-A +A

Terugvordering leefloon OCMW verweer en excepties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wie als onderhoudsplichjtige geconfronteerd wordt met de terugvordering van onderhoudsgeld, leefloon of steun door het OCMW kan alle excepties inroepen conform het burgerlijk recht. Wanneer het OCMW leefloon heeft betaald aan een kind waarvoor de onderhoudsverplichting opgehouden heeft te bestaan, kan het OCMW dit leefloon op de ouders of andere onderhoudsplichtigen niet terugvorderen. Dit is onder meer het geval wanneer het OCMW leefloon toekende, aan, een meerderjarige die reeds over toereikende bestaansmiddelen beschikt of te kunnen beschikken, hetzij door middel van eigen inspanningen, hetzij door deze op een andere manier te verwerven.

• Vred. Jette, 20/06/2017, R.A.B.G., 2017/14, p. 1182-1186

samenvatting

Artikel 203, § 1 BW ter zake de onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen bepaalt dat “indien de opleiding niet voltooid is, de verplichting doorloopt na de meerderjarigheid van het kind”.

De onderhoudsverplichting ten aanzien van een kind neemt een einde wanneer het kind een volledige hogere opleidingscyclus heeft voltooid. Van zodra deze hogere studies beëindigd werden, kunnen de ouders niet verplicht worden nog bijkomende, totaal andere hogere studies te bekostigen, wel studies die in het normaal verlengde van de vorige studies liggen (...). Van het kind mag anderzijds verwacht worden dat het alles in het werk stelt om binnen een redelijke termijn financieel onafhankelijk te worden (...). In de regel wordt de opleiding als voltooid beschouwd bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt (…)”.

Wanneer het OCMW het leefloon op de onderhoudsplichtigen verhaalt kunnen dezen alle excepties conform het civiel recht inroepen die zij ook de onderhoudsgerechtigde zouden kunnen tegenstellen, bijvoorbeeld de exceptie dat aan het vereiste van behoeftigheid niet is voldaan of dat deze toestand de onderhoudsgerechtigde moet worden aangerekend.

Aldus kunnen ondermeer ouders aan het OCMW tegenwerpen dat hun onderhoudsverplichting een einde heeft genomen vanaf het ogenblik dat het kind een opleiding afsloot die toegang verschafte tot de arbeidsmarkt met een degelijk inkomen.

De rechterlijke controle (op de toepassing van art. 205 et seq. BW) strekt zich uit tot de rechtmatigheid van de beslissing van het OCMW tot toekenning van het leefloon. Het OCMW “moet de toekenning van het bestaansminimum afdoende verantwoorden om de bevoegde rechter in staat te stellen een oordeel te vellen”

Tekst vonnis

(OCMW Jette / D.L. en V.C. - Rolnr.: 17A1137)

I. De omstandigheden van het geschil
1. Op 9 november 2015 heeft mevrouw D.C. bij de eiseres, het OCMW van Jette, een verlenging aangevraagd van het recht op maatschappelijke integratie (onder de vorm van een leefloon en farmaceutische uitgaven).

2. Op 17 mei 2016 heeft de eiseres haar vanaf 1 maart 2016 een leefloon toegekend als alleenstaande van 748,05 EUR per maand.

3. Per brief van 25 mei 2016 richtte de eiseres zich tot de verweerders, de echtgenoten D.L.-V.C. en de ouders van mevrouw D.C., met de vraag om mededeling van “hun inkomsten van de laatste 3 maanden evenals het bewijs van uw lasten. Indien wij niet in het bezit zijn van deze informatie binnen de 30 dagen zullen wij verplicht zijn om een verzoek bij de familierechtbank in te dienen zoals voorzien door artikel 4, § 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie”.

