédetective aanstelt impliceren de vaststellingen van deze privédetective daarom geen objectieve bewijskracht.

Niets neemt weg dat de ondervraging die de privédetective voert een mogelijke beïnvloeding kan hebben op de ondervraagde..

De bewijskracht van de vaststellingen van de privédetective kunnen bovendien in vraag worden gesteld wanneer deze niet ondertekend zijn of wanneer het verslag in het algemeen onduidelijk is.

Hoe dan ook zijn de vaststellingen van de privédetective buitengerechtelijke bekentenissen zoals bedoeld in artikel 1354 en 1355 BW en aldus een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald. (Cassatie, 20.12.2007, R.G.D.C., 2008, 452)

Men mag niet vergeten dat een erkenning dient uit te gaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd (Cassatie, 07.02.1997, rechtskundig weekblad 1997-1998, 339)

Een bekentenis afgelegd door een derde kan, tenzij deze derde daartoe een bijzondere volmacht zou hebben gekregen niet als een buitengerechtelijke bekentenis worden beschouwd (Cassatie 17.11.1976, rechtskundig weekblad 1976-1977, 1517 en Cassatie 15.06.1990, rechtskundig weekblad 1990-1991, 750)

Niets belet een rechtbank om uit een geheel aan elementen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen besluiten dat een bepaalde bestuurder de gebruikelijke bestuurder van een voertuig is. (Antwerpen, 17.01.2002, DAVW 2003, 111; Luik, 22.10.2003, de verzekering, 2003, 348; Luik, 25.11.2006, de verzekering 2008, 362; Gent, 30.10.2008, de verzekering 2009, 366; Brussel, 03.01.2008, de verzekering 2008, 365)

Maar een verzekeringspolis verbiedt niet dat een verzekerd voertuig door iemand anders dan de verzekeringsnemer bestuurd wordt.

Hieruit volgt dat de buitengerechtelijke bekentenis als enige motivering van een verhaalsrecht als ongegrond kan worden verklaard.

Een degelijke detective zal zijn verslag dus niet louter steunen op bekentenissen aan hem gedaan maar ook op andere elementen, verzamelde getuigenverklaringen, foto’s en andere cratieve doch wettelijke vaststellingen.

Rechtspraak: 

zie ook Hof van Beroep Gent 19/02/2009, Juridat:

samenvatting:

Nu de verzekeraar geen overtuigende elementen aanbrengen ter ondersteuning van hun stelling dat moderne, losse juwelen een meer gegeerde buit voor dieven zijn dan antieke juwelen en dus een groter risico op diefstal creëren, nu in de vragenlijst geen onderscheid werd gemaakt tussen moderne en antieke juwelen en de verzekeraars ook geen enkele informatie verstrekken over de wijze van premieberekening, kunnen zij zich niet beroepen op de niet-mededeling van nieuwe of gewijzigde omstandigheden (art. 26 WLO) om dekking te weigeren.

uittreksel uit arrest:

HOF VAN BEROEP TE GENT 1e kamer terechtzitting van 19 februari 2009

TUSSENARREST

(deels ten gronde -heropening debatten -verstrekken informatie -conclusietermijnen -verdere behandeling op08.10.2009, 14u00)

(definitief t.a.v. 3e, 4e, 6e,7e en 8e geïntimeerden)
2007/AR/1544

in de zaak van:

1. F.A.,
optredende in zijn hoedanigheid van enige algemeen lasthebber voor België van de vereniging van verzekeraars bekend als UNDERWRITERS AT LLOYD'S,
met zetel in het Verenigd Koninkrijk, 1 Lime Street, Londen EC 3M 7HA,
woonst kiezende bij D'HOINE & PARTNERS te 2000 ANTWERPEN, Schaliënstraat 30,

eerste appellant,

2. WÜRTTEMBERGISCHE VERSICHERUNG AG,
verzekeringsmaatschappij, vennootschap naar vreemd recht,
met zetel in het Verenigd Koninkrijk, 37-39 Lime Street, Londen EC 3M 7AY,
woonst kiezende bij haar afsluitingsagent de N.V. G. & Co, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 BRUSSEL, Lariksenstraat 55/1,
ingeschreven met KBO-nummer 0415.318.168,

tweede appellante,

tegen:

1. K.N.,

eerste geïntimeerde,
en

2. P.V.,

tweede geïntimeerde,

beiden handeldrijvend onder de benaming ' M. K.',

3. BUFFILOR B.V.B.A.,
met maatschappelijke zetel te 4800 VERVIERS, rue de Francorchamps 23,
ingeschreven met KBO-nummer 0478.873.954,

derde geïntimeerde,

4. S.C.,
vierde geïntimeerde,

5. G.D.,
vijfde geïntimeerde,

6. V.C.,
zesde geïntimeerde,

7. ANGLO-BELGE SPECIAL RISKS N.V.,
met maatschappelijke zetel te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Frans van Hombeeckplein 10,
ingeschreven met KBO-nummer 0438.461.972,

zevende geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. STEVENS Koen, advocaat te 2020 ANTWERPEN, Ryckmansstraat 10

