-A +A

In solidum veroordeling en opvolgend verhaal tussen de verschillende schuldenaars

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer er verschillende schuldenaren zijn die samen een contractuele of een buitencontractuele fout hebben begaan die één en dezelfde schade veroorzaakt, kan de schadelijder de betaling van elke de gehele schadevergoeding bekomen van elke schadeverwekker, ondanks de afwezigheid van hoofdelijkheid. Deze verbintenis wordt een verbintenis in solidum geheten en werd gecreëerd door de rechtsleer en rechtspraak.

De schuldeiser kan na een veroordeling in solidum kiezen bij welke schuldenaar hij voor een deel of zelfs voor het geheel aanklopt. Hierna kan de schuldenaar die gedwongen werd tot betaling verhaal uitoefenen op de overife mede-veroordeelden.

Cass. 24/03/2016, juridat, C.13.0279.N

Samenvatting

De in solidum veroordeling van medeaansprakelijken sluit niet uit dat diegene op wie een objectieve aansprakelijkheid rust, integraal verhaal neemt op de medeaansprakelijke door wiens fout de schade is ontstaan.

Tekst arrest
Nr. C.13.0279.N
HYDREX nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 9, Haven 29,
eiseres,
tegen
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwer-pen van 24 december 2007 en 30 januari 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters sluiten in het tussenarrest van 24 december 2007 niet uit dat het bewijs van een overeenkomst kan worden geleverd door een geschrift dat wordt opgesteld na de uitvoering van de overeenkomst, maar oordelen dat het ter zake onzeker is dat de verweerster heeft ingestemd met de algemene voorwaarden van de eiseres omdat dit document "na de uitvoering der werken ter ondertekening [werd] voorgelegd aan de superintendant van de rederij ( niet aan de kapitein)".

Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. Met hun oordeel dat uit de ondertekening door de superintendant in plaats van door de kapitein niet kan worden afgeleid dat de verweerster heeft ingestemd met de algemene voorwaarden van de eiseres miskennen de appelrechters niet de bewijskracht van de in het onderdeel bedoelde akte, schenden zij geen van de in het onderdeel aangevoerde wetsbepalingen en laten zij het Hof toe zijn wettig-heidscontrole uit te oefenen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

3. De in solidum veroordeling van medeaansprakelijken sluit niet uit dat die-gene op wie een objectieve aansprakelijkheid rust, integraal verhaal kan nemen op de medeaansprakelijke door wiens fout de schade is ontstaan.

4. De appelrechters oordelen dat de vordering van het Gemeentelijk Havenbe-drijf Antwerpen ten laste van de eiseres op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek gegrond is en deze tegen de verweerster ongegrond. Zij oordelen dat de verweerster wel aansprakelijk is op grond van artikel 14 van de Tariefverordening op de sleepdiensten in de dokken van Antwerpen dat voorziet in een objectieve aansprakelijkheid voor de gebruikers van sleepboten en veroordelen de eiseres en de verweerster in solidum voor de schade.

5. De appelrechters die de eiseres en de verweerster in solidum veroordelen en die oordelen dat de fout uitsluitend bij de eiseres ligt zodat de verweerster inte-graal verhaal kan nemen op de eiseres, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het hof van beroep zich gemachtigd acht om de omvang van de vrijwaring te beoordelen en enkel oordeelt dat het niet wettig kan terugkomen op de in het tussenarrest van 24 december 2007 vastgestelde fout ten laste van de eiseres en de afwezigheid van elke fout ten laste van de verweerster.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 784,03 euro en voor de verweerster op 209,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2016 uitgesproken.

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De naamloze vennootschap Hydrex, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 9, Haven 29, met ondernemingsnummer 0414. 240.181,

Eiseres tot cassatie,

TEGEN: De vennootschap naar Frans recht CMA CGM, met zetel in Frankrijk, Marseilles, 2e arrondissement (13002), 4 Quai d'Arene, die in de rechten en plichten is getreden van de vennootschap naar vreemd recht Delmas, met zetel te 76600 Le Havre (Frankrijk), Quai Colbert 1,

Verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres tot cassatie heeft de eer het tussenarrest, gewezen op 24 december 2007, evenals het eindarrest, gewezen op 30 januari 2012 door de vierde kamer van het Hof van beroep te Antwerpen (2006/AR/2642), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Op 25 april 2003 gaf MID Ocean Ltd, de technisch manager van verweerster, opdracht aan eiseres om op 2 mei 2003 een onderwater inspectie uit te voeren aan het ro-ro schip, Romain Delmas, eenmaal het afgemeerd was aan kaai 420 in de haven van Antwerpen.

In de nacht van 2 op 3 mei 2003 plaatste eiseres, voordat het schip was aangemeerd, twee afstandhouders, zijnde twee cilinders die tussen wal en schip worden geplaatst om de veiligheid van de duikers te garanderen bij hun inspectie.

In de vroege ochtend van 3 mei 2003 werd een van de afstand-houders tijdens het aanlegmanoeuvre van het ms. Delmas ter hoogte van kaai 420-424 weggeslagen en de andere beschadigd. Ook de assisterende sleepboot Toger 22 liep schade op.

Bij dagvaarding van 3 mei 2004 vorderde eiseres de veroordeling van verweerster en van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, in solidum, minstens elk voor het geheel, tot betaling van 14.485,67 euro, meer intresten en kosten, ten titel van schadevergoeding wegens de schade aan twee afstandhouders.

Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen stelde een vrijwa-ringsvordering in tegen verweerster en vorderde tevens haar veroor-deling evenals die van eiseres tot vergoeding van haar eigen schade, begroot op 338.084,62 euro, meer intresten en mits kapitalisatie.

Verweerster stelde tegen eiseres een incidentele eis in voor zo-ver de rechtbank haar zou veroordelen tot schadevergoeding ten opzichte van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen.

Bij vonnis van 13 juli 2006 verklaarde de Rechtbank van koop-handel te Antwerpen eiseres' vordering ongegrond, de tussenvorde-ring van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseres en verweerster gegrond en veroordeelde hen in solidum tot betaling van een bedrag van 210.590,64 euro, te vermeerderen met de vergoe-dende intresten aan 7 % vanaf 3 mei 2003 tot op 3 mei 2004, datum van de dagvaarding, de gerechtelijke intresten aan 7 % tot op datum van algehele betaling, evenals tot de kosten, verklaarde de incidentele eis van verweerster tegen eiseres ontvankelijk en gegrond en veroordeelde haar tot vrijwaring van verweerster voor de bedragen waartoe zij op basis van de tussenvordering veroordeeld was en verklaarde de overige vorderingen ontvankelijk, maar ongegrond.

Eiseres stelde tegen dat vonnis hoger beroep in.

Bij tussenarrest van 24 december 2007 werd het hoger beroep van eiseres, het incidenteel beroep van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen verweerster en het incidenteel beroep van verweerster tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen ontvan-kelijk verklaard. Het hoger beroep van eiseres werd wat betreft haar hoofdvordering tegen beide partijen ongegrond verklaard en wat be-treft de tussenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseres vooralsnog gedeeltelijk gegrond verklaard.

Het incidenteel beroep van het Gemeentelijk Havenbedrijf Ant-werpen tegen verweerster voor zover het bestreden vonnis oordeelde dat deze laatste niet aansprakelijk was ten aanzien van het Ge-meentelijk Havenbedrijf Antwerpen op basis van een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek werd ongegrond verklaard en het incidenteel beroep van verweerster tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen vooralsnog gedeeltelijk gegrond.

