-A +A

Verjaringstermijn tuchtvordering gerechtseurwaarders redelijke termijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Anders dan de verjaring in tuchtzaken ten aanzien van advocaten is de tuchtvordering ten aanzien van gerechtsdeurwaarders niet onderworpen aan een wettelijke verjaringstermijn maar moet door de rechtbank in concreto worden getoetst aan de “redelijke termijn”.

Aldus werd geoordeeld dat een ten tuchtvordering die bijna zes jaar na datum wordt ingesteld, vervallen is wegens overschrijding van de redelijke termijn wanneer geen omstandigheden worden aangetoond die redelijk het tijdsverschil verantwoorden.

Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, 5e B Kamer – 6 januari 2011, RW 2012-2013, 25

Procureur des Konings te Antwerpen t/ L.

1. Eis

Eiser, de procureur des Konings te Antwerpen, vordert dat verweerder, mr. G.L., zou worden afgezet uit het ambt van gerechtsdeurwaarder.

Verweerder besluit hoofdzakelijk tot de ontoelaatbaarheid van de eis omdat de tuchtvordering vervallen zou zijn door het verstrijken van de redelijke termijn.

2. Feiten

Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 23 april 2008 werd verweerder correctioneel veroordeeld tot:

1. een gevangenisstraf van acht maanden met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een periode van vijf jaar;

2. een geldboete van 4.957,87 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden;

3. de ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van het arrest, met toepassing van art. 31, 1o, 33 en 243 Sw.;

4. de bijzondere verbeurdverklaring van 132.740 euro, met toepassing van art. 42, 3o, 43 en 43bis Sw., zijnde de rechtstreeks uit de bewezen verklaarde misdrijven verkregen vermogensvoordelen.

Het Hof van Beroep te Antwerpen veroordeelde verweerder tot de voormelde straffen omdat het hof het bewezen achtte dat verweerder de volgende misdrijven had gepleegd:

1. valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken met het oog op het plegen van feiten van knevelarij, evenals in het raam van het voeren van een valse boekhouding van de Com.V. L.G. Gerechtsdeurwaarder, teneinde gelden te ontdragen ten nadele van deze vennootschap en vennootschapsbelasting te ontduiken;

2. knevelarij;

3. belastingontduiking.

De voorziening in cassatie van verweerder tegen het voormelde arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, evenals tegen de verwijzingsbeschikkingen van de raadkamer te Antwerpen, alsook tegen onderzoeks- en voorbereidende arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen, werden bij arrest van 28 oktober 2008 door het Hof van Cassatie verworpen.

Bij brief van 8 mei 2008 verzocht mr. P. De H., syndicus en voorzitter van de Raad van de Arrondissementskamer der gerechtsdeurwaarders van Antwerpen, eiser namens de Raad, een vordering tot afzetting minstens tot schorsing van verweerder voor deze rechtbank in te stellen, op grond van art. 532 Ger.W. De Raad verzocht eiser op te treden teneinde te voorkomen dat verweerder het beroep van gerechtsdeurwaarder verder zou schaden en om te voorkomen dat het korps van de gerechtsdeurwaarders zijn geloofwaardigheid zou verliezen.

Ingevolge deze brief werd de eis tot afzetting van verweerder uit het ambt van gerechtsdeurwaarder ingesteld bij gedinginleidende dagvaarding van 12 december 2008.

...

4. Beoordeling

Overeenkomstig art. 28 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet de rechtbank zich schikken naar het arrest van het Grondwettelijk Hof, gewezen over de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen.

...

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat er geen onverantwoorde verschillende behandeling is tussen de verschillende vergelijkbare categorieën van medewerkers van het gerecht, in die zin dat de tuchtvordering ten aanzien van bepaalde categorieën onderworpen is aan een verjaringstermijn, terwijl de tuchtvordering ten aanzien van gerechtsdeurwaarders niet onderworpen is aan een verjaringstermijn, in die mate dat de mogelijkheid tot tuchtrechtelijke vervolging van gerechtsdeurwaarders niet onbeperkt in de tijd geldt, maar in concreto door de rechtbank getoetst wordt aan de “redelijke termijn”, terwijl voor andere categorieën van medewerkers van het gerecht deze “redelijke termijn” door de wetgever zelf werd bepaald in de vorm van verjaringstermijnen waaraan de tuchtvordering onderworpen is.

Het Grondwettelijk Hof herinnert de rechtbank er derhalve aan dat zij bij de toepassing van art. 532 Ger.W. aan deze wetsbepaling een grondwetconforme interpretatie moet geven door de mogelijkheid om een tuchtvordering in te stellen tegen een gerechtsdeurwaarder in de tijd te beperken door het tuchtrechtelijk vorderingsrecht te toetsen aan de redelijke termijn.

