-A +A

verschoonbaarheid na faillissement en eerdere veroordelingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Hof van Beroep te Antwerpen, 5e Kamer – 1 oktober 2009, RW 2009-2010, 126

Wie strafrechtelijke veroordeeld werd in het  verleden wordt in ons Belgisch rechtsbestel niet uitgesloten van de verschoonbaarverklaring. Evenzeer geldt r dit voor de omvang van het passief voor zover niet kan vastgesteld wordn dat het faillissement door grove nalatigheid of bedrog werd veroorzaakt.

Immers:

Krachtens art. 80 Faill.W. wordt de ongelukkig gefailleerde die te goeder trouw is verschoonbaar verklaard, tenzij er gewichtige omstandigheden voorhanden zijn.

De Faillissementswet sluit thans de verschoonbaarheid niet meer uit in geval van strafrechtelijke veroordelingen.

Er kan geen sprake meer zijn van gewichtige omstandigheden die een beletsel vormden voor de verschoonbaarheid, zijn gelegen in een geheel van feiten bestaande uit eerdere correctionele veroordelingen.

Nog minder kan een ten laste gelegd misdrijf waarvoor de gefailleerde werd vrijgesproken, een motief zijn om de verschoonbaarheid te weigeren, omdat zulks, wel degelijk een miskenning is van het strafrechterlijk gewijsde. Niet de vervolging maar het resultaat van de vervolging door het openbaar ministerie is te dezen relevant.

Wanneer een curator ter zitting verklaard heeft dat er van de zijde van de gefailleerde wel medewerking is geweest, en er een futiel misdrif werd vastgested (bv. reizen zonder treinticket) kan zulks geen beletsel zijn voor verschoining. Op zichzelf maakt dit feit ook geen gewichtige omstandigheid uit die de verschoonbaarheid belet.

Ook de omvang van het passief, ook al werd het door de gefailleerde aanvankelijk geminimaliseerd, is geen afdoende reden om de verschoonbaarheid te weigeren, zeker niet wanneer nergens uit blijkt dat het faillissement door grove nalatigheid of door naar bedrog neigende handelingen werd veroorzaakt.

Een oude correctionele veroordeling meer dan 10 jaar voor de afsluiting van het faillissement kan weliswaar op ernstige feiten slaan, maar ligt in een te ver verleden om na 10 jaar als negatief element in aanmerking te komen bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de gefailleerde.

voor de tekst van deze gerechtelijke uitspraak Hof Antwerpen 1 ktober 2009, RW 2009-2010, 1266, lees deze bijdrage met paswoord RW

 

Commentaar: 

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.
De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd bij de wet van 2 februari 2005 ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten uit een nieuwe beroepsactiviteit van de gefailleerde in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteit kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

Door, bij de wet van 18 juli 2008, de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de voormalige echtgenoot, heeft de wetgever, ook al was het niet vereist door het doel van verschoonbaarheid op zich, de voormalige echtgenoot willen beschermen. De parlementaire voorbereiding van die wet luidt immers als volgt :

« De wetgever heeft [...] nooit de gevolgen die een echtscheiding voor de echtgenoot van de gefailleerde zou hebben, inzonderheid een echtscheiding die zou worden voltrokken vóór de verschoonbaarheid van die echtgenoot effect sorteert, aan een specifiek onderzoek onderworpen.
Het betreft hier een punt dat momenteel bijzonder heikel is, niet alleen in het licht van de thans geldende wetsbepalingen, maar vooral als gevolg van arrest nr. 37/2007 (7 maart 2007) van het Grondwettelijk Hof. Volgens sommigen bestond er immers een discriminatie tussen diegene die echtgenoot bleef en de gewezen echtgenoot (die de echtscheidingsprocedure begon en beëindigde vóór het verkrijgen van de verschoonbaarheid). Het Hof heeft geoordeeld dat die toestand géén discriminatie inhoudt. Terzake kan worden verwezen naar punt B.7. van het arrest (cf. DOC 52 1032/001, blz. 5).

Strikt juridisch, alsook rekening houdend met de grondwettigheid van de wet en met de doelstellingen die ze nastreeft, kunnen de indieners van dit wetsvoorstel die visie wel volgen. Toch achten zij een wetswijziging noodzakelijk, want met name om sociale redenen kan het niet door de beugel dat er een verschil in behandeling bestaat tussen, enerzijds, de echtgenoot van de gefailleerde die aansprakelijk is voor de schulden en, anderzijds, de voormalige echtgenoot die zich tijdens de duur van het huwelijk voor die schulden aansprakelijk heeft gesteld.

Doordat het huwelijk evenwel is ontwricht geniet laatstgenoemde echtgenoot niet langer automatisch de gevolgen van een eventuele verschoonbaarheid en daar komt nog bij dat de betrokkene bij het faillissement of tijdens de periode rond het faillissement veelal niet meer bij machte was eventueel nog iets gedaan te krijgen van zijn echtgenoot.
Het is bijgevolg aangewezen artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet nogmaals te wijzigen en duidelijk te stellen dat ingevolge de verschoonbaarheid niet enkel de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd is van zijn verbintenissen, maar ook de gewezen echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, aangegaan tijdens het huwelijk.

De voorwaarden uit het derde lid van het artikel 82 blijven behouden. Het is bijgevolg duidelijk de bedoeling de echtgenoot en de gewezen echtgenoot op voet van gelijkheid te brengen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1032/003, pp. 4 en 5).

De enkele omstandigheid dat de wetgever voortaan ook de voormalige echtgenoot wil beschermen, impliceert niet dat hij zijn vroegere doelstelling zou hebben opgegeven : het doel van artikel 82, tweede lid, blijft de gefailleerde in staat stellen zijn activiteit op een aangezuiverde basis te hervatten zonder het risico te lopen van vervolgingen die door de schuldeisers zouden kunnen worden ingesteld op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, ook al wordt de voormalige echtgenoot, om billijkheidsredenen te zijnen aanzien, voortaan gelijkgesteld met de echtgenoot.

Vermits het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend op grond van persoonlijke elementen, staat de beoordeling van die elementen door de rechter die uitspraak moet doen, los van het feit of de echtgenoot of voormalige echtgenoot al dan niet vat zou hebben kunnen gehad op omstandigheden die zich hadden kunnen voordoen tussen het ogenblik waarop hij zich persoonlijk bindt en het ogenblik van het vonnis waarbij het faillissement wordt uitgesproken : ongeacht de handelwijze van de echtgenoot of de voormalige echtgenoot, zij zou niet ertoe mogen leiden dat het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend rekening houdend met het belang of de eisen van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 82, tweede lid, door aan de beslissing over de verschoonbaarheid van een gefailleerde een automatisch gevolg te verbinden voor de situatie van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot, niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen.

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 21/03/2010 - 21:10
Laatst aangepast op: za, 19/11/2011 - 21:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.