-A +A

Vermomde schenking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een vermomde schenking, is een schenking die gedaan wordt onder het mom van een handeling onder bezwarende titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie dient te worden geleverd, maar tegelijkertijd afgesproken wordt dat dit niet moet gebeuren.

Het is de schenking waarbij de schenker en de begiftigde tegenover derden aldus bewust de schijn creëren een overeenkomst onder bezwarende titel te sluiten, maar tegelijkertijd en in het geheim een schenking overeenkomen (Antwerpen 6 november 2007, T.Not. 2009, 72; G. Deknudt, “Schenkingen” in W. Pintens, J. Du Mongh en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 93, nr. 145).

Er kunnen veel redenen zijn om te verbergen dat bepaalde goederen werden geschonken in plaats van verkocht.

Zo mag men zichzelf niet onvermogend maken ten nadele van zijn schuldeisers door schenkingen. 

Bij de verdeling van nalatenschappen dienen de schenkingen teruggebracht in de fictieve te verdelen massa. Zo tracht meer dan één (toekomstige erfgenaam) dit te omzeilen door de schenking te laten doorgaan als een verkoop, daar waar er in werkelijkheid niets betaald is geweest. De loutere vermelding van betaling in een notariële akte, de zogeheten kwijting, volstaat niet als bewijs van "verkoop" en belet niet dat het bewijs wordt geleverd dat de transactie in werkelijkheid een vermomde of oneigenlijke, dan wel onrechtstreekse schenking was, ondanks de kwijting in de verkoopakten.

Wanneer er beweerd wordt dat het zogename verkochte in feite geschoknen was, lijkt het erop dat hij die beweert dat het om een schenking ging en niet om een verkoop, dit ook moet bewijzen. Hij die beweert moet immers bewijzen volgens de regel “actori incumbit probatio”.

Zeker wanneer de betaling eenbelangrijke som betreft moeten er sporen zijn van de betaling en moet degene die betaalt heeft dit kunnen bewijzen, wanneer deze van goed wil is. Slechte wil wordt in het recht zelden beloond. Alle partijen hebben de plicht mee te werken aan de bewijsvoering en de waarheidsvinding in een burgerlijk proces en loyaal meewerken aan de bewijsvoering. In een moderne rechtsopvatting speelt immers het algemene rechtsbeginsel dat alle betrokken partijen verplicht zijn tot medewerking aan de bewijsvoering (Cass. 25 september 2000, Arr.Cass. 2000, 490). In het licht van deze medewerkingsplicht staat niets eraan in degene die beweert betaald te hebben het bewijs van betaling voorlegt aan de rechtbank.

Het louter voorleggen van een notariële aktye waarin kwijting wordt verleend is geen (volledig) bewijs.

Een dergelijke verklaring van kwijting is een niet-authentieke vermelding in de notariële akte is, die geen bijzondere bewijskracht heeft.

De betreffende vermelding heeft dezelfde bewijskracht als een vermelding in een onderhandse akte, en het tegenbewijs vereist geen procedure wegens valsheid. Het kan door de partijen overeenkomstig het gemene recht inzake bewijs, met inbegrip van art. 1341 BW, worden aangebracht. Ten aanzien van derden zullen de beperkingen van art. 1341 BW bovendien niet van toepassing zijn, zodat het tegenbewijs met alle middelen van recht kan worden geleverd.

De partij die beweert dat de transactie een vermomde dan wel onrechtstreekse schenking betreft, moet in principe het bewijs leveren.

De erfgenamen van de "schenker" (of de begiftigde) worden met derden gelijkgesteld wanneer ze opkomen in eigen naam en niet als rechtsopvolgers. Dit is het geval wanneer de inbreng of inkorting van de beweerde schenking wordt gevorderd (E. Lauwers, “De verkoop met gesloten beurs en verkoop tegen een te lage prijs”, T.Not. 2009, 337). Als derden kunnen deze erfgenamen het bewijs van de vermomde of onrechtstreekse schenking leveren met alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

De rechter kan uit de weigering van een partij om mee te werken aan de bewijsvoering een feitelijk vermoeden afleiden (S. Rutten, “Beginselen van behoorlijke bewijsvoering in het burgerlijk proces: enkele aandachtspunten” in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, die Keure, 2009, p. 37). Opdat dit mogelijk zou zijn, is wel vereist dat uit de niet-medewerking een vermoeden in de zin van art. 1353 BW kan worden afgeleid en dat derhalve de niet-medewerking kan worden gekwalificeerd als gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend vermoeden (Cass. 17 december 1998, RW 1998-99, 1144, noot F. Swennen).

Voor het bewijs met vermoedens is het bestaan van verschillende vermoedens niet noodzakelijk: één enkel vermoeden is voldoende. Art. 1353 BW vereist enkel dat, indien er verschillende vermoedens bestaan, deze met elkaar overeenstemmen (Cass. 29 september 1932, Pas. 1932, I, 255).

Art. 972bis Ger.W., ingevoegd bij de wet van 15 mei 2007 (BS 22 augustus 2007), biedt overigens een illustratie inzake de medewerkingsplicht: alle partijen dienen verplicht hun medewerking te verlenen aan het deskundigenonderzoek, en bij gebreke daarvan kan de rechter daaruit de conclusies trekken die hij geraden acht.

Wanneer de beweeerde kopers niet ingaan op de uitnodiging van de rechtbank om de betalingsbewijzen voor te leggen en ook geen uitleg geven waarom dit bewijs ontbreekt en er nergens een spoor kan worden gevonden van de koopsommen kan de rechtbank dan op grond van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vaststellen dat er geen de koopprijs werd betaald en dat in feite een constructie werd opgezet om te begiftigen.

Het Hof van Cassatie heeft de medewerkingsplicht inzake bewijsvoering als een algemeen rechtsbeginsel erkend. Van partijen mag worden verwacht dat zij de omstandigheden van de zaak volledig en waarheidsgetrouw meedelen en te goeder trouw meewerken aan de onderzoeksmaatregelen (B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 470, nr. 170).

Partijen kunnen zich niet verschuilen achter de bewijslastverdeling. Algemeen wordt aanvaard dat een partij zich niet kan hullen in stilzwijgen of zich afzijdig kan opstellen onder het voorwendsel dat de bewijslast rust op haar tegenstrever, wanneer die partij over bewijsmateriaal beschikt waarop die tegenstrever nuttig een beroep zou kunnen doen (R. Mougenot, La preuve, Brussel, De Boeck & Larcier, 1997, p. 91-92, nr. 31; S. Rutten, “Beginselen van behoorlijke bewijsvoering in het burgerlijk proces: enkele aandachtspunten” in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, die Keure, 2009, p. 30).