Bijgevolg bevestigde het hof van beroep het bestreden vonnis in zoverre het de hoofdvordering van eiseres tegen beide voornoemde partijen ontvankelijk, doch ongegrond verklaarde, en besliste, wat betreft de tussenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseres en verweerster, tot de aansprakelijk-heidstelling van eiseres en van verweerster ten aanzien van deze partij, zij het op andere gronden dan de eerste rechter, nl. op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in plaats van op grond van artikel 1384, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Vervolgens beval het hof de heropening van de debatten teneinde het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen toe te laten bepaalde stukken over te leggen en partijen toe te laten hierover te concluderen.

Op 9 juni 2008 werd een tweede tussenarrest gewezen, waarbij onder meer een heropening van de debatten werd bevolen teneinde verweerster toe te laten haar stukken bij het dossier van de rechts-pleging te voegen.

Er volgde een derde tussenarrest op 29 september 2008, waarbij het hof van beroep, de tussenarresten van 24 december 2007 en 9 juni 2008 verder uitwerkend, alvorens verder enige uitspraak te doen, een aanvullend deskundigenonderzoek beval en een deskundige aanstelde met als opdracht te onderzoeken:
 of de door het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen aangerekende loonkosten voor de herstelling van de Toger 22 ten belope van 210.590,64 euro overeenstemmen met de bedragen die het havenbedrijf normaal voor die arbeidsprestaties had moeten be-talen, en in ontkennend geval de arbeid welke met het herstel was gemoeid te waarderen naar zijn normale geldwaarde, d.w.z. naar de normaal daaraan verbonden loonkosten, en de loonkosten voor herstelling te ramen;

 of de door het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen gevorderde vergoeding van 127.494,00 euro wegens verletschade op basis van de integrale kostprijsberekening kan aanvaard worden als een vergoeding voor alle kosten ten gevolge van het schadegeval, dan wel of bepaalde kosten dienen te worden geweerd en, in bevestigend geval, de reden daarvan aan te geven, en alsdan de verletkosten (bedrijfsverlies) te ramen,
waarop het de zaak naar de bijzondere rol verwees.

Bij het eindarrest van 30 januari 2012 verklaarde het Hof van be-roep te Antwerpen, de tussenarresten van 24 december 2007 en 29 september 2008 verder uitwerkende, het hoofdberoep van eiseres ongegrond, en het incidenteel beroep van verweerster tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen ontvankelijk, doch ongegrond, bevestigde verder het bestreden vonnis in zoverre dit:
 de tussenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseres en verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaarde en hen in solidum veroordeelde tot betaling aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen van een bedrag van 210.590,64 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten tegen 7 % vanaf 3 mei 2003 tot op 3 mei 2004, datum der dag-vaarding, waarna de gerechtelijke intresten tegen 7 % tot op datum van algehele betaling,
 de vordering in vrijwaring van verweerster tegen eiseres ontvan-kelijk en gegrond verklaarde,
 eiseres en verweerster in solidum veroordeelde tot de kosten van het geding.

Het hof van beroep verklaarde voorts de incidentele (vrijwarings-) vordering van eiseres tegen verweerster zonder bestaansreden, de door het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen gevorderde kapitalisatie van de intresten op het haar toegekend bedrag van 210.590,64 euro ontvankelijk, doch ongegrond, en verwees eiseres in de kosten van het hoger beroep.

Eiseres meent tegen het tussenarrest van 24 december 2007 en tegen het arrest van 30 januari 2012 volgende middelen tot cassatie te kunnen aanvoeren.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden grondwets- en wetsbepalingen

 artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
 artikelen 1108, 1316, 1319, 1320, 1322, 1323, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek,
 artikel 25, eerste lid, van het Wetboek van koophandel.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden tussenarrest van 24 december 2007 verklaart het Hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van eiseres tegen verweerster wat betreft haar hoofdvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis in zoverre dit haar hoofdvordering tegen verweerster ontvan-kelijk, doch ongegrond verklaarde, en beslist, alvorens onder meer verder uitspraak te doen over de vordering in vrijwaring van eiseres tegen verweerster en van verweerster tegen eiseres. Deze beslissing is onder meer op volgende gronden gesteund:

"A.b)

(Eiseres) beweert verder dat overeenkomstig haar algemene voor-waarden de uitvoering van de opdracht geheel voor risico en ver-antwoording van de opdrachtgever geschiedt.

...

1.

De tegenstelbaarheid van de algemene voorwaarden is onderworpen aan een dubbele voorwaarde in hoofde van de partij aan wie ze worden tegengeworpen. Deze twee voorwaarden zijn in werkelijkheid met elkaar verbonden, aangezien men niet kan aanvaarden wat men niet kent. De kennisname van de algemene voorwaarden is een voorafgaande voorwaarde aan hun aanvaarding.

In beginsel is er geen effectieve en werkelijke kennisname van de algemene voorwaarden vereist. Het is voldoende, maar noodzakelijk, dat de medecontractant aan wie men de contractvoorwaarden wenst tegen te werpen redelijkerwijze de mogelijkheid heeft gehad om er kennis van te nemen.

Bepaalde beslissingen vereisten echter het positieve bewijs van de daadwerkelijke kennisname en het goed begrip door de medecon-tractant van de algemene voorwaarden die aan hem werden tegen-geworpen. Deze stelling lijkt tegenwoordig echter te worden afgewezen door de meerderheid van rechtspraak en rechtspraak, dewelke uitgaan van een redelijke mogelijkheid om kennis te nemen.

De medecontractant die geen gebruik heeft gemaakt van de werkelijke mogelijkheid die hem werd geboden om kennis te nemen van de algemene voorwaarden, kan vervolgens niet op grond hiervan hun niet-tegenstelbaarheid inroepen.

De mogelijkheid om de algemene voorwaarden te raadplegen en er kennis van te nemen moet aan de medecontractant geboden worden voorafgaand aan de aanvaarding van het aanbod, m.a.w. voor het afsluiten van het contract.

In casu werd de opdracht van 25/04/2003 met een specifieke telefax gegeven, uitgaande van MIDOCEAN, waarin niet werd verwezen naar algemene voorwaarden.

(Eiseres) heeft naar aanleiding van deze opdracht evenmin gereageerd met een ontvangstbevestiging of mededeling van de verwijzing naar haar algemene voorwaarden.

(Eiseres) maakt gewag van een 70-tal opdrachten uitgevoerd voor (verweerster) in een periode van vijf jaar. Het medegedeelde overzicht (stuk 7) vermeldt 68 opdrachten. Er worden evenwel slechts 38 orders voorgelegd. Dit overzicht bevestigt dat er ongeveer in de helft van de gevallen geen schriftelijke opdrachtbevestiging werd ondertekend. Uit het overzicht kan men - afgezien van de vraag of de getekende orders al dan niet getekend werden na de uitvoering van de opdracht - niet afleiden welke voorwaarden er eventueel telkens van toepassing waren.

Zoals hierboven reeds gezegd was er voor de uitvoering van de op-dracht in de nacht van 2 op 03/05/2003, waarbij gevolg werd gegeven aan de telefaxinstructies van 25/04/2003, geen sprake van bepaalde voorwaarden tussen partijen.

Het contract (stuk 3 van (eiseres)) werd slechts na de uitvoering van de werken ter ondertekening voorgelegd aan de superintendant van de rederij (niet aan de kapitein) en geldt daarom niet als bewijs van wilsovereenstemming tussen partijen met de algemene voorwaarden van (eiseres) bij het afsluiten van het contract op 25/04/2003.

