-A +A

Schadevergoeding verplichting van het slachtoffer tot beperking van de schade

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De verplichting van de benadeelde om de schade, onder omstandigheden, te beperken, wordt op art. 1382- 1383 B.W. gestoeld.

De fout van de benadeelde moet een causaal verband vertonen met de schade, die de aangesprokene meent te hebben geleden door het uitblijven van de maatregelen tot beperking van de door de benadeelde geleden schade. Die schade bestaat in het verschil tussen de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding en de schadevergoeding die zou zijn gevorderd wanneer de litigieuze schadebeperkende maatregelen tijdig waren getroffen. Concreet betekent dit dat de door het schuldig verzuim van de benadeelde veroorzaakte vermeerdering van de omvang van de schade te zijnen laste zal blijven, in de mate van dit toedoen.

In die zin werd geoordeeld dat zelfs het uitblijven van een ingebrekesteling een dergelijke fout kan uitmaken in hoofde va het slachtoffer. Het verlies van moratoire interesten kan aldus te wijten zijn aan het gemis van ingebrekestelling van de kant van de schadelijder.

Dit kan aldus voor gevolg hebben dat de door de schadelijder geleden derving van interesten vóór de ingebrekestelling althans ten belope van de hoogte van de wettelijke rentevoet, werd veroorzaakt door het schuldig verzuim van de schadelijder zelf en dan ook ten zijnder laste dient te blijven.

Zie: Rechtbank van Koophandel te Brussel, 9e Kamer – 26 oktober 2007, RW 2009-2010, 721

Het hof van Cassatie neemt evenwel een ander standpunt in op basis van het recht van de benadeelde op volledige vergoeding. Zie:

• Cass. 13/06/2016, juridat, AR C.15.0305.N

Samenvatting

De benadeelde van een onrechtmatige daad heeft in beginsel recht op volledige vergoeding van zijn schade; hij is niet verplicht de schade zoveel als mogelijk te beperken; hij moet alleen de redelijke maatregelen nemen om het nadeel te beperken als dat met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon strookt (1). (1) Cass. 14 mei 1992, AR 9336, AC 1991-92, nr. 478; Cass. 25 oktober 1991, AR 7348, AC 1991-92, nr. 113.

De appelrechters steunen blijkens de bewoordingen van het bestreden vonnis hun oordeel met betrekking tot de schadeposten 'brillen verleden' en 'brillen toekomst' mede op niet aan de tegenspraak van partijen onderworpen informatie, die werd ingewonnen door één van de rechters bij haar schoonbroer, opticien van beroep, en miskennen aldus het recht van verdediging.

Tekst arrest

Nr. C.15.0305.N
M.S.,
eiseres,
tegen
VIVIUM nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Koningsstraat 153,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 3 februari 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De benadeelde van een onrechtmatige daad heeft in beginsel recht op volle-dige vergoeding van zijn schade. Hij is niet verplicht de schade zoveel als mogelijk te beperken. Hij moet alleen de redelijke maatregelen nemen om het nadeel te beperken als dat met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon strookt.

2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
- een onderzoek van de lijst met verplaatsingen op basis van de tussenkomsten van de mutualiteit leert dat de eiseres vanaf haar verhuis naar Ucimont (nabij Bouillon) dezelfde dokters rond Lier bleef raadplegen, die nu in plaats van minder dan 2 km van haar woonplaats, meer dan 160 km van haar woonplaats gelegen waren;
- het de plicht van elke schadelijder is om de schade zoveel als mogelijk te beperken;
- de eiseres haar schade in grote mate had kunnen beperken door bijvoorbeeld een huisarts dicht bij haar nieuwe woonplaats uit te kiezen;
- de eiseres mag kiezen om bij dezelfde artsen in behandeling te blijven doch dan zelf de extra kosten van de verre verplaatsingen moet dragen.

3. De appelrechters die de eiseres op deze gronden slechts een vergoeding toekennen ten belope van een bedrag dat de verplaatsingen naar een arts met een kabinet op een aanvaardbare afstand vergoedt, zonder vast te stellen dat het gedrag van de eiseres niet strookte met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

4. De appelrechters steunen blijkens de bewoordingen van het bestreden vonnis hun oordeel met betrekking tot de schadeposten "brillen verleden" en "brillen toekomst" mede op niet aan de tegenspraak van partijen onderworpen informatie, die werd ingewonnen door één van de rechters bij haar schoonbroer, opticien van beroep, en miskennen aldus het recht van verdediging.
Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de posten "verplaatsingskosten", "brillen verleden" en "brillen toekomst" en over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer


 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR : M.S.,
Eiseres tot cassatie,

TEGEN:
De naamloze vennootschap VIVIUM, met ondernemingsnummer 0404.500.094 en zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Koningsstraat 153,Verweerster in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer het vonnis, gewezen door de MB1-kamer van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, op 3 februari 2015 (A.R. 13/1659/A) aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Eiseres was op 18 november 2002 slachtoffer van een verkeers-ongeval te Lier. Zij liep hierbij een zwaar whiplashletsel op, dat onder meer leidde tot ernstige verstoring van de visus.