8. G. AND CO N.V.,
met maatschappelijke zetel te 1050 ELSENE, Lariksenstraat 55,
ingeschreven met KBO-nummer 0415.318.168,

achtste geïntimeerde,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18.06.2007 hebben A. D. F., in zijn hoedanigheid van algemeen lasthebber voor België van de vereniging van verzekeraars bekend als UNDERWRITERS AT LLOYD'S, en AG Württembergische Versicherung hoger beroep aangetekend tegen een vonnis op 13.03.2007 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, tweede kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

1. De heer en mevrouw K.-P. baten een juwelierszaak uit te , onder de naam "M. K.".
Op 11.09.2004 werden zij het slachtoffer van een gewapende overval op hun zaak. Daarbij werd een aanzienlijke partij waardevolle juwelen ontvreemd. De daders werden voor deze overval inmiddels veroordeeld door de correctionele rechtbank te Brugge.
K.-P. zijn tegen diefstal verzekerd op basis van een globale juweliersverzekeringspolis met nr. 440003G09326. Deze polis werd door hun makelaar Anglo-Belge Verzekeringen bij verzekeringsagent G. and Co onderschreven, die op haar beurt de verzekering plaatste bij appellanten, nl. respectievelijk Lloyd's en Württembergische Versicherung. De polis voorziet in een dekking voor een bedrag van 250.000,00 euro, waarvan de eerste schijf van 100.000,00 euro wordt verzekerd door Württembergische Versicherung en de tweede schijf van 150.000,00 euro door Lloyd's, zonder solidariteit tussen hen.

BVBA Buffilor, C. S., D. G. en C. V. zijn cliënten van "M. K." die juwelen in consignatie hadden gegeven met het oog op verkoop. Hun juwelen werden bij de overval ontvreemd.

De verzekeraars weigerden dekking te verlenen. Zij voeren daartoe aan dat de polis werd afgesloten voor een handel in antieke juwelen (antique jewelry), terwijl de gestolen goederen hedendaagse juwelen en losse diamanten betreffen en K.-P. nooit hebben gemeld dat zij hun activiteit hadden gewijzigd van de verkoop van antieke juwelen naar de verkoop van hedendaagse juwelen en losse diamanten, wat volgens de verzekeraars een aanzienlijk hoger risico op diefstal met zich mee brengt.

2.1 Voor de eerste rechter vorderden K.-P. de veroordeling van appellanten, hun makelaar Anglo-Belge en verzekeringstussenpersoon G. - solidair, in solidum, minstens de een bij gebreke van de andere - tot het betalen van de som van 300.000,00 euro provisioneel, meer rente en kosten.
De vordering tegen appellanten strekte tot het verlenen van dekking op grond van de bij hen afgesloten juweliersverzekeringspolis. Aangezien appellanten zich beroepen op het niet melden van een risicoverzwaring richten K.-P. zich ook tegen hun makelaar Anglo-Belge, die bij het afsluiten van de polis de vragenlijst voor hen heeft ingevuld, en tegen de agent van de verzekeraars (G.) op grond van professionele fouten die deze zouden hebben begaan.

K.-P. vroegen ook voorbehoud om hun vordering uit te breiden betreffende aanspraken die hun cliënten die juwelen in bewaring gaven, hebben geformuleerd of nog zouden formuleren.

2.2 BVBA Buffilor vorderde de veroordeling van K.-P., appellanten, Anglo-Belge en G. tot het betalen van de som van 3.985,50 euro, meer rente en kosten.

2.3 C. S. vorderde eveneens de veroordeling van K.-P. tot het betalen van de som van 7.000,00 euro, meer rente en kosten.

2.4 D. G. vorderde de veroordeling van K.-P. en van de verzekeraars Anglo-Belge en G. tot het betalen van de som van 11.527,05 euro, meer rente en kosten.

2.5 Ook C. V. richtte haar vordering zowel tegen K.-P. als tegen de verzekeraars Anglo-Belge en G.. Zij vorderde betaling van de som van 2.600,00 euro.

2.6 De verzekeraars Lloyd's en Württembergische Versicherung betwistten de vordering van K.-P. op grond van de niet-melding van de risicoverzwaring.
Zij betwistten ook het rechtstreeks vorderingsrecht van de schadelijders-klanten van "M. K." en beriepen zich ook ten hunne opzichte op de excepties die zij ten aanzien van K.-P. opwierpen.