4. Op 25 juni 2016 antwoordden de verweerders dat zij geen onderhoudsbijdrage wensten te betalen aan hun dochter D.C. die immers “alle troeven en mogelijkheden bezit om zelf in haar eigen levensonderhoud te voorzien maar er op 26-jarige leeftijd zelf voor heeft gekozen om opnieuw een universitaire studie aan te vatten en haar FT-werk op te zeggen (...). C. had toen reeds drie hogere studies afgewerkt die wij allemaal bekostigd hebben (…). Wij gingen niet akkoord met haar beslissing om een vierde hogeronderwijsdiploma na te streven maar C. verzekerde ons dat ze dit volledig zelf zou bekostigen en ons niets ten laste zou leggen (...)”.

5. Per verzoekschrift op tegenspraak van 22 februari 2017 richtte de eiseres zich tot dit vredegerecht.

II. Het voorwerp van de vordering

6. In naam en voor rekening van D.C. vordert de eiseres in haar laatste conclusie van 5 juli 2017 en met toepassing van artikel 4, § 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, de verweerders hoofdelijk te veroordelen tot de betaling vanaf 1 maart 2016 van “een onderhoudsbijdrage ten gunste van hun dochter C., en het bedrag van deze onderhoudsbijdrage te bepalen:

- in hoofdorde, op een provisioneel bedrag van 500 EUR per maand,

- in ondergeschikte orde, rekening houdende met de financiële toestand van de partijen,

- in uiterst ondergeschikte orde, minstens, overeenkomstig de omzendbrief van 31 mei 2016 betreffende de aanpassing van de bedragen die vallen onder de federale wetgeving betreffende de sociale bijstand op 1 juni 2016, hetzij artikel 50 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemene reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie”.

III. De beoordeling van deze vordering

§ 1. De bevoegdheid

7. Artikel 591, 14° Ger.W. bepaalt dat de vrederechter ongeacht het bedrag van de vordering kennis neemt van “de aan het leefloon gerelateerde verplichtingen tot levensonderhoud”. Bijgevolg is dit vredegerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

§ 2. De grond van de zaak

8. Het verhaal van het leefloon op de onderhoudsplichtige onderstelt het bestaan van een onderhoudsverplichting tijdens de periode dat het leefloon wordt uitgekeerd (S. Brouwers, “Alimentatie” in de reeks APR, Kluwer, 2009, p. 653, nr. 1066). Dat verhaal moet de wettelijke regeling van het Burgerlijk Wetboek m.b.t. de alimentatieverplichtingen respecteren (R. Barbaix, “Het verhaalsrecht van het OCMW op onderhoudsplichtigen” (noot onder Brussel 20 januari 2004), RW 2005-06, p. 627).

8.1. In haar verzoekschrift op tegenspraak en conclusie gaat de eiseres er voetstoots van uit dat de verweerders nog steeds onderhoudsplichtig waren jegens hun dochter C. toen zij haar het leefloon toekende, maar is dat wel zo?

8.2. Artikel 203, § 1 BW ter zake de onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen bepaalt dat “indien de opleiding niet voltooid is, de verplichting doorloopt na de meerderjarigheid van het kind”.

8.3. De rechtbank onderschrijft het standpunt van auteur S. Brouwers (o.c., nrs. 320-322 met rechtspraak) dat “de onderhoudsverplichting een einde neemt wanneer het kind een volledige hogere opleidingscyclus heeft voltooid. Van zodra deze hogere studies beëindigd werden, kunnen de ouders niet verplicht worden nog bijkomende, totaal andere hogere studies te bekostigen, wel studies die in het normaal verlengde van de vorige studies liggen (...). Van het kind mag anderzijds verwacht worden dat het alles in het werk stelt om binnen een redelijke termijn financieel onafhankelijk te worden (...). In de regel wordt de opleiding als voltooid beschouwd bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt (…)”.

8.4. In casu blijkt - zonder betwisting vanwege de eiseres - dat toen mevrouw D.C. weloverwogen besliste een (zevenjarige!) universitaire opleiding in de geneeskunde te volgen, zij reeds een diploma op zak had van master in de sociale en culturele agogiek, van bachelor in de voedings- en dieetkunde en een master in de specifieke lerarenopleiding. Na haar laatste diploma blijkt zij in 2008 als diëtiste aan de slag te zijn gegaan, is zij zelfstandig gaan wonen en is zij haar beroep blijven uitoefenen toen zij haar artsenopleiding aanvatte, wat achteraf kennelijk onhoudbaar is gebleken, zodat zij bij het OCMW een leefloon heeft aangevraagd, kennelijk nadat zij haar baan als diëtiste had opgezegd.

