-A +A

Verkoopverbod tussen echtgenoten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Echtgenoten kunnen onder mekaar niet verkopen of ruilen. Binnen het huwelijk kan geen koop of ruilcontract worden gesloten.De bedoeling van dit verbod is drieledig:

1. het vermijden van bedrieglijke transacties zoals vermomde schenkingen
2. vermijden dat één van de echtgenoten van een mactsonevenwicht of intelligentieonevenwicht misbruik maakt ten aanzien van de andere
3. bescherming van schuldeisers tegen organisatie van bedrieglijk onvermogen

Dit principe gaat uit van een verzwakte of gebrekkige wil in het kader van de wilsautonomie die pricipieel eigen is aan de koop.

Bij een verkoop onder gerechtelijk bevel is er echter geen sprake van wilsautonomie. Vandaar geldt deze regel niet in de geschillenregeling  met betreking tot vorderingen inzake uittreding of uitsluiting tijdens de vereffening-verdeling in de huwgemeenschap (Nore Delang, Over de scheiding van echtgenoten als aandeelhouders, TEP 2014/2, 162 en verdere verwijzingen en commentaar aldaar).

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek

Art. 1595. Tussen echtgenoten kan geen koopcontract worden aangegaan, dan in de (vier) volgende gevallen : 
1° Wanneer een van de echtgenoten aan de andere echtgenoot, van wie hij gerechtelijk gescheiden is, goederen overdraagt tot voldoening van diens rechten;
2° Wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij van haar niet gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen;
3° Wanneer de vrouw aan haar man goederen overdraagt tot betaling van een geldsom die zij hem als huwelijksgoed beloofd heeft, en er geen gemeenschap van goederen is;
4° Wanneer een der echtgenoten op een openbare verkoping of met machtiging van de rechter het aandeel inkoopt van de andere echtgenoot in een goed dat onverdeeld tussen hen is.
Behoudens echter, in deze (vier) gevallen, de rechten van de erfgenamen van de contracterende partijen, indien er onrechtstreeks bevoordeling is. 

Bestaansreden van het verkoopverbod tussen de echtgenoten?

• de wetgever vreesde misbruik door de ene echtgenoot van de invloed die hij heeft op de andere, waardoor diens vrije toestemming zou worden aangetast of een goed zou worden verkocht tegen een niet-marktconforme prijs.;

• de wetgever vreesde dat echtgenoten onder het mom van een verkoop een schenking aan elkaar zouden doen en hierdoor de herroepelijkheid van schenkingen tussen echtgenoten (art. 1096 BW) zouden omzeilen, dan wel het beschikbaar deel van de latere nalatenschap zouden overschrijden, waardoor de erfrechtelijke reserve zou worden uitgehold;

• de wetgever wilde vermijden dat een vermogensoverdracht tussen echtgenoten zou kunnen gebeuren met bedrieglijke benadeling van schuldeisers van de echtgenoot-overdrager.

Rechtsleer: 

• A. Aydogan, "Het verkoopverbod tussen echtgenoten, méér dan een verkoopverbod tussen echtgenoten, in E. Alofs, K. Bytebier, A. Michielsens en A.L. Verbeke, Liber Amicorum Hélène Casman, Intersentia, 2013, 32-33

• Y.-H. Leleu en S. Louis, Sociétés et régime matrimonial de communauté, Brussel, Larcier, 2010, 62, 107

• Verlooy, B., « Ontbinding van het huwelijk als voorwaarde voor de bevestiging van een nietige koopovereenkomst tussen echtgenoten », R.A.B.G., 2017/14, p. 1193-1196

• B. Tilleman, Beginselen van Belgisch Privaatrecht in X, Overeenkomsten, Deel 2, Bijzondere Overeenkomsten, A. Verkoop, Deel 1. Totstandkoming en kwalificatie van de koop, Antwerpen, Kluwer, 2001, p. 600, nr. 1539.

• A. Aydogan, “Het verkoopverbod tussen echtgenoten” in E. Alofs et al., Liber Amicorum Hélène Casman, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2013, p. 38-39, litt. B;

• Torfs, “Verkoop tussen echtgenoten versus verkoop tussen partners die ongehuwd samenwonen” (noot onder GwH 23 juni 2010, nr. 72/2010), www.juridat.be.

• E. Dirix, “Art. 1595 BW” in X, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. 1.
• B. Tilleman, Beginselen van Belgisch Privaatrecht in X, Overeenkomsten, Deel 2, Bijzondere Overeenkomsten, A. Verkoop, Deel 1. Totstandkoming en kwalificatie van de koop, Antwerpen, Kluwer, 2001, p. 600-601, nrs. 1540-1541.

• Art. 1338 BW; A. Van Oevelen, “De nietigheid van de overeenkomst” in X, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar verbintenissenrecht, Titel II. Contractenrecht, Hoofdstuk IV, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. III.

