-A +A

Termijn voor de vordering tot uitlegging en verbetering van de rechterlijke uitspraak.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De uitlegging en verbetering zijn niet aan een termijn gebonden.
Evenwel zijn er toch een aantal belangrijke regels.

Nopens de uitlegging:

De eis tot uitlegging kan pas worden ingesteld nadat de termijnen van hoger beroep of voorziening in cassatie zijn verstreken, tenzij bij akkoord van de partijen (artikel 798 Ger.W.

De eis tot uitlegging kan niet meer bij de rechter die de uitspraak heeft gewezen worden ingediend, zodra hoger beroep of voorziening in cassatie werd ingesteld. In deze gevallen zal de beroepsrechter de uitlegging.verschaffen.

Nogens de verbetering:

Een rechter kan zijn beslissing enkel verbeteren in zover de beslissing niet is bestreden.

De verbetering is mogelijk zelfs zonder dat de instemming van alle partijen tijdens de beroepstermijn.

Een beperkt hoger beroep verhindert de verbetering niet van het gedeelte van de beslissing waarop het hoger beroep geen betrekking heeft.

Rechtsleer: 

V. Van Severen, De rechterlijke dienst naverkoop:
uitlegging, verbetering en aanvulling van rechterlijke uitspraken. Commentaar bij de wet van 24 oktober 2012, RW 2014-2015, 123. Klik hier voor inhoudstafel en bronverwijzingen

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 24 februari 2015, RW 2016-2017, 1420, met noot, B. Van Den Bergh, Verjaart de vordering tot verbetering van een rechterlijke uitspraak? Over de wisselwerking met de actio judicati

Samenvatting

Er geldt geen termijn waarbinnen een vordering tot verbetering van een rechterlijke beslissing moet worden ingesteld. De vordering tot verbetering van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing kan worden ingesteld zolang de tenuitvoerlegging van die beslissing mogelijk is.

Tekst arrest

AR nr. P.14.1013.N

J.P.L.A.D.S. t/ Stedenbouwkundig inspecteur Vlaams Brabant

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 mei 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middelen

1. Het eerste middel voert schending aan van de algemene verjaringstermijn van tien jaar: het arrest verklaart ten onrechte de vordering tot verbetering onverjaarbaar; indien er tussen de partijen geen procedureband bestaat betreffende de door de verweerder ingestelde vordering tot verbetering van de rechterlijke beslissing van 18 juni 1996 verjaart deze vordering na tien jaar; er werd geen enkele vordering tot verbetering door de betrokken partijen ingesteld vóór 18 juni 2006, zodat die vordering is verjaard.

Het tweede middel voert schending aan van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. en art. 2262bis BW: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vordering tot verbetering onverjaarbaar is; een vordering tot verbetering van een beslissing over de herstelvordering, namelijk het arrest van 18 juni 1996, verjaart overeenkomstig de in art. 2262bis BW bepaalde termijn van vijf jaar.

2. Geen enkele wetsbepaling bepaalt een termijn waarbinnen een vordering tot verbetering van een rechterlijke beslissing moet worden ingesteld. De vordering tot verbetering van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing kan worden ingesteld zolang de tenuitvoerlegging van die beslissing mogelijk is.

In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.

3. Zonder door de middelen op dit punt te worden bekritiseerd, oordeelt het arrest met verwijzing naar het vonnis van de beslagrechter te Brussel van 24 april 2013 dat de vordering tot tenuitvoerlegging van het arrest van 18 juni 1996 niet is verjaard. Het arrest kan dan ook oordelen dat, aangezien de titel van 18 juni 1996 nog steeds uitvoerbaar is, de verweerder belang heeft bij de vordering tot verbetering van het arrest van 18 juni 1996. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de afwijzing van eisers beroep op de verjaring.

In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.

Gerelateerd
Nog dit: 

Ook het Hof van Cassatie acht zich bevoegd zijn arresten uit te leggen en te verbeteren, als daartoe grond bestaat (Cass. 24 maart 2000, Arr.Cass. 2000, 201; Cass. 21 juni 2001, Arr.Cass. 2001, 1260).

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 21/09/2014 - 16:01
Laatst aangepast op: vr, 12/05/2017 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.