8.5. Niet enkel heeft zij haar keuze, algemene geneeskunde te gaan studeren, gemaakt toen zij reeds 26 was, een leeftijd waarop zij deze opleiding gelet op haar actuele uitstekende studieresultaten reeds achter de rug had kunnen hebben, bovendien ligt deze opleiding niet in het verlengde van haar eerdere opleidingen.

9. Wanneer het OCMW het leefloon op de onderhoudsplichtigen verhaalt kunnen dezen alle excepties conform het civiel recht inroepen die zij ook de onderhoudsgerechtigde zouden kunnen tegenstellen, bijvoorbeeld de exceptie dat aan het vereiste van behoeftigheid niet is voldaan of dat deze toestand de onderhoudsgerechtigde moet worden aangerekend (S. Brouwers, o.c., nrs. 125 en 1065).

9.1. Aldus kunnen de verweerders hun dochter in het bestek van artikel 203, § 1 BW tegenwerpen dat hun onderhoudsverplichting een einde heeft genomen vanaf het ogenblik dat zij als diëtiste een naar eigen zeggen degelijk inkomen had (zie haar brief van 16 maart 2016 tot de eiseres).

9.2. Daar heeft de eiseres bij de toekenning van het leefloon geen rekening mee gehouden, noch met het gegeven dat mevrouw D.C. uit vrije wil aan dat inkomen heeft verzaakt om een opleiding in de geneeskunde aan te vatten waarvan zij wist, minstens behoorde te weten, dat zij stages en wachtdiensten zou omvatten, dat zij niet met een zelfs deeltijdse baan kon worden gecombineerd en dat zij zelf geen noemenswaardig inkomen zou genereren. Anders dan de eiseres op p. 6 van haar conclusie poneert, bestaat de rol van het OCMW geenszins in het financieren van de studies in plaats van de ouders (Arbh. Luik 8 augustus 1995, RRD 1995, p. 530).

9.3. Auteur Brouwers (o.c., nr. 125, zie ook nr. 1065, p. 652) wijst erop dat de rechterlijke controle (op de toepassing van art. 205 et seq. BW) zich uitstrekt tot de rechtmatigheid van de beslissing van het OCMW tot toekenning van het leefloon. Het OCMW “moet de toekenning van het bestaansminimum afdoende verantwoorden om de bevoegde rechter in staat te stellen een oordeel te vellen” (Vred. Leuven (II) 30 maart 1999, RW 2000-01, p. 1610).

9.4. Bijgevolg argumenteren de verweerders in hun conclusie terecht dat de eiseres geen leefloon had mogen toekennen omdat hun dochter wel degelijk in staat was “toereikende bestaansmiddelen hetzij door eigen inspanningen hetzij op een andere manier te verwerven” in de zin artikel 3, 4° van de wet van 26 mei 2002. Door te verzaken aan haar inkomen als diëtiste heeft hun dochter zelf de situatie in het leven geroepen die het haar voortaan zou verhinderen die bestaansmiddelen te verwerven.

10. In deze omstandigheden verklaart de rechtbank eiseres vordering ongegrond.

11. Gelet op artikel 561 Ger.W. moet de rechtsplegingsvergoeding worden bepaald op het bedrag dat beantwoordt aan 12 maandelijkse onderhoudsbijdragen, vermenigvuldigd met 10, zodat zij moet worden berekend over (12 x 500 x 10) = 60.000 EUR, zodat zij in de schijf tussen 40.000 EUR en 60.000 EUR de som van 3.000 EUR bedraagt.

OM DEZE REDENEN, HET VREDEGERECHT,

op tegenspraak en in eerste aanleg,

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond,

Wijst het OCMW van Jette bijgevolg van haar vordering af.