Teneinde geen onverantwoorde ongelijke behandeling van de verschillende categorieën van medewerkers van het gerecht door haar interpretatie van art. 532 Ger.W. in te voeren – daar de wetgever die zelf volgens het oordeel van het Grondwettelijk Hof niet heeft ingevoerd – dient de rechtbank de eis dan ook te toetsen aan de redelijke termijn. Bij deze toetsing dient de rechtbank voorts in dezelfde gedachtegang niet enkel rekening te houden met de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de rechtsonzekerheid die de tuchtvervolging voor verweerder kan creëren en de omstandigheid dat, indien de feiten eveneens als een misdrijf kunnen worden omschreven, het verantwoord kan zijn het resultaat van de strafvordering af te wachten vooraleer op tuchtrechtelijk vlak een beslissing wordt genomen, maar ook met de duiding die de wetgever geeft met betrekking tot wat de redelijke termijn voor de tuchtrechtelijke vervolging van vergelijkbare categorieën van medewerkers van het gerecht behoort te zijn, in die mate dat de wetgever voor deze vergelijkbare categorieën klaarblijkelijk oordeelt dat slechts een zeer korte termijn van zes tot twaalf maanden als redelijk beschouwd kan worden.

De zeer korte termijnen van zes tot twaalf maanden die de wetgever bepaalt voor de tuchtrechtelijke vervolging van magistraten, griffiers en advocaten, strekt er niet enkel toe de tuchtrechtelijk vervolgde medewerkers van het gerecht te behoeden voor een al te lange periode van rechtsonzekerheid met betrekking tot de tuchtrechtelijke gevolgen van de hen ten laste gelegde feiten, maar dienen in de eerste plaats het algemeen belang van het publiek en de goede werking van het gerecht. In die zin zijn deze korte verjaringstermijnen ook en vooral verantwoord door het feit dat haast onmiddellijk tuchtrechtelijk moet worden ingegrepen tegen medewerkers van het gerecht, wanneer zij door hun daden afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt en de goede werking van de gerechtelijke administratie en het rechtmatig vertrouwen dat het publiek mag hebben in de rechtschapenheid, eerlijkheid en kiesheid van de personen die mede verantwoordelijk zijn voor de goede rechtsbedeling.

Om dezelfde reden heeft de wetgever de redelijke termijn voor de tuchtrechtelijke vervolging van magistraten, griffiers en advocaten doen aanvangen niet op het ogenblik waarop de tuchtrechtelijk vervolgde persoon kennis krijgt van het feit dat een tuchtvordering tegen hem kan worden ingesteld, noch op het ogenblik waarop deze tuchtvordering daadwerkelijk ingesteld wordt zodat hij zich hiertegen moet verweren, maar wel vanaf het ogenblik waarop de betrokken tuchtoverheid kennis krijgt van de feiten die een eventuele tuchtvordering verantwoorden. Om dezelfde reden heeft de wetgever – hierin gevolgd door het Hof van Cassatie in zijn rechtspraak – de tuchtvervolging tegen magistraten, griffiers en advocaten volledig losgekoppeld van een eventuele strafvervolging en haar gevolgen. Het Grondwettelijk Hof oordeelt ter zake weliswaar dat het in bepaalde omstandigheden verantwoord kan zijn om het resultaat van een eventuele strafvervolging af te wachten, alvorens dat een beslissing wordt genomen over een eventuele tuchtvordering, maar niet dat een eventuele strafvervolging kan verantwoorden dat de tuchtvordering zelf niet wordt ingesteld tot na de einduitspraak over de strafvordering.

De strafvordering en de tuchtvordering zijn van een geheel andere aard. Zo is de tuchtrechter niet gebonden door het oordeel van de strafrechter en staat een strafrechtelijke vrijspraak een tuchtrechtelijke veroordeling per se niet in de weg. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de rechtbank enkel na te gaan of de strafprocedure en de uiteindelijke strafrechtelijke veroordeling invloed hebben gehad op het ogenblik waarop de bevoegde tuchtrechtelijke overheid kennis had of behoorde te hebben van de feiten die verweerder ten laste worden gelegd en die een tuchtrechtelijke vervolging verantwoorden. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat, voor zover de tuchtvordering tijdig werd ingesteld, de tuchtrechter naar gelang van de omstandigheden zijn oordeel kan of moet uitstellen tot na de uitspraak over een eventuele strafvordering.

Volgens de incriminatieperiode die in aanmerking werd genomen in het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 23 april 2008 zijn de strafrechtelijke feiten die aan verweerder ten laste werden gelegd en die tevens aan de grondslag liggen van deze tuchtvordering, te situeren in de periode van 31 december 1995 tot 1 januari 1999.

Ten onrechte tracht eiser te doen uitschijnen dat niet de feiten zelf, gepleegd tussen 31 december 1995 en 1 januari 1999, aan de grondslag van de eis liggen, maar wel het feit van de strafrechtelijke veroordeling van verweerder op 23 april 2008. Aldus tracht eiser kunstmatig de aanvang van de redelijke termijn met meer dan negen jaar in de tijd te verleggen. Indien de strafrechtelijke veroordeling van verweerder op zich de tuchtvordering zou verantwoorden en niet de feiten die aan deze strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen, dient opgemerkt te worden dat verweerder voor deze feiten reeds op 11 maart 2004 door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen werd veroordeeld en tot een veel zwaardere straf dan uiteindelijk uitgesproken door het Hof van Beroep te Antwerpen.