De aansprakelijkheid van de heer Petit, verzekerde van de nv ING Insurance, thans nv Vivium, werd niet betwist.

Eiseres en (de rechtsvoorgangster van) verweerster sloten op 20 juli 2004 een overeenkomst tot minnelijke medische expertise. Deze expertise kon echter niet tot een goed einde worden gebracht, zodat eiseres (de rechtsvoorgangster van) verweerster op 5 oktober 2005 dagvaardde voor de Politierechtbank te Mechelen, die bij vonnis van 21 februari 2007 Dr. Mathys als deskundige aanstelde.

Na neerlegging van het deskundigenverslag verzocht eiseres om, alvorens uitspraak te doen over de hoegrootheid van de schade, een college van drie deskundigen aan te stellen.

De Politierechtbank te Mechelen besliste bij vonnis van 4 sep-tember 2013 dat het onnodig is een college van deskundigen aan te stellen. Nu eiseres er zich in haar laatste conclusie toe beperkte de aanstelling van een college van deskundigen te vragen, werd haar vordering als ongegrond afgewezen.

Eiseres tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis, dat door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, bij vonnis van 3 februari 2015, deels gegrond werd verklaard. De recht-bank veroordeelde verweerster tot betaling aan eiseres van 15.158,06 EUR, meer intresten, onder aftrek van de reeds ontvangen provisies en de negatieve intresten hierop.

Tegen dit vonnis meent eiseres volgende middelen tot cassatie te kunnen aanvoeren.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
- artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek,
- het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, dat de rechter verbiedt een betwisting, die de openbare orde niet raakt en die door partijen in besluiten werd uitgesloten, op te werpen,
- het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, verklaart in het vonnis van 3 februari 2015 het door eiseres tegen het vonnis, gewezen door de Politierechtbank te Mechelen op 4 september 2013, aangetekende hoger beroep deels gegrond en wijst het voor het overige als ongegrond af.

De rechtbank veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van 15.158,06 EUR, te vermeerderen met vergoedende intresten, en onder aftrek van de betaalde provisies en de negatieve intresten hierop.

De rechtbank veroordeelt verweerster aldus o.m. tot betaling van 750 EUR voor verplaatsingskosten.

Deze beslissing, waarbij de vordering van eiseres, ertoe strek-kende verweerster te horen veroordelen tot betaling van 21.501,18 EUR voor verplaatsingskosten, slechts deels gegrond wordt ver-klaard, wordt door de rechtbank als volgt gemotiveerd:

"Verplaatsingskosten

(Eiseres) vraagt een bedrag van euro 23.651,30 (lees: 21.501,18) ter vergoeding van verplaatsingskosten. (Verweerster) vraagt dit te her-leiden naar een bedrag van euro 100,00.

Een nader onderzoek van de lijst met verplaatsingen op basis van de tussenkomsten van de mutualiteit leert dat (eiseres) vanaf haar verhuis naar Ucimont (nabij Bouillon) dezelfde dokters rond Lier bleef raadplegen, die nu in plaats van minder dan 2 km (enkel, 3,8 km heen en terug) van haar woonplaats, meer dan 160 km (enkel, 386 km heen en terug) van haar woonplaats gelegen waren. Bovendien rekent (eiseres) op sommige dagen twee maal hetzelfde aantal kilometers, terwijl het ondenkbaar is dat zij op één dag meer dan 700 km zou rijden voor twee consultaties op dezelfde plaats (vb. 07.05.2008 en 11.06.2008 - telkens Dr. Haezaert en Dr. Van Beirs).

Het is de plicht van elke schadelijder om de schade zoveel als mo-gelijk te beperken. (Eiseres) had deze schade in grote mate kunnen beperken door bijvoorbeeld een huisarts dicht bij haar nieuwe woon-plaats uit te kiezen. (Eiseres) mag kiezen om bij dezelfde artsen in behandeling te blijven doch dient dan zelf de extra kosten van de verre verplaatsingen (Bouillon - Lier) te dragen.