(…)

Noot: Govaerts, M., « Het verhaalsrecht van het OCMW op de onderhoudsplichtigen van de leefloonbegunstigde », R.A.B.G., 2017/14, p. 1186-1191

Rechtsleer: 

• J. GERLO en G. VERSCHELDEN, Handboek voor Familierecht, Brugge, die Keure, 2008, 133-135, nr. 400-403..

• D. SIMOENS, "OCMW-beslissing tot terugvordering van financiële hulp bij de kinderen van een opgenomen persoon: vatbaar voor toetsing door de rechter?" (noot onder Cass. 17 april 2000), RW 2000-01, 988, nr. 5.2.

• D.. SIMOENS, "OCMW-beslissing tot terugvordering van financiële hulp bij de kinderen van een opgenomen persoon: vatbaar voor toetsing door de rechter?" (Noot onder Cass. 17 april 2000), RW 2000-01, 988, nr. 5.3 en D.. Simoens,"Verhaal van OCMW-hulp op onderhoudsplichtige familieleden: hoe `discretionair' oordeelt het OCMW?" (noot onder Cass. 17 april 2000), Soc.Kron 2001-02, 66, nr. 17.b.2.

• J. PUT, "Rechterlijk toezicht op socialezekerheidsbeslissingen" in J. PUT (ed.), Het handvest van de sociaal verzekerde en de bestuurlijfke vernieuwing in de sociale zekerheid, Brugge, die Keure, 1999, 347, nr. 35.

• S. BROUWERS, Alimentatie in APR, Gent, Story-Scientia, 2009, 70, nr. 126 (vrij ongenuanceerd).

• P. SENAEVE en D. SIMOENS, O.C.M.W.- dienstverlening en bestaansminimum, Brugge, die Keure, 1995, 356 e.v., nrs. 806 e.v.;

• D. NOTE, O.C.M.W.-comments en, Heule, UGA, 1996, 356 e.v., nrs. 671 e.v.;

• D. SIMOENS, O.C.M.W.-dienstverlening, Brugge, die Keure, 2003, 393 e.v., nrs. 1115 e.v.;

• S. BROUWERS en M. GOVAERTS, Alimentatievorderingen in Recht en Praktijk, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 133, nr. 244.

• P. SENAEVE en D. SIMOENS, dienstverlening en bestaansminimum, Brugge, die Keure, 1995, 364 et seq.., nrs. 822 et seq.;

• D. NOTE, O.C.M.W.-commentaren, Heule, UGA, 1996, 363 et seq., nr. 695 et seq.;

• D. SIMOENS, O.C.M W.-dienstverlening, Brugge, die Keure, 2003, 390 et seq., nrs. 1106 et seq.

• P. SENAEVE en D. SIMOENS, O.C.M.W.- dienstverlening en bestaansminimum, Brugge., die Keure, 1995, 356 e.v., nrs. 806 e.v.;

• D. NOTE, 0.C.M.W.-commentaren, Heule, UGA, 1996, 356 e.v., ors. 671 c.v.;

• D. SIMOENS, 0.C.M.W.-dienstverlening, Brugge, die Keure, 2003, 393 e.v., nrs. 1115 e.v.;

•  S. BROUWERS en M. GOVAERTS, Alimentatievorderingen, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 133, en 244.

• GERLO en G. VERSCHELDEN, Handboek voor Familierecht, Brugge, die Keure, 2008, 121-123.
 

Rechtspraak: 

• Cass.. 17 april 2000, RW 2000-01, 986, noot D. SIMOENS en Soc Kron 2001-02, 71, noot D.. SIMOENS (63-69).. Cf. ook: Antwerpen 31 maart 2003, NJW 2003, 931, noot IVDS.

• Rb. Gent 10 februari 2005, NJW 2005, 598, noot

• Vred. Jette, 20/06/2017, R.A.B.G., 2017/14, p. 1182-1186

samenvatting

Artikel 203, § 1 BW ter zake de onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen bepaalt dat “indien de opleiding niet voltooid is, de verplichting doorloopt na de meerderjarigheid van het kind”.

