-A +A

Smokkel in de gevangenis door cipiers is omkoping

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het strafwetboek:

Art. 246. <W 1999-02-10/39, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 02-04-1999>
§ 1. Passieve omkoping bestaat in het feit dat een persoon die een openbaar ambt uitoefent, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt om een van de in artikel 247 bedoelde gedragingen aan te nemen.
§ 2. Actieve omkoping bestaat in het rechtstreeks of door tussenpersonen voorstellen aan een persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde om een van de in artikel 247 bedoelde gedragingen aan te nemen.
§ 3. Met een persoon die een openbaar ambt uitoefent in de zin van dit artikel wordt gelijkgesteld elke persoon die zich kandidaat heeft gesteld voor een dergelijk ambt, die doet geloven een dergelijk ambt te zullen uitoefenen of die, door gebruik te maken van valse hoedanigheden, doet geloven een dergelijk ambt uit te oefenen.

Art. 247. <W 1999-02-10/39, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 02-04-1999> § 1. Indien de omkoping het verrichten door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn ambt tot doel heeft, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 10 000 [euro] of één van die straffen. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 25 000 [euro] of één van die straffen. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Indien de omkoping het verrichten door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt of het nalaten van een handeling die tot zijn ambtsplichten behoort tot doel heeft, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 25 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval dat voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 50 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Ingeval de omgekochte persoon de onrechtmatige handeling heeft verricht of nagelaten heeft een handeling te verrichten die tot zijn ambtsplichten behoort, wordt deze gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van 100 [euro] tot 75 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. Indien de omkoping het plegen door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van een misdaad of een wanbedrijf naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt tot doel heeft, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 50 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, ED : 01-01-2002>
§ 4. Indien de omkoping het gebruik tot doel heeft door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 10 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 25 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien de omgekochte persoon de invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte, effectief heeft aangewend, wordt deze gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van 100 [euro] tot 50 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 248. <W 1999-02-10/39, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 02-04-1999> Wanneer de feiten bedoeld in de artikelen 246 en 247, §§ 1 tot 3, een politieambtenaar, een persoon met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of een lid van het openbaar ministerie betreffen, worden de omkoper en de omgekochte gestraft met een straf waarvan het maximum wordt gebracht op het dubbele van de straf die in artikel 247 voor de feiten is bepaald.

Art. 249. <W 1999-02-10/39, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 02-04-1999> § 1. Indien de in artikel 246 bepaalde omkoping een arbiter betreft en betrekking heeft op een handeling die behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is de straf een gevangenisstraf van één jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 [euro] tot 50 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Indien de in artikel 246 bepaalde omkoping een rechterassessor of een gezworene betreft en betrekking heeft op een handeling die behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is de straf een gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. Indien de in artikel 246 bepaalde omkoping een rechter betreft en betrekking heeft op een handeling die behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien, in het geval bepaald in het vorige lid, de vraag bedoeld in artikel 246, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100 000 [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 250. <W 2007-05-11/42, art. 5, 066; Inwerkingtreding : 08-06/2007> Indien de in de artikelen 246 tot 249 bepaalde omkoping een persoon betreft die een openbaar ambt uitoefent in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie, zijn de straffen die welke in die bepalingen zijn gesteld.

Art. 251. (Opgeheven) <W 2007-05-11/42, art. 6, 066; Inwerkingtreding : 08-06/2007>

Art. 252. <W 1999-02-10/39, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 02-04-1999> Zij die op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk worden gestraft, kunnen ook worden veroordeeld tot ontzetting van rechten, overeenkomstig artikel 33 en onverminderd de artikelen 31 en 32.

Art. 253. (Opgeheven) <W 1999-02-10/39, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 02-04-1999>

 

Franse term: 
corruption
Rechtsleer: 

• De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht , Mechelen, Kluwer, 2010, p. 77 e.v., nrs. 84 e.v.;

• F. Deruyck, “Omkoping in het Belgisch Strafrecht”, T. Strafr. 2002, 50-75.

Rechtspraak: 

Toepassing cipier brengt smokkelwaar in de gevangenis

Hof van Beroep Gent 27 november 2012, RW 2012-2013, 1314 met noot

...