...

Het contract met betrekking tot deze opdracht werd door de superin-tendant van de rederij slechts na de uitvoering van de werken onder-tekend en niet bij het sluiten van het contract. Bijgevolg had (ver-weerster) op het ogenblik van het sluiten van het contract geen voorafgaande kennis van de algemene voorwaarden van (eiseres).

2.

De standaardbedingen moeten niet enkel ter kennis worden gebracht van de medecontractant, doch zij moeten ook door hem aanvaard worden.

Aangezien, zoals hierboven aangetoond, de standaardvoorwaarden niet voorafgaand aan de contractsluiting ter kennis zijn gebracht van (verweerster) was er dan ook op het ogenblik van het sluiten van het contract op 25/04/2003 geen aanvaarding van de standaardvoor-waarden van (eiseres) door (verweerster).

Overeenkomstig het gemeen recht kan de aanvaarding uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.

De aanvaarding van algemene voorwaarden, die, zoals in casu, werden medegedeeld na het sluiten van het contract maakt een aanbod tot wijziging uit dat enkel kan worden beschouwd als zijnde aanvaard voor zover bewezen is dat de medecontractant (in casu (verweerster)) zijn uitdrukkelijk akkoord daarmee heeft gegeven, quod non in casu. Te dezen kan de aanvaarding derhalve niet stilzwijgend zijn.

Zelfs aangenomen dat ook in casu een stilzwijgende aanvaarding van de voorwaarden van (eiseres) door (verweerster) in aanmerking kan komen (quod non), dient te worden opgemerkt:

- dat het stilzwijgen op zich of een totaal passieve houding geen enkele aanvaarding van het aanbod en van de algemene voor-waarden die er deel van uitmaken impliceert; dat alleen het om-standig stilzwijgen, d.w.z. het stilzwijgen dat, rekening houdend met de omstandigheden, geen andere betekenis kan hebben dan een aanvaarding, zal kunnen leiden tot de aanvaarding van de algemene voorwaarden, quod non inzake.

- dat de kwestieuze voorwaarden door (eiseres) in casu slechts werden ingeroepen bij monde van haar raadsman in een brief aan de deskundige van 22/03/2003, en de toepasselijkheid van deze voorwaarden onmiddellijk werd geprotesteerd door de raadsman van (verweerster) bij brief van 23/02/2003 (...), zodat er in casu ook geen sprake kan zijn van een stilzwijgende aanvaarding.

...

Gelet op het voorgaande, dien derhalve te worden besloten dat de algemene voorwaarden van (eiseres) in casu geen toepassing vinden." (pagina's 17 tot 21)

...

C.

Gelet op het gestelde onder de voormelde rubriek A en B, dient der-halve te worden besloten dat het schadegeval enkel en alleen te wijten is aan het eigen foutief handelen van (eiseres), en dit door ongeschikt materiaal aan te wenden, alsmede door het kwestieus materiaal reeds aan te brengen voor aankomst van het schip en dit bovendien ondeugdelijk, niet volgens de regels van de kunst, te hebben vastgemaakt.

Bijgevolg dient de hoofdvordering van (eiseres) tegen verweerster en het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen als ongegrond te worden afgewezen, en dient (eiseres) zelf in te staan voor de schade die zij naar aanleiding van het kwestieus schadegeval heeft geleden." (pagina 24 van het bestreden arrest),

waarna het hof van beroep bij het eindarrest van 30 januari 2012 het bestreden vonnis bevestigt in zoverre dit de vordering in vrijwaring van verweerster tegen eiseres ontvankelijk en gegrond verklaarde, en eiseres tot de kosten veroordeelt.

Grieven

Eerste onderdeel

Naar luid van artikel 25, eerste lid van het Wetboek van koophan-del kunnen, behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan, behalve de uitzonderingen bepaald voor bijzondere gevallen.

Uit deze wetsbepaling volgt dat het bewijs in handelszaken vrij is; het bewijs van de door partijen aangegane verbintenissen, evenals van de voorwaarden waaronder die verbintenissen werden aangegaan, inzonderheid de toepassing van de algemene voorwaarden, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen, vermoedens inbegrepen, waarvan sprake in artikel 1316 van het Burgerlijk Wetboek.

Op grond van die bepalingen kan het bewijs van de contractvoor-waarden worden geleverd door een geschrift dat door beide partijen werd ondertekend, en dit ongeacht de datum van ondertekening.

Het geschrift dient immers te worden onderscheiden van de rechtshandeling die het vaststelt en geldt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, enkel als bewijs van de betrokken rechts-handeling.

Het geschrift kan bijgevolg na de rechtshandeling tot stand ko-men.

Overeenkomstig artikel 1320 van het Burgerlijk Wetboek levert de akte, hetzij een authentieke of een onderhandse, tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking.

Artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt bovendien dat een onderhandse akte die erkend is door diegene tegen wie men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte.

Artikel 1323 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt ten slotte dat hij tegen wie men zich op een onderhandse akte beroept, verplicht is zijn schrift of zijn handtekening op stellige wijze te erkennen of te ontkennen.

Geen van deze bepalingen stelt dat dit document onmiddellijk bij de sluiting van de overeenkomst dient te worden opgesteld om bewijskrachtig te zijn.

Bovendien volgt uit de samenlezing van de artikelen 25, eerste lid van het Wetboek van koophandel, 1316, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek dat dit bewijs in handelszaken desnoods door vermoedens kan worden geleverd, zijnde gevolgtrekkingen die de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Te dezen beriep eiseres zich op een document, dat door beide partijen werd ondertekend, weze het na de uitvoering van de onder-houdswerken, waarin er uitdrukkelijk werd verwezen naar de algemene voorwaarden van eiseres die op de gegeven opdracht van toepassing werden verklaard.

Dit document werd blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest inderdaad ondertekend door de superintendant van de rederij, zonder dat er van enig voorbehoud gewag wordt gemaakt, en leverde derhalve ten aanzien van verweerster bewijs van hetgeen daarin werd uitgedrukt.

Voornoemd document kon dan ook door eiseres worden ingeroe-pen als bewijs van de wilsovereenstemming van partijen aangaande de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden, waarnaar in dit document uitdrukkelijk wordt verwezen.

Besluit

Het hof van beroep, dat in het bestreden arrest oordeelt dat het door partijen ondertekende contract, waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar de standaardvoorwaarden van eiseres, niet geldt als bewijs van wilsovereenstemming tussen partijen met de algemene voorwaarden van eiseres bij het sluiten van het contract op 25 april 2003, zulks omdat het slechts na de uitvoering van de werken ter ondertekening werd voorgelegd aan de superintendant van de rederij, zijnde verweerster, en aldus ervan uitgaat dat een document, dat door de partijen wordt ondertekend na de totstandkoming van de overeen-komst, geen bewijs kan opleveren van de inhoud van de overeenkomst op datum van haar totstandkoming, inzonderheid wat betreft de kennis en aanvaarding van de algemene voorwaarden, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 25, eerste lid van het Wetboek van koophandel, 1316, 1320, 1322, 1323, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Overeenkomstig artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek komt de overeenkomst tot stand op het ogenblik van de wilsovereenstemming van partijen, d.i. op het ogenblik waarop degene die een aanbod heeft gedaan kennis krijgt van de aanvaarding van dat aanbod door de wederpartij.

Bij toepassing van diezelfde regel komt een wijzigende overeen-komst tot stand op het ogenblik waarop de ene partij instemt met het aanbod van de andere partij dat een wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst impliceert.