De rechter kan uit de weigering van een partij om mee te werken aan de bewijsvoering een feitelijk vermoeden afleiden (S. Rutten, “Beginselen van behoorlijke bewijsvoering in het burgerlijk proces: enkele aandachtspunten” in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, die Keure, 2009, p. 37). Opdat dit mogelijk zou zijn, is wel vereist dat uit de niet-medewerking een vermoeden in de zin van art. 1353 BW kan worden afgeleid en dat derhalve de niet-medewerking kan worden gekwalificeerd als gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend vermoeden (Cass. 17 december 1998, RW 1998-99, 1144, noot F. Swennen).

Rechtspraak: 

• Burgerlijke Rechtbank te Mechelen, 4e Kamer – 23 mei 2012, RW 2014-2015, 393

F. De H. en W.C. t/ S.G. e.a.

1. Feitelijke en procedurele antecedenten

Op 10 april 2003 is de h. P.F. De H., vader van eiseres en derde verweerster, overleden.

Bij exploot van 22 mei 2003 heeft eiseres derde verweerster gedagvaard in uitonverdeeldheidtreding. Omdat beide dochters onder het stelsel van algemene gemeenschap zijn gehuwd, zijn hun echtgenoten vrijwillig tussengekomen in de procedure.

Bij vonnis van 3 november 2003 van deze rechtbank (AR nr. 03/749/A) werd de vereffening-verdeling bevolen van de onverdeeldheid ontstaan door het overlijden van de h. P.F. De H., met aanstelling van notarissen (...) als boedelnotarissen.

Tijdens de verrichtingen van vereffening-verdeling (die volgens eisers zouden stilliggen – een staat van vereffening werd nog niet opgemaakt) is gebleken dat wijlen de h. P.F. De H. bij akte van 14 april 1998 is overgegaan tot de verkoop van de hem toebehorende woning en naastgelegen bouwgrond aan mevr. V.G., zijn toenmalige levensgezellin, tegen de prijs van 3.000.000 fr. of 74.368,06 euro.

Mevr. V.G. is inmiddels op 13 februari 2004 overleden en eerste verweerster is haar enige erfgename.

Wijlen mevr. V.G. heeft de woning en grond op haar beurt bij akte van 16 april 1999 tegen dezelfde prijs verkocht aan tweede verweerder, de kleinzoon van wijlen de h. De H.

Eisers voeren nu aan dat het gaat om een constructie teneinde een schenking aan de kleinzoon te camoufleren en zodoende de wettelijke reserve aan de erfgenamen te ontnemen. Zij stellen een vordering tot inkorting in.

Bij gebreke van minnelijke regeling brachten eisers een dagvaarding uit tegen verweerders bij exploot van 8 september 2006, waarmee huidige zaak werd ingeleid.

Bij vonnis van deze kamer van 17 oktober 2007, gewezen in andere samenstelling, werd vastgesteld dat de zaak niet in staat van wijzen was, bij gebreke van (onder meer) neerlegging van de nodige akten van bekendheid en van het vonnis waarbij de vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen de h. De H. werd bevolen.

...

4. Beoordeling ten gronde

4.1. Volgens eisers is er sprake van een vermomde schenking, minstens van een onrechtstreekse schenking. Zij doen gelden dat noch wijlen mevr. V.G. noch de h. E.A. de koopsom van 3.000.000 fr., zijnde thans 74.368,06 euro, voor het onroerend goed (...) hebben betaald, ondanks de kwijting in de verkoopakten.

In de eerste verkoopakte, verleden voor (...) op 1 april 1998, is vermeld: “Deze verkoop is toegestaan en aanvaard tegen de prijs van drie miljoen frank (3.000.000 fr.), integraal betaald vóór heden, waarover kwijting, dubbel met vroeger afgegeven kwitanties; de heer hypotheekbewaarder wordt ontslagen ambtshalve inschrijving te nemen bij overschrijving van deze akte”.

De tweede verkoopakte, verleden voor dezelfde notaris op 6 april 1999, bevat exact dezelfde vermelding.

Eisers voeren aan dat eerste en tweede verweerders dienen te bewijzen dat daadwerkelijk een bedrag van 3.000.000 fr. werd betaald bij de respectieve verkopen.

Eerste verweerster laat evenwel gelden dat eisers gehouden zijn hun vordering te bewijzen overeenkomstig het principe “actori incumbit probatio”, en dat haar zus perfect in staat was deze aankoop te financieren. Tweede verweerder wijst er eveneens op dat de bewijslast bij eisers rust en dat hij over de nodige financiële middelen beschikte om tot aankoop over te gaan.

Stukken met betrekking tot de effectieve betaling van de koopsommen worden nog steeds door geen van beiden voorgebracht, niettegenstaande hetgeen de rechtbank in haar tussenvonnis van 30 november 2011 uiteenzette: “Nochtans komt het eerste en tweede verweerders toe loyaal mee te werken aan de bewijsvoering. In een moderne rechtsopvatting speelt immers het algemene rechtsbeginsel dat alle betrokken partijen verplicht zijn tot medewerking aan de bewijsvoering (Cass. 25 september 2000, Arr.Cass. 2000, 490). In het licht van deze medewerkingsplicht staat niets eraan in de weg dat eerste en tweede verweerders worden verzocht de bewijzen van betaling voor te leggen aan de rechtbank. Zij dienen dit te doen tegen de datum waarop de zaak voor heropening van het debat wordt gesteld, zoals hierna bepaald”.

4.2. Eerste en tweede verweerders wijzen erop dat in de verkoopakten kwijting werd verleend en dat de kopers perfect in staat waren om de aankoop te financieren.

Eisers merken evenwel terecht op dat een dergelijke verklaring van kwijting een niet-authentieke vermelding in de notariële akte is, die geen bijzondere bewijskracht heeft.

De betreffende vermelding heeft dezelfde bewijskracht als een vermelding in een onderhandse akte, en het tegenbewijs vereist geen procedure wegens valsheid. Het kan door de partijen overeenkomstig het gemene recht inzake bewijs, met inbegrip van art. 1341 BW, worden aangebracht. Ten aanzien van derden zullen de beperkingen van art. 1341 BW bovendien niet van toepassing zijn, zodat het tegenbewijs met alle middelen van recht kan worden geleverd.