De rechtbank kent slechts een vergoeding toe ten belope van een bedrag dat de verplaatsingen naar een arts met kabinet op een aan-vaardbare afstand vergoedt. Gelet op het groot aantal consultaties wordt in billijkheid een bedrag van euro 750,00 ter vergoeding van ver-plaatsingen toegekend.

Vermits dit een forfaitair toegekend bedrag betreft, begroot op datum van heden, zijn vergoedende intresten inbegrepen in het toegekende bedrag" (vonnis, p. 7).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplichten elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.

Diegene die ingevolge een buitencontractuele fout schade lijdt, heeft in beginsel recht op volledige vergoeding van zijn schade.

De schadelijder is niet verplicht de schade zoveel mogelijk te be-perken. Hij dient slechts alle redelijke maatregelen te nemen om het nadeel te beperken op voorwaarde dat dit strookt met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon.

2. De rechtbank kent voor de verplaatsingskosten van eiseres slechts een vergoeding van 750 EUR toe en verwerpt de door eiseres voorgestelde begroting van deze schadepost om reden dat eiseres na haar verhuis naar Ucimont, nabij Bouillon, dezelfde dokters rond Lier bleef raadplegen, meer dan 160 km van haar woonplaats, terwijl "het (...) de plicht (is) van elke schadelijder om de schade zoveel mogelijk te beperken" zodat slechts een vergoeding wordt toegekend ten belope van een bedrag dat de verplaatsingen naar een arts met kabinet op een aanvaardbare afstand vergoedt.

Deze beslissing schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Bur-gerlijk Wetboek daar zij stoelt op de niet bestaande plicht van de schadelijder om zijn schade zoveel mogelijk te beperken, minstens, daar zij niet vaststelt dat een redelijk en voorzichtig persoon beroep zou doen op artsen met een kabinet op een aanvaardbare afstand van zijn woonplaats zodat het gedrag van eiseres - die beroep bleef doen op artsen rond Lier, meer dan 160 km verwijderd van haar woonplaats - niet strookte met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Tweede onderdeel

3. Zelfs indien uit de motieven van het bestreden vonnis zou blij-ken dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de houding van eiseres, die geen beroep heeft gedaan op artsen met een kabinet op een aanvaardbare afstand van haar woonplaats, niet strookt met de hou-ding van een redelijke en voorzichtige persoon in dezelfde omstan-digheden geplaatst, is de bestreden beslissing niet naar recht ver-antwoord.

Verweerster betwistte in haar eindsyntheseberoepsconclusie (p. 5) immers de vordering van eiseres met betrekking tot de ver-plaatsingskosten, doch dit enkel om reden dat
- alleen de verplaatsingen in verband met de gemeenrechtelijke ge-volgen van het ongeval kunnen worden vergoed en niet de verplaat-singen in verband met procedures voor de arbeidsgerechten,
- de afstanden (van waar naar waar) niet verantwoord worden,
- 71.670,60 km verplaatsingen onmogelijk is gelet op het feit dat de omtrek van de aarde 40.000 km is,
- eiseres door de gerechtsdeskundige werd afgewezen,
- geen vergoeding kan worden toegekend voor bezoeken aan artsen voor imaginaire ziekten.

Verweerster betwistte de verplaatsingskosten dus niet om reden dat eiseres was tekort gekomen aan haar schadebeperkingsplicht, meer bepaald omdat zij, na haar verhuis naar Ucimont nabij Bouillon, beroep was blijven doen op artsen rond Lier in plaats van op artsen met een kabinet op een aanvaardbare afstand van haar woonplaats.

Door de vordering met betrekking tot de verplaatsingskosten slechts ten belope van 750 EUR gegrond te verklaren om reden dat eiseres de plicht had om de schade zoveel mogelijk te beperken en dus slechts verplaatsingen naar een arts met kabinet op een aan-vaardbare afstand van haar woonplaats voor vergoeding in aanmer-king komen, zonder dit aan de tegenspraak van partijen te onder-werpen, werpt de rechtbank een door partijen uitgesloten betwisting op (schending van het beschikkingsbeginsel en artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek) en miskent het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel

- de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek,
- artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek,
- het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, verklaart in het vonnis van 3 februari 2015 het door eiseres tegen het vonnis, gewezen door de Politierechtbank te Mechelen op 4 september 2013, aangetekende hoger beroep deels gegrond en wijst het voor het overige als ongegrond af.