De onderhoudsverplichting ten aanzien van een kind neemt een einde wanneer het kind een volledige hogere opleidingscyclus heeft voltooid. Van zodra deze hogere studies beëindigd werden, kunnen de ouders niet verplicht worden nog bijkomende, totaal andere hogere studies te bekostigen, wel studies die in het normaal verlengde van de vorige studies liggen (...). Van het kind mag anderzijds verwacht worden dat het alles in het werk stelt om binnen een redelijke termijn financieel onafhankelijk te worden (...). In de regel wordt de opleiding als voltooid beschouwd bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt (…)”.

Wanneer het OCMW het leefloon op de onderhoudsplichtigen verhaalt kunnen dezen alle excepties conform het civiel recht inroepen die zij ook de onderhoudsgerechtigde zouden kunnen tegenstellen, bijvoorbeeld de exceptie dat aan het vereiste van behoeftigheid niet is voldaan of dat deze toestand de onderhoudsgerechtigde moet worden aangerekend.

Aldus kunnen ondermeer ouders aan het OCMW tegenwerpen dat hun onderhoudsverplichting een einde heeft genomen vanaf het ogenblik dat het kind een opleiding afsloot die toegang verschafte tot de arbeidsmarkt met een degelijk inkomen.

De rechterlijke controle (op de toepassing van art. 205 et seq. BW) strekt zich uit tot de rechtmatigheid van de beslissing van het OCMW tot toekenning van het leefloon. Het OCMW “moet de toekenning van het bestaansminimum afdoende verantwoorden om de bevoegde rechter in staat te stellen een oordeel te vellen”

Tekst vonnis

(OCMW Jette / D.L. en V.C. - Rolnr.: 17A1137)

I. De omstandigheden van het geschil
1. Op 9 november 2015 heeft mevrouw D.C. bij de eiseres, het OCMW van Jette, een verlenging aangevraagd van het recht op maatschappelijke integratie (onder de vorm van een leefloon en farmaceutische uitgaven).

2. Op 17 mei 2016 heeft de eiseres haar vanaf 1 maart 2016 een leefloon toegekend als alleenstaande van 748,05 EUR per maand.

3. Per brief van 25 mei 2016 richtte de eiseres zich tot de verweerders, de echtgenoten D.L.-V.C. en de ouders van mevrouw D.C., met de vraag om mededeling van “hun inkomsten van de laatste 3 maanden evenals het bewijs van uw lasten. Indien wij niet in het bezit zijn van deze informatie binnen de 30 dagen zullen wij verplicht zijn om een verzoek bij de familierechtbank in te dienen zoals voorzien door artikel 4, § 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie”.

4. Op 25 juni 2016 antwoordden de verweerders dat zij geen onderhoudsbijdrage wensten te betalen aan hun dochter D.C. die immers “alle troeven en mogelijkheden bezit om zelf in haar eigen levensonderhoud te voorzien maar er op 26-jarige leeftijd zelf voor heeft gekozen om opnieuw een universitaire studie aan te vatten en haar FT-werk op te zeggen (...). C. had toen reeds drie hogere studies afgewerkt die wij allemaal bekostigd hebben (…). Wij gingen niet akkoord met haar beslissing om een vierde hogeronderwijsdiploma na te streven maar C. verzekerde ons dat ze dit volledig zelf zou bekostigen en ons niets ten laste zou leggen (...)”.

5. Per verzoekschrift op tegenspraak van 22 februari 2017 richtte de eiseres zich tot dit vredegerecht.

II. Het voorwerp van de vordering
6. In naam en voor rekening van D.C. vordert de eiseres in haar laatste conclusie van 5 juli 2017 en met toepassing van artikel 4, § 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, de verweerders hoofdelijk te veroordelen tot de betaling vanaf 1 maart 2016 van “een onderhoudsbijdrage ten gunste van hun dochter C., en het bedrag van deze onderhoudsbijdrage te bepalen:

- in hoofdorde, op een provisioneel bedrag van 500 EUR per maand,

- in ondergeschikte orde, rekening houdende met de financiële toestand van de partijen,

- in uiterst ondergeschikte orde, minstens, overeenkomstig de omzendbrief van 31 mei 2016 betreffende de aanpassing van de bedragen die vallen onder de federale wetgeving betreffende de sociale bijstand op 1 juni 2016, hetzij artikel 50 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemene reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie”.