Eisers, die beweren dat een vermomde dan wel onrechtstreekse schenking werd gedaan, moeten in principe het bewijs leveren.

De erfgenamen van de schenker (of de begiftigde) worden met derden gelijkgesteld wanneer ze opkomen in eigen naam en niet als rechtsopvolgers. Dit is het geval wanneer de inbreng of inkorting van de beweerde schenking wordt gevorderd (E. Lauwers, “De verkoop met gesloten beurs en verkoop tegen een te lage prijs”, T.Not. 2009, 337). Als derden kunnen eisers dus het bewijs van de vermomde of onrechtstreekse schenking leveren met alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

4.3. Zoals reeds vermeld in het tussenvonnis van 30 november 2011, heeft het Hof van Cassatie de medewerkingsplicht inzake bewijsvoering als een algemeen rechtsbeginsel erkend. Van partijen mag worden verwacht dat zij de omstandigheden van de zaak volledig en waarheidsgetrouw meedelen en te goeder trouw meewerken aan de onderzoeksmaatregelen (B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 470, nr. 170).

Partijen kunnen zich niet verschuilen achter de bewijslastverdeling. Algemeen wordt aanvaard dat een partij zich niet kan hullen in stilzwijgen of zich afzijdig kan opstellen onder het voorwendsel dat de bewijslast rust op haar tegenstrever, wanneer die partij over bewijsmateriaal beschikt waarop die tegenstrever nuttig een beroep zou kunnen doen (R. Mougenot, La preuve, Brussel, De Boeck & Larcier, 1997, p. 91-92, nr. 31; S. Rutten, “Beginselen van behoorlijke bewijsvoering in het burgerlijk proces: enkele aandachtspunten” in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, die Keure, 2009, p. 30).

De rechter kan uit de weigering van een partij om mee te werken aan de bewijsvoering een feitelijk vermoeden afleiden (S. Rutten, “Beginselen van behoorlijke bewijsvoering in het burgerlijk proces: enkele aandachtspunten” in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, die Keure, 2009, p. 37). Opdat dit mogelijk zou zijn, is wel vereist dat uit de niet-medewerking een vermoeden in de zin van art. 1353 BW kan worden afgeleid en dat derhalve de niet-medewerking kan worden gekwalificeerd als gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend vermoeden (Cass. 17 december 1998, RW 1998-99, 1144, noot F. Swennen).

Voor het bewijs met vermoedens is het bestaan van verschillende vermoedens niet noodzakelijk: één enkel vermoeden is voldoende. Art. 1353 BW vereist enkel dat, indien er verschillende vermoedens bestaan, deze met elkaar overeenstemmen (Cass. 29 september 1932, Pas. 1932, I, 255).

Art. 972bis Ger.W., ingevoegd bij de wet van 15 mei 2007 (BS 22 augustus 2007), biedt overigens een illustratie inzake de medewerkingsplicht: alle partijen dienen verplicht hun medewerking te verlenen aan het deskundigenonderzoek, en bij gebreke daarvan kan de rechter daaruit de conclusies trekken die hij geraden acht.

4.4. Eerste en tweede verweerders gaan niet alleen niet in op de uitnodiging van de rechtbank om de betalingsbewijzen voor te leggen; zij geven hiervoor in conclusie zelfs geen uitleg.

Van de substantiële koopsommen is ook geen spoor meer in de aangiften van nalatenschap van wijlen de h. De H. en mevr. G. Tevens valt op dat in beide akten een levenslang “onvergeld” recht van bewoning is voorzien voor wijlen de h. De H., die luidens de vermeldingen in de aken alle lasten diende te dragen “die ingevolge de wet op hem rusten”. Het is, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, zeer de vraag waarom de h. De H. dan wel overging tot de verkoop van zijn woning.

In het licht van al deze elementen is de rechtbank dan ook van oordeel dat op grond van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens is bewezen dat in geen van beide gevallen de koopprijs werd betaald en dat in feite een constructie werd opgezet om tweede verweerder te begiftigen.

De animus donandi van wijlen de h. De H. ten opzichte van zijn kleinzoon wordt afdoende aangetoond. Het betreft in casu een vermomde schenking, zijnde een schenking die gedaan wordt onder het mom van een handeling onder bezwarende titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie dient te worden geleverd, maar tegelijkertijd afgesproken wordt dat dit niet moet gebeuren. Het is de schenking waarbij de schenker en de begiftigde tegenover derden aldus bewust de schijn creëren een overeenkomst onder bezwarende titel te sluiten, maar tegelijkertijd en in het geheim een schenking overeenkomen (Antwerpen 6 november 2007, T.Not. 2009, 72; G. Deknudt, “Schenkingen” in W. Pintens, J. Du Mongh en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 93, nr. 145).

Op de argumentatie ontwikkeld over de onrechtstreekse schenking, dient bijgevolg niet verder te worden ingegaan.

Aangezien uit niets blijkt dat de verkoopprijzen werden betaald, gaat het om verkopen met gesloten beurs. Het voorwerp van een dergelijke verkoop bestaat uit het geschonken goed en niet uit de fictieve verkoopprijs. Het goed zelf wordt immers geschonken.

...


Hof van Beroep te Antwerpen, 3e Kamer – 2 december 2015, RW 2016-2017, 1390

Samenvatting:

Een vermomde schenking is een schenking die gedaan wordt onder het mom van een handeling ten bezwarende titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie dient te worden geleverd, maar afgesproken wordt dat dit in werkelijkheid niet moet gebeuren.

Loutere verklaringen van partijen (bv. over de aard van hun rechtshandelingen over een gedane betaling, e.d.) zelfs opgenomen in notariële verkoopaktes, genieten geen authentieke bewijskracht. Tegenbewijs is mogelijk.

Beweringen dat de koopakte in realiteit een schenking betreft kunnen bewezen worden geleverd door alle middelen van recht. Ook het bewijs door vermoedens is bijgevolg toegelaten.

Indien aannemelijk is gemaakt dat geen betaling is gebeurd, kan een verkoop worden geherkwalificeerd naar een schenking van de koopsom.

Tekst arrest

B.

3.4.1. Appellanten wensen de herkwalificatie van deze verkoop van de hoeve aan geïntimeerden voor de som van 2.900.000 (oude) BEF naar een schenking. Meer bepaald zijn zij van oordeel dat er sprake is van een verdoken of vermomde schenking.