Eiser betwist niet dat de bevoegde tuchtoverheid zich reeds op 22 januari 2002 voor de strafrechter burgerlijke partij heeft gesteld tegen verweerder uit hoofde van de voormelde feiten en dat de strafvordering door eiser zelf op dat ogenblik reeds was ingesteld. Hieruit blijkt afdoende dat de bevoegde tuchtrechtelijke overheid en eiser uiterlijk op 22 januari 2002 kennis hadden van de feiten die aan verweerder ten laste werden gelegd en die de tuchtvordering schragen. De datum van 22 januari 2002 dient dan ook in aanmerking te worden genomen als de aanvangsdatum bij de beoordeling van de redelijke termijn voor het instellen van de tuchtvordering.

De eis werd pas ingesteld bij gedinginleidende dagvaarding van 12 december 2008, d.i. bijna zes jaar na de datum van 22 januari 2002. Er worden geen omstandigheden aangetoond die redelijk zouden verantwoorden dat de tuchtvordering bijna zes jaar na datum werd ingesteld, zeker wanneer men deze termijn vergelijkt met de voormelde korte termijnen van zes tot twaalf maanden waarbinnen tuchtvorderingen tegen vergelijkbare categorieën van medewerkers van het gerecht op straffe van verval moeten worden ingesteld en gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, onder meer: de ernst van de feiten die aan verweerder werden ten laste gelegd en die de tuchtvordering schragen, de zwaarwegendheid van de tuchtsanctie die tegen verweerder gevorderd wordt, namelijk de afzetting uit het ambt van gerechtsdeurwaarder, de aard van het ambt gevoerd door verweerder, de complexiteit van het dossier en het feit dat zowel eiser als de bevoegde tuchtoverheid betrokken waren bij het strafrechtelijk onderzoek en derhalve uiterlijk op 22 januari 2002 een volledige kennis hadden van de aan de verweerder ten laste gelegde feiten en de stukken en bewijzen die tegen verweerder ook in de tuchtprocedure konden worden aangevoerd.

Ten onrechte tracht eiser te verantwoorden dat de afloop van de strafrechtelijke procedure werd afgewacht vooraleer de tuchtvordering in te stellen, omdat verweerder anders zou hebben verwezen naar deze strafvordering om de verdere afhandeling van de tuchtprocedure te belemmeren of te vertragen. In de eerste plaats is dit argument zuiver speculatief. In de tweede plaats zou het verweer gevoerd door verweerder voor de tuchtrechter, voor zover de tuchtvordering zelf tijdig was ingesteld, in aanmerking genomen zijn geweest bij de beoordeling van de redelijke termijn waarbinnen beslist moest worden over de tuchtvordering.

Ook al zou de datum van het eindarrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 23 april 2008 in aanmerking worden genomen als aanvangspunt voor de beoordeling van de redelijke termijn, dan nog dient de rechtbank vast te stellen dat bijna negen maanden werd getalmd om de eis in te stellen, hoewel de feiten die de tuchtvordering schragen inmiddels haast tien jaar oud waren en de betrokken tuchtoverheid en eiser al minstens zes jaar volledige kennis van zaken hadden, zodat slechts het haast onmiddellijk instellen van de eis na 23 april 2008 redelijk verantwoord was.

Partijen wijzen er terecht opdat geen enkele wetsbepaling een sanctie verbindt aan de overschrijding van de redelijke termijn voor het instellen van de eis. Eiser verwijst ter zake naar een mogelijke analogie met het overschrijden van de redelijke termijn in strafzaken, waar deze overschrijding geen invloed heeft op de toelaatbaarheid van de strafvordering, maar gebeurlijk op de bewijslevering, de strafwaardigheid en de strafmaat.

De rechtbank werd er evenwel aan herinnerd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 4 februari 2010, dat zij bij de beoordeling van dit geschil slechts een grondwetconforme interpretatie mag geven van de relevante wetsbepalingen. Indien de rechtbank niet zou besluiten tot het verval van de tuchtvordering wegens de overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de wetgever heeft bepaald dat de overschrijding van de in de vorm van verjaringstermijnen vastgelegde redelijke termijnen voor het instellen van tuchtvorderingen tegen vergelijkbare categorieën van medewerkers van het gerecht noodzakelijk leidt tot het verval van de tuchtvordering, zou zij een onverantwoorde ongelijke behandeling van vergelijkbare categorieën van medewerkers van het gerecht doorvoeren.

De tuchtvordering tegen verweerder is dan ook vervallen wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat de eis ontoelaatbaar is.

...

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 02/09/2012 - 20:14
Laatst aangepast op: do, 14/05/2015 - 08:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.