De rechtbank veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van 15.158,06 EUR, te vermeerderen met vergoedende intresten, en onder aftrek van de betaalde provisies en de negatieve intresten hierop.

De rechtbank veroordeelt verweerster aldus o.m. tot betaling van 2100 EUR en 4750 EUR voor kosten van brilglazen en hernieuwingen.

Deze beslissing, waarbij de vordering van eiseres, ertoe strek-kende verweerster te horen veroordelen tot betaling van 5100 EUR en 20.625 EUR voor de reeds geleden en de toekomstige brilschade, slechts deels gegrond wordt verklaard, wordt door de rechtbank als volgt gemotiveerd:

"Kosten van brilglazen en hernieuwingen

(Eiseres) vraagt (verweerster) te veroordelen tot betaling van de vergoeding van de kosten van verschillende brillen in het verleden voor een bedrag van euro 5.100,00. Voor de toekomst vraagt zij een bedrag van euro 20.625,00.

(Verweerster) voert in eerste instantie aan dat dit een kost voor de wetsverzekeraar is, waarop de rechtbank opnieuw stelt dat het geen arbeidsongeval betreft. (Verweerster) vraagt in ondergeschikte orde het gevraagde bedrag te herleiden naar maximaal euro 450,00, hetgeen overeenstemt met de kostprijs van drie brillen aan euro 150,00 per stuk.

Rekening houdend met de beschikbare oftalmologische verslagen adviseert Dr. Mathys om te voorzien in de kosten van drie prismabril-len. Uit het verslag blijkt dat dit om drie verschillende brillen gaat: 1 voor verzicht en de horizontale prisma, 1 met verticale prisma en 1 om te kunnen lezen.

Hoewel de deskundige niet uitdrukkelijk in een vervanging van de brillen voorziet is het een feit dat een bril niet levenslang meegaat en de rechtbank aldus redelijkerwijze in een vervanging moet voorzien.

Indien (eiseres) zich door Prof. Dr. Tassignon had laten onderzoeken zoals door Dr. Matthys werd gevraagd, zouden partijen en de rechtbank op dit punt meer informatie hebben gehad.

(Eiseres) toont aan in het verleden reeds drie maal verschillende bril-len te hebben aangekocht.

De rechtbank is van oordeel dat een gemiddelde kostprijs per bril met prismaglazen van euro 350,00 redelijk is. Gelet op het feit dat men over drie brillen beschikt is de rechtbank van oordeel dat de levensduur ervan op 6 jaar mag worden geschat. De door (eiseres) aangehaalde levensduur van 2,5 jaar per bril is onredelijk.

Mijn schoonbroer is optieker, ben bij hem te rade gegaan, hij zei drie brillen overbodig, twee nodig, kostprijs euro 450 per bril en vervanging om de vier jaar, maar als je verslagen leest zie je dat volgens dr lin-demans de oogproblematiek gefingeerd is, mathys weerhoudt drie brillen zonder meer, ik wil ze daarom toekennen maar vordering toch temperen;)

Voor het verleden geeft dit een bedrag van euro 2.100,00 (12 jaar : 6 x euro 1.050,00). Vermits dit een forfaitair toegekend bedrag betreft, begroot op datum van heden, zijn de vergoedende intresten inbegrepen in het toegekende bedrag.

Voor de toekomst is de door (eiseres) aangehaalde levensverwachting van 27 jaar aanvaardbaar (ze is op dit ogenblik 58 jaar).

De gevraagde vergoedingen voor toekomstige verplaatsings- en administratiekosten (opnieuw berekend op een afstand van 382 km zijn dat evenwel niet. (Eiseres) dient ofwel een oogarts nabij haar woonplaats te bezoeken ofwel de kosten van verplaatsing zelf te be-talen. De administratiekosten bij de aankoop van een bril zijn ver-waarloosbaar en inbegrepen in het toegekende bedrag.
Dit geeft voor de toekomst de volgende forfaitaire berekening:

27 : 6 = 5,4 x euro 1.050,00 = euro 4.750,00

Vermits dit een toekomstig bedrag betreft, worden slechts gerechte-lijke intresten toegekend vanaf heden" (vonnis, pp. 9-10).

Grieven

1. De rechter mag zijn beslissing slechts stoelen op feitelijke ge-gevens die aan de tegenspraak van partijen werden onderworpen. Hij mag geen rekening houden met feitelijke gegevens waarover partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren en die hij slechts buiten het debat heeft vernomen.