Volgens appellanten is het voorwerp van de schenking de hoeve zelf, dus niet het geld (d.w.z. de koopsom van 2.900.000 oude BEF). Volgens appellanten is het de hoeve die moet worden ingebracht. Hierboven is evenwel reeds aangegeven dat appellanten hun vordering nuanceren in hun conclusies, in die zin dat zij ermee akkoord kunnen gaan dat de h. B.J. in de nalatenschap van de ouders telkens de helft van de waarde van de bewuste hoeve inbrengt op de dag van het overlijden van de ouders, in de staat waarin ze zich bevond op het ogenblik van de aankoop.

3.4.2. Geïntimeerden voerden initieel aan dat de vordering laattijdig werd ingesteld en verjaard is, minstens dat geen bewijs wordt geleverd dat er sprake zou zijn van vermomde schenking.

Volgens de eerste rechter is deze vordering tijdig, aangezien zij een aspect uitmaakt van de vordering tot verdeling, die niet verjaart, evenmin als de vordering tot inkorting die er een facet van uitmaakt.

Aangezien tegen dit onderdeel van het bestreden vonnis geen incidenteel hoger beroep is aangetekend, is deze kwestie niet langer aan de orde. Dit geschilpunt behoort bijgevolg niet tot de saisine van het hof en maakt geen voorwerp uit van het hoger beroep.

3.4.3. Inzake de betaling van de prijs voeren de geïntimeerden aan dat zij deze cash hebben betaald, met bedragen verkregen ingevolge twee kredieten.

Volgens geïntimeerden zijn hun documenten evenwel verloren gegaan ingevolge wanprestaties begaan door hun toenmalige boekhouder.

Het advies van de notaris-vereffenaar luidt dat de kredieten gediend hebben voor verbouwingswerken, terwijl de koopprijs niet betaald werd en kwijtgescholden zou zijn door de ouders (zijnde de verkopers). Hiervoor verwijst de notaris-vereffenaar naar o.a. de aangifte van nalatenschap, waarin relatief beperkte tegoeden werden aangegeven, terwijl het ongeloofwaardig zou zijn dat er aanzienlijke sommen zouden zijn opgeleefd op enkele jaren tijd, zeker aangezien de ouders zuinig leefden.

Volgens de eerste rechter, die hiermee afwijkt van het oordeel van de notaris-vereffenaar, is de vermomde schenking echter onvoldoende aangetoond. Diens oordeel luidt dat de aangifte van nalatenschap geen civielrechtelijke bewijswaarde heeft, terwijl ook inzake de hypothecaire lening volgens de eerste rechter onvoldoende zekerheid bestaat dat deze zou hebben gediend voor de bekostiging van verbouwingswerken. Op dit punt moet de staat van vereffening volgens de eerste rechter worden aangepast.

Appellanten voeren aan dat de geïntimeerden niet of onvoldoende meewerken aan de bewijsvoering. Appellanten achten het argument van de boekhouder, door wiens fout de bewijsstukken van geïntimeerden zouden zijn verloren gegaan, ook niet pertinent. Appellanten voeren aan dat er al verbouwingen zijn gebeurd vlak na de zgn. verkoop, zodat de hypothecaire lening hiervoor werd gebruikt. Uitstel van betaling, verleend in de akte, wijst volgens appellanten precies op kwijtschelding van schuld en bijgevolg op een vermomde schenking.

3.4.4. In essentie beogen de appellanten te horen zeggen voor recht dat de gewraakte verkoopakte een vermomde schenking betreft door hun ouders aan hun zoon gedaan. Voorts argumenteren de appellanten dat de verkoopprijs, bedongen in de hier bedoelde verkoopakte, door de kopers nooit effectief werd betaald.

3.4.5. Een vermomde schenking is een schenking die gedaan wordt onder het mom van een handeling ten bezwarende titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie dient te worden geleverd, maar afgesproken wordt dat dit in werkelijkheid niet moet gebeuren.

Hoewel appellanten in beginsel de bewijslast dragen van hun stelling dat de verkoop in werkelijkheid een (vermomde) schenking betrof, dient de bewijslast voor wat dit specifieke geschilpunt betreft toch enigszins op een genuanceerde manier te worden benaderd, zoals hierna verder wordt uiteengezet. Meer bepaald argumenteren de appellanten immers o.a. ook dat de verkoopprijs, bedongen in de hierboven bedoelde verkoopakte, door de kopers nooit effectief werd betaald.

3.4.6. De vraag rijst, in eerste instantie, naar de bewijswaarde van de vermeldingen van de door de appellanten aangevochten akte van verkoop ten aanzien van huidige partijen, c.q. appellanten in het bijzonder. In de gewraakte akte is er, luidens de bedingen van de betreffende akte, immers sprake van een verkoop (en niet van een schenking, zoals appellanten beweren).

Loutere verklaringen van partijen (bv. over de aard van hun rechtshandelingen over een gedane betaling, e.d.) zelfs opgenomen in notariële verkoopaktes, genieten geen authentieke bewijskracht. Tegenbewijs is mogelijk. Om te bepalen op welke wijze dit tegenbewijs geleverd dient te worden, moet vooraf het statuut van de appellanten uitgeklaard worden: zijn zij partijen bij de akte (d.w.z. rechtsopvolgers die de persoon van de decuius voortzetten en die bijgevolg ook gebonden zijn aan verklaringen en bedingen van de verkopers-erflaters), dan wel derden? Het antwoord op deze vraag hangt af van de vordering die gesteld wordt.

Het hoeft geen betoog dat de appellanten tegen deze transacties opkomen uit hoofde van eigen recht. Het staat immers vast dat zij in wezen een geveinsdverklaring beogen van de door hen gewraakte onroerend goedtransactie, waarbij geïntimeerden waren betrokken: zij vorderen immers te horen vaststellen in recht dat de beoogde verkoopakte in werkelijkheid een schenking was. Deze vordering tot geveinsdverklaring veruitwendigt de uitoefening van een eigen persoonlijk recht, dat door de appellanten in eigen naam wordt uitgeoefend.

Het bovenstaande houdt in dat de appellanten als derde t.a.v. de akte moeten worden gekwalificeerd, aangezien zij in rechte optreden als erfgenamen krachtens een eigen recht (vgl. met Cass. 21 juni 1974, Arr.Cass. 1974, 169). Appellanten zijn geenszins gebonden door wat in de akte is bepaald.