• P. Van Ommeslaghe in De Page, Traité de droit civil belge, II, Les obligations, vol. 2, Sources des obligations (deuxième partie), Brussel, Bruylant, 2013, p. 978, nr. 637;

• A. Van Oevelen, “De nietigheid van de overeenkomst” in X, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar verbintenissenrecht, Titel II. Contractenrecht, Hoofdstuk IV, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. III.

• B. Tilleman, Beginselen van Belgisch Privaatrecht in X, Overeenkomsten, Deel 2, Bijzondere Overeenkomsten, A. Verkoop, Deel 1. Totstandkoming en kwalificatie van de koop, Antwerpen, Kluwer, 2001, p. 601, nr. 1542.

• A. Aydogan, “Het verkoopverbod tussen echtgenoten” in E. Alofs et al., Liber Amicorum Hélène Casman, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2013, p. 29, nr. I.

Nuttige tips: 

Grondwettelijk Hof, 13 maart 2014 RW 2014-2015, 108

samenvatting

1. en 2. Art. 1595, eerste lid, 2o BW schendt art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre daaruit volgt dat een koopcontract tussen echtgenoten kan worden aangegaan, wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij niet van haar is gescheiden, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen, terwijl geen koopcontract kan worden aangegaan tussen echtgenoten, wanneer de overdracht die de vrouw doet aan haar man, zelfs als zij niet van hem is gescheiden, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van zijn vervreemde onroerende goederen of van penningen die hem toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen. Het verschil in behandeling tussen man en vrouw is in dit geval niet redelijk verantwoord.

tekst arrest

Arrest nr. 44/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 19 december 2013 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 1595, eerste lid, 2o BW art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daaruit volgt dat een koopcontract tussen echtgenoten kan worden aangegaan wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij niet van haar gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen, terwijl geen koopcontract kan worden aangegaan tussen echtgenoten wanneer de overdracht die de vrouw doet aan haar man, zelfs als zij niet van hem gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van zijn vervreemde onroerende goederen of van penningen die hem toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen?”.

...

In rechte

...

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het eerste lid, 2o van art. 1595 BW.

Dat artikel, zoals gewijzigd bij art. 4 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, bepaalt:

“Tussen echtgenoten kan geen koopcontract worden aangegaan, dan in de vier volgende gevallen:

1o Wanneer een van de echtgenoten aan de andere echtgenoot, van wie hij gerechtelijk gescheiden is, goederen overdraagt tot voldoening van diens rechten;

2o Wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij niet van haar gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen;

3o Wanneer de vrouw aan haar man goederen overdraagt tot betaling van een geldsom die zij hem als huwelijksgoed beloofd heeft, en er geen gemeenschap van goederen is;

4o Wanneer een der echtgenoten op een openbare verkoping of met machtiging van de rechter het aandeel inkoopt van de andere echtgenoot in een goed dat onverdeeld tussen hen is.

Behoudens echter, in deze vier gevallen, de rechten van de erfgenamen van de contracterende partijen, indien er onrechtstreeks bevoordeling is”.

B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of art. 1595, eerste lid, 2o BW verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daaruit volgt dat een koopcontract tussen echtgenoten kan worden aangegaan, wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij niet van haar gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen, terwijl geen koopcontract kan worden aangegaan tussen echtgenoten, wanneer de overdracht die de vrouw doet aan haar man, zelfs als zij niet van hem gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van zijn vervreemde onroerende goederen of van penningen die hem toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen.

B.3. De bewoordingen van art. 1595, eerste lid BW (“tussen echtgenoten kan geen koopcontract worden aangegaan, dan in de vier volgende gevallen”) laten niet toe, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, die bepaling aldus te interpreteren dat zij een niet-limitatieve opsomming bevat van gevallen waarin tussen echtgenoten een koopcontract kan worden gesloten.

B.4. Wanneer het gehanteerde criterium berust op het geslacht van de betrokken personen dient rekening te worden gehouden met art. 10, 11 en 11bis, eerste lid van de Grondwet. Die bepalingen, gelezen in hun onderlingen samenhang, nopen de wetgevers tot bijzondere voorzichtigheid wanneer zij een verschil in behandeling invoeren, of zoals te dezen in stand houden, op grond van het geslacht. Een dergelijk criterium is slechts toegestaan wanneer het wordt verantwoord door een legitieme doelstelling en wanneer het pertinent is ten aanzien van die doelstelling. De controle door het Hof is strikter wanneer het fundamentele beginsel van de gelijkheid van de geslachten in het geding is.

B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling kan niet redelijk worden verantwoord.

B.6. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Rechtsleer:

• A. Van Oevelen, “Het verkoopverbod tussen echtgenoten: een kritische analyse” in Confronting the Frontiers of Family and Succession Law. Liber Amicorum Walter Pintens, Antwerpen, Intersentia, 2012, (1579), 1590.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 15/03/2012 - 11:53
Laatst aangepast op: wo, 23/05/2018 - 13:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.