III. De beoordeling van deze vordering
§ 1. De bevoegdheid
7. Artikel 591, 14° Ger.W. bepaalt dat de vrederechter ongeacht het bedrag van de vordering kennis neemt van “de aan het leefloon gerelateerde verplichtingen tot levensonderhoud”. Bijgevolg is dit vredegerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

§ 2. De grond van de zaak
8. Het verhaal van het leefloon op de onderhoudsplichtige onderstelt het bestaan van een onderhoudsverplichting tijdens de periode dat het leefloon wordt uitgekeerd (S. Brouwers, “Alimentatie” in de reeks APR, Kluwer, 2009, p. 653, nr. 1066). Dat verhaal moet de wettelijke regeling van het Burgerlijk Wetboek m.b.t. de alimentatieverplichtingen respecteren (R. Barbaix, “Het verhaalsrecht van het OCMW op onderhoudsplichtigen” (noot onder Brussel 20 januari 2004), RW 2005-06, p. 627).

8.1. In haar verzoekschrift op tegenspraak en conclusie gaat de eiseres er voetstoots van uit dat de verweerders nog steeds onderhoudsplichtig waren jegens hun dochter C. toen zij haar het leefloon toekende, maar is dat wel zo?

8.2. Artikel 203, § 1 BW ter zake de onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen bepaalt dat “indien de opleiding niet voltooid is, de verplichting doorloopt na de meerderjarigheid van het kind”.

8.3. De rechtbank onderschrijft het standpunt van auteur S. Brouwers (o.c., nrs. 320-322 met rechtspraak) dat “de onderhoudsverplichting een einde neemt wanneer het kind een volledige hogere opleidingscyclus heeft voltooid. Van zodra deze hogere studies beëindigd werden, kunnen de ouders niet verplicht worden nog bijkomende, totaal andere hogere studies te bekostigen, wel studies die in het normaal verlengde van de vorige studies liggen (...). Van het kind mag anderzijds verwacht worden dat het alles in het werk stelt om binnen een redelijke termijn financieel onafhankelijk te worden (...). In de regel wordt de opleiding als voltooid beschouwd bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt (…)”.

8.4. In casu blijkt - zonder betwisting vanwege de eiseres - dat toen mevrouw D.C. weloverwogen besliste een (zevenjarige!) universitaire opleiding in de geneeskunde te volgen, zij reeds een diploma op zak had van master in de sociale en culturele agogiek, van bachelor in de voedings- en dieetkunde en een master in de specifieke lerarenopleiding. Na haar laatste diploma blijkt zij in 2008 als diëtiste aan de slag te zijn gegaan, is zij zelfstandig gaan wonen en is zij haar beroep blijven uitoefenen toen zij haar artsenopleiding aanvatte, wat achteraf kennelijk onhoudbaar is gebleken, zodat zij bij het OCMW een leefloon heeft aangevraagd, kennelijk nadat zij haar baan als diëtiste had opgezegd.

8.5. Niet enkel heeft zij haar keuze, algemene geneeskunde te gaan studeren, gemaakt toen zij reeds 26 was, een leeftijd waarop zij deze opleiding gelet op haar actuele uitstekende studieresultaten reeds achter de rug had kunnen hebben, bovendien ligt deze opleiding niet in het verlengde van haar eerdere opleidingen.

9. Wanneer het OCMW het leefloon op de onderhoudsplichtigen verhaalt kunnen dezen alle excepties conform het civiel recht inroepen die zij ook de onderhoudsgerechtigde zouden kunnen tegenstellen, bijvoorbeeld de exceptie dat aan het vereiste van behoeftigheid niet is voldaan of dat deze toestand de onderhoudsgerechtigde moet worden aangerekend (S. Brouwers, o.c., nrs. 125 en 1065).