3.4.7. Appellanten dragen de bewijslast van hun beweringen dat de koopakte in realiteit een schenking betrof. Dit bewijs kan worden geleverd door alle middelen van recht. Ook het bewijs door vermoedens is bijgevolg toegelaten.

In wezen trekken appellanten niet alleen de rechtshandeling zelf (i.e. de verkoop, hoewel zij zelf echter gewag maken van een schenking van de hoeve), maar ook de (waarachtigheid of de waarschijnlijkheid van de) betaling door geïntimeerden in twijfel.

3.4.8. Bij deze bewijsproblematiek staat o.a. het bewijs van betaling van de koopprijs ten bedrage van 2.900.000 oude BEF door geïntimeerden centraal.

Indien aannemelijk is gemaakt dat geen betaling is gebeurd, kan de vordering van appellanten immers worden geherkwalificeerd naar een schenking van de koopsom (zie ook: infra).

3.4.9. Feit is alleszins dat de gewraakte notariële akte van 10 augustus 1990 geen kwijting (en dus geen bewijs van betaling) inhoudt.

Deze akte houdt enkel de eigendomsoverdracht van het betreffende onroerend goed in aan geïntimeerden, bij wijze van verkoop.

De betaling zou later gebeuren, meer bepaald uiterlijk vóór 1 oktober 1991, zo blijkt uit de akte zelf. In de akte is m.a.w. een uitstel van betaling bedongen.

3.4.10. Terwijl appellanten het bewijs moeten leveren dat de verkoop in werkelijkheid geveinsd zou zijn en een schenking inhield, blijkt dat geïntimeerden van hun kant geen bewijs van betaling leveren. Dit is geen omkering van de bewijslast, aangezien de akte zelf geen bewijs van betaling inhoudt.

De gewraakte akte zelf levert het bestaan op van een schuldvordering, zoals bedoeld in art. 1315, eerste lid BW. Dit brengt de toepassing in het vizier van de pendant aan de passiefzijde, namelijk het tweede lid van art. 1315 BW.

Appellanten kunnen (ermee volstaan) zich (te) beroepen op de verkoopakte, waaruit de schuldvordering van hun ouders (i.e. de onbetaalde koopsom) blijkt. Appellanten hebben in dat verband een eigen recht.

Met toepassing van het hierboven vermelde art. 1315, tweede lid BW moeten geïntimeerden hun bevrijding (betaling) bewijzen. Hun ouders, de verkopers, hebben immers nooit een kwijtingsakte getekend of ander bewijs van betaling afgeleverd.

Dit door geïntimeerden te leveren bewijs, dat het bewijs uitmaakt van een rechtshandeling (de betalingsverbintenis/schuld gaat hierdoor immer teniet), kan slechts worden geleverd met inachtneming van de voorschriften bepaald in art. 1341 BW (vgl. Cass. 26 oktober 2006, RW 2009-10, 615; Cass. 6 december 2002, RW 2004-05, 1056). Een akte is bijgevolg vereist, d.w.z. een geschrift ondertekend door de verkopers, wijlen de ouders van appellanten.

Een kwijtingsbewijs of kwijtingsakte wordt echter niet bijgebracht. Ook een ander schriftelijk bewijs van betaling wordt niet voorgelegd. Zelfs een begin van bewijs door geschriften ontbreekt.

De morele onmogelijkheid tot schriftelijk bewijs wordt niet aangevoerd, laat staan aangetoond door geïntimeerden.

Wettelijke vermoedens van betaling zijn ook niet voorhanden en worden ten andere ook niet aangevoerd.

In zoverre geïntimeerden aanvoeren dat hun bewijs van betaling (rekeninguittreksels) verloren zou zijn gegaan, leveren zij onvoldoende het bewijs van deze bewering en bieden zij ook niet aan deze bewering nader te bewijzen. De loutere ongestaafde bewering dat deze stukken verloren zouden zijn gegaan door het (al dan niet foutieve) toedoen van hun boekhouder, volstaat derhalve geenszins. Overigens hebben geïntimeerden de betrokken persoon ook niet in het geding geroepen. De betreffende verdwenen of verloren gegane rekeninguittreksels, waarvan geïntimeerden in dat verband melding maken, hadden normaliter bij de bank kunnen worden opgevraagd; geïntimeerden leggen evenwel geen enkel stuk in dat verband neer; het blijkt zelfs niet dat zij hun bank(ier) met een dergelijke verzoek zouden hebben aangeschreven.

Ook de verwijzing naar de leningen aangegaan door geïntimeerden volstaat niet, want het betreft hier een bewijs door vermoedens, dat met toepassing van art. 1341 BW niet is toegelaten voor het bewijs van de bewuste betaling van de koopsom ten bedrage van 2.900.000 oude BEF. Voor zoveel als nodig, zij in dat verband nog opgemerkt dat het volstrekt onaannemelijk is (en derhalve niet in rechte is aangetoond) dat geïntimeerden een koopsom zouden lenen na de akte (en niet uiterlijk tegen het ogenblik van het verlijden van de akte), om de koopprijs dan bovendien ook nog volledig, zo beweren zij althans, in contanten te betalen.

3.4.11. Uit o.a. het ontbreken van een bewijs van betaling kan het bestaan van een vermomde schenking worden afgeleid (zie ook in dat verband: W. Vandenbussche, “Hoe kunnen derden een vermomde schenking bewijzen?” in W. Pintens en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2014, Antwerpen, Intersentia, 2014, 221 e.v.).

Voor dergelijke kapitalen en een dergelijke transactie (verkoop van een onroerend goed – terugbetaling van de koopsom) is het ontbreken van een spoor van betaling niet aanvaardbaar of plausibel. Het tijdsverloop (zelfs van achttien jaar, tussen 1990 en 2008) kan geen vrijgeleide opleveren voor geïntimeerden. Reeds toen hun boekhouder, naar hun eigen zeggen, met de noorderzon verdween hadden geïntimeerden immers de noodzaak moeten inzien om bewijsmateriaal te verzamelen dan wel opnieuw samen te stellen, want geïntimeerden situeren deze feiten slechts eind jaren ‘90. De betaling in 1990-1991 is overigens ook niet te situeren in een pre-geautomatiseerd of pre-informaticatijdperk: er waren dan reeds computerbestanden bij banken, microfiches, e.d.

Omdat elk spoor of bewijs van betaling ontbreekt, is het irrelevant te weten of geïntimeerden voldoende eigen financiële middelen hadden of niet.

