-A +A

Rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeringsmaatschappij aanvang verjaringstermijn voor ziekenfonds

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 34, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de vordering die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaart na het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is gepleegd, vanaf de dag waarop dat misdrijf is gepleegd. Als de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip.

Als de passiviteit van het slachtoffer niet te rechtvaardigen valt en niet beantwoordt aan het gedrag dat men van een normaal zorgvuldig handelende goede huisvader mag verwachten, moet die passiviteit bestraft worden met de verjaring (B. Dubuisson en V. Callewaert, “La prescription en droit des assurances”, RGAR 2011, nr. 14.702, randnr. 41). Dat geldt alleszins voor een ziekenfonds dat niet zomaar een “doorsnee-slachtoffer” is dat eens in zijn leven geconfronteerd wordt met een (dodelijk) verkeersongeval, maar dat bij wijze van spreken dagelijks of wekelijks daarmee te maken krijgt en perfect weet hoe het aan bepaalde informatie kan geraken, zoals het antwoord op de vraag wie de verzekeraar was van de aansprakelijke gemotoriseerde weggebruiker.

Het Hof van Cassatie herhaalt in haar arrest van 16/02/2007 (NjW 2007, 267, VAV 2007, 224, telkens met noot) het principe dat de termijn van vijf jaar voor de benadeelde die bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, pas begint te lopen vanaf dat tijdstip en daaraan toevoegt dat “de benadeelde heeft kennis van zijn recht tegen de verzekeraar indien hij niet enkel kennis heeft van het feit dat de aansprakelijke verzekerd is, maar ook van de identiteit van de verzekeraar.

Maar dat cassatiearrest werd gewezen in een heel specifiek dossier. Uit het arrest blijkt dat er een tussenvonnis nodig was om een van de partijen te dwingen de polis voor te leggen. In die zaak wist de benadeelde dat hij een recht had tegen de verzekeraar, maar hij wist niet wie die verzekeraar was en moest tegen de onwillige partij een vonnis uitlokken om de identiteit van de verzekeraar te weten te komen. Dat in zo’n geval de verjaringstermijn pas kan beginnen lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene de identiteit van de verzekeraar kon achterhalen, lijkt logisch.

Dit is gans anders wanneer er geen onwillige partij is Wanneer een rechtstreekse vordering wordt ingesteld door een ziekenfonds tegen een verzekeraar na een auto-ongeval met dodelijke afloop, dan mag verondersteld worden dat een ziekenfonds die toch een specialist is, onmiddellijk na de ongevalsaangifte aan haar, weet of moet weten dat er een verzekeraar is. aangezien het wettelijk verplicht is een verzekering te nemen. Zij kan weten en moet weten dat er bij een dodelijk verkeersongeval een tussenkomst moet geweest zijn van de politie en ze kan en moet dus weten dat er een strafdossier bestaat.

Voor iemand zoals een ziekenfonds, die een heel klein beetje de werking van het gerechtelijk apparaat kent (zij krijgen immers meermaals te maken kreeg met een dodelijk verkeersongeval), is het dus een koud kunstje om zich te informeren en te weten komen wie de verzekeraar was.
 

Politierechtbank te Brugge, 4e Burgerlijke Kamer – 25 april 2013, RW 2014-2015, 595

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 7.927,34 euro in hoofdsom, als terugbetaling van de uitgaven die zij heeft gehad naar aanleiding van een verkeersongeval te Torhout op 15 september 2006, waarbij haar verzekerde om het leven kwam.

De vordering is gebaseerd op een fout van de verzekerde van verweerster in de zin van art. 1382-1383 BW en op het rechtstreeks vorderingsrecht van de benadeelde tegen de verzekeraar (art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Verweerster betwist de vordering.

Een afschrift van het vonnis van de Politierechtbank te Brugge, rechtsprekend als strafrechter, van 5 december 2007, wordt voorgelegd.

B. Beoordeling

1. De vordering vindt haar oorsprong in een verkeersongeval dat zich op 15 september 2006 heeft voorgedaan en waarbij de verzekerde van eiseres om het leven is gekomen.

De F.D. werd naar aanleiding van dat verkeersongeval op 5 december 2007 door de Politierechtbank te Brugge veroordeeld wegens onder meer het onopzettelijk doden van de h. T.B.

Eiseres heeft naar aanleiding van dit ongeval uitgaven gehad voor 7.927,34 euro en wil dat bedrag verhalen op verweerster, WAM-verzekeraar van de D.

2. Verweerster werpt op dat de vordering verjaard is.

Partijen zijn het erover eens dat het vertrekpunt in deze discussie moet zijn art. 34, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst, dat bepaalt dat de vordering die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaart na het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is gepleegd, vanaf de dag waarop dat misdrijf is gepleegd. Als de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip.