Dergelijke aanvaarding kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend zijn.

Van een uitdrukkelijke aanvaarding is er sprake wanneer een par-tij expliciet verklaart in te stemmen met een overeenkomst of met een wijziging van de overeenkomst door het document dat deze wijziging bevat te ondertekenen.

Te dezen stelt het hof van beroep in het bestreden arrest uit-drukkelijk vast dat de algemene voorwaarden van eiseres aan ver-weerster werden meegedeeld na het sluiten van het contract, onder te verstaan nadat de opdracht aan eiseres op 25 april 2003 werd toevertrouwd.

Het hof van beroep stelt bovendien vast dat het contract met be-trekking tot deze opdracht, zijnde stuk 3 van eiseres, door de su-perintendant van de rederij werd ondertekend.

Voornoemd document vermeldt onder punt 3: "The Owner/Captain hereby declares he is aware of the general conditions and applicable tariffs that form part of this contract", hetgeen als volgt kan worden vertaald: "De eigenaar/kapitein verklaart hierbij dat hij op de hoogte is van de algemene voorwaarden en toepasselijke tarieven die deel uitmaken van dit contract".

In dit ondertekende document verklaarde verweerster zodoende uitdrukkelijk, bij monde van haar superintendant, akkoord te gaan met de toepassing van de algemene voorwaarden van eiseres, waarvan het hof van beroep in het bestreden arrest de mededeling aan en derhalve de kennis in hoofde van verweerster op datum van ondertekening van dat document expliciet vaststelt, op de over-eenkomst met betrekking tot de uitvoering van onderhoudswerken in de nacht van 2 op 3 mei 2003 aan het ms Romain Delmas.

Dat document levert ten aanzien van verweerster overeenkom-stig artikelen 1320, 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek een geschreven bewijs van haar instemming met de toepassing van de algemene voorwaarden van eiseres op de overeenkomst.

Besluit

In zoverre moet worden aangenomen dat het hof van beroep wet-tig kon beslissen dat er geen bewijs voorlag dat er reeds bij het sluiten van de overeenkomst op 25 april 2003 wilsovereenstemming aangaande de toepassing van de algemene voorwaarden van eiseres bestond - quod non - , vermocht het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit blijkt dat er een document voorlag dat door verweerster werd ondertekend na de mededeling van de algemene voorwaarden, zijnde stuk drie van eiseres, waarin de algemene voorwaarden van eiseres uitdrukkelijk van toepassing werden verklaard op voornoemde opdracht, niet wettig te beslissen dat er geen overeenkomst bestond aangaande de toepassing van eiseres' algemene voorwaarden op die opdracht (schending van artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek), kon het niet wettig beslissen dat verweerster zich naderhand niet uitdrukkelijk akkoord had verklaard met de toepassing van de algemene voorwaarden van eiseres op de overeenkomst, zonder aldus aan de door partijen na uitvoering van de werken door partijen op 3 mei 2003 ondertekende overeenkomst, zijnde stuk 3 van eiseres, een uitlegging te geven die daarmee on-verenigbaar is, met name door in dat document iets niet te lezen dat er uitdrukkelijk in staat vermeld (schending van artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en kon het niet wettig besluiten dat er geen bewijs van wilsovereenstemming aangaande de toepassing van de algemene voorwaarden van eiseres voorlag (schending van artikelen 25, eerste lid van het Wetboek van koophandel, 1316, 1320, 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek).

Minstens is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen om-kleed, waar het in het ongewisse laat of het door partijen ondertekende document al dan niet een uitdrukkelijke verwijzing naar de algemene voorwaarden van eiseres bevatte, met dien verstande dat het in geval van ontkenning van het bestaan van die verwijzing in voornoemd document de bewijskracht van dat document om de hoger aangehaalde redenen miskent, en zodoende Uw Hof in de on-mogelijkheid stelt om zijn wettigheidscontrole uit te oefenen (schen-ding van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

TOELICHTING

1. Het hof van beroep sluit door zijn overwegingen uit dat een ge-schrift, dat na de totstandkoming van de overeenkomst door de partijen wordt ondertekend als bewijs van de inhoud van die over-eenkomst kan gelden.

Zodoende verliest het hof van beroep uit het oog dat er een on-derscheid moet worden gemaakt tussen het "negotium", de rechts-handeling, en het "instrumentum", de akte waarmee de rechtshande-ling wordt bewezen (B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs, Een diep-gaand en praktisch overzicht, Gent, Story, PUblishers, 2012, 208, nr. 201).

Het geschrift dient, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderin-gen, enkel als bewijs van de rechtshandeling en kan bijgevolg ook na haar totstandkoming worden opgesteld.

Het hof van beroep dat het na uitvoering van de opdracht on-dertekende document uitsluit als bewijs van hetgeen op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst werd overeengekomen, verantwoordt zodoende zijn beslissing niet naar recht.

2. Het tweede onderdeel gaat uit van de veronderstelling dat het hof van beroep wettig kon beslissen dat er geen bewijs voorlag van de aanvankelijke overeenstemming aangaande de toepassing van eiseres' voorwaarden.

In die hypothese moet worden vastgesteld dat het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit blijkt dat er een getekend document voorlag, waarin naar de algemene voorwaarden van eiseres werd verwezen, niet wettig kon uitsluiten dat een akkoord met de toepasselijkheid van die algemene voorwaarden van eiseres op een later tijdstip was tot stand gekomen, althans daartoe niet kon besluiten, zonder de bewijskracht van het door partijen naderhand ondertekende document, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de algemene voorwaarden, te miskennen.

Minstens maakt het hof van beroep het wettigheidstoezicht van Uw Hof onmogelijk door in het ongewisse te laten of het door partijen ondertekende document een uitdrukkelijke verwijzing naar de alge-mene voorwaarden van eiseres bevatte.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel

 artikelen 1146, 1147, 1149, 1150, 1151, 1251, 3°, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
 artikelen 19, 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek,
 artikel 14 van de Tariefverordening op de sleepdienst in de dokken, vastgesteld op 19 december 2000 door de Raad van bestuur van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen.
 algemeen rechtsbeginsel inzake de in solidum gehoudenheid.

Aangevochten beslissing

Bij het eindarrest van 30 januari 2012 verklaart het Hof van be-roep te Antwerpen, de tussenarresten van 24 december 2007 en 29 september 2008 verder uitwerkende, het hoofdberoep van eiseres ongegrond, en bevestigt het bestreden vonnis in zoverre dit de vor-dering in vrijwaring van verweerster tegen eiseres ontvankelijk en gegrond verklaarde en eiseres veroordeelde tot vrijwaring van ver-weerster voor de bedragen waartoe zij op basis van de tussenvorde-ring veroordeeld werd ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, en eiseres verwees in alle kosten van het hoger beroep. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld:

"III. Wat betreft de vordering in vrijwaring van Delmas tegen de N.V. Hydrex

De vordering in vrijwaring van DELMAS tegen de N.V. HYDREX strekt ertoe de N.V. HYDREX te veroordelen om haar integraal te horen vrijwaren voor elk bedrag in hoofdsom, intresten en kosten tot de welke zij (DELMAS) in solidum met de N.V. HYDREX wordt ver-oordeeld ten opzichte van het GHA.

