-A +A

Rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeringsmaatschappij aanvang verjaringstermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

 

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 4 juni 2012, RW 2013-2014, 1266,  conclusie van advocaat-generaal R. Mortier voor dit arrest in Arr.Cass.2012, 1509-1516.

Samenvatting:

De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst is geen vordering tot vrijwaring in de zin van art. 2257 BW. Voor de indeplaatsgestelde vangt de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aan op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen.

Tekst arrest

AR nr. C.10.0208.N

NV T. t/ NV K.V. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Gent van 12 juni 2008 en 2 april 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

...

Tweede middel

Eerste onderdeel

2. Krachtens art. 86, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst geeft de aansprakelijkheidsverzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.

Krachtens art. 34, § 2, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86 van deze wet door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit misdrijf is gepleegd.

Indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint, krachtens art. 34, § 2, tweede lid van dezelfde wet, de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar verstrijkt hij in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Art. 2257, eerste en derde lid BW bepaalt dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad.

3. De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst is geen vordering tot vrijwaring in de zin van art. 2257 BW.

4. De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren. Daaruit volgt eveneens dat voor de indeplaatsgestelde de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aanvangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen.

5. Het onderdeel dat aanvoert dat de vordering die een in solidum veroordeelde aansprakelijke, bij subrogatie in de rechten van de benadeelde, tegen de verzekeraar van een medeaansprakelijke instelt, een vordering tot vrijwaring is in de zin van art. 2257 BW, zodat de verjaring niet kan beginnen lopen vooraleer de betrokken aansprakelijke door de benadeelde is aangesproken tot betaling, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

.
 

Rechtspraak: 


Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 10/04/2014 - 17:42
Laatst aangepast op: do, 11/12/2014 - 19:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.