2.7 Ook Anglo-Belge en G. vroegen de tegen hen gerichte vordering als ongegrond af te wijzen. Zij voeren aan geen enkele professionele fout te hebben begaan.

3. Bij het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter dat geen enkel controleerbaar gegeven voorligt dat toelaat te besluiten dat het verschil in de aard van de goederen (antieke juwelen versus hedendaagse juwelen en losse diamanten) het risico van diefstal verhoogt en dat de verzekeraars derhalve tot het verlenen van dekking gehouden zijn.
De eerste rechter wees er in dat verband o.m. op:
- dat de verzekeraars in hun vragenlijst dit onderscheid niet maakten, hetgeen een indicatie vormt dat van risicoverzwaring geen sprake is en dat indien de verkoop van hedendaagse juwelen en losse diamanten toch een risicoverzwaring zou inhouden, K.-P. dit niet wisten en ook niet dienden te weten;
- dat de verzekeraars in de polis geen enkele beperking hebben ingevoerd met betrekking tot de aard van de verzekerde juwelen; dat indien de verkoop van hedendaagse juwelen en losse diamanten daadwerkelijk een dermate verzwaring van het risico inhield, niet aan te nemen is dat de verzekeraars in hun polis geen nauwkeurige omschrijving van het risico zouden hebben voorzien.

Gelet op het feit dat Württembergische Versicherung - verzekeraar van de (niet overschreden) eerste schijf van 100.000,00 euro - dekking diende te verlenen, werd de vordering tegen makelaar Anglo-Belge en verzekeringsagent G. als ongegrond afgewezen.

Voorts oordeelde de eerste rechter dat K.-P. ten aanzien van hun klanten-bewaargevers gehouden zijn tot teruggave van de in bewaring gegeven juwelen, dat dit een resultaatsverbintenis is en dat de loutere verwijzing naar het gewapend karakter van de overval geen bewijs oplevert van overmacht, zodat zij principieel aansprakelijk zijn als bewaarnemer, maar dat in zoverre de klanten gedekt zijn door de voor hun rekening door K.-P. afgesloten diefstalverzekering, zij zich enkel tegen de verzekeraars en niet tegen K.-P. kunnen richten. Ten belope van de franchise kunnen zij dat, steeds volgens de eerste rechter, wel.

Op basis van deze overwegingen en na cijfermatige beoordeling van de vorderingen van de respectieve partijen:
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan K.-P. van een provisie van 756,00 euro, meer rente, en werd hen voorbehoud verleend voor het instellen van een vrijwaringsvordering ten aanzien van de verzekeraars betreffende aanspraken die derden-klanten hebben geformuleerd of nog zouden formuleren;
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan Buffilor van de som van 3.595,95 euro, meer vergoedende rente vanaf 11.09.2004, en K.-P., in solidum, tot de vrijstelling van 398,55 euro, meer rente;
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan D. G. van de som van 3.330,00 euro, meer vergoedende rente vanaf 11.09.2004, en K.-P., in solidum tot de vrijstelling van 370,00 euro, meer rente;
- werden K.-P., in solidum, veroordeeld tot betaling aan C. S. van de vrijstelling van 700,00 euro, meer rente, en werd haar voorbehoud verleend om nog een vordering in te stellen tegen de verzekeraars;
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan C. V. van de som van 2.340,00 euro, meer vergoedende rente vanaf 11.09.2004, en K.-P. tot de vrijstelling van 260,00 euro, meer rente.

4.1 Met hun hoger beroep beogen appellanten het tenietdoen van het bestreden vonnis en de afwijzing van de tegen hen gerichte vorderingen.

Ondergeschikt vragen zij voor recht te zeggen:
- dat K.P. bevrijd zijn van hun teruggaveplicht ten aanzien van hun klanten wegens overmacht, zodat het voorbehoud dat hen door de eerste rechter werd toegestaan om hun vordering uit te breiden wanneer andere klanten hen zouden aanspreken, dient te worden afgewezen;
- dat geen dekking dient te worden verleend voor de gestolen goederen die een waarde hadden boven het verzekerde en toelaatbare bedrag van 10.000,00 euro;
- dat moratoire (geen vergoedende) interesten verschuldigd zijn vanaf de datum van de aanvraag tot betaling van de verzekeringsvergoeding (voor K.-P.) of vanaf de tussenkomst in de rechtspleging (voor de schadelijders-klanten).

In nog meer ondergeschikte orde vragen zij de aanstelling te bevelen van een gerechtsdeskundige met opdracht onder meer om:
- een staat van bevinding op te maken van de ligging, de inrichting en de beveiligingsinstallatie van de winkel op datum van 11.09.2004 en van de aard van de gestolen goederen (losse diamanten, moderne juwelen, tweedehandse of antieke juwelen);
- advies te verlenen over de hoegrootheid van de premieberekening tot dekking van een verzekerd kapitaal van 250.000,00 euro, rekening houdend met de bijzondere en algemene voorwaarden van de verzekeringspolis;
- advies te verlenen over de verhouding tussen de betaalde premie onder de polis CP 1002GB van 05.04.2004 en de premie die de verzekeringnemer had moeten betalen indien de verzwaring door een andere verzekeraar in aanmerking was genomen

Minstens vragen zij de vordering te verminderen met de vrijstelling.

