-A +A

Parketjurist

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Parketjuristen ondersteunen de magistraten van het openbaar ministerie bij hun verschillende taken. Hun werk wordt officieel erkend in artikel 162, §2, van het Gerechtelijk Wetboek. Parketjuristen kunnen zelfs procedurestukken ondertekenen en het openbaar ministerie vertegenwoordigen tijdens bepaalde terechtzittingen. Hun optreden is desalniettemin duidelijk afgebakend. De overdraagbare bevoegdheden zijn niet verregaand, en ze kunnen enkel worden gedelegeerd in het kader van niet-complexe dossiers en steeds onder de verantwoordelijkheid van een magistraat (DOC 54, 1418/005, p. 144).

De parketjuristen kunnen nooit een beslissing nemen die de individuele vrijheid van personen aantast. In het licht hiervan heeft het College van Procureurs-Generaal beslist om een aantal bevoegdheden uit te sluiten hoewel de wet niet uitdrukkelijk hierin voorziet (de juristen zullen bijvoorbeeld op het vlak van jeugdrecht niet kunnen beslissen om een jongere of een persoon onder observatie te plaatsen). Daarnaast blijft de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden een bevoegdheid van de magistraten (DOC 54, 1418/001, p. 146 e.v.).

Het College heeft gesteld dat al deze elementen duidelijk dienden te worden vermeld, wat in de omzendbrief COL OMP 01/2017wordt nagestreefd.
 

 

OMZENDBRIEF COL OMP 01/2017 VAN HET COLLEGE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE – DELEGATIE VAN BEVOEGDHEDEN AAN PARKETJURISTEN ________________________________________________________________________________
INHOUDSTAFEL
Inleiding

1. De aanstelling
a. Inhoudelijke voorwaarden
b. Vormelijke voorwaarden
2. Gezag
3. De opdrachten
a. Opsporingsonderzoek
b. Adviserende bevoegdheid en vorderingsrecht in burgerlijke zaken
c. Jeugdzaken
4. Het arbeidsregime

Onderhavige omzendbrief vervangt met onmiddellijke ingang de omzendbrief van het College van Procureurs-generaal COL 9/2016.

Inleiding

Artikel 197 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (B.S. van 19 februari 2016) vult artikel 162, §2, van het Gerechtelijk Wetboek aan door te bepalen dat sommige tot dan toe uitsluitend door de magistraten uitgeoefende bevoegdheden worden gedelegeerd aan de parketjuristen. Het is vooral de bedoeling van deze delegatie om de werklast van de magistraten te verlichten en niet om hen een deel van hun prerogatieven te ontnemen. Deze wetswijziging bekrachtigt uiteindelijk enkel een feitelijke situatie die sinds jaren bestaat. Tot voor kort bestond de taak van de parketjuristen er immers in de magistraten bij hun verschillende taken te ondersteunen. Voortaan zal het werk van deze juristen officieel worden erkend omdat ze bepaalde procedurestukken kunnen ondertekenen en het openbaar ministerie vertegenwoordigen tijdens bepaalde terechtzittingen.

Hun optreden is desalniettemin duidelijk afgebakend. De overdraagbare bevoegdheden zijn niet verregaand, en ze zullen enkel kunnen worden gedelegeerd in het kader van niet-complexe dossiers en steeds onder de verantwoordelijkheid van een magistraat (DOC 54, 1418/005, p. 144).

De parketjuristen zullen nooit een beslissing kunnen nemen die de individuele vrijheid van personen aantast. In het licht hiervan heeft het College beslist om een aantal bevoegdheden uit te sluiten hoewel de wet niet uitdrukkelijk hierin voorziet (de juristen zullen bijvoorbeeld op het vlak van jeugdrecht niet kunnen beslissen om een jongere of een persoon onder observatie te plaatsen). Daarnaast blijft de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden een bevoegdheid van de magistraten (DOC 54, 1418/001, p. 146 e.v.). Het College heeft gesteld dat al deze elementen duidelijk dienden te worden vermeld, wat in deze omzendbrief wordt nagestreefd.

1. De aanstelling

De korpschef kan via een individuele en gemotiveerde beschikking, na een positief advies van de procureur-generaal, alle bevoegdheden van het openbaar ministerie toekennen aan een parketjurist voor zover hij vastbenoemd is en over minstens twee jaar ervaring beschikt.