3.4.12. Het hof acht het bestaan van een vermomde schenking bewezen aan de hand van vermoedens.

Het voorwerp van de schenking dient evenwel beperkt te blijven tot de koopsom. Het hof onderschrijft op dat vlak het besluit van de notaris-vereffenaar dat slechts sprake is van een vermomde schenking van roerende goederen (een geldsom), waarvan de inbreng geschiedt door mindere ontvangst, overeenkomstig art. 868 BW.

Het hof onderschrijft ook de stelling van de notaris-vereffenaar dat de bedongen koopsom (prijs) op het ogenblik van de akte (10 augustus 1990, zijnde meer dan 25 jaar geleden op heden) de gangbare marktwaarde vertegenwoordigde, c.q. aanvaardbaar is en overeenstemt met andere verkoopprijzen in de regio in dezelfde periode. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan deze (in)schatting door de notaris-vereffenaar, die als specialist van de vastgoedmarkt de prijzen als geen andere kent en omtrent wiens objectief oordeel, gelet op zijn vermoede onafhankelijkheid als gerechtelijk mandataris, geen twijfel kan bestaan.

Zelfs de schenking van de integrale geldsom waarmee een onroerend goed wordt aangeschaft, impliceert niet noodzakelijk dat het voorwerp van de schenking het onroerend goed zelf betreft, tenzij er sprake is van een zgn. “eenheid van opzet”. Overigens staat zelfs een beroep op het begrip “ondeelbaarheid” de feitenrechter niet toe het wezen van de verrichting te wijzigen (vgl. Cass. 25 januari 2010, T.Not. 2011, 462; Cass. 11 februari 2000, T.Not. 2001, 492; Cass. 15 november 1990, T.Not. 1992, 225).

Bijgevolg is er geen reden tot herschatting van de hoeve, aangezien er geen sprake is van een inbreng van een onroerend goed, maar van een (geschonken) geldsom. Op het verzoek tot aanstelling van een deskundige moet dan ook niet worden ingegaan. Gelet op bovenstaande overwegingen moet immers geen acht worden geslagen op de waarde van het onroerend goed ten tijde van het openvallen van de nalatenschap.

3.4.13. Derhalve dient tot grondslag van de inbreng slechts rekening te worden gehouden met de koopsom ten tijde van de verkoop, i.e. de som van 2.900.000 oude BEF.

...
• Hof van Beroep Gent, 18 juni 2015, RW 2017-2018, 346 - strenge bewijsregels

Samenvatting:

Het bewijs van een vermomde schenking vereist het bewijs van een vrijwillig inzicht tot schenking (animus donandi). Affectieve banden of het ontbreken van een voldoende tegenprestatie bewijzen alsdusdanig niet een vermomde schenking

Tekst arrest

B.

...

B. Ten gronde

1. Afbakening van de resterende betwisting

Thans rijst in hoger beroep aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van vader B. gelet op de staat van vereffening-verdeling van 11 juli 2005, alsnog enkel betwisting over:

– de vraag of de overdracht van de handelszaak in 1975 door het echtpaar B.-D. aan Frida en Noël B. een (effectief betaalde) rechtshandeling om baat (en meer precies een verkoop) dan wel een rechtshandeling om niet uitmaakt;

– de mate waarin, indien de overdracht als een rechtshandeling om baat en meer precies een verkoop wordt beschouwd, de prijs effectief is betaald dan wel nog openstaat en zodoende een schuldvordering van de nalatenschap ten aanzien van Frida en Noël B. uitmaakt;

– de waarde waartegen, indien de overdracht als een rechtshandeling om niet en meer precies een vermomde schenking wordt beschouwd, (de helft van) het voorwerp van de schenking door Frida en Noël B. moet worden ingebracht;

...

2. Overdracht van de handelszaak

1. Anders dan de notaris-vereffenaar en met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de litigieuze overdracht van de handelszaak in 1975 door het echtpaar B.-D. aan Frida en Noël B. een rechtshandeling om baat uitmaakt.

2. Moeder D. en Christien B., die beweren dat de overdracht van de handelszaak in 1975 door het echtpaar B.-D. aan Frida en Noël B. een vermomde rechtshandeling om niet (schenking) uitmaakt, moeten bewijzen (1) dat een animus donandi voorlag aan de zijde van het echtpaar B-D., met een gewilde dadelijke overdracht aan Frida en Noël B. als begiftigden en met veinzing ten aanzien van derden en (2) dat Frida en Noël B. de (als verkoop) vermomde schenking (gebeurlijk stilzwijgend) hebben aanvaard (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, «Overzicht van rechtspraak (1999-2011): Giften», TPR 2013, p. 371, nr. 243 en p. 575-576, nr. 512; W. Pintens, Ch. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 663, nr. 1242).

Zij falen. Hun verhaal over de eerdere tegemoetkomingen van vader B. aan Frida en Noël B. (die voor vader B. werkten) blijkt niet afdoende, terwijl evenmin blijkt dat de waarde van de handelszaak in 1975 als zodanig nog aan het echtpaar B.-D. is toe te schrijven.

Moeder D. en Christien B. moeten zich, bij gebrek aan bewijs van de beweerde vermomde schenking, (mede) als rechtsopvolgers van vader B. richten naar de bedoelde overdracht als rechtshandeling om baat (art. 1122 BW).

Het benodigde bewijs vloeit niet voort uit het ontbreken bij de bedoelde overdracht in 1975 van een evenwichtige economische tegenprestatie of prijs (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, «Overzicht van rechtspraak (1999-2011): Giften», TPR 2013, p. 371-372, nr. 244 en p. 581-582, nr. 519; W. Pintens, Ch. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 664, nr. 1243). Affectieve genegenheidsbanden volstaan evenmin. Het benodigde bewijs onderstelt een verwijzing naar een geheel van feiten en begeleidende omstandigheden aangaande het inzicht tot schenken aan de zijde van het echtpaar B.-D. (W. Pintens, Ch. Declerck, K. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 664, nrs. 1243-1244; M. Puelinckx-Coene, N. Geelhand en F. Buyssens, «Overzicht van rechtspraak (1993-98): Giften», TPR 1999, p. 933-936, nrs. 244-245). Dit inzicht blijkt geenszins, integendeel. Blijkbaar wilde het echtpaar B.-D. de overdracht aanvankelijk niet, terwijl een ander bestanddeel van de handelszaak geleidelijk aan is ingebracht in de eigen (relatief) nieuwe handelszaak van Willy V. (echtgenoot van Frida B.) en Noël B. De inbreng betrof in de eerste plaats (in 1975) het immateriële gedeelte (inz. cliënteel in binnen- en buitenland, contracten, personeel, omkaderende administratie) en later ook het materiële gedeelte (zoals machines, stock en materialen). Zowel de handelsbenaming (C.) als de locatie hebben logischerwijze verder gediend. In die optiek kan worden gesproken van een geleidelijke «ontmanteling» van de handelszaak C. in de parallelle (nieuwe) handelszaak. In die optiek is einde 1984 de PVBA C. opgericht, later de BVBA C. en uiteindelijk de NV C.

