-A +A

verjaring vordering OCMW tot terugbetaling van uitgekeerd bestaansminimum

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De verjaringstermijn voor de vordering tot terugbetaling van het uitgekeerd bestaansminimum bedraagt 5 jaar.

Dit overeenkomstig art. 102 van de wet van 8 juli 1976, na 5 jaar. Het betreft een werkelijke verjaringstermijn. Deze termijn kan niet, bij analogie met de cassatierechtspraak inzake de verjaring in de werkloosheidsverzekering, beschouwd worden als een termijn waarbinnen het ocmw de terugvorderingsbeslissing moet nemen, waarna een tienjarige verjaringstermijn zou openstaan voor de uitvoering van die beslissing.

De verjaringstermijn voor de vordering tot terugbetaling van de maatschappelijke integratie (uitgekeerd) bestaansminimum werd door de wet Maatschapppelijke Integratie op 10 jaar gebracht, terwijl de vordering tot terugvordering voor maatschappelijke dienstverlening slechts 5 jaar bedraagt. Bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008 werd een en ander als een discriminatie aanzien in de behandeling van gelijkaardige gevallen en werdt de wetsbepaling die de verjaring verhoogde voor de maatschappelijke integratie aanzien als een schending van het gelijkheidsbeginsel. ER werd aan toegevoegd dat de verjaringstermijn overigens gestoeld is op een uitbreiding van art. 2277 B.W., dat een accumulatie van schulden wou voorkomen.

Zie arrest Grondwettelijk Hof 30 oktober 2008, NJW 207, 36 met noot.

• Zie ook: Arbeidshof Brussel 28/11/2013, AR 2012/AB/1207, juridat

samenvatting

De terugvordering van de ten onrechte betaalde financiële steun door een ocmw verjaart, overeenkomstig art. 102 van de wet van 8 juli 1976, na 5 jaar. Het betreft een werkelijke verjaringstermijn. Deze termijn kan niet, bij analogie met de cassatierechtspraak inzake de verjaring in de werkloosheidsverzekering, beschouwd worden als een termijn waarbinnen het ocmw de terugvorderingsbeslissing moet nemen, waarna een tienjarige verjaringstermijn zou openstaan voor de uitvoering van die beslissing.

tekst arrest

rep.nr.: 2013/
ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

 

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 NOVEMBER 2013

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke dienstverlening
tegensprekelijk
definitief
kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

R.V.G. , appellante

 

tegen:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LEUVEN, met zetel te 3000 LEUVEN, A. Vesaliusstraat, 47, geïntimeerde, 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:
Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19 november 2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 12/377/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 14 december 2013,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 16 oktober 2013 door advocaat J.-J. André,

de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 oktober 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.
Mevrouw R.V.G. heeft in een periode die zich uitstrekt van 1 juni 2001 tot einde oktober 2005 diverse malen een tussenkomst genoten van het ocmw Leuven. In de periode tussen juni 2001 en maart 2002 kon zij een noodwoning betrekken, waarvoor echter een tussenkomst gevraagd werd in de verblijfskosten. Zij kon verder beroep doen op de klusjesdienst, kreeg op 23 november 2005 een persoonlijk terugvorderbaar voorschot voor de betaling van de huurwaarborg ten bedrage van 400 euro en genoot leefloon van 21 september 2005 tot en met 31 oktober 2005.

2.
Bij verzoekschrift van 7 maart 2012 vorderde het ocmw Leuven van mevrouw R.V.G.:

een saldo van 1.574,02 euro voor de persoonlijke tussenkomst in de noodwoning die haar ter beschikking werd gesteld;
de som van 28,41 euro als tussenkomst in de verstrekkingen van de klusjesdienst;
de som van 300 euro als saldo van de toegekende huurwaarborg;
de som van 556,09 euro als terugbetaling van het leefloon voor de periode van 21 september 2005 tot en met 31 oktober 2005.

3.
Bij vonnis van 19 november 2012, dat aan mevrouw R.V.G. werd ter kennis gebracht op 22 november 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering gegrond verklaard, behoudens voor wat betreft de tussenkomst in de verstrekkingen van de klusjesdienst, die als verjaard beschouwd werden. Mevrouw R.V.G. werd veroordeeld tot betaling van de som van
2.430,11 euro , te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 9 november 2006 tot 7 maart 2012 en met de gerechtelijke intresten vanaf 7 maart 2012.

4.
Bij verzoekschrift van 14 december 2012 heeft mevrouw R.V.G. beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank

 

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.
Mevrouw R.V.G. roept, zoals voor de eerste rechter, de verjaring in van de vorderingen, of toch van het grootste gedeelte daarvan. Zij verwijst daarbij naar het advies dat uitgebracht werd door het openbaar ministerie voor deze rechtbank.

Voor wat betreft de terugvordering van de tussenkomst voor de terbeschikkingstelling van een woning roept mevrouw R.V.G. de onbevoegdheid in van de arbeidsrechtbank, omdat het in feite zou gaan om de betaling van huurgelden, waarvoor alleen de vrederechter bevoegd is. Ten gronde stelt zij dat de handtekening op de overeenkomst en op de terugbetalingsverbintenis niet de hare was. Zij zou ook een aantal facturen niet ontvangen hebben en voor andere facturen de aanmaningen niet ontvangen hebben, omdat deze naar een verkeerd adres werden gezonden. Mevrouw R.V.G. voert verder aan dat zij in die periode leefloon ontving en dat, overeenkomstig artikel 13 van de overeenkomst voor een noodwoning, de verblijfskosten rechtstreeks op het leefloon zouden ingehouden worden. Ten slotte roept mevrouw R.V.G. in dat het ocmw Leuven geen sociaal verslag voorlegt, waaruit blijkt dat het vragen van een tussenkomst in de kosten van de noodwoning gerechtvaardigd was.

Voor wat betreft de tussenkomst in de huurwaarborg is mevrouw R.V.G. van mening dat het gaat om een eenmalige financiële hulp die in principe niet kan teruggevorderd worden. Financiële steun is immers, volgens haar, enkel terugvorderbaar in de situaties voorzien in de artikelen 98 en 99 van de ocmw wet. Zij stelt verder dat de verplichting de huurwaarborg terug te betalen met maandelijkse betalingen van 30 euro zo hoog was dat zij haar recht op een leven in overeenstemming met de menselijke waardigheid in het gedrang bracht.

Voor wat betreft de terugvordering van het leefloon voor de periode van 21 september 2005 tot en met 31 oktober 2005 roept mevrouw R.V.G. in de eerste plaats in dat niet vaststaat dat de beslissing van 9 maart 2006 tot terugvordering van het leefloon haar op het juiste adres betekend werd en daarom niet definitief is. Verder stelt mevrouw R.V.G. dat het ocmw Leuven niet aantoont dat zij ten onterecht leefloon ontvangen heeft voor de periode van 21 september 2005 tot 30 september 2005, omdat het ocmw niet de gegevens voorlegt (loonbrief), waar uit haar inkomen uit arbeid blijkt.

In ondergeschikte orde betwist mevrouw R.V.G. verder nog het recht op intresten omdat het ocmw Leuven de terugvordering niet binnen een redelijke termijn voor de rechter heeft gebracht. Verder vraagt zij om haar schuld te mogen afbetalen met betalingen van 75 euro per maand.

2.
Het ocmw Leuven vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en stelt geen incidenteel beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank in zoverre dit vonnis de vordering met betrekking tot de tussenkomst in de kosten van de klusjesdienst verjaard verklaard.

De verjaring.

3.
Overeenkomstig artikel 102 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verjaren de vorderingen, bedoeld in de artikelen 98 en 99 van de wet, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, dit wil zeggen na vijf jaar. Overeenkomstig de laatste alinea van deze bepaling kunnen deze verjaringen gestuit worden door een aanmaning gedaan bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.
Deze laatste alinea doet geen afbreuk aan de andere vormen van stuiting van de verjaring, zoals deze door het Burgerlijk Wetboek voorzien zijn, en met name de erkenning van schuld.

Overeenkomstig artikel 29, § 1 en 24, § 1 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie verjaart de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde leefloon eveneens overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Ook deze verjaring kan gestuit worden door een aanmaning gedaan, hetzij bij een ter post aangetekende brief hetzij tegen ontvangstbewijs.

4.
Anders dan de eerste rechter oordeelde kan de termijn, voorzien door artikel 102 van de wet van 8 juli 1976, niet bij analogie met wat het geval is in de werkloosheidsverzekering (Cass. 27 maart 2006, R.W. 2009-2010, 30) beschouwd worden als een termijn waarbinnen de terugvorderingsbeslissing dient genomen te worden waarna, voor de uitvoering van deze beslissing, de tienjarige verjaringstermijn zou gelden voorzien artikel 2262bis, § 1, 1e lid van het Burgerlijk Wetboek (die dan echter niet kan gestuit worden door een aangetekend schrijven).

In artikel 7, § 13, al. 2 van de besluitwet van 28 december 1994 betreffende de sociale zekerheid der werknemers wordt bepaald dat het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugvordering van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen verjaart na een termijn van drie jaar. Deze bijzondere formulering houdt verband met het feit de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de wetgever de bevoegdheid gekregen heeft om een administratieve beslissing te nemen tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde sommen. Deze beslissing geldt als een uitvoerbare titel die, in toepassing van artikel 170 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, zonder enige de tussenkomst van de rechter kan ten uitvoer gelegd worden. Het recht tot uitvoering van deze titel verjaart dan inderdaad, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk wetboek, net zoals de uitvoering van een vonnis, door het verloop van een termijn van 10 jaar. Het is slechts in die context dat de bepaling van artikel 7, § 13, van de Besluitwet van 28 december 1944 kan geacht worden in overeenstemming te zijn met het gelijkheidsbeginsel (cfr. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 162/2009 van 20 oktober 2009).

Artikel 102 houdt duidelijk een verjaringstermijn in van het recht op terugvordering, en geen termijn waarbinnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een beslissing tot terugvordering moet of kan nemen. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft ook geen enkele bevoegdheid om zichzelf een uitvoerbare titel te verschaffen, die dan slechts door het verloop van 10 jaar zou verjaren.

5.
De verjaring van de vordering tot terugbetaling van de maatschappelijke hulp of van de tussenkomst in de maatschappelijke hulp met betrekking tot een noodopvang, werd voor de eerste maal gestuit door de schulderkenning die blijkt uit de betaling die mevrouw R.V.G. op 15 juli 2002 uitgevoerd heeft. De omstandigheid dat administratief deze betaling aangerekend wordt op de oudste schuld, belet niet dat de stuiting betrekking heeft op het geheel van de schulden, voortvloeiend uit de terbeschikkingstelling van een noodopvang in die periode van de maand juni 2001 tot en met de maand maart 2002. De betaling gebeurde immers niet met verwijzing naar een welbepaalde schuld. De verjaring werd overigens, voor wat betreft de periode voorafgaand aan 1 december 2001, ook gestuit door de schulderkenning die vervat is in de verbintenis tot terugbetaling van maatschappelijke dienstverlening die mevrouw R.V.G. ondertekende op 28 december 2001.

De verjaring werd nadien gestuit door de aangetekende brieven van 10 november 2006, 15 februari 2007 en 17 augustus 2007. Deze werden, in tegenstelling met wat mevrouw R.V.G. aanvoert, wel degelijke op het correcte adres verzonden, zoals blijkt uit de gegevens van het rijksregister. Daarna werd de vordering binnen de (nieuwe) vijfjarige verjaringstermijn aanhangig gemaakt bij de arbeidsrechtbank bij verzoekschrift van 7 maart 2012.

De verjaring van de vordering tot terugbetaling van de huurwaarborg, toegekend bij beslissing van 23 november 2005 en terugbetaalbaar vanaf 1 december 2005, evenals de vordering tot terugbetaling van het ten onrechte ontvangen leefloon voor de maanden september en oktober 2005, werden gestuit door de aangetekende brieven van 10 november 2006,15 februari 2007 en 17 augustus 2007.

De terugvordering is aldus niet verjaard.

De terugvordering van de kosten voor de noodopvang.

6.
Ten onrechte roept mevrouw R.V.G. in dat de terbeschikkingstelling van de noodwoning zou moeten gelijkgesteld worden met een huurovereenkomst, zodanig dat enkel de vrederechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. Uit de verblijfovereenkomst die op 12 juni 2001 ondertekend werd, en het daarbij gevoegde reglement, blijkt voldoende duidelijk dat er geen sprake is van een overeenkomst maar wel om een vorm van tijdelijke dienstverlening, gesteund op een eenzijdige beslissing van het ocmw om mevrouw R.V.G. en haar gezin tijdelijk opvang te verlenen nadat zij, als gevolg van een ongeval, de woning die zij huurden dienden te verlaten. Het gaat om een dienstverlening in materiële vorm, in de zin van artikel 60, § 3 van de wet van 8 juli 1976 waarvoor, in overeenstemming met artikel 98, § 1 van de wet, een bijdrage van de begunstigde kan gevorderd worden.

7.
De ontkenning door mevrouw R.V.G. van haar handtekening op de oorspronkelijke overeenkomst van 12 juni 2001 is zonder belang, nu niet betwist wordt dat mevrouw R.V.G. effectief over een noodopvang woning beschikt heeft (zie onder meer het schrijven van haar raadsman, stuk 3 van het dossier van het ocmw Leuven waarbij aangedrongen wordt op het behoud van de noodopvang), en het bedrag van de daarvoor vastgestelde bijdrage eenzijdig door het ocmw Leuven vastgesteld wordt.

Evenmin van belang is dat een aantal rekeningen met betrekking tot de noodhuisvesting of dat een aantal ingebrekestellingen op een verkeerd adres zouden verzonden zijn. Het recht op terugvordering van de tussenkomst in de kosten van de noodopvang volgt immers niet uit deze facturen of uit de ingebrekestellingen, maar wel uit de beslissing van het ocmw tot het verlenen van een noodopvang en tot de vaststelling van de voorwaarden van deze noodopvang. Mevrouw R.V.G. is onder meer door de diverse ingebrekestellingen van de ontvanger van het ocmw (brieven van 29 augustus 2007 en 17 februari 2010) en door de voorgelegde stukken in het kader van de procedure voldoende geïnformeerd over de grondslag van de bijdrage die haar gevraagd wordt. Uit diezelfde briefwisseling met de ontvanger blijkt bovendien dat mevrouw R.V.G., in strijd met de goede trouw, steeds nieuwe argumenten aanvoerde om aan de betalingen van haar schulden te ontkomen.

Ten onrechte verwijst mevrouw R.V.G. naar artikel 13 van het interne reglement met betrekking tot de noodhuizen, gevoegd aan de verblijfsovereenkomst, waarin voorzien wordt dat, indien de bewoner bestaansminimum geniet, hij toestemming geeft om de verblijfskosten daarmee rechtstreeks te betalen. Het is niet omdat deze mogelijkheid voorzien was dat daarvan ook effectief gebruik gemaakt werd.

8.
Mevrouw R.V.G. kan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat geen tussenkomst in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening kon gevraagd worden, bij gebreke aan een sociaal onderzoek dat een dergelijke tussenkomst zou rechtvaardigen. Overeenkomstig artikel 98, § 1 de wet van 8 juli 1976 bepaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn steeds de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening, rekening houdend met diens inkomsten. Overeenkomstig artikel 100bis, § 3 kan het openbaar centrum slechts afzien van de bijdrage van de begunstigde of van de terugvordering bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld. Mevrouw R.V.G. heeft de beslissing van het ocmw Leuven waarbij haar bijdrage in de verblijfskosten werd vastgesteld, nooit betwist. Zij brengt ook geen gegevens bij die van aard zijn om de bijdrage die vastgesteld werd voor de noodhulp te betwisten.

De terugvordering van de huurwaarborg.

9.
In de regel kan OCMW-steun slechts teruggevorderd worden in de door de wet voorziene gevallen, te weten:

(-) bij vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte, waarbij het geheel van de steun kan teruggevorderd worden ongeacht de financiële toestand van de betrokkene (art. 98, §1, al. 4 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn),
(-) wanneer de betrokkene de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor de hulp werd verleend (art. 99, § 1),
(-) wanneer een voorschot wordt toegekend op een pensioen of iedere andere sociale uitkering (art. 99, § 2).

De toekenning van een financiële steun bij wijze van voorschot, met de verplichting deze terug te betalen, kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden als een tegemoetkoming in de vorm van een lening. De toekenning van een huurwaarborg is een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. Het gaat om een bedrag dat voor vele personen moeilijk in eenmaal te betalen is maar wel, in de tijd gespreid, in te passen is in een huishoudelijk budget, en dat bovendien in de regel na de beëindiging van de overeenkomst aan de huurder wordt teruggestort.

10.
Mevrouw R.V.G. toont niet aan dat de terugbetaling van de huurwaarborg, met maandelijkse betalingen van 30 euro , voor haar financieel niet mogelijk was en haar recht op het leiden van een leven, in overeenstemming met de menselijke waardigheid, zou in gevaar brengen. Zij had, op het ogenblik van de toekenning van de huurwaarborg, een jaar gewerkt en aldus inkomsten verworven. Vanaf 1 maart 2006, d.w.z. vier maanden na de toekenning, werd zij door het ocmw Leuven tewerkgesteld in het kader van artikel 60 van de wet van 8 juli 1976 en had zij dus opnieuw regelmatige inkomsten uit arbeid.

Uit de gegevens van het rijksregister blijkt overigens dat mevrouw R.V.G. slechts één jaar gewoond heeft in de woning waarvoor de huurwaarborg werd verstrekt. Mevrouw R.V.G. bezorgt geen informatie over wat er met de huurwaarborg is gebeurd op het ogenblik dat zij de woning verlaten heeft.

De terugvordering van het leefloon.

11.
Mevrouw R.V.G. vroeg leefloon aan vanaf 21 september 2005. Achteraf werd vastgesteld dat zij in de periode van 21 september 2005 tot 28 oktober 2005 nog een loon genoot, dat hoger was dan het bedrag van het leefloon, en waarvan zij klaarblijkelijk het ocmw niet in kennis gesteld had op het ogenblik van haar aanvraag.

Voor wat betreft de maand oktober 2005 heeft mevrouw R.V.G. haar loonbrieven voorgelegd waaruit duidelijk blijkt dat haar inkomen uit arbeid hoger was dan het leefloon waarop zij recht had. Mevrouw R.V.G. betwist de terugvordering dan ook niet voor deze maand. Voor wat betreft de maand september (vanaf 21 september) stelt mevrouw R.V.G. dat het ocmw geen loonbrief kan voorleggen, zodanig dat ook niet aangetoond is dat zij onverschuldigd een leefloon ontving. Dit verweer kan niet aanvaard worden. Mevrouw R.V.G. had op het ogenblik van haar aanvraag tot het bekomen van leefloon haar inkomen moeten kenbaar maken. Ze is in staat om desgevallend nu nog aan te tonen dat haar inkomen uit arbeid lager lag dan het leefloon. Dat er arbeid was voor een tewerkstelling van 21,5 uur per maand, tegen een uurloon van 9 euro per maand, blijkt uit het C 4 document dat zich in het dossier bevindt.

In tegenstelling met wat mevrouw R.V.G. aanvoert, werd de beslissing van het ocmw Leuven tot terugvordering van het ten onrechte betekende leefloon haar wel degelijk op het correcte adres betekend.

De intresten.

12.
Uit het door het ocmw Leuven voorgelegde dossier blijkt dat in ieder geval tot 17 februari 2010 het niet inleiden van een procedure voor de rechtbank essentieel verklaard wordt door het feit dat mevrouw R.V.G., tegen beter weten in, haar schuld is blijven betwisten. Het kan, althans in rechte, het ocmw niet ten kwade geduid worden (teveel) geduld gehad hebben met mevrouw R.V.G. en haar de gelegenheid geboden te hebben haar schuld te voldoen buiten iedere gerechtelijke procedure om.

Voor het stilzitten van het ocmw Leuven in de periode tussen 17 februari 2010 en de neerlegging van het verzoekschrift, wordt echter geen enkele uitleg verschaft. Indien in de regel iedere schuldeiser het recht heeft zijn vordering in te stellen met als enige beperking de regels inzake de verjaring, dan moet een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn er echter wel over waken om de schuld van een steunzoeker niet te laten oplopen door de intresten te vorderen, zonder effectief de vordering aanhangig te maken bij de rechtbank. Aan het ocmw Leuven dient op die basis het recht op intresten ontzegd te worden voor de periode van 17 februari 2010 tot 12 maart 2012.

Afbetalingstermijnen.

13.
Mevrouw R.V.G. vraagt in haar beroepsbesluiten om haar schuld te mogen terugbetalen met 75 euro per maand. Deze vraag en dit bedrag worden als dusdanig niet betwist en kunnen toegekend worden, met dien verstande dat het voordeel van de toegekende terugbetalingstermijnen vervalt wanneer mevrouw R.V.G. in gebreke blijft haar terugbetalingen stipt uit te voeren.

OM DEZE REDENEN
HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het mevrouw R.V.G. veroordeeld tot terugbetaling van de som van 2.430,11 euro , te vermeerderen met de wettelijke moratoire intresten vanaf 9 november 2006 en de gerechtelijke intresten, met deze beperking echter dat geen moratoire intresten kunnen gevorderd worden voor de periode van 17 februari 2010 tot 12 maart 2012.

Laat mevrouw R.V.G. toe haar schuld terug te betalen met maandelijkse betalingen van 75 euro , vanaf 15 december 2012, en dan telkens 75 euro op de 15e van iedere maand. Zegt voor recht dat het voordeel van de maandelijkse afbetalingen vervalt indien mevrouw R.V.G. eenmaal in gebreke blijft om deze afbetalingen te verrichten en dat vanaf dat ogenblik de volledige schuld in eenmaal opeisbaar wordt.

Veroordeelt, in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, het ocmw Leuven tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw R.V.G. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel.
 

Rechtspraak: 

Cassatie 28.10.2013, NJW 2014, 174, De vordering tot terugbetaling van de OCMW uitkering is onderworpen aan de verjaring van art. 2277 van het B.W. (5 jaar) conform art. 102, § 1 van de wet van 08.07.1976 mbt de organisatie van het OCMW.

Deze verjaring raakt de openbare orde, zodat zowel de arbeidsauditeur als de rechtbank de verjaring ambtshalve mogen opwerpen.

Dit in tegenstrijd met het gemeenrecht waarbij artikel 22-23 van het B.W. voorziet dat de rechter in middel van verjaring niets ambtshalve mag inroepen.

Telkens een verjaring kan worden opgeworpen, dient de rechter derhalve vast te stellen of de verjaringsregel al dan niet de openbare orde raakt. Voor zo ver de verjaring de openbare orde raakt, mag de rechter ambtshalve de verjaring opwerpen (Cassatie, 06.10.2011, pas. 2011, 2143; Cass. 23.01.2006, A.C. 2006, aflevering, 194; Cass. 25.09.1970, RKW 1970-1971, 845. Zie ook noot onder het Cassatiearrest van 28.10.2013 van I. Croene en A. Vanderhaegen, OCMW toch niet zo sociaal, NJW nr. 297, pag. 175.

Cass. 28/10/2013, A.R. S.11.0054.F, juridat

Samenvatting:

Krachtens artikel 102, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verjaart de tegen de begunstigde ingestelde vordering tot terugbetaling van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, namelijk door verloop van vijf jaren; die bepaling is van openbare orde

Tekst arrest

Nr. S.11.0054.F
A. K.,
tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JANS-MOLENBEEK,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 13 januari 2011.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan die luiden als volgt:
(...)

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 102, gewijzigd bij artikel 56 van de wet van 5 augustus 1992, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

Aangevochten beslissingen

Het arrest dat heeft vastgesteld dat de verweerder "bij beslissing van 6 april 2007, heeft beslist 23.133,53 euro maatschappelijke dienstverlening terug te vorderen", verwerpt vervolgens het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis van de eerste rechter die voornoemde beslissing van 6 april 2007 bevestigt en veroordeelt de eiseres aldus tot de terugbetaling van 23.133,53 euro voor maatschappelijke dienstverlening met terugwerkende kracht tot 1 september 2001.

Grieven

Krachtens artikel 102 van de organieke wet "verjaart de vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek".

De beslissing van de verweerder dat de eiseres de haar uitgekeerde maatschappelijke dienstverlening met terugwerkende kracht tot 1 september 2001 moet terugbetalen, namelijk een bedrag van 23.133,53 euro, is op 6 april 2007 genomen en de eiseres per aangetekende brief op 10 april 2007 ter kennis gebracht.

Daaruit volgt dat de invordering van de maatschappelijke dienstverlening die gedurende vijf aan 10 april 2002 voorafgaande jaren is uitgekeerd, verjaard is.

Het arrest veroordeelt de eiseres nochtans voor de uitgekeerde maatschappelijke dienstverlening in haar geheel, met name 23.133,53 euro, met inbegrip van het bedrag dat vóór 10 april 2002 uitgekeerd was hoewel dat deel verjaard is.

Het arrest dat de eiseres veroordeelt tot terugbetaling van de maatschappelijke dienstverlening die vóór 10 april 2002 uitgekeerd was, veroordeelt de eiseres aldus tot terugbetaling van de verjaarde maatschappelijke dienstverlening en schendt bijgevolg artikel 102 van de organieke wet en eveneens artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Derde middel

Krachtens artikel 102, eerste lid, OCMW-wet verjaart de vordering tot terugbeta-ling van de maatschappelijke dienstverlening ten aanzien van de begunstigde overeenkomstig artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, namelijk door verloop van vijf jaren.

Die bepaling is van openbare orde.

In afwijking van artikel 2223 van het Burgerlijk Wetboek, moet de rechter dus de toepassing ervan ambtshalve onderzoeken.

Het arrest stelt zowel met eigen redenen als met de redenen van het beroepen vonnis die het overneemt vast dat de verweerder vanaf 1 september 2001 de maat-schappelijke dienstverlening aan de eiseres heeft betaald; dat eerstgenoemde bij beslissing van 29 april 2005, beslist heeft die maatschappelijke dienstverlening vanaf die datum van 1 september 2001 in te trekken en bij beslissing van 6 april 2007 het terug te vorderen bedrag heeft vastgesteld op 23.133,53 euro; dat de ei-seres tegen die beslissingen verhaal heeft ingesteld bij de arbeidsrechtbank en de verweerder vervolgens een tegenvordering heeft ingesteld voor de terugbetaling van 23.133,53 euro.