De aanstelling van de parketjurist is dus onderhavig aan twee inhoudelijke en twee vormelijke voorwaarden:

a. Inhoudelijke voorwaarden

- Een vaste benoeming. De bevoegdheden van het openbaar ministerie mogen niet worden toegewezen aan contractuele juristen.
- Een anciënniteit van twee jaar in de hoedanigheid van parketjurist met dien verstande dat er rekening wordt gehouden met de geleverde prestaties als contractueel jurist bij de berekening van deze voorwaarde. De anciënniteit leidt echter niet automatisch tot de toekenning van een delegatie.
- Niettegenstaande deze anciënniteit moet de parketjurist beschikken over de vereiste bekwaamheid om de hem verleende bevoegdheden uit te oefenen.

b. Vormelijke voorwaarden

- Een gemotiveerde en individuele beschikking van de korpschef (procureur-generaal, procureur des Konings, federaal procureur of arbeidsauditeur). In de memorie van toelichting wordt de aandacht hierop gevestigd: "De korpschef houdt bij de toewijzing er evenwel rekening mee dat de betrokken parketjuristen over voldoende kennis van de materies beschikken waarin zij hoofdzakelijk werkzaam zullen zijn."2 Alvorens over te gaan tot het voorstel van delegatie zal de korpschef de bekwaamheid van de jurist moeten evalueren om de hem toegewezen bevoegdheden uit te oefenen. Deze evaluatie zal moeten worden vermeld in de akte van delegatie.

Wanneer de juristen ambten moeten uitoefenen in aangelegenheden waarvoor een magistraat verplicht wordt een bijzondere opleiding te volgen, dan zullen ze overigens diezelfde opleiding moeten volgen (dit is het geval in familie- en jeugdzaken, in strafuitvoeringszaken of in de door het federaal parket bepaalde materies).

Hoewel het niet door de wet bepaald wordt, is het niet uitgesloten dat de delegatie van bevoegdheid gedeeltelijk of specifiek is bij de uitvoering van bepaalde opdrachten of handelingen.

- Het eensluidende advies van de procureur-generaal. De korpschef zal zonder of in geval van een negatief advies geen bevoegdheden kunnen delegeren aan een jurist.

De korpschef kan op eender welk moment deze delegatie intrekken. In de memorie van toelichting wordt verduidelijkt dat deze intrekking zal moeten worden gemotiveerd en niet zal kunnen worden beschouwd als een verdoken tuchtstraf.4

Hoewel de wet er niet in voorziet, lijkt het wel aangewezen dat, voor zover dit mogelijk is, de jurist de delegatie aanvaardt, maar zulks onverminderd de behoeften van de dienst. Hij zal in ieder geval voorafgaandelijk aan de beslissing tot delegatie door zijn korpschef worden gehoord, waarbij deze laatste hem, desgevallend, de deontologische regels in herinnering brengt.

De jurist moet de delegatie waarvan hij het voorwerp uitmaakt niet bewijzen, in het bijzonder tijdens de terechtzitting. De jurist dient tijdens de terechtzitting trouwens de toga te dragen, waartoe hij gemachtigd is overeenkomstig artikel 1, §1, lid 1 van het KB van 22 juli 1970 betreffende de ambtskledij van de magistraten en de griffiers van de Rechterlijke Orde5.

Daarnaast zal hij de procedurestukken ondertekenen "voor de procureur des Konings" of voor de korpschef waarvan hij afhangt.

Het is de bedoeling van de delegatie om bepaalde bevoegdheden van de procureur des Konings of de korpschef waarvan ze afhangen over te dragen aan de juristen. Aangezien ze een deel van de bevoegdheden van de procureur des Konings of de korpschef waarvan ze afhangen uitoefenen, zullen de hieraan verbonden wrakingsgronden van toepassing zijn op de juristen.

2. Gezag

De parketjurist wordt onder het gezag en het toezicht geplaatst van zijn korpschef en oefent de hem toegewezen bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van één of verscheidene magistraten, wat erop neerkomt dat hij hun instructies moet naleven. In de praktijk zullen er mechanismen op het vlak van kwaliteitscontrole en toezicht moeten worden uitgewerkt, zoals voor de magistraten, om zich ervan te verzekeren dat de aan de parketjurist toevertrouwde opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de professionele normen. Rekening houdend met de verworven ervaring zal zijn graad van autonomie alsmaar toenemen voor zover er aan de kwaliteitsvereisten wordt voldaan.

De parketjuristen genieten van geen enkel voorrecht van rechtsmacht7.

3. De opdrachten

In de tekst wordt bepaald dat "de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie aan de parketjurist kan toekennen." Deze zeer algemene formulering moet worden genuanceerd.

In de oorspronkelijke tekst stond dat het de minister van Justitie was die zou vastleggen welke taken aan de parketjuristen konden worden toegekend. De Raad van State heeft deze aanpak bekritiseerd die volgens haar in strijd is met artikel 12 van de Grondwet dat de zorg om de vorm van de vervolging te bepalen toevertrouwt aan de wetgever ("Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft"). Deze instantie meent dat de wetgever zelf de bevoegdheden moet vastleggen die kunnen worden uitgeoefend door de parketjuristen8.

Met verwijzing naar de kritiek dat er afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie via de toekenning van bevoegdheden aan de parketjuristen, heeft de Raad van State de aandacht gevestigd op het volgende: "Gelet op het gegeven dat de parketjurist bij de uitoefening van de genoemde bevoegdheden onder het gezag en het toezicht staat van de korpsoverste en de hem toegekende bevoegