-A +A

Verval strafvordering door overlijden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Crimen extinguitur mortalitate
Crimen morte finitum est
Le crime est éteint par la mort

Het misdrijf eindigt met de dood
 

Overeenkomstig art. 20, eerste en tweede lid Voorafgaande Titel Sv. vervalt de strafvordering door de dood van de verdachte.

Concreet betekent dit dat het strafproces tegen een verdachte, die tijdens de procedurte komt te overlijden niet wordt voortgezet. Indien de verdachte verwezen werd door de raadkamer naar de correctionele rechtbank, zal door het overljden van de verwezen verdachte nooit een behandeling voor de correctionele rechtbank plaatsvinden.

Een verdachte die verwezen werd naar de correctionele rechtbank, is daarom zeker niet schuldig. De raadkamer besliste enkel door de verwijzing dat de verdachte mogelijks schuldig kon zijn. Zolang de correctionele rechtbank geen veroordeling uitsprak (een vrijspraak blijft na een verwijzing zeker denkbaar en volgt zelfs vaak na een verwijzing), geniet de verdachte die verwezen werd van het vermoeden van onschuld. Door het overlijden kan evenwel de schuld noch de onschuld worden juridisch sluitend vorden vastgesteld. Er kunnen ingevolge het overlijden geen straffen uitgesproken, geen uitspraken meer gedaan worden over de vorderingen van de buregerlijke partij en ook geen verbeurdverklaringen meer plaatsvinden.

Voor rechtspersonen vervalt overeenkomstig art. 20, eerste en tweede lid Voorafgaande Titel Sv. de strafvordering door afsluiting van de vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening wanneer het om een rechtspersoon gaat. De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend indien de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben aan de vervolging te ontsnappen, of indien de rechtspersoon overeenkomstig art. 61bis Sv. door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld nog vóór hij zijn rechtspersoonlijkheid had verloren.

Franse term: 
Le crime est éteint par la mort
Rechtspraak: 

Hof van Beroep te Gent, 17e Kamer – 11 december 2015, RW 2016-2017, 1071

Samenvatting

Het instellen van een burgerlijke vordering rechtstreeks tegen een overledene is in rechte onmogelijk. De hervatting van het geding is ongeldig in een geding dat ab initio geen rechtsgeldig bestaan kende.

Er is geen sprake van een rechtsgeldige gedinghervatting wanneer voor het eerst in hoger beroep de burgerlijke vordering door middel van een rechtstreekse dagvaarding wordt gericht tegen de rechtsopvolgers van een beklaagde wiens overlijden plaatshad en voor alle partijen bekend was vóór het sluiten van het debat in eerste aanleg.

Uit de artikelen 815-817 Ger.W. volgt dat een gedinghervatting slechts mogelijk is wanneer het debat in het geding nog niet gesloten werd verklaard of weer heropend werd verklaard.

Een burgerlijke vordering kan worden uitgeoefend worden tegen een overledene voor de strafrechter, op voorwaarde dat deze vordering reeds werd ingesteld voor het overlijden.

Tekst arrest

Openbaar ministerie, NV L.A.B. e.a. t/ R.M. e.a.

...

Op burgerrechtelijk gebied

Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat de beklaagde M.R. overleed op 8 mei 2013.

Terecht verklaarde het bestreden vonnis van 10 december 2013 de strafvordering ten laste van de beklaagde M.R. vervallen.

...

Met betrekking tot de vorderingen van de burgerlijke partijen NV L.A.B. en N.R. tegen de rechtsopvolgers van wijlen de beklaagde M.R., namelijk de h. B.R., de h. F.R. en de beklaagde A.J., oordeelt het hof als volgt.

Uit het dossier van de rechtspleging voor de eerste rechter blijkt dat:

– de burgerlijke partij NV L.A.B. klacht met stelling van burgerlijke partij neerlegde tegen wijlen de beklaagde M.R. op 13 februari 2008;

– de zaak werd ingeleid voor de eerste rechter op 12 februari 2013;

– ...

– de beklaagde M.R. overleed op 8 mei 2013;

– het overlijden van de beklaagde M.R. voor de eerste rechter werd vastgesteld op de terechtzitting van 15 oktober 2013;

– de zaak voor de eerste rechter ten gronde werd behandeld op de terechtzitting van 15 oktober 2013;

– de burgerlijke partij R.N. zijn vordering voor de eerste rechter instelde op de voormelde terechtzitting van 15 oktober 2013.

Uit wat voorafgaat volgt dat wijlen de beklaagde M.R. al overleden was toen de burgerlijke partij R.N. zijn vordering tegen hem instelde.

Het instellen van een burgerlijke vordering rechtstreeks tegen een overledene is in rechte onmogelijk. Nog los van de hiernavolgende motieven met betrekking tot de vordering van de burgerlijke partij NV L.A.B., die a fortiori op dezelfde wijze gelden voor wat betreft de vordering van de burgerlijke partij R.N., kan er geen sprake zijn van een regelmatige hervatting van een geding dat ab initio geen rechtsgeldig bestaan kende.