Indien de vordering van K. zelfs gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, vragen zij K. te veroordelen tot terugbetaling van de gecrediteerde premie van 2.525,45 euro, premie die inmiddels werd terugbetaald aan K..

4.2 K.-P. vragen het hoger beroep af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vragen zij het bestreden vonnis te hervormen en te zeggen voor recht dat zij bevrijd zijn van hun teruggaveplicht ten aanzien van hun klanten en dienvolgens de vordering van Buffilor, S., G. en V. ten hunnen opzichte als ongegrond af te wijzen.
Ondergeschikt, voor het geval zou worden geoordeeld dat appellanten niet tot dekking gehouden zijn, vragen zij, bij incidenteel beroep, hun vorderingen tegen Anglo-Belge en G. in te willigen.

4.3 Buffilor vraagt het hoger beroep af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt zij de solidaire of in solidum veroordeling van "het H. K.", appellanten, Anglo-Belge en G. tot betaling van de som van 3.985,50 euro, meer interest.

4.4 D. G. vraagt het hoger beroep van appellanten af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt zij de integrale inwilliging van haar aanvankelijke eis ten bedrage van 11.527,05 euro, minstens 7.400,00 euro, meer vergoedende interest vanaf 11.09.2004 ten aanzien van "het H. K.", appellanten, Anglo-Belge en G..

4.5 C. S. vraagt het hoger beroep van appellanten en het incidenteel beroep van K.-P. af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt zij de inwilliging van haar aanvankelijke eis ten bedrage van 7.000,00 euro, meer vergoedende interest vanaf 11.09.2004, ten aanzien van "het H. K.", appellanten, Anglo-Belge en G..

4.6 C. V. vraagt het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het bestreden vonnis te bevestigen.
Bij incidenteel beroep vraagt zij appellanten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de een bedrag van 1.000,00 euro uit hoofde van verdedigingskosten.

4.7 Anglo-Belge vraagt het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen.

4.8 G. vraagt de tegen haar gerichte incidentele beroepen onontvankelijk te verklaren nu zij geen gedaagde in hoger beroep is.
Ondergeschikt vraagt zij het bestreden ten hare opzichte te bevestigen.

beoordeling

1. ontvankelijkheid van de incidentele beroepen tegen NV G.

NV G. besluit ten onrechte tot de onontvankelijkheid van de tegen haar gerichte incidentele beroepen op grond van het argument dat zijzelf geen gedaagde is in hoger beroep maar slechts werd opgeroepen in bindend en gemeenverklaring van het tussen te komen arrest. Overeenkomstig art. 1054 Ger.W. kan immers door de gedaagde in hoger beroep incidenteel beroep worden ingesteld "tegen alle partijen die in het geding zijn in hoger beroep". Een partij die in bindend- en gemeenverklaring werd opgeroepen, voldoet aan deze omschrijving, zodat tegen haar incidenteel beroep kan worden ingesteld.

2. niet-mededeling van de verzwaring van het risico?

2.1 De verzekeraars werpen op dat zij niet tot dekking gehouden zijn omwille van de foutieve niet-mededeling door K.-P. van een verzwaring van het verzekerd risico, met name doordat zij hebben nagelaten te melden dat zij hun handelsactiviteit die aanvankelijk bestond in de verkoop van antieke juwelen, hebben gewijzigd in de verkoop van moderne juwelen en losse edelstenen, hetgeen volgens de verzekeraars een aanzienlijk hoger risico op diefstal met zich meebrengt. De verzekeraars stellen dat zij het risico niet hadden verzekerd indien zij daarvan kennis zouden hebben gekregen. Ondergeschikt stellen zij dat zij slechts gehouden zijn om dekking te verlenen naar verhouding tussen de betaalde premie en de premie die K.-P. hadden moeten betalen indien de verzwaring in aanmerking was genomen.

2.2 Overeenkomstig artikel 26 Wet Landverzekeringsovereenkomst (WLO) is de verzekeringnemer verplicht om in de loop van de overeenkomst en onder de voorwaarden van artikel 5 van de wet, de nieuwe omstandigheden of de wijziging van de omstandigheden aan te geven die van aard zijn om een aanmerkelijke en blijvende verzwaring van het risico dat het verzekerd voorval zich voordoet, te bewerkstelligen. De verwijzing in artikel 26 WLO naar art. 5 houdt in dat de nieuwe of gewijzigde omstandigheden aan de verzekeringnemer bekend moeten zijn en dat hij deze redelijkerwijze moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar. De verzekeringnemer moet de verzekeraar echter geen omstandigheden meedelen die deze laatste reeds kende of redelijkerwijze had moeten kennen.