De N.V. HYDREX heeft het in haar conclusies ten onrechte opnieuw over het beweerde feit dat zij van DELMAS instructies heeft gekregen om duikfenders aan te brengen volgens de eerder opgelegde richtlijnen, nl. voor het aanmeren van het schip en de afstandhouders, en dat deze afstandhouders tijdens het aanlegmanoeuvre en de navolgende scheepspositionering onder het toezicht van DELMAS stonden, om te stellen dat een omslaan van de aansprakelijk-heidsverdeling van 50% voor elke partij haar redelijk en billijk voor-komt.

Inderdaad het Hof heeft in haar tussenarrest van 24/12/2007, op blz. 17, reeds geoordeeld dat de N.V. HYDREX foutief heeft gehandeld ten aanzien van DELMAS, en dat de N.V. HYDREX wanprestaties heeft begaan op basis waarvan dient te worden besloten dat het schadegeval enkel en alleen te wijten is aan het eigen foutief handelen van de N.V. HYDREX, en dit door ongeschikt materiaal aan te wenden, alsmede door het kwestieus materiaal reeds aan te brengen voor aankomst van het schip en dit bovendien ondeugdelijk, niet volgens de regels van de kunst, te hebben vastgemaakt (zie tussenarrest van 24/12/2007, blz. 24).

Het tussenarrest van 24/12/2007 heeft tussen de N.V. HYDREX en DELMAS gezag van gewijsde (artikel 23 Ger.W.). Wat de rechter beslist heeft, mag niet meer ter discussie komen. Zijn beslissing blijft bestaan zolang die beslissing niet ongedaan is gemaakt (artikel 26 Ger.W.).

Het gezag van het rechterlijk gewijsde verhindert dat een eis met hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid opnieuw wordt ingesteld (artikel 23 en 2S Ger. W.).

Door thans te gewagen van een aansprakelijkheidsverdeling van 50% voor elke partij (d.w.z. 50% voor de N.V. HYDREX en 50% DELMAS), tracht de N.V. HYDREX thans terug te komen op wat het Hof reeds heeft beslist, nl. dat het schadegeval enkel en alleen te wijten is aan het eigen foutief handelen van de N.V. HYDREX. Hetgeen de reden is dat de oorspronkelijke vordering van de N.V. HYDREX tegen DELMAS en het GHA volledig ongegrond werd verklaard, en het Hof op dat punt het bestreden vonnis heeft bevestigd.

Het Hof heeft reeds ten aanzien van het GHA de quasi delictuele aansprakelijkheid van de N.V. HYDREX, gesteund op artikel 1382 B.W., en de contractuele/reglementaire aansprakelijkheid van DEL-MAS, gebaseerd op artikel 14 van de Tariefverordening op de sleepdienst in de dokken van Antwerpen, vastgesteld.

Hierbij dient nog te worden opgemerkt/onderstreept dat het Hof de bultencontractuele aansprakelijkheid van DELMAS ten aanzien van het GHA heeft afgewezen. Het Hof heeft de vordering van het GHA tegen DELMAS op grond van artikel 1382 B. W. als ongegrond afgewezen.

Het Hof heeft aldus in zijn tussenarrest van 24/12/2007, blz. 32, de N.V. HYDREX en DELMAS in solidum aansprakelijk gesteld voor de door het GHA geleden schade ingevolge het ongeval in kwestie.

Nu het Hof ook reeds heeft geoordeeld dat, in de verhouding N.V. HY-DREX/DELMAS, het schadegeval enkel en alleen te wijten is aan het eigen foutief handelen van de N.V. HYDREX, dient te worden besloten dat de vordering in vrijwaring van DELMAS tegen de N.V. HYDREX volledig moet worden toegekend, en derhalve op dit punt het bestreden vonnis dient te worden bevestigd.

De N.V. HYDREX stelt ten onrechte dat uit de in solidum aansprake-lijkheid van de N.V. HYDREX en DELMAS ten aanzien van het GHA automatisch volgt dat er zich in de onderlinge verhouding tussen de twee schuldenaren een gedeelde aansprakelijkheid opdringt.

De N.V. HYDREX doelt blijkbaar ten onrechte op de situatie waarbij tot aansprakelijkheid in solidum op grond van onrechtmatige daad in hoofde van beide debiteuren is besloten, terwijl in de situatie die zich in casu stelt de aansprakelijkheid in solidum van de N.V. HYDREX en DELMAS ten opzichte van het GHA, onderscheiden rechtsgronden hebben, nl. de onrechtmatige daad in hoofde van de N.V. HYDREX en de contractuele- en reglementaire aansprakelijkheid in hoofde van DELMAS, met bovendien de omstandigheid dat de verhouding tussen de N.V. HYDREX en DELMAS dan weer louter contractueel is.

DELMAS heeft ten aanzien van het GHA een contractue-le/reglementaire aansprakelijkheid opgelopen dewelke resulteert uit wanprestaties begaan door de N.V. HYDREX in haar contractuele relatie ten opzichte van DELMAS.

In deze interne - contractuele - relatie, ligt de aansprakelijkheid enkel en alleen bij de N.V. HYDREX.

Rekening houdende met het voorgaande, dient derhalve de vordering in vrijwaring van DELMAS tegen de N.V. HYDREX voormeld volledig gegrond te worden verklaard." (pagina's 16 tot en met 18 van het bestreden arrest van 30 januari 2012)

Grieven

Eerste onderdeel

Wanneer de rechter vaststelt dat verscheidene personen elk af-zonderlijk op grond van de regels inzake buitencontractuele aan-sprakelijkheid, inzonderheid de artikelen 1382 en 1383 van het Bur-gerlijk Wetboek, de regels inzake contractuele aansprakelijkheid, in-zonderheid de artikelen 1146, 1147, 1149, 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek, of een specifieke reglementaire bepaling, inzon-derheid artikel 14 van de Tariefverordening op de sleepdiensten in de dokken van Antwerpen, door degene die schade heeft geleden in schadevergoeding kunnen worden aangesproken en beslist dat ieder van hen jegens die schadelijder gehouden is tot vergoeding van de algehele schade, kan hij vervolgens, krachtens de voornoemde artikelen, die de grondslag van hun veroordeling vormen, evenals ar-tikel 1251, 3° van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk inde-plaatsstelling van rechtswege enkel geschiedt ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen, er belang bij had deze te voldoen, en het algemeen rechtsbeginsel inzake de in solidum gehoudenheid, dat impliceert dat meerdere personen ten aanzien van dezelfde per-soon tot een zelfde schuld gehouden zijn, weze het op verschillende rechtsgronden, niet wettig beslissen dat één van de medeschul-denaars, die ten aanzien van de schadelijder tot vergoeding gehouden zijn, in de onderlinge verhouding tussen medeschuldenaars gehouden is tot volledige vrijwaring van de anderen, tenzij de rechter in hoofde van één van die schuldenaars het bestaan van een contractuele verbintenis tot vrijwaring van de andere vaststelt, die afwijkt van artikel 1251, 3° van het Burgerlijk Wetboek.

Te dezen werd bij het tussenarrest van 24 december 2007 beslist dat zowel eiseres als verweerster gehouden waren tot vergoeding van de door het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen geleden schade, met dien verstande dat eiseres aansprakelijk werd geacht op grond van een buitencontractuele fout ten aanzien van het havenbedrijf, en verweerster op grond van artikel 14 van de Tariefverordening op de sleepdiensten in de dokken van Antwerpen als gebruiker van een sleepboot en haar uitrusting.