Het arrest dat in die omstandigheden nalaat het middel te onderzoeken dat is afgeleid uit de verjaring van de vordering van de verweerder, verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht om de eiseres te veroordelen tot terugbetaling van 23.133,53 euro aan de verweerder.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres met bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt tot de terugbetaling, aan de verweerder, van 23.133,53 euro maatschappelijke dienstverlening, vermeerderd met de verwijlinte-rest op elke maandelijkse termijn vanaf de datum van betaling.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de verweerder tot de kosten, gelet op artikel 1017, tweede lid, Ge-rechtelijk Wetboek.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

S.11.0054.F
Conclusions de Monsieur l'Avocat général délégué PALUMBO
(...)

Le troisième moyen

Le demandeur fait grief à l'arrêt attaqué de l'avoir condamné à rembourser l'aide sociale avant le 10 avril 2002, période prescrite conformément à l'article 10 de la loi organique.

L'article 2223 du Code civil dispose que les juges ne peuvent suppléer d'office au moyen résultant de la prescription.

Votre Cour a, à de multiples reprises, rappelé cette règle .

La prescription peut être soulevée d'office par le juge dans les causes intéressant l'ordre public .

Il est admis, tant en doctrine qu'en jurisprudence que l'ordre public et les dispositions impératives sont des notions différentes .

Votre Cour a considéré qu'une disposition est d'ordre public "lorsqu'elle touche aux intérêts essentiels de l'Etat ou de la collectivité ou fixe, dans le droit privé, les bases juridiques sur lesquelles repose l'ordre économique ou moral de la société" .

Une disposition légale est impérative lorsqu'elle s'applique à des intérêts particuliers relatifs aux relations individuelles qui résultent d'un contrat, malgré la volonté contraire des parties .

En ce qui concerne la prescription extinctive, la doctrine dominante et la jurisprudence font la distinction entre l'institution de la prescription qui concerne l'ordre public et le moyen de prescription qui concerne exclusivement les intérêts privés.

Le droit d'invoquer l'exception de prescription concerne les intérêts privés du débiteur et du créancier .

Votre Cour a consacré cette distinction décidant que "l'article 2220 du Code civil, en autorisant en matière d'intérêts privés le débiteur a renoncé à une prescription acquise, l'autorise aussi à renoncer au temps déjà écoulé d'une prescription encore en cours" .

Le droit d'invoquer prescription appartient à l'ordre public, si la matière dans laquelle se situe l'action touche à l'ordre public .

En d'autres termes, dans les matières qui touchent à l'ordre public, le moyen de prescription devient d'ordre public .

Pareil moyen peut être soulevé d'office par le juge et peut être soulevé pour la première fois en cassation .

L'article 2233 du Code civil n'opère cependant aucune distinction selon que le moyen est d'ordre public ou non .

Les dispositions impératives relatives à la prescription dérogent-elles également à l'article 2233 du Code civil comme les dispositions d'ordre public?

Quant à la procédure au fond, le juge est saisi par la disposition impérative.

Monsieur le conseiller MEEUS commentant l'arrêt de votre Cour du 17 mars 1986 critiquait la thèse selon laquelle le juge ne peut soulever d'office la nullité d'une disposition contraire à une disposition impérative et ne peut soulever d'office la question de la violation éventuelle de pareille disposition .

La Cour, dans un arrêt du 22 mai 2000, a entériné cette interprétation. Il résultait des constatations de l'arrêt critiqué devant elle que "l'employeur avait décidé le 10 octobre 1986 de révoquer immédiatement le travailleur et que cette révocation était fondée sur la publication de l'article concernant le travailleur dans un journal du 25 août 1986"; le travailleur n'avait pas invoqué le fait que son licenciement pour motif grave était tardif; la Cour du travail avait ignoré cette question.

La Cour a décidé que l'article 35, al. 3 et 4 de la loi sur le contrat de travail était une disposition impérative et a cassé l'arrêt de la Cour du travail au motif que "la Cour du travail était tenue d'examiner l'application de cette disposition (l'article 35, al.3 et 4 de la loi sur le contrat de travail relatif aux délais de congé pour motifs graves et aux délais de notification de ceux-ci) dans le respect des droits de la défense des parties même si le demandeur (le travailleur) s'était abstenu de faire état de celle-ci dans un premier temps".

Comme le souligne Monsieur le Procureur général J.F.Leclercq dans ses conclusions précédant l'arrêt "En raison du caractère impératif de leurs dispositions, le juge en est saisi par la loi et il doit, en principe, les appliquer d'office sauf à vérifier, au préalable, si elles n'ont pas fait l'objet d'une renonciation ou d'une confirmation valable".