2.3 De cruciale vraag die zich in voorliggend geval stelt, is of de verkoop van moderne juwelen en losse edelstenen effectief een aanmerkelijk groter risico op diefstal inhoudt dan de verkoop van antieke juwelen en of K.-P. dit redelijkerwijze moesten weten.

Het hof is, met de eerste rechter, van oordeel dat het groter risico op diefstal niet bewezen is en dat, hoe dan ook, K.-P. dit niet als dusdanig moesten inschatten.

Vooreerst beweren de verzekeraars weliswaar dat moderne juwelen en losse edelstenen een meer gegeerde buit zijn omdat zij gemakkelijker kunnen worden verkocht op de markt van gestolen goederen, maar brengen zij nog steeds geen overtuigende elementen aan die deze bewering ondersteunen, dit terwijl het hier toch niet gaat om een voor zichzelf sprekend element van algemene kennis.

Het enige gegeven waarop de verzekeraars hun bewering steunen, is dat in het concreet geval van de overval op H. K. de dieven blijkbaar eerst de etalages met losse diamanten hebben geledigd en dat mevrouw K. aan de politie heeft verklaard dat de dieven vermoedelijk vooral oog hadden voor diamanten. Uit dit enkel gegeven kan echter niet worden afgeleid dat in het algemeen dieven meer zijn aangetrokken door moderne juwelen en losse edelstenen dan door antieke juwelen en dat moderne juwelen en losse edelstenen daadwerkelijk een hoger risico op diefstal opleveren.

Voorts wordt er terecht op gewezen dat de verzekeraars in hun zeer gedetailleerde vragenlijst ("proposal form") nergens een onderscheid maken tussen antieke en moderne juwelen, dat de vragen in de vragenlijst betrekking hebben op de waarde van de te verzekeren goederen en op omstandigheden zoals de inrichting (aantal etalages enz.) en de beveiliging van de zaak, maar dat niet wordt gevraagd naar de aard (antiek of modern) van de verkochte juwelen. Zoals de eerste rechter terecht heeft opgemerkt, rust op de verzekeringsnemer wel de verplichting om alle voor de beoordeling van het risico relevante elementen aan de verzekeraar mee te delen, ook elementen die in de vragenlijst niet aan bod komen, maar de gestelde vragen kunnen wel een indicatie vormen van wat de verzekeraar van belang acht voor de beoordeling van het risico. De omstandigheid dat in de vragenlijst niet werd gevraagd naar de aard van de juwelen en dat met name geen onderscheid werd gemaakt tussen antieke en moderne juwelen vormt op zijn minst een aanwijzing dat de verzekeraars dit gegeven niet onmiddellijk van belang achtten voor de beoordeling van het risico.

Daarbij komt nog dat de verzekeraars geen enkele informatie verstrekken omtrent de wijze waarop de premie van de polis onderschreven door K.-P. werd berekend. Daaruit en ook uit de vergelijking daarvan met de premieberekening in andere polissen zou nochtans kunnen blijken dat rekening werd gehouden met het feit dat was gemeld dat bij Kooijman antieke juwelen werden verkocht en dat dit een relevant element bij de premieberekening was. Evenmin worden interne documenten voorgelegd waaruit kan blijken met welke criteria rekening wordt gehouden bij de berekening van de premies voor juwelierspolissen.

Uit de omstandigheid dat op de vragenlijst ondertekend door K.-P. expliciet de vermelding "antique jewelry" werd aangebracht, kan verder niet worden afgeleid dat K.-P. wisten dat dit relevant was voor de beoordeling van het risico van diefstal. De vermelding "antique jewelry" werd aangebracht in rubriek 5 van de vragenlijst in verband met de waarde van de goederen. Uit die vermelding kan dan ook niet worden afgeleid dat K.-P. zouden hebben geweten dat antieke juwelen minder gegeerd zijn door dieven en dus een lager risico op diefstal meebrachten. De verzekeraars kunnen dan ook niet worden bijgetreden waar zij stellen dat deze vermelding werd aangebracht om de verzekeraars "gerust te stellen".

Dat K.-P. zouden hebben geweten dat er door de overschakeling naar de verkoop van moderne juwelen en losse diamanten een groter risico op diefstal zou zijn geweest, kan evenmin worden afgeleid uit het feit dat de verzekerde waarde in 2002 en nadien nog eens in 2004 werd opgetrokken tot 250.000,00 euro. Dit duidt er alleen op dat de waarde van de stock steeg, niet dat K.-P. wisten dat er een groter risico op diefstal was door het feit dat (meer) moderne juwelen werden verkocht.