Het genoemde artikel 14 bepaalt inderdaad, zoals weergegeven in het tussenarrest van 24 december 2007, dat "De gebruiker of gebruikers van een of meer sleepboten aan het Havenbedrijf alle kosten en schade veroorzaakt door, tijdens of naar aanleiding van het gebruik van een of meer sleepboten, onder meer schade aan de sleepboot of sleepboten en zijn respectievelijk hun uitrusting, schade aan de haveninrichtingen, en schade aan de aangestelden of uitvoe-ringsagenten van het Havenbedrijf (vergoeden), tenzij en in de mate dat de schade werd veroorzaakt door de fout van het Havenbedrijf of van zijn aangestelden of uitvoeringsagenten".

De gehoudenheid van verweerster ten aanzien van het Ge-meentelijk Havenbedrijf Antwerpen vond zodoende steun in een specifieke bepaling, zijnde artikel 14 van voormelde Tariefverordening, die op verweerster een eigen verbintenis legde wegens het beroep op de sleepdiensten van de haven.

Van die verbintenis kon zij dan ook in de onderlinge verhouding tussen medeschuldenaren slechts worden bevrijd voor zover zij zich ten aanzien van haar medeschuldenaar kon beroepen op een con-tractuele vrijwaringsbepaling.

Indien er in het bestreden tussenarrest wellicht reeds werd vastgesteld, zoals opgemerkt door het hof van beroep in het bestreden eindarrest, dat eiseres een fout beging, die tot gevolg had dat zij de door haar zelf geleden schade niet kon terugvorderen van ver-weerster, impliceert deze vaststelling evenwel nog niet dat verweer-ster gerechtigd was om van eiseres de volledige schuld, waartoe zij zelf ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf van Antwerpen was gehouden omwille van het gebruik van één der sleepboten van het havenbedrijf, terug te vorderen.

Besluit

Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat er tussen partijen enige vrijwaring werd overeengekomen voor de ver-bintenissen, waartoe verweerster ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen persoonlijk kon gehouden zijn op grond van de Tariefverordening op de sleepdiensten in de dokken van Antwerpen wegens het gebrek van deze diensten, vermocht het hof van beroep in het bestreden arrest niet wettig te beslissen dat eiseres gehouden was om verweerster voor de volledige schadevergoeding, waartoe zij op grond van artikel 14 van die Tariefverordening als gebruiker van de sleepboten ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen werd veroordeeld, te vrijwaren (schending van artikelen 1146, 1147, 1149, 1150, 1151, 1251, 3°, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek 14 van de Tariefverordening op de sleepdienst in de dokken, vastgesteld bij besluit van 19 december 2000 door de Raad van bestuur van het Gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen en van het algemeen rechtsbeginsel inzake de in solidum gehoudenheid).

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek strekt het gezag van rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist is dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat zij tussen dezelfde partijen bestaat en dat zij door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheden is gedaan.

Blijkens artikel 26 van voormeld wetboek blijft het gezag van rechterlijk gewijsde bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

Uit artikel 27 van het wetboek volgt dat de exceptie van gewijsde niet ambtshalve door de rechter kan worden opgeworpen en is voorbehouden aan de partijen.

Daarentegen vermag hij op grond van artikel 19 van het Ge-rechtelijk Wetboek aan te voeren dat hij zijn rechtsmacht over een bepaald punt reeds heeft uitgeput.

Artikel 19, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechter inderdaad uitspraak te doen over die betwistingen, waarover hij reeds eerder, in dezelfde zaak, in het kader van dezelfde procedure, zijn rechtsmacht heeft uitgeput door daaromtrent een beslissing te wijzen.

In haar tweede aanvullende beroepsbesluiten na aanvullend des-kundig onderzoek liet eiseres op pagina's 8 en 9 gelden dat de in solidum aansprakelijkheid van beide partijen, zoals weerhouden in het tussenarrest, impliceerde dat er tussen deze gedingpartijen sprake was van een gedeelde aansprakelijkheid (pagina 8, tweede alinea), zodat zij nog onmogelijk kon worden veroordeeld tot een "algehele" vrijwaring van verweerster, net omwille van de eerder door het hof van beroep weerhouden gedeelde aansprakelijkheid (pagina 9, alinea 2), daarbij verwijzende naar de rechtspraak van Uw Hof en naar de rechtsleer inzake de bepaling van de bijdrage van elke schuldenaar in de onderlinge verhouding tussen schuldenaars bij in solidum aansprakelijkheid buiten overeenkomst.

Indien het hof van beroep bij dat tussenarrest van 24 december 2007 reeds het bestaan van een fout in hoofde van eiseres vaststelde en iedere fout in hoofde van verweerster uitsloot, sprak het zich hierin weliswaar nog niet uit over de gegrondheid van de vordering, die door verweerster tegen eiseres werd ingesteld en die ertoe strekte eiseres te horen veroordelen om haar te vrijwaren voor de bedragen waartoe zij op basis van de tussenvordering veroordeeld zou worden ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, noch over de rechtsgrond waarop die vordering was gestoeld.

Bij het genoemde tussenarrest sprak het hof van beroep zich al-leen uit, enerzijds, over de vordering, door eiseres ingesteld tegen verweerster, strekkende tot haar veroordeling tot vergoeding van de schade die eiseres had geleden bij de uitvoering van de opdracht van 25 april 2003 en over de gegrondheid van de daaraan ten grondslag liggende gronden, anderzijds over de gronden waarop zijzelf en verweerster door het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen konden worden aangesproken in schadevergoeding.

Besluit

In zoverre het hof van beroep in het bestreden eindarrest over-weegt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde, gehecht aan het tussenarrest van 24 december 2007, verhindert dat het nog zou be-slissen over een aansprakelijkheidsverdeling van 50 % voor elke partij, omdat aldaar reeds werd besloten tot het bestaan van een fout in hoofde van eiseres en tot de afwezigheid van fout in hoofde van verweerster, terwijl in voornoemd tussenarrest, gewezen in dezelfde procedure, nog geen uitspraak werd gedaan over de rechtsgrond, waarop verweerster zou kunnen steunen om de veroordeling te be-komen van eiseres om haar te vrijwaren voor de volledige schade-vergoeding, waartoe zij zelf, op een onderscheiden rechtsgrond, in-zonderheid de tariefverordening, weerhouden in het tussenarrest van 24 december 2007, ten aanzien van het havenbedrijf zou worden veroordeeld, en de rechtsmacht van het hof van beroep over dit punt bijgevolg nog niet was uitgeput, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing dat het hierover geen uitspraak meer kon doen en dat eiseres derhalve gehouden was om verweerster volledig te vrijwaren, niet naar recht, nu het zich aldus op onwettige wijze beroept op het gezag van gewijsde, gehecht aan voornoemde tussenarrest (schending van artikelen 23 tot 28, en meer in het bijzonder 27 van het Gerechtelijk Wetboek), het gezag van rechterlijk gewijsde, gehecht aan dit tussenarrest, waarin nog geen uitspraak was gedaan over het litigieuze punt, miskent (schending van artikelen 23 tot 28, inzonderheid 23, van het Gerechtelijk Wetboek) en verkeerdelijk aanneemt dat zijn rechtsmacht hierover reeds was uitgeput (schen-ding van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek).

TOELICHTING

1. In het eerste onderdeel komt de wettigheid aan bod van de beslissing, die zonder meer één van de schuldenaars, die ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen in solidum werden veroordeeld tot schadevergoeding, in de onderlinge verhouding tussen schuldenaars vrijstelt van iedere bijdrage in die schade.

Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt dat wanneer de feitenrechter oordeelt dat de schade het gevolg is van de samenloop van de onderscheiden fouten van verscheidene daders en ieder van hen ten overstaan van de benadeelde tot volledige schadevergoeding ge-houden is, de rechter normalerwijze de totale financiële last van de vergoeding niet op één enkele schuldenaar in solidum kan leggen, zulks op straffe van het ontkennen van het bestaan van een oorza-kelijk verband tussen de fout van elkeen en de schade, en dit, be-houdens afwijkende overeenkomst tussen partijen (Cass. 5 september 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 417; Cass. 6 februari 2003, Arr.Cass. 2003, 338; Cass. 23 juni 2005, Arr.Cass. 2005, 1422; Cass. 21 juni 2007, Arr.Cass. 2007, 1402).

Dat werd recent nog bevestigd door Uw Hof in een arrest van 10 december 2012, dat de in solidum veroordeling betrof van een promotor, die een deel van de ontvangen prijs aan de kopers diende terug te betalen omdat hij minder had geleverd dan overeengekomen, een notaris die aan zijn informatieplicht was te kort gekomen door een authentieke akte voor een grotere oppervlakte te verlijden en de gemeente, die een fout had begaan door aan de promotor een bouwvergunning voor een grotere oppervlakte af te leveren op een ogenblik dat er nog geen ruilovereenkomst was tot stand gekomen. Het feit dat de contractuele schade ongedaan werd gemaakt door te-rugbetaling van het teveel ontvangen kan volgens Uw Hof niet ver-antwoorden dat de promotor geen verhaal kon nemen op de mede-aansprakelijken (Cass. 10 december 2012. C 12.0270.N).

Een in solidum veroordeelde medeschuldenaar zal bijgevolg in beginsel nooit vrijgesteld zijn van iedere bijdrage in de schuld, de hypothese uitgezonderd dat er tussen medeschuldenaars werd overeengekomen dat de andere schuldenaar(s) hem volledig zal (zullen) vrijwaren.

Het bestaan van een dergelijke verbintenis blijkt te dezen evenwel niet uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen.

Bijgevolg kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat eise-res verweerster volledig diende te vrijwaren voor de vergoedingen die zij aan het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen diende te betalen.

2. Het hof van beroep stelt voorts dat het zich niet meer over de verdeling zou kunnen uitspreken omdat het tussenarrest van 24 de-cember 2007 zich hierover reeds zou hebben uitgesproken.

Daarmee schendt het de artikelen 19 en 23 tot 28 van het Ge-rechtelijk Wetboek, vermits er over de problematiek van de onderlinge verdeling nog geen uitspraak werd gedaan, het hof van beroep hieromtrent zijn rechtsmacht niet had uitgeput, en het alleszins niet ambtshalve deze exceptie kan aanvoeren.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit voor eiseres ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het be-streden tussenarrest van 24 december 2007 en bij wijze van gevolg ook het eindarrest van 30 januari 2012 te vernietigen, de zaak en partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen; kosten als naar recht.

Brussel, 24 mei 2013

Stukken die bij de voorziening worden gevoegd:

1. een door de raadslieden van partijen voor het hof van beroep evenals door ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eensluidend verklaard afschrift van het document, dat door eiseres en verweerster na uitvoering van de opdracht werd on-dertekend, te weten stuk 3 van eiseres

2. een door beëdigde vertaalster, mevrouw Hilda Paelinck, in het nederlands gestelde vertaling van het sub 1 aangehaalde document.

Commentaar: 

Wanneer is een verbintenis hoofdelijk?

De algemene regel: Hoofdelijkheid wordt niet vermoed; zij moet uitdrukkelijk bedongen zijn of door een rechtsregel worden opgelegd.

Aldus kan hoofdelijkheid het gevolg zijn van:

- de wet
- een overeenkomst
- een gewoonte
- een gemeenschappelijke fout

Wanneer de hoofdelijkheid dus niet bij wet, overeenkomst, gewoonte wordt geregeld en de verbintenis dus geen gemeenschappelijke fout tot grondslag heeft, worden de verbintenissen van verschillende schuldenaars geacht niet hoofdelijk te zijn en is aldus elke schuldenaar slechts gehouden tot beloop van zijn deel. In dit geval moeten bv. 2 leners (zoals een samenwonend koppel ten aanzien van de ouders van één van hen) die samen een onderhandse schuld hebben aangegaan waarbij geen hoofdelijkheid werd bedongen slechts elk de helft betalen. De uitlenende schoonvader zou dus van zijn lenende schoonzoon niet de volledige lening kunnen opeisen.

Is een verbintenis daarentegen (passief) hoofdelijk dan kan elke schuldenaar verplicht worden de gehele schuld terug te betalen aan de schuldenaar.

a. Hoofdelijkheid geregeld bij wet:
voorbeelden van wettelijke bepalingen die hoofdelijkheid tussen de schuldenaars opleggen:

- de tienjarige aansprakelijkheid van architect en aannemer - art. 1792 B.W.
- de hoofdelijke verplichting van artikel 50 van het Strafwetboek waardoor personen die wegens een en het zelfde misdrijf veroordeeld werden hoofdelijk tot schadevergoeding verplicht zijn ten opzichte van het slachtoffer;
- de hoofdelijkheid van de echtgenoten voorzien in art. 222 B.W. ten aanzien van huishoudschulden;

b. Hoofdelijkheid bij overeenkomst
- een schuldenaar kan zich ook bij eenzijdige wilsuiting samen met een andere schuldenaar hoofdelijk verbinden of een actieve hoofdelijkheid opleggen aan onderscheiden schuldeisers;
- de last of voorwaarde bij testament kan hoofdelijk worden opgelegd

c. Hoofdelijkheid bij gewoonte: Handelaars die gehouden zijn tot een en dezelfde verbintenis zijn volgens het gewoonterecht hoofdelijk gehouden. De Hoofdelijkheid van de handelaars raakt niet de openbare orde en is evenmin een regel van dwingend recht. Zij kunnen bij overeenkomst hiervan afwijken.

d. Wanneer een fout begaan wordt door personen die bewust hebben bijgedragen tot het veroorzaken van een schade zijn zij hoofdelijk gehouden tot vergoeding van het slachtoffer

4. Onderlinge verhouding tussen de hoofdelijke schuldenaars

Door de hoofdelijkheid van een schuld kan een bepaalde schuldenaar voor het geheel worden aangesproken niettegenstaande hij dus niet de enige schuldenaar is. Vanzelfsprekend kan de schuldeiser door de hoofdelijkheid nooit meer ontvangen dan het bedrag van zijn vordering. Eens hij door wie van de schuldenaars volledig betaald is, dooft zijn vordering uit.

Eens de vordering door één schuldenaar betaald werd, wordt zij conform art. 1213 van het burgerlijk wetboek opgedeeld is delen tussen de verschillende schuldenaars die onder elkaar en dus ten aanzien van mekaar ieder voor hun aandeel verbonden zijn. De medeschuldenaar van een hoofdelijke schuld, die de gehele schuld voldaan heeft, kan van de overige schuldenaars dit respectievelijke deel (maar ook niets méér terugvorderen). De schuldenaar die voor een hoofdelijke schuld betaald heeft aan een schuldeiser kan zijn medeschuldenaars ten aanzien van hemzelf dus niet aanzien als hoofdelijke schuldenaars.

Indien een van deze schuldenaars onvermogend is, wordt het door zijn onvermogen veroorzaakte verlies naar evenredigheid omgeslagen over al de andere schuldenaars die in staat zijn om te betalen, en degene die de schuld voldaan heeft.