Dès lors, si dans les limites de la demande portée devant lui et des faits portés à sa connaissance, le juge constate qu'une disposition impérative aurait pu être violée, violation qui n'est soulevée par aucune des parties, il doit soulever d'office le problème, dans le respect des droits de la défense, le cas échéant en ordonnant une réouverture des débats .

En matière de sécurité sociale (chômage), la Cour, dans un arrêt du 24 avril 1995, a admis que le moyen peut être soit d'ordre public, soit impératif pour être déclaré recevable à l'appui d'un pourvoi même s'il n'a pas été soulevé devant le juge d'appel.

Ainsi, l'article 4 de la loi du 11 mars 1971 instaurant un délai de prescription pour les dettes envers les organismes de paiement des allocations de chômage a un caractère impératif en faveur du chômeur dès l'instant où il porte sur l'étendue de la récupération .

Suite aux arrêts de la Cour de Justice de l'Union Européenne et à la doctrine , la distinction entre les dispositions impératives et les dispositions d'ordre public n'est plus aussi absolue en droit matériel, notamment dans le domaine de la protection des consommateurs .

Depuis l'arrêt PANNON du 4 juin 2009, il est admis que le juge saisi n'a plus la possibilité mais a l'obligation de soulever d'office le caractère abusif d'une clause contractuelle. Le juge saisi doit assurer l'effet utile de la protection voulue par les dispositions de la directive.

Dès lors, le rôle attribué par le droit communautaire au juge national ne se limite pas à une simple faculté de se prononcer sur la nature éventuellement abusive d'une clause contractuelle mais comprend aussi l'obligation d'examiner d'office cette question, dès qu'il est en possession des éléments de droit et de fait nécessaires (considérant 32 de l'arrêt) .

On peut lire aussi dans les travaux préparatoires de l'article 1649octies du Code civil que le juge dispose de pareil pouvoir vis-à-vis des clauses qui portent atteinte aux droits du consommateur, acheteur d'un lieu de consommation non conforme "la nullité ainsi établie est une nullité relative... Par contre, contrairement à la règle généralement admise selon laquelle une nullité relative ne peut jamais être soulevée d'office par le juge, il y a lieu de tenir compte, en cette matière, de la jurisprudence résultant de l'arrêt OCEANO. Cette jurisprudence semble applicable à la directive transposée par le présent projet et il faut donc en conclure que le juge pourra soulever d'office la nullité .

Le juge se voit donc attribuer un rôle plus actif dans le cadre du procès, il doit prononcer la nullité d'une clause contractuelle abusive alors que l'intérêt général n'est pas mis en péril .

Le droit processuel illustre lui aussi une diminution de l'intensité de certaines des caractéristiques de l'ordre public depuis la consécration de la conception factuelle de la cause et de l'objet de la demande par la Cour de cassation .

Une branche de la sécurité sociale peut être d'ordre public sans pour autant que le moyen de prescription touche à l'ordre public.
Votre Cour a ainsi décidé que l'article 106, § 1er, alinéa 3° de la loi du 9 août 1963 (devenu l'article 174, alinéa 1er, 3° de la loi coordonnée) est une disposition d'ordre public à laquelle il ne peut être renoncé.

Il ne peut être déduit de l'article 102 de la loi du 8 juillet 1976 que le législateur a pour but de faire du moyen de prescription pour le demandeur d'aide sociale une disposition d'ordre public. Le moyen de prescription vise la protection d'intérêts privés, il n'est pas d'ordre public . Cette disposition est impérative.

S'agissant d'une disposition impérative, le juge devait par dérogation à l'article 2223 du Code civil, examiner d'office l'application de cette disposition, en respectant les droits de la défense.

Le défendeur a, en l'espèce, introduit la demande en remboursement de l'aide sociale plus de 5 ans après le début du paiement de l'aide à la demanderesse.

En n'examinant pas d'office le moyen découlant de la prescription de l'action du demandeur, l'arrêt attaqué a violé l'article 102, alinéa 1er de la loi du 8 juillet 1976.
Le moyen est fondé.

Conclusion: cassation.
 

Noot:

• Tijdschrift voor gemeenterecht [T.Gem.] VAN HEUVEN, Dirk; Noot 'De termijn van 5 jaar voor het terugvorderen van de hulpverlening door het OCMW raakt de openbare orde' 2014, nr. 3, p. 175-176.
• Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] CROENE, Isabelle; VANDERHAEGHEN, Ann; Noot 'OCMW toch niet zo sociaal?' 2014, nr. 297, p. 174-176.
 

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 01/10/2009 - 13:31
Laatst aangepast op: ma, 04/09/2017 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.