Een ogenblikkelijke overdracht lag overigens niet voor de hand (gelet op de leeftijd van de betrokkenen), terwijl de slechte gezondheidstoestand van moeder D. de overdracht heeft versneld.

Noch de bedoelde doorbetaling door het echtpaar B.-D. van vakantiegeld voor het personeel in de periode 1974-1975 noch de bedoelde gift aan Christien B. zijn elementen die de door moeder D. en Christien B. beweerde vermomde schenking van de handelszaak staven.

Wat het bedoelde vakantiegeld betreft, geven Frida en Noël B. overigens aan dat die zogeheten «doorbetaling» logisch is, gelet op de toepasselijke sociale wetgeving. Het betreft meer concreet «vertrekvakantiegeld», dat de werkgever die zijn activiteit stopzet, moet betalen wegens de verworven vakantiedagen op basis van arbeidsprestaties gedurende voorgaande jaren (in casu de jaren 1973-1974). Het gegeven dat het personeel uiteindelijk is overgenomen, met tewerkstelling binnen de PVBA C., doet daaraan geen afbreuk.

Wat de voormelde gift aan Christien B. betreft, stellen Frida en Noël B. terecht dat die als zodanig geenszins een bewijs van (compensatie voor) een gift aan Frida en Noël B. inhoudt. Het vermoeden van gelijke giften aan Christien, Frida en Noël B. wordt overigens tegengesproken door de tegelijk beweerde strakke verstandhouding tussen vader B. enerzijds en Frida en Noël B. anderzijds.

3. Na de feitelijke overdracht werd het nodige gedaan om de ingetreden overdacht (mede via de opmaak van verkooplijsten m.b.t. onderdelen van de overgedragen handelszaak bij wijze van uittreksels uit de boekhouding) te formaliseren.

Zo maakte vader B. medio 1975 verkooplijsten. Hij vermeldde (geregistreerde) betalingen van Willy V. (echtgenoot van Frida B.) en Noël B. Deze lijsten houden het bewijs in van tegoeden op en tussentijdse betalingen van Willy V. (echtgenoot van Frida B.) en Noël B. (m.b.t. geleidelijk overgedragen onderdelen). De betalingen gebeurden onder meer cash en via cheques, wat blijkt uit een resem stukken (i.h.b. uit de periode 1975-80). Dat de verkooplijsten als zodanig (zeer) fragmentair ogen (in verhouding tot de totaalverkoop) en derhalve geenszins alomvattend blijken, geeft niet. Dat een en ander door vader B. ook elders is verkocht, geeft evenmin. De verkooplijsten geven in de omstandige context (met tal van andere elementen) mede blijk van een alomvattende regeling. De regeling is, na tussentijdse betalingen van inzonderheid stock en materialen, uiteindelijk met opgave van een slotsaldo ten bedrage van 2.000.000 fr. of 49.578,70 euro (overeenkomstig een rekening van 15 mei 1982) definitief afgesloten.

De eindafrekening van 15 mei 1982 betreft een handelsdocument aangaande de overlating van de zich in het bedrijf bevindende textielwaren, machines en meubilering tegen een vaste prijs, betaalbaar eensdeels meteen op 15 mei 1982 en anderdeels op 1 januari 1983. De eindafrekening van 15 mei 1982 oogt als een factuur, zij het dat vader B enkel de facto nog handeldreef. Dit handelsdocument, zoals door vader B. als verkoper onderschreven, is (mede krachtens het huwelijksvermogensrecht) tegenwerpbaar aan zijn echtgenote D. Het geldt met andere boekhoudkundige stukken tot bewijs van de handelstransactie. Het geheel van de handgeschreven stukken én de bedoelde eindafrekening van 15 mei 1982 in hun context vormen het bewijs van de verkoop en (deel)betaling(en) van de handelszaak.

De betwisting van moeder D. en Christien B. aangaande het gebrek van vaste datum (in de zin van art. 1328 BW) van de bedoelde eindafrekening is niet dienstig. Dat de eindafrekening (zoals moeder D. en Christien B. aanvoeren) zou dateren van later dan 1982, wordt overigens tegengesproken door tal van andere navolgende operaties (zoals de oprichting van de PVBA C. einde 1984).

4. Het gegeven dat bepaalde betalingen m.b.t. overgedragen onderdelen niet werden vereffend, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling. Voor zover bepaalde betalingen niet werden vereffend, zou een (voor invordering vatbare) schuldvordering van de onverdeeldheid voorliggen. De slechts gedeeltelijke vereffening leidt dus niet tot herkwalificatie van de verkoop tot schenking. Zij behelst enkel een opeisbare schuldvordering van de onverdeeldheid. Het gaat immers om een verkoop met een wel degelijk (zij het intern) bepaalde maar daarom niet volledig betaalde prijs. Het gaat zodoende om een rechtshandeling om baat (artt. 1105-1106 BW). Zoals aangegeven, is de operatie (mede aan de hand van officieuze omzetten over vele jaren), na tussentijdse betalingen van inzonderheid stock en materialen, uiteindelijk met opgave van een slotsaldo ten bedrage van 2.000.000 fr. of 49.578,70 euro (overeenkomstig een rekening van 15 mei 1982) definitief afgesloten.

5. De betaling van het slotsaldo van 2.000.000 fr. of 49.578,70 euro (overeenkomstig de rekening van 15 mei 1982 met gedeeltelijke kwijting door vader B.) is slechts voor 1.000.000 fr. of 24.789,35 euro bewezen, aangezien een bewijs van de (per 1 januari 1983) uitgestelde betaling ontbreekt.

Het bewijs van bepaalde deelbetalingen blijkt, gelet op de voorgelegde stukken, evenmin zeker.

Het bewijs van andere deelbetalingen blijkt afdoende uit (door vader B.) eigenhandig geschreven (handels)documenten. Uittreksels uit de boekhouding kunnen in die optiek dienen (artt. 1329 en 1331 BW).