Uit al het voorgaande dient te worden besloten dat geen afdoend bewijs voorligt dat de overschakeling naar de verkoop van moderne juwelen en losse edelstenen een verhoogd risico op diefstal betekende en door de verzekeraars als relevant element bij de beoordeling van het risico werd beschouwd. Hoe dan ook dienden de heer en mevrouw K.-P., gelet op het feit dat het verband tussen de antieke dan wel moderne aard van de juwelen en het risico van diefstal niet evident is en de verzekeraars in hun vragenlijst zelf dit onderscheid niet maakten, niet te weten dat dit een voor de beoordeling van het risico relevant element was.

De eerste rechter heeft bijgevolg terecht beslist dat de Württembergische Versicherung, die de (niet overschreden) eerste schijf van 100.000,00 euro dekt, dekking dient te verlenen en dit zowel aan de heer en mevrouw K.-P. als aan de schadelijders.

Op het aanbod van de verzekeraars om alsnog een deskundigenverslag neer te leggen in verband met hun portefeuille van diefstalverzekeringen van juwelen en om daartoe de debatten te heropenen, dient, gelet op wat voorafgaat, niet te worden ingegaan. Ook het in ondergeschikte orde gevorderde deskundigenonderzoek, is, gelet op wat voorafgaat, niet aan de orde.

3. vorderingen van de schadelijders tegen K.-P. op grond van bewaargeving

3.1 Partijen zijn het erover eens dat de contractuele verhouding tussen K.-P. en de diverse klanten/schadelijders dient te worden gekwalificeerd als bewaargeving. De klanten-schadelijders richten zich tegen K.-P.. Zij voeren aan dat deze als bewaarnemers gehouden zijn tot teruggave van de in bewaring gegeven zaken, dat dit een resultaatsverbintenis is en dat K.-P. geen bewijs leveren van overmacht.

3.2 Als bewaarnemers zijn K.-P. inderdaad gehouden tot teruggave van de in bewaring gegeven goederen. Dit is een resultaatsverbintenis. Daaruit volgt dat zij slechts van deze verbintenis bevrijd zijn indien zij aantonen dat de onmogelijkheid tot teruggave aan een vreemde oorzaak te wijten is.

In tegenstelling tot de eerste rechter is het hof van oordeel dat wel degelijk het bewijs van een vreemde oorzaak voorligt.

De onmogelijkheid tot teruggave van de in bewaring gegeven juwelen is het gevolg van een gewelddadige overval op de juwelierszaak uitgebaat door K.-P.. Het ging daarbij om een gewapende overval door een persoon die zich voordeed als klant en die, na te zijn binnengelaten, mevrouw K. onmiddellijk onder vuur hield, terwijl een mededader, die hij in de zaak had binnengelaten, de glazen toonbanken met een bijl stuk sloeg en de juwelen stal.

K.-P. stellen terecht dat mevrouw K. niets kon doen om dergelijke gewelddadige overval te vermijden en dat haar niets te verwijten valt.

Zoals dat gebruikelijk is bij juweliers kon de zaak niet zomaar worden betreden maar dienden klanten aan te bellen, waarna zij door de juwelier werden binnengelaten. Dit is ook hier gebeurd. Aan mevrouw K. kan niet worden verweten dat zij de dader heeft binnengelaten nadat deze had aangebeld. Dat de man een overval zou plegen stond uiteraard niet op zijn gezicht te lezen en klanten moeten nu eenmaal in de zaak worden binnengelaten.

Voorts blijkt uit de voorliggende gegevens dat de juwelierszaak van de heer en mevrouw K.-P. op normale wijze was beveiligd. Dit blijkt uit de gegevens van "proposal form" (zie punt 12 in verband met het diefstalalarm) en uit het verslag van Tylor & C° (zie stuk 7, in het bijzonder p. 4 over het alarm en de hold-up knoppen).

Aan K.-P. kan uiteraard ook niet worden verweten dat de gestolen juwelen, die hen precies met het oog op verkoop waren toevertrouwd, in de winkel waren uitgestald en dat zij zich dus niet in een kluis bevonden op het ogenblik van de overval. Evenmin is het foutief dat "tientallen diamanten lagen uitgestald in de etalage over de ganse lengte van de straat".

Tenslotte hebben K.-P. die bij hen in consignatie gegeven juwelen behoorlijk laten verzekeren en blijkt uit wat hiervoor werd gezegd dat zij geen enkele fout hebben begaan door niet aan de verzekeraars te melden dat zij niet langer (in hoofdzaak) antieke juwelen verkochten.

