-A +A

Technische raadslieden van het parket onpartijdigheid en tegenspraak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Hof van Cassatie, 2e Kamer – AR nr. P.12.1310.F 19 december 2012, RW 2013-2014, 935

Net als de overige handelingen van het opsporingsonderzoek, dient de aanstelling van een technisch raadsman om advies te geven over feiten die het bestaan van een misdrijf kunnen onthullen, niet alleen om te bewijzen dat een misdaad of misdrijf is gepleegd.

Zij heeft eveneens tot doel en tot gevolg om zo nodig te bewijzen dat het vermoede misdrijf niet bestaat, zodat tot buitenvervolgingstelling kan worden beslist.

Uit het feit dat een misdrijf is ontdekt of een misdrijf wordt vermoed door een technisch raadgever van het parket, volgt niet dat deze door de onderzoeksrechter niet meer als deskundige kan worden aangesteld omdat daardoor een eerlijke behandeling van de zaak onmogelijk zou worden. Het advies van de gerechtsdeskundige, ongeacht of hij in de fase van het vooronderzoek is opgetreden, heeft immers geen bijzondere bewijswaarde.

De rechters beoordelen vrij de inhoud ervan. Niets verplicht hen om aan het verslag van de deskundige meer geloof te hechten dan aan dat van de technisch raadsman van de inverdenkinggestelde of van de burgerlijke partij.
 

AR nr. P.12.1310.F

C.D.S. t/ A.D.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 juni 2012.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

De beide cassatieberoepen, die op hetzelfde middel zijn gegrond, vragen om een gezamenlijk antwoord.

1. De eisers verwijten de appelrechters dat zij art. 6.1 EVRM en art. 43 en 56 Sv. schenden, alsook het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging miskennen, doordat zij weigeren de aanstelling van de deskundige door de onderzoeksrechter nietig te verklaren.

Voor de vonnisrechters en thans voor het Hof wordt aangevoerd dat de onderzoeksmagistraat niet iemand als deskundige kan aanstellen die, in het raam van het voorbereidend onderzoek, door het parket als technisch raadsman werd aangewezen. Aangezien die deskundige voor een partij in de zaak is tussengekomen, biedt hij volgens het middel niet de waarborgen van feitelijke onpartijdigheid die in het raam van een gerechtelijk onderzoek zijn vereist, dat, in tegenstelling tot het opsporingsonderzoek, zowel à charge als à décharge wordt gevoerd.

2. De opdracht van het openbaar ministerie beperkt zich niet tot die van aanklager. Het komt in het geding ook tussen om de rechter een rechterlijke oplossing voor te stellen.

Daaruit volgt onder meer dat het opsporingsonderzoek, in strijd met wat de eisers hebben aangevoerd, niet uitsluitend à charge wordt gevoerd. Volgens art. 28bis, § 3, tweede lid Sv. moet het opsporingsonderzoek waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.

De loyaliteit van het openbaar ministerie wordt vermoed. Om dat vermoeden te weerleggen, zijn nauwkeurige en objectieve gegevens vereist.

Het loyaliteitsbeginsel houdt in dat alle door het parket verzamelde gegevens bij het strafdossier worden gevoegd, inzonderheid de gegevens à décharge. Hoewel de procureur des Konings partij is in het strafproces, is hij dat niet op dezelfde wijze als de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij, die de gegevens die in strijd zijn met de belangen die zij verdedigen, niet bij het debat moeten voegen.

3. Net als de overige handelingen van het opsporingsonderzoek, dient de aanstelling van een technisch raadsman om advies te geven over feiten die het bestaan van een misdrijf kunnen onthullen, niet alleen om te bewijzen dat een misdaad of misdrijf is gepleegd. Zij heeft eveneens tot doel en tot gevolg om zo nodig te bewijzen dat het vermoede misdrijf niet bestaat, zodat tot buitenvervolgingstelling kan worden beslist.

Uit het feit dat een misdrijf is ontdekt of een misdrijf wordt vermoed door een technisch raadgever van het parket, volgt niet dat deze door de onderzoeksrechter niet meer als deskundige kan worden aangesteld omdat daardoor een eerlijke behandeling van de zaak onmogelijk zou worden. Het advies van de gerechtsdeskundige, ongeacht of hij in de fase van het vooronderzoek is opgetreden, heeft immers geen bijzondere bewijswaarde. De rechters beoordelen vrij de inhoud ervan. Niets verplicht hen om aan het verslag van de deskundige meer geloof te hechten dan aan dat van de technisch raadsman van de inverdenkinggestelde of van de burgerlijke partij.