De rechter mag dus zelf niet op onderzoek gaan zonder de partij-en daarbij te betrekken, bv. door officieus derden om aanvullende informatie te verzoeken. De rechter mag zijn overtuiging wel steunen op algemeen bekende feitelijke gegevens die op algemene ervaring berusten en die hij dus niet buiten het debat heeft vernomen. Die fei-telijke gegevens behoren steeds tot het debat juist omdat ze algemeen bekend zijn.

De rechter die zijn beslissing stoelt op persoonlijke vaststellingen of op een advies dat hij buiten het debat van derden heeft verkregen, zonder dat dit aan de tegenspraak van partijen wordt onderworpen, schendt het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.

De rechter schendt aldus tevens de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze wetsbepalingen volgt immers dat de rechter, wanneer hij het bewijs van een onbekend feit op basis van feitelijke vermoedens aanneemt, dient uit te gaan van een vaststaand feit in het geding en niet van feiten die hem uit eigen wetenschap bekend zijn of die tijdens het geding niet aan de tegenspraak van partijen werden onderworpen en die geen algemeen bekende feiten zijn.

2. Overeenkomstig artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter zijn rechtsmacht niet overdragen.

3. Eiseres vorderde vergoeding voor brilglazen ten belope van 5100 EUR (reeds geleden schade) en 20.625 EUR (toekomstige schade).

Zij argumenteerde dat ze, volgens het deskundigenverslag, drie brillen nodig heeft. In het verleden waren vier stellen van drie brillen, aan een gemiddelde kostprijs van 425,56 EUR per bril, nodig, zodat de reeds geleden schade werd begroot op 425 EUR x 3x 4 = 5100 EUR. De toekomstige vervangingskosten werden geraamd op 1875 EUR voor drie brillen. Rekening houdend met een gemiddelde vervanging van de brillen om de 2,5 jaar en met haar levensverwachting, waren volgens eiseres nog 11 vervangingen in de toekomst noodzakelijk, zodat voor de toekomstige schade een vergoeding van 20.625 EUR werd gevorderd (syntheseberoepsconclusie, pp. 11-12).

4. De rechtbank beslist dat
- volgens deskundige Mathys dient te worden voorzien in de kosten van drie verschillende prismabrillen,
- een bril niet levenslang meegaat, zodat redelijkerwijze in een ver-vanging moet worden voorzien,
- eiseres aantoont dat in het verleden reeds drie maal verschillende brillen werden aangekocht.

De rechtbank begroot vervolgens de gemiddelde kostprijs per bril op 350 EUR en beslist dat, gelet op het feit dat men over drie brillen beschikt, de levensduur van een bril op zes jaar kan worden geschat. Rekening houdend met deze gegevens, worden de reeds geleden en de toekomstige schade bepaald op respectievelijk 2100 EUR en 4750 EUR.

Deze beslissing, in het bijzonder wat betreft de kostprijs en de le-vensduur van de brillen, wordt als volgt gemotiveerd:
"Mijn schoonbroer is optieker, ben bij hem te rade gegaan, hij zei drie brillen overbodig, twee nodig, kostprijs euro 450 per bril en vervanging om de vier jaar, maar als je verslagen leest zie je dat volgens dr lindemans de oogproblematiek gefingeerd is, mathys weerhoudt drie brillen zonder meer, ik wil ze daarom toekennen maar vordering toch temperen;)" (vonnis, p. 9, voorlaatste alinea).

Aldus stoelt de beslissing van de rechtbank op een advies dat één van de rechters die het vonnis hebben gewezen heeft ingewonnen bij haar schoonbroer.

De raadgeving van de schoonbroer van een van de rechters (drie brillen overbodig, twee nodig, kostprijs 450 EUR per bril en ver-vanging om de vier jaar), betreft een feitelijk gegeven, dat geen al-gemeen bekend feit uitmaakt en dat de rechtbank heeft vernomen door een derde te ondervragen zonder partijen daarbij te betrekken en zonder dit feitelijk gegeven aan de tegenspraak van partijen te onderwerpen.

De bestreden beslissing schendt derhalve het algemeen rechts-beginsel betreffende de eerbied voor het recht van verdediging en de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.

Minstens heeft de rechtbank aldus haar rechtsmacht aan een derde overgedragen, zodat het bestreden vonnis artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek schendt.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiseres, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden vonnis te vernietigen en de zaak en de partijen te verwijzen naar een andere rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekende in burgerlijke zaken en in hoger beroep, kosten als naar recht.

Brussel, 13 juli 2015

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 23/12/2009 - 21:52
Laatst aangepast op: wo, 15/02/2017 - 15:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.