Er valt dan ook niet in te zien welke fout in verband met de overval aan K.-P. zou kunnen worden verweten. In die omstandigheden dient de overval als een vreemde oorzaak te worden beschouwd, die K.-P. bevrijdt van hun verbintenis tot teruggave van de juwelen.

Het incidenteel beroep van K.-P. is bijgevolg gegrond, terwijl de incidentele beroepen van de klanten-schadelijders die ertoe strekken K.-P. solidair of in solidum met de verzekeraars te horen veroordelen, ongegrond zijn. Het bestreden vonnis dient te worden hervormd in de mate het K.-P. heeft veroordeeld tot betaling (van de franchise) aan de schadelijders.

4. geen aansprakelijkheid van de tussenpersonen Anglo-Belge en G.

Nu de verzekeraars gehouden zijn dekking te verlenen, vervalt de argumentatie dat de makelaar (Anglo-Belge) en de agent (G.) professionele fouten hebben begaan waardoor er geen verzekeringsdekking is. Van enige aansprakelijkheid in hun hoofde kan dan ook geen sprake zijn. De incidentele beroepen van de klanten-schadelijders zijn, in zoverre zij ertoe strekken Anglo-Belge en G. solidair of in solidum met de verzekeraars en met K.-P. te horen veroordelen, ongegrond.

5. door K.-P. gevorderd voorbehoud

K.-P. vragen voorbehoud om voor het geval zij nog door andere klanten-schadelijders zouden worden aangesproken, zich in vrijwaring te richten tegen de verzekeraars.

Dit voorbehoud kan niet worden toegekend omdat de door K.-P. afgesloten diefstalverzekering een zaakverzekering en geen aansprakelijkheidsverzekering is. In zoverre de verzekering aan klanten toebehorende juwelen betreft, werd zij afgesloten voor rekening van deze klanten, die bijgevolg verzekerden zijn en zich rechtstreeks tot de verzekeraar kunnen wenden. De aansprakelijkheid van K.-P. als bewaarnemers is daarentegen onder de polis niet gedekt.

Het hoger beroep is op dit punt gegrond en het bestreden vonnis dient hier te worden hervormd.

6. de diverse vorderingen cijfermatig

6.1 C. S. stelde voor de eerste rechter geen vordering tegen de verzekeraars. Thans doet zij dat wel. Het door haar gevorderd bedrag van 7.000,00 euro is het bedrag vermeld op het commissiecontract en wordt als dusdanig niet betwist. Dit bedrag is, onder aftrok van de vrijstelling van 10 % en derhalve ten belope van 6.300,00 euro, ten laste van Württembergische Versicherung toewijsbaar.

6.2 Verder worden - althans wat de hoofdsommen betreft - cijfermatig alleen door D. G. grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis dat haar vordering slechts ten belope van 3.700,00 euro heeft ingewilligd, met name het bedrag dat vermeld is op het commissiecontract na doorhaling van het aanvankelijk daarop vermeld bedrag van 7.400,00 euro.

Alvorens hierover te beslissen, dienen K.-P. verduidelijking te verschaffen over het ogenblik waarop, de omstandigheden waarin en de redenen waarom het aanvankelijk bedrag van 7.400,00 euro werd doorgehaald en werd gehalveerd tot 3.700,00 euro. Zij dienen ook te verduidelijken:
- van wie de handtekening is onderaan het commissiecontract;
- of de krul die naast het euro-teken en de vermelding "3.700,00" te zien is, al dan niet een paraaf is en, zo ja, van wie deze paraaf is;
- wat het op het commissiecontract vermeld bedrag inhoudt en hoe het tot stand komt en met name of het al dan niet gaat om de verkoopprijs aan dewelke het juweel zal worden aangeboden en of dit bedrag in overleg met de klant wordt bepaald.

De debatten dienen in verband daartoe te worden heropend.

6.3 De verzekeraars stellen terecht dat slechts (moratoire) interest kan worden toegekend vanaf de datum van ingebrekestelling en geen vergoedende interest vanaf de datum van de diefstal. Hun verbintenis ten aanzien van de verzekerden betreft immers een geldschuld waarop artikel 1153 B.W. van toepassing is. Er kan bijgevolg maar interest worden toegekend, aan de wettelijke interestvoet, vanaf de door de verzekeraars aangegeven data.

7. incidenteel beroep van C. V. : verdedigingskosten

C. V. heeft voor de eerste rechter geen vordering tot vergoeding van verdedigingskosten gesteld. Zij kwalificeert haar voor het eerst in hoger beroep gestelde vordering dan ook ten onrechte als een incidenteel beroep.
Bij gebrek aan bewijs dat de kosten en erelonen van haar advocaat het bedrag van de rechtsplegingsvergoedingen overtreffen, kan deze vordering niet worden ingewilligd.