Eiseres voert aan dat men niet alleen moet nagaan wanneer de benadeelde kennis heeft gekregen van het feit dat de aansprakelijke verzekerd is, maar dat men ook moet nagaan wanner de benadeelde de identiteit van de verzekeraar kende. Pas vanaf die dag begint de verjaring te lopen. Eiseres zet uiteen dat zij een zeer summiere aangifte heeft binnen gekregen van het ongeval (blijkbaar bij haar binnen gekomen op 18 september 2007), waarin nergens de identiteit was vermeld van de verzekeraar van de h. D. Pas op 13 maart 2009 heeft zij een kopie gekregen van het vonnis van de Politierechtbank van 5 december 2007, waarin al evenmin melding wordt gemaakt van de identiteit van de verzekeraar. Zij heeft de raadsman van de h. D. aangeschreven op 18 januari 2012 en 15 februari 2012 en zij heeft uiteindelijk pas op 26 juli 2012 vernomen dat verweerster de verzekeraar was van de h. D. Dus, zo redeneert zij, is de verjaring pas beginnen lopen op 26 juli 2012 en is haar vordering nog niet verjaard. Zij verwijst onder meer naar een arrest van het Hof van Cassatie van 16 februari 2007.

Het is op zich correct dat het Hof van Cassatie in dat arrest (NjW 2007, 267, VAV 2007, 224, telkens met noot) het principe herhaalt dat de termijn van vijf jaar voor de benadeelde die bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, pas begint te lopen vanaf dat tijdstip en daaraan toevoegt dat “de benadeelde heeft kennis van zijn recht tegen de verzekeraar indien hij niet enkel kennis heeft van het feit dat de aansprakelijke verzekerd is, maar ook van de identiteit van de verzekeraar”.

Het is toch nuttig eraan te herinneren dat het cassatiearrest werd gewezen in een heel specifiek dossier, want uit het arrest blijkt dat er een tussenvonnis nodig was om een van de partijen te dwingen de polis voor te leggen. In die zaak wist de benadeelde dat hij een recht had tegen de verzekeraar, maar hij wist niet wie die verzekeraar was en moest tegen de onwillige partij een vonnis uitlokken om de identiteit van de verzekeraar te weten te komen. Dat in zo’n geval de verjaringstermijn pas kan beginnen lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene de identiteit van de verzekeraar kon achterhalen, lijkt logisch.

In dit dossier is er evenwel geen sprake van een onwillige partij: de verzekerde van eiseres werd het slachtoffer van een verkeersongeval met dodelijke afloop. Eiseres, die toch een specialist is ter zake, wist of moest weten dat er een verzekeraar was: in het aangifteformulier dat ze binnenkreeg – hoe summier het ook was – staat dat haar verzekerde om het leven is gekomen toen hij op zijn brommer werd aangereden “door wagen F.D.”. Eiseres kon dus weten en moest weten dat er een verzekeraar moest zijn, aangezien het wettelijk verplicht is een verzekering te nemen. Zij kon weten en moest weten dat er bij een dodelijk verkeersongeval een tussenkomst moest geweest zijn van de politie en ze kon en moest dus weten dat er een strafdossier bestond, temeer daar in de aangifte die ze binnenkreeg stond dat de zaak zou worden behandeld voor de Politierechtbank te Brugge op 21 november 2007 (wat dan heeft geleid tot het vonnis van 5 december 2007).

Voor iemand zoals eiseres, die een heel klein beetje de werking van het gerechtelijk apparaat kent (het was toch niet de eerste keer dat ze te maken kreeg met een dodelijk verkeersongeval?), was het dus een koud kunstje om zich te informeren: ze kende de naam van de beklaagde en van het overleden slachtoffer, de datum van het ongeval en de zittingsdatum. Met een minimum aan inspanning kon ze zich bij het parket of bij de rechtbank informeren en te weten komen wie de verzekeraar was van de h. D.

Mocht zij passief zitten wachten tot die informatie haar in de schoot viel of had zij de verplichting een minimale inspanning te doen om die informatie te bemachtigen? Het komt de rechtbank voor dat het laatste geldt: het lijkt de rechtbank strijdig te zijn met het principe van de evenwichtige afweging van belangen te aanvaarden dat een slachtoffer dat weet dat er een verzekeraar is of moet zijn, zich ermee kan tevreden stellen passief te blijven zitten. Als de passiviteit van het slachtoffer niet te rechtvaardigen valt en niet beantwoordt aan het gedrag dat men van een normaal zorgvuldig handelende goede huisvader mag verwachten, moet die passiviteit bestraft worden met de verjaring (B. Dubuisson en V. Callewaert, “La prescription en droit des assurances”, RGAR 2011, nr. 14.702, randnr. 41). Dat geldt alleszins voor een ziekenfonds dat niet zomaar een “doorsnee-slachtoffer” is dat eens in zijn leven geconfronteerd wordt met een (dodelijk) verkeersongeval, maar dat bij wijze van spreken dagelijks of wekelijks daarmee te maken krijgt en perfect weet hoe het aan bepaalde informatie kan geraken, zoals het antwoord op de vraag wie de verzekeraar was van de aansprakelijke gemotoriseerde weggebruiker.

Als eiseres werkelijk pas in juli 2012 te weten kwam wie de aansprakelijkheidsverzekeraar was van de h. D., die op 15 september 2006 een ongeval veroorzaakte en die krachtens de wet moest verzekerd zijn, dan is haar onwetendheid enkel te wijten aan haar eigen onwil en nalatigheid om tijdig enige kennis te verwerven. Zij kan zich niet op haar eigen nalatigheid beroepen.

Haar vordering moet als onontvankelijk worden afgewezen. De verjaring is inderdaad een middel van onontvankelijkheid (I. Claeys, “Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring” in Verjaring in het privaatrecht: Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, 68).

Rechtspraak: 


Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 11/12/2014 - 20:10
Laatst aangepast op: do, 11/12/2014 - 20:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.