De vordering van de burgerlijke partij R.N. tegen de rechtsopvolgers van wijlen de beklaagde M.R., namelijk de h. B.R., de h. F.R. en de beklaagde A.J., is om die reden onontvankelijk.

Anders dan de burgerlijke partij NV L.A.B. beweert, vermag het hof binnen de perken van het hoger beroep niet te oordelen over de vordering die voor het eerst bij rechtstreekse dagvaarding van 2 januari 2015 werd ingesteld tegen de partijen B.R., F.R. en A.J., in hun hoedanigheid van wettelijke erfgenamen en rechtsopvolgers van de beklaagde M.R., thans overleden.

Hoewel reeds lopende de procedure voor de eerste rechter bekend was dat de beklaagde M.R. overleden was, bleef de burgerlijke partij NV L.A.B. haar burgerlijke vordering tegen deze overleden beklaagde handhaven tot het sluiten van het debat en heeft zij voor de eerste rechter haar vordering niet hernomen tegen de voormelde rechtsopvolgers van de oorspronkelijke beklaagde M.R.

De eerste rechter, die zich diende uit te spreken over de vordering van de burgerlijke partij tegen de overleden oorspronkelijke beklaagde wijlen M.R., verklaarde deze vordering ongegrond.

Het hoger beroep van de burgerlijke partij NV L.A.B. is tegen deze beslissing gericht.

Terecht wordt in de namens de beklaagde A.J. – in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van de oorspronkelijke beklaagde wijlen M.R. – ter terechtzitting neergelegde conclusies opgeworpen dat de eerste rechter de vordering van de burgerlijke partij NV L.A.B. tegen de overleden oorspronkelijke beklaagde wijlen M.R. onontvankelijk had moeten verklaren.

Anders evenwel dan wordt aangenomen in de namens de beklaagde A.J. – in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van de oorspronkelijke beklaagde wijlen M.R. – neergelegde conclusies, is het hoger beroep van de burgerlijke partij NV L.A.B. niet per definitie onontvankelijk (het is bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat een burgerlijke partij de vaststelling van het bestaan van het overlijden van een beklaagde in rechte betwist; er valt niet in te zien waarom een dergelijk beroep automatisch onontvankelijk zou zijn).

De burgerlijke partij NV L.A.B. betwist kennelijk niet het bestaan en de rechtsgeldige vaststelling van het overlijden van de overleden oorspronkelijke beklaagde wijlen M.R.

Haar burgerlijke vordering rechtstreeks tegen de overleden beklaagde M.R. voor zover deze wordt gehandhaafd – is onontvankelijk, zoals hierna bepaald.

Er is voorts geen sprake van een rechtsgeldige gedinghervatting wanneer voor het eerst in hoger beroep de burgerlijke vordering door middel van een rechtstreekse dagvaarding wordt gericht tegen de rechtsopvolgers van een beklaagde wiens overlijden plaatshad en voor alle partijen bekend was vóór het sluiten van het debat in eerste aanleg.

Uit de artikelen 815-817 Ger.W. volgt dat een gedinghervatting slechts mogelijk is wanneer het debat in het geding nog niet gesloten werd verklaard of weer heropend werd verklaard. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat – behalve in het geval waarin het overlijden van een partij zich voordoet tussen de sluiting van het debat en de uitspraak – de gedinghervatting moet gebeuren binnen één en dezelfde aanleg.

De toepassing van voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek is niet strijdig of onverenigbaar met de beginselen die ten grondslag liggen aan de strafprocedure.

Te dezen ging de burgerlijke partij NV L.A.B. pas over tot rechtstreekse dagvaarding van de rechtsopvolgers van de overleden beklaagde M.R. in deze instantie, terwijl zij voor de eerste rechter haar vordering handhaafde tegen laatstgenoemde, ook al was diens overlijden haar bekend, wat zij overigens niet betwist. Deze vordering van de burgerlijke partij NV L.A.B. in het kader van een beweerde gedinghervatting tegen de rechtsopvolgers van de overleden beklaagde M.R. is derhalve onontvankelijk.

Het ontvankelijk hoger beroep van de burgerlijke partij NV L.A.B. tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij de vordering van deze burgerlijke partij tegen de overleden oorspronkelijke beklaagde wijlen M.R. ongegrond werd verklaard, doet dit geding niet herleven, omdat dit hoger beroep enkel de laatstgenoemde beslissing van de eerste rechter aan het oordeel van het hof onderwerpt en het hof de vordering in dit verband van de burgerlijke partij NV L.A.B. onontvankelijk verklaart.

...

Rechtsleer:

• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 1219, nr. 3081;

• R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 197-198, nr. 331 en p. 213, nr. 347.

• Art. 816 Ger.W.” in Comm.Ger., Mechelen, Kluwer, p. 3, nr. 3.

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 10/09/2014 - 16:55
Laatst aangepast op: do, 23/03/2017 - 11:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.