5. Hoofdgevolg en secundair gevolg van de hoofdelijke verbintenis

hoofdgevolgen: de bepalingen van art. 1200, 1201, 1203, 1204, 1208 tot 1212 Burgerlijk wetboek (zie hierna): als belangrijkst hoofdgevolg geldt dat elke schuldenaar voor de gehele schuld moet instaan op vraag van de schuldeiser die kiest tot welke schuldenaar hij zich richt. Na betaling door de aangesproken schuldenaar zullen de overige schuldenaars deze moeten vergoeden.

bijkomend gevolg: 1205, 1206 en 1207 B.W. en ondermeer m.b.t de regels inzake ingebrekestelling en de stuiting van de verjaring tegen één van schuldenaars die ook geldt ten aanzien van de andere schuldenaars.

6. Verbintenis in solidum.

Wanneer er verschillende schuldenaren zijn die een samen een contractuele of een buitencontractuele fout hebben begaan die één en dezelfde schade veroorzaakt, kan de schadelijder de betaling van elke de gehele schadevergoeding bekomen van elke schadeverwekker, ondanks de afwezigheid van hoofdelijkheid. Deze verbintenis wordt een verbintenis in solidum geheten en werd gecreëerd door de rechtsleer en rechtspraak.

Bij een verbintenis in solidum is er dus samenloop van:
- ofwel verschillende contractuele aansprakelijkheden;
- ofwel verschillende buitencontractuele aansprakelijkheden;
- ofwel contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheden;

Bij een verbintenis in solidum gelden enkel de hoofd- of primaire gevolgen van de hoofdelijkheid en niet de bijkomende of secundaire.

7. Solidaire verbintenissen of solidariteit onder de schuldenaars

dit zijn synoniemen van hoofdelijke verbintenissen en hoofdelijkheid onder de schuldenars

De regels inzake hoofdelijkheid zoals ingeschreven in het burgerlijk wetboek

HOOFDELIJKHEID TUSSEN SCHULDENAARS.
Art. 1200. Er bestaat hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt.
Art. 1201. Er kan hoofdelijke verbintenis bestaan, hoewel een van de schuldenaars op een andere wijze dan de overige schuldenaars tot betaling van dezelfde zaak verbonden is; bij voorbeeld wanneer de ene slechts voorwaardelijk verbonden is, terwijl de verbintenis van de ander zuiver en eenvoudig is, of wanneer de ene een tijdsbepaling heeft bedongen, die aan de andere niet is toegestaan.
Art. 1202. _ Hoofdelijkheid wordt niet vermoed; zij moet uitdrukkelijk bedongen zijn.
Deze regel lijdt alleen uitzondering in de gevallen waarin hoofdelijkheid bestaat van rechtswege, krachtens een bepaling van de wet.
Art. 1203. De schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis kan van de schuldenaars degene aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van schuldsplitsing tegen hem kan inroepen.
Art. 1204. Vervolgingen tegen een van de schuldenaars gericht beletten de schuldeiser niet, ook tegen de overigen vervolgingen in te stellen.
Art. 1205. Indien de verschuldigde zaak is teniet gegaan door de schuld van een of meer van de hoofdelijke schuldenaars of terwijl zij in gebreke waren, zijn de overige medeschuldenaars niet ontslagen van de verplichting om de waarde van de zaak te betalen; zij zijn echter niet tot schadevergoeding gehouden.
De schuldeiser kan geen schadevergoeding eisen dan van de schuldenaars door wier schuld de zaak is teniet gegaan en van de schuldenaars die in gebreke waren.
Art. 1206. Vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars stuiten de verjaring ten aanzien van allen.
Art. 1207. De eis tot betaling van interest tegen een van de hoofdelijke schuldenaars, doet de interest lopen ten aanzien van allen.
Art. 1208. Een hoofdelijke medeschuldenaar die door de schuldeiser vervolgd wordt, kan alle excepties inroepen die uit de aard van de verbintenis voortvloeien, en al die welke hem eigen zijn, alsook die welke aan alle medeschuldenaars gemeen zijn.
Hij kan de excepties niet inroepen die aan de persoon van sommige van de overige medeschuldenaars eigen zijn.
Art. 1209. Wanneer een van de schuldenaars de enige erfgenaam wordt van de schuldeiser, of wanneer de schuldeiser de enige erfgenaam wordt van een van de schuldenaars, doet de schuldvermenging de hoofdelijke schuldvordering slechts teniet wat betreft het aandeel van de schuldenaar of van de schuldeiser.
Art. 1210. De schuldeiser die toestemt in de verdeling van de schuld ten aanzien van een van de medeschuldenaars, behoudt zijn hoofdelijke vordering tegen de overige schuldenaars, doch onder aftrek van het aandeel van de schuldenaar die hij van de hoofdelijkheid ontslagen heeft.
Art. 1211. De schuldeiser die het aandeel van een van de schuldenaars afzonderlijk ontvangt, zonder in de kwijting de hoofdelijkheid of zijn rechten in het algemeen voor te behouden, doet slechts ten aanzien van die schuldenaar afstand van de hoofdelijkheid.
De schuldeiser wordt niet geacht de schuldenaar te ontslaan van de hoofdelijkheid, wanneer hij van hem een som ontvangt gelijk aan zijn aandeel in de schuld, indien de kwijting niet vermeldt dat het voor zijn aandeel is.
Hetzelfde geldt voor het enkel instellen van de eis tegen een van de medeschuldenaars voor zijn aandeel, indien deze schuldenaar in de eis niet heeft berust, of indien daarop geen vonnis van veroordeling is gevolgd.
Art. 1212. De schuldeiser die afzonderlijk en zonder voorbehoud het aandeel ontvangt van een van de medeschuldenaars in de rentetermijnen of de interesten van de schuld, verliest het voordeel van de hoofdelijkheid alleen wat betreft de rentetermijnen of de interesten die vervallen zijn, en niet wat betreft die welke nog moeten vervallen, noch wat betreft het kapitaal, tenzij de afzonderlijke betaling gedurende tien achtereenvolgende jaren is voortgezet.
Art. 1213. De verbintenis die hoofdelijk jegens de schuldeiser is aangegaan, is van rechtswege deelbaar tussen de schuldenaars, die onder elkaar slechts ieder voor zijn aandeel verbonden zijn.
Art. 1214. De medeschuldenaar van een hoofdelijke schuld, die de gehele schuld voldaan heeft, kan van de overige schuldenaars niet méér terugvorderen dan wat ieders aandeel bedraagt.
Indien een van hen onvermogend is, wordt het door zijn onvermogen veroorzaakte verlies naar evenredigheid omgeslagen over al de andere schuldenaars die in staat zijn om te betalen, en degene die de schuld voldaan heeft.
Art. 1215. Ingeval de schuldeiser ten aanzien van een van de schuldenaars afstand gedaan heeft van de hoofdelijke vordering en een of meer van de overige medeschuldenaars onvermogend worden, dan wordt het aandeel van de onvermogenden naar evenredigheid omgeslagen over alle schuldenaars, zelfs over degenen die tevoren door de schuldeiser van de hoofdelijkheid zijn ontslagen.
Art. 1216. Indien de zaak waarvoor de schuld hoofdelijk is aangegaan, slechts een van de hoofdelijke medeschuldenaars aangaat, is deze tot voldoening van de gehele schuld gehouden ten aanzien van de overige medeschuldenaars, die te zijnen opzichte slechts als zijn borgen beschouwd worden.

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 30/08/2017 - 15:59
Laatst aangepast op: wo, 30/08/2017 - 15:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.