In het licht van de gegevens van het dossier en de desbetreffende wettelijke bepalingen (art. 246-247 Sw.), dient de omschrijving van telastlegging A. zijnde de enige telastlegging waarvoor de beklaagde G. thans wordt vervolgd, met behoud van de aanduiding van de plaats en de misdrijfperiode, als volgt te worden aangepast: “zich schuldig te hebben gemaakt aan passieve omkoping, door zich als persoon die een openbaar ambt uitoefent, namelijk als penitentiair beambte, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook, te hebben gevraagd of aangenomen om een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt te verrichten, met de omstandigheid dat de omgekochte persoon de onrechtmatige handeling heeft verricht, namelijk door als penitentiair beambte goederen, o.m. kledij en voedingswaren, in de strafinrichting te Oudenaarde te hebben binnengebracht met het oog op de verkoop of de aflevering aan gedetineerden”.

...

Op grond van de gegevens van het strafdossier en de behandeling voor het hof zijn de feiten ten laste van de beklaagde G., gekwalificeerd als passieve ambtelijke omkoping, bewezen gebleven.

...

Er is sprake van passieve ambtelijke omkoping wanneer een persoon die een openbaar ambt uitoefent rechtstreeks of door tussen personen voor zichzelf of voor een derde, wetens en willens een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook, heeft gevraagd of aangenomen om een welbepaalde handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt te verrichten (art. 246, § 1 Sw.).

De aan de beklaagde ten laste gelegde passieve omkoping betreft meer in het bijzonder een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt (art. 247, § 2 Sw.). De beklaagde wordt immers vervolgd omdat hij als penitentiair beambte tegen betaling goederen, in het bijzonder kledij en voedingswaren, binnen de gevangenismuren heeft gebracht met het oog op de verkoop of de aflevering ervan aan gedetineerden.

Dat de beklaagde moet worden beschouwd als een persoon die een openbaar ambt uitoefent, staat vast. De ten laste gelegde feiten hebben immers betrekking op het optreden van de beklaagde in zijn hoedanigheid van penitentiair beambte in de gevangenis te Oudenaarde.

Ten onrechte voert de beklaagde evenwel aan dat het verkopen van kledij en voedingswaren door een penitentiair beambte aan gedetineerden in de gevangenis – wat de beklaagde overigens formeel betwist te hebben gedaan – niet als passieve ambtelijke omkoping kan worden beschouwd, omdat de verkoop van voedingswaren en/of kledij niet tot de bevoegdheden en/of werkzaamheden van een penitentiair beambte behoort. Het volstaat immers dat de desbetreffende handeling wordt verricht naar aanleiding van de uitoefening van het ambt. Te dezen staat het vast dat de gewraakte handelingen, nl. het binnenbrengen van kledij en voedingswaren in de gevangenis, moeten worden gesitueerd binnen de ambtelijke activiteit van de beklaagde als penitentiair beambte, daar hij die handelingen slechts door en in het raam van zijn taken als penitentiair beambte kon verrichten.

Hoewel kledij en voedingswaren op zichzelf beschouwd, in tegenstelling tot bv. drugs, uiteraard geen “verboden” goederen inhouden en gedetineerden in de gevangenis op een legale wijze bepaalde goederen kunnen aankopen, met name via de gevangeniskantine (cf. art. 47 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden), staat het voorts buiten kijf dat het clandestien binnenbrengen van goederen in de gevangenis door een penitentiair beambte als een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt moet worden beschouwd. Aangezien vaststaat dat de beklaagde, in ruil voor de door hem clandestien aan bepaalde gedetineerden in de gevangenis verstrekte goederen, wetens en willens voordelen van welke aard dan ook, en in het bijzonder niet nader bepaalde geldsommen, heeft aangenomen, heeft hij zich dan ook wel degelijk schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping.

Ten onrechte voert de beklaagde aan dat er slechts een (niet-strafbare) poging tot passieve omkoping aan de orde zou zijn. De omstandigheid dat de kledij en de voedingswaren die naar aanleiding van de fouillering op 24 november 2007 bij de beklaagde werden gevonden nog niet in de gevangenis waren binnengebracht, is in dit verband volstrekt irrelevant. Door de beklaagde waren voordien (in de geïncrimineerde periode) immers wel degelijk effectief bepaalde goederen in de gevangenis binnengebracht en aan bepaalde gedetineerden ter hand gesteld, terwijl hij hiervoor ook effectief bepaalde voordelen heeft genoten en met name hiervoor gelden heeft aanvaard.

Bijgevolg is ook de verzwarende omstandigheid dat de beklaagde de onrechtmatige handeling heeft verricht (art. 247, § 2, derde lid Sw.), bewezen.

...
 

zie ook Cass. 11 februari 2003, Arr.Cass . 2003, p. 360, nr. 96

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 05/04/2013 - 19:41
Laatst aangepast op: vr, 05/04/2013 - 19:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.