De gerechtsdeskundige speelt geen beslissende rol in de rechtspleging. Indien de aanklacht volledig op zijn verrichtingen is gebaseerd, kan zij worden bestreden met een verweer dat volledig op de andersluidende conclusie van de technisch raadsman van de partijen is gegrond.

Het feit dat de deskundige reeds in de fase van het opsporingsonderzoek is tussengekomen, ontzegt de onderzoeksmagistraat de bevoegdheid niet om de verrichtingen van de deskundige aan tegenspraak te onderwerpen.

4. Het advies van een technisch raadsman in de fase van het vooronderzoek, dat door het openbaar ministerie is ingewonnen in het raam van een opdracht van openbare dienst, wat de verdediging van elk persoonlijk belang uitsluit, en dat aan het loyaliteitsbeginsel is onderworpen, kan ten aanzien van de adviesgever geen feitelijk vermoeden van partijdigheid doen wekken waardoor zijn latere aanstelling door de onderzoeksrechter, in het raam van dezelfde feiten, onmogelijk wordt.

De appelrechters, die onder meer oordelen dat het bezwaar tegen de aanstelling van de deskundige voortkomt uit een foutieve opvatting van de opdracht van de procureur des Konings vóór de vordering tot gerechtelijk onderzoek, antwoorden op de conclusie van de eisers en verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

 

NOOT onder dit arrest in het RW 2013-2014, 935, Bart De Smet, Technisch raadslieden van het parket en onpartijdige deskundigen

Bronvermeldingen in deze uitstekende noot

• Cass. 18 februari 2004, RW 2005-06, 1260, noot F. Vanneste).

• P. Lurquin, Traité de l’expertise, Brussel, Bruylant, 1987, twee delen; J.P. Collin, “Les rapports du juge d’instruction avec le ministère public, les corps de police et les experts”, RDP 1990, 857-888;

• B. De Smet, Deskundigenonderzoek in strafzaken in APR, Mechelen, Kluwer, 2001, 373 p.;

• P. Gevaert (e.a.), Het gerechtelijk onderzoek, Brussel, Story-Scientia, 2006, 210-213;

• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, 231 en 943-949;

• F. Hutsebaut, “Het deskundigenonderzoek in strafzaken: een lange weg afgelegd, maar toch het eindstadion nog niet bereikt” in Van pionier naar onmisbaar. 30 jaar Panopticon, Antwerpen, Maklu, 2009, 173-201;

• P. Traest, “Enkele bedenkingen bij een wettelijke regeling van het deskundigenonderzoek in strafzaken” in Liber amicorum Alain De Nauw, Brugge, die Keure, 2011, 809-828;

• C. Van den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2011, 995-1000;

• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 543-549;

• R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 530-538). 

• Cass. 12 september 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 463

• F. D’Hondt, “Het deskundigenonderzoek in strafzaken: een blijvend lelijk eendje” in Van pionier naar onmisbaar. 30 jaar Panopticon, Antwerpen, Maklu, 2009, 211

• B. De Smet, “Deskundigenonderzoek in strafzaken” in Comm.Straf. 2010, 11

• Cass. 5 april 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 11).

• Cass. 27 april 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 288).

• EHRM 31 mei 2012, Diriöz t/ Turkije, § 21, www.echr.coe.int).

• J. Hielkema, Deskundigen in Nederlandse strafzaken, Den Haag, SdU, 1996, 158-169;

• W. Van De Voorde, “De positie van de deskundige vandaag” in Van pionier naar onmisbaar. 30 jaar Panopticon, Antwerpen, Maklu, 2009, 232;

• D. De Wolf, De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure, Brugge, die Keure, 2010, 198-208 en 234-236).

• K. Van Cauwenberghe, “Tegenspraak in het deskundig onderzoek: utopie of realiteit?”, Panopticon 2010, 105-108).

• H. Bekaert, La manifestation de la vérité dans le procès pénal, Brussel, Bruylant, 1972, 170).

• P. Van Kampen, Expert Evidence Compared. Rules and Practices in the Dutch and American Criminal Justice System, Antwerpen, Intersentia, 1998, 16).

• F.J. Macchiarola, “Finding the Truth in an American Criminal Trial: Some Observations” in Proceedings of the First World Conference on New Trends in Criminal Investigation and Evidence, Lelystad, Vermande, 1997, 85-93

• EHRM 18 maart 1997, Mantovanelli t/ Frankrijk, Publ. Cour 1997, II, 424, zie: F. Hutsebaut, o.c., in Van pionier naar onmisbaar. 30 jaar Panopticon; R. Verstraeten, o.c., 536).