9.1. Aldus kunnen de verweerders hun dochter in het bestek van artikel 203, § 1 BW tegenwerpen dat hun onderhoudsverplichting een einde heeft genomen vanaf het ogenblik dat zij als diëtiste een naar eigen zeggen degelijk inkomen had (zie haar brief van 16 maart 2016 tot de eiseres).

9.2. Daar heeft de eiseres bij de toekenning van het leefloon geen rekening mee gehouden, noch met het gegeven dat mevrouw D.C. uit vrije wil aan dat inkomen heeft verzaakt om een opleiding in de geneeskunde aan te vatten waarvan zij wist, minstens behoorde te weten, dat zij stages en wachtdiensten zou omvatten, dat zij niet met een zelfs deeltijdse baan kon worden gecombineerd en dat zij zelf geen noemenswaardig inkomen zou genereren. Anders dan de eiseres op p. 6 van haar conclusie poneert, bestaat de rol van het OCMW geenszins in het financieren van de studies in plaats van de ouders (Arbh. Luik 8 augustus 1995, RRD 1995, p. 530).

9.3. Auteur Brouwers (o.c., nr. 125, zie ook nr. 1065, p. 652) wijst erop dat de rechterlijke controle (op de toepassing van art. 205 et seq. BW) zich uitstrekt tot de rechtmatigheid van de beslissing van het OCMW tot toekenning van het leefloon. Het OCMW “moet de toekenning van het bestaansminimum afdoende verantwoorden om de bevoegde rechter in staat te stellen een oordeel te vellen” (Vred. Leuven (II) 30 maart 1999, RW 2000-01, p. 1610).

9.4. Bijgevolg argumenteren de verweerders in hun conclusie terecht dat de eiseres geen leefloon had mogen toekennen omdat hun dochter wel degelijk in staat was “toereikende bestaansmiddelen hetzij door eigen inspanningen hetzij op een andere manier te verwerven” in de zin artikel 3, 4° van de wet van 26 mei 2002. Door te verzaken aan haar inkomen als diëtiste heeft hun dochter zelf de situatie in het leven geroepen die het haar voortaan zou verhinderen die bestaansmiddelen te verwerven.

10. In deze omstandigheden verklaart de rechtbank eiseres vordering ongegrond.

11. Gelet op artikel 561 Ger.W. moet de rechtsplegingsvergoeding worden bepaald op het bedrag dat beantwoordt aan 12 maandelijkse onderhoudsbijdragen, vermenigvuldigd met 10, zodat zij moet worden berekend over (12 x 500 x 10) = 60.000 EUR, zodat zij in de schijf tussen 40.000 EUR en 60.000 EUR de som van 3.000 EUR bedraagt.

OM DEZE REDENEN, HET VREDEGERECHT,

op tegenspraak en in eerste aanleg,

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond,

Wijst het OCMW van Jette bijgevolg van haar vordering af.

(…)

Waar aanwezig was: L. Lemmerling, vrederechter.

 

Commentaar: 

• F. Lambrecht, Het verhaal van OCMW op onderhoudsplichtigen in Bibliotheek Burgerlijk Recht en Procesrecht Larcier, Gent, Larcier, 2016, 92; D. Pire, “La loi du 30 juillet 2013 portant création d'un tribunal de la famille et de la jeunesse”, Act.dr.fam. 2013, 174.

• S. Brouwers, “Bevoegdheidsperikelen inzake het verhaalsrecht van het OCMW op onderhoudsplichtigen” (noot onder GwH 17 november 2016, nr. 142/2016), RABG 2017, 24

• S. Brouwers en M. Govaerts, Alimentatievorderingen in R&P, nr. 86, Mechelen, Kluwer, 2015, 171.

• S. Louis, “Calcul des parts contributives des père et mère au profit de leurs enfants - Analyse bisannuelle de décisions de jurisprudence”, RTDF 2015, 160.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 21/12/2017 - 12:18
Laatst aangepast op: do, 21/12/2017 - 12:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.