8. gedingkosten

8.1 Het past de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van S., V. en Buffilor ten laste te leggen van Württembergische Versicherung, als zowel voor de eerste rechter als in hoger beroep hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij.

Wat de rechtsplegingsvergoedingen betreft, zijn voor de procedure voor de eerste rechter, die zich volledig afspeelde vóór de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007, de oude tarieven van toepassing, terwijl voor de procedure in hoger beroep de nieuwe tarieven van toepassing zijn.

Er is geen reden om aan partij S. een hogere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan de basisvergoeding, nu de zaak een niet meer dan gemiddelde complexiteit vertoont en er ook geen andere redenen zijn om af te wijken van de basisvergoeding.

8.2 Wat de gedingkosten betreft gevallen aan de zijde van Anglo-Belge en G. past het dat de gedingkosten met betrekking tot de procedure voor de eerste rechter ten laste worden gelegd van K.-P. (zodat het bestreden vonnis op dit punt kan worden bevestigd).

Wat de gedingkosten in hoger beroep betreft, kunnen Anglo-Belge en G. ten aanzien van elke partij die tegen hen een vordering stelde aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding overeenstemmend met het bedrag van die vordering. Derhalve:
- lastens K.-P. (vordering 756,00 euro): 400,00 euro
- lastens Buffilor (vordering 3.985,50 euro): 650,00 euro
- lastens C. S. (vordering 7.000,00 euro): 900,00 euro
- lastens D. G. (vordering 11.527,05 euro): 1.100,00 euro.
C. V. heeft ten aanzien van Anglo-Belge of G. geen incidenteel beroep ingesteld, zodat zij geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is.

8.3 Over de gedingkosten gevallen aan de zijde van D. G., de verzekeraars en K.-P. zal in het eindarrest worden geoordeeld.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk.

Verklaart het hoger beroep deels gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep van K.-P. gegrond.

Verklaart de incidentele beroepen van S., V. en BVBA Buffilor ongegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de vorderingen tegen NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. and C° als ongegrond heeft afgewezen en het K.-P. heeft veroordeeld tot de gedingkosten gevallen aan de zijde van deze partijen.

Opnieuw oordelend:

Veroordeelt Württembergische Versicherung tot betaling aan K.-P. van de som van 756,00 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 28.10.2004 tot de dag der integrale betaling.

Veroordeelt Württembergische Versicherung tot betaling aan BVBA Buffilor van de som van 3.595,95 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 14.11.2005 tot de dag der integrale betaling.

Veroordeelt Württembergische Versicherung tot betaling aan C. V. van de som van 2.340,00 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 19.12.2006 tot de dag der integrale betaling

Verklaart de vorderingen van BVBA Buffilor, C. S. en C. V. jegens K.-P. ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

Verleent akte aan C. S. van haar voor het eerst in hoger beroep gestelde vordering jegens de verzekeraars. Verklaart deze vordering ontvankelijk en deels gegrond jegens Württembergische Versicherung.

Veroordeelt Württembergische Versicherung om aan C. S. te betalen de som van 6.300 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 30.03.2006 tot de dag der integrale betaling.

Wijst het door K.-P. gevraagde voorbehoud voor het instellen van een vrijwaringsvordering tegen de verzekeraars af als ongegrond.

Houdt de beslissing omtrent de vordering van D. G. aan.

gedingkosten

1. Veroordeelt K.-P., BVBA Buffilor, C. S. en D. G. tot de gedingkosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C°.

Veroordeelt dienvolgens K.-P. tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van 400,00 euro voor elk van hen.

Veroordeelt BVBA Buffilor tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van 650,00 euro voor elk van hen.

Veroordeelt C. S. tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van 900,00 euro voor elk van hen.

Veroordeelt D. G. tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van.1.100,00 euro voor elk van hen.

2. Veroordeelt Württembergische Versicherung A.G., vennootschap naar Engels recht, tot betaling van de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van BVBA Buffilor, C. S. en C. V.. Begroot deze kosten als volgt:
- aan de zijde van BVBA Buffilor:
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 euro
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 euro
- aan C. S.::
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 euro
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 euro
- aan C. V.:
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 euro
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 euro.

3. Houdt de uitspraak over de gedingkosten gevallen aan de zijde van D. G., K.-P. en Württembergische Versicherung/Lloyd's aan.

heropening debatten

Heropent de debatten teneinde K.-P. toe te laten de onder punt 6 gevraagde informatie mede te delen.

Zegt dat K.-P. zullen besluiten tegen uiterlijk 30 april 2009.
Zegt dat D. G. en Württembergische Versicherung/Lloyd's zullen besluiten tegen uiterlijk 25 juni 2009.

Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van donderdag 8 oktober 2009 te 14.00 uur.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken

 

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 08/11/2012 - 23:33
Laatst aangepast op: do, 08/11/2012 - 23:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.