• Cass. 7 februari 1995, Arr.Cass. 1995, 147;

• Cass. 25 februari 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 110;

• Cass. 24 juni 1998, JT 1998, 640;

• Cass. 24 november 1998, RW 1999-2000, 843;

• Cass. 10 februari 1999, Arr.Cass. 1999, nr. 74;

• Cass. 26 oktober 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 636,

• Cass. 9 februari 2011, Arr.Cass. 2011, nr. 116).

• Arbitragehof 24 juni 1998, BS 25 september 1998,

• Cass. 23 april 2002, RW 2002-03, 777, noot B. De Smet;

• Cass. 19 februari 2003, RDP 2004, 126;

• KI Brussel 13 november 2000, JT 2001, 108;

• KI Bergen 5 oktober 2000, JT 2001, 101).

• P. Duinslaeger, “Het probleem van het contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, RW 2000-01, 227;

• P. Duinslaeger en K. De Schepper, “Wie is er bang van de strafrechter?” in Liber amicorum Alain De Nauw, Brugge, die Keure, 2011, 238 en 244).

• Cass. 3 september 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 287;

• Corr. Doornik 30 september 1997, JLMB 1998, 36, noot A. Jacobs;

• Pol. Gent 11 maart 1998, RW 1998-99, 891, noot B. De Smet

• Cass. 6 juni 1995, Arr.Cass. 1995, nr. 278;

• Cass. 11 februari 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 81

• J. de Codt, Des nullités de l’instruction et du jugement, Brussel, Larcier, 2006, 78

• EHRM 6 mei 1985, Bönisch t/ Oostenrijk, Publ.Eur.Court H.R., A-92, § 31-34;

• D. De Wolf, De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure, Brugge, die Keure, 2010, 264

• Cass. 25 februari 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 110).

• Arbitragehof 30 april 1997, RDP 1997, 792;

• Arbitragehof 27 mei 1998, BS 15 augustus 1998

• Cass. 8 februari 2000, RW 2000-01, 238,

• Cass. 8 februari 2000, RW 2000-01, 238, conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger).

• Cass. 12 april 2000, RW 2001-02, 307, noot B. De Smet

• Cass. 2 september 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 470).

• Cass. 6 juni 1995, Arr.Cass. 1995, nr. 278;

• Cass. 11 februari 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 81,

• Cass. 3 september 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 287).

• Cass. 5 april 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 111).

• Cass. 13 oktober 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 596)

• Brussel 9 januari 1992, JT 1992, 299).

• Cass. 7 april 2004, Arr.Cass. 2004, nr. 193,

• Arbitragehof 24 juni 1998, BS 25 september 1998

• Cass. 27 mei 1986, Arr.Cass. 1985-86, nr. 602;

• Cass. 5 april 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 111;

• Cass. 28 november 2007, Arr.Cass. 2007, nr. 589, 

• Cass. 11 maart 1987, Arr.Cass. 1986-87, 912

• Cass. 19 mei 1981, Arr.Cass. 1980-81, 827;

• Cass. 9 november 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 611;

• Cass. 29 januari 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 64, .

• C. Dillen, “De psychiaters-deskundigen in strafzaken: de apen van justitie” in Van pionier naar onmisbaar. 30 jaar Panopticon, Antwerpen, Maklu, 2009, 202-207, 

 

Rechtspraak: 

Bewijswaarde van een eenzijdig technisch verslag

• Kh. Hasselt 21 mei 1996, RW 1996-1997, 861

Een eenzijdig "deskundig" verslag (lees eenzijdig [technisch verslag] is geen gerechtelijke expertise maar kan deslaniettemin als een voldoende bewijsmiddel worden aanvaard indien de expertise met de nodige ernst en nauwkeurigheid is uitgevoerd en voldoende waarborgen van objectiviteit biedt. Dat de expertise van 16 december 1991 voldoende nauwkeurig en met de nodige ernst geschiedde, moge blijken uit de gedetailleerde berekening van de schade.

«Bovendien biedt het feit dat de expertise heeft plaatsgehad op tegenspraak tussen aanlegster en J., haar verzekeraar «eigen schade», die met elkaar tegenstrijdige belangen hebben en dit onderzoek werd uitgevoerd door een gekend expertisebureau dat tussen verzekeraars geregeld met dergelijke opdrachten wordt belast, een voldoende waarborg van objectiviteit zodat een dergelijk verslag voldoende bewijswaarde heeft m.b.t. het bestaan en de omvang van de schade».

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 20/03/2014 - 18:32
Laatst aangepast op: zo, 29/10/2017 - 11:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.