Hoe dan ook is de regeling op 15 mei 1982 definitief afgesloten.

6. Zoals aangegeven, falen moeder D. en Christien B., die beweren dat de overdracht van de handelszaak in 1975 door het echtpaar B.-D. aan Frida en Noël B. een vermomde rechtshandeling om niet uitmaakt, in hun bewijslast (zie ook en vgl.: M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, «Overzicht van rechtspraak (1999-2011): Giften», TPR 2013, p. 577-578, nr. 514 aangaande de bewijslast aan de zijde van degene die beweert dat het om een vermomde schenking gaat en het eerder moeilijk te leveren negatieve bewijs van niet-betaling van de prijs). De a posteriori «ingefluisterde» verklaringen van derden kunnen evenmin dienen.

De discussie over de waarde(bepaling) van de handelszaak als voorwerp van de vermomde schenking (met toepassing van art. 868 BW anno 1975) vergt bijgevolg geen verdere beoordeling.

7. Aangezien de overdracht van de handelszaak in 1975 door het echtpaar B.-D. aan Frida en Noël B. een rechtshandeling om baat en meer precies een verkoop (met een wel degelijk, zij het intern, bepaalde maar daarom niet volledig betaalde prijs) uitmaakt, is geen inbreng ten bedrage van 74.368,05 euro (wegens een op vermomde wijze geschonken handelszaak) aan de orde.

Hoewel de prijs niet volledig is voldaan, heeft het echtpaar B.-D. blijkbaar nooit aanspraken gemaakt in de periode 1982-1998. Vader B. stemde in met het slotsaldo van 2.000.000 fr. of 49.578,70 euro (overeenkomstig een rekening van 15 mei 1982 met gedeeltelijke kwijting door vader B.), terwijl moeder D. daardoor evengoed rechtstreeks is gebonden. Dit slotsaldo bevat de resterende vergoedingsaanspraak voor de integrale overdracht van de handelszaak als universaliteit. Die vergoedingsaanspraak betreft zowel de materiële als de immateriële bestanddelen (zoals personeel, cliënteel in binnen- en buitenland en contracten).

8. Noch een animus donandi noch een wil tot verdere vergoeding bleek.

De geleidelijke overdracht van de handelszaak in de eigen (relatief) nieuwe handelszaak van Willy V. (echtgenoot van Frida B.) en Noël B. is als zodanig niet «opgedrongen». De overdracht heeft het voorwerp uitgemaakt van ruime bedenktijd, terwijl (benevens gebeurlijke vrijstelling van btw) ook een fiscaal gunstige weg is gezocht teneinde belasting op de roerende stopzettingsmeerwaarden te vermijden.

De overdracht was ook enigszins «logisch», aangezien Willy V. (echtgenoot van Frida B.) en Noël B. werkten in de handelszaak en stilaan de gepaste leeftijd hadden om de handelszaak over te nemen met dienovereenkomstige inschrijving in het toenmalige handelsregister te Brugge/afdeling Oostende. Het blijkt geenszins dat de overdracht de resultante zou zijn van een jarenlange familiale twist. Het blijkt evenmin dat de modaliteiten van de overdracht het voorwerp waren van ernstige discussie. Het geheel van de begeleidende omstandigheden wijst op doelbewuste en gedetermineerde overdracht van de handelszaak met gespreide (deels gedane) betaling.

9. De regeling is, na tussentijdse betalingen van inzonderheid stock en materialen, uiteindelijk definitief afgesloten met opgave van een slotsaldo ten bedrage van 2.000.000 fr. of 49.578,70 euro, en dit overeenkomstig een rekening van 15 mei 1982 met gedeeltelijke kwijting door vader B.

De eindafrekening van 15 mei 1982 betreft een handelsdocument aangaande de overlating van de zich in het bedrijf bevindende textielwaren, machines en meubilering tegen een vaste prijs, betaalbaar eensdeels meteen op 15 mei 1982 en anderdeels op 1 januari 1983. De bedoelde prijs, na tussentijdse betalingen waarvan vermeldingen in de verkooplijsten, komt al bij al realistisch over en geldt tot slot van alle rekeningen.

De eindafrekening en de verkooplijsten zijn handelsdocumenten die vader B. als verkoper heeft onderschreven en die (mede krachtens het huwelijksvermogensrecht) tegenwerpbaar zijn aan zijn echtgenote D. Met andere boekhoudkundige stukken geldt zij tot bewijs van de handelstransactie.

10. Voormelde redengeving maakt dat:

– het bezwaar van moeder D. en Christien B. wordt verworpen, terwijl het subsidiair aangeboden verdere (getuigen)bewijs niet is aangewezen, mede gelet op het tijdsverloop sinds de litigieuze overdracht van de handelszaak en het gegeven dat na het overlijden van vader B. (in der minne) andere (vastgoed)transacties hebben plaatsgevonden zonder protest aangaande de overdracht van de handelszaak;

– de aanvoeringen van Frida en Noël B. tot afwijzing van het bezwaar van moeder D. en Christien B. navolging verdienen, met dien verstande dat de notaris-vereffenaar zijn staat van vereffening-verdeling van 11 juli 2005 moet herwerken, nu met betrekking tot de verkoop van de handelszaak de betaling van het slotsaldo van 2.000.000 fr. of 49.578,70 euro (overeenkomstig de rekening van 15 mei 1982 met gedeeltelijke kwijting door vader B.) slechts voor 1.000.000 fr. of 24.789,35 euro is bewezen, aangezien een bewijs van de (per 1 januari 1983) uitgestelde betaling ontbreekt;

– op het bezwaar van Frida en Noël B. wordt ingegaan, omdat de notaris-vereffenaar ten onrechte in een inbreng ten bedrage van 74.368,05 euro wegens de (volgens de notaris-vereffenaar op vermomde wijze geschonken) handelszaak voorziet;

– in zoverre de notaris-vereffenaar in zijn staat van vereffening-verdeling van 11 juli 2005 herhaaldelijk het bedrag van 74.368,05 euro (meer interesten) verwerkt, hij zijn staat moet herwerken, omdat dit bedrag (wegens de volgens de notaris-vereffenaar op vermomde wijze geschonken handelszaak) als zodanig geen deel uitmaakt van de nalatenschap van vader B. en bijgevolg door Frida en Noël B. niet moet worden ingebracht.

...

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 07/11/2014 - 17:25
Laatst aangepast op: wo, 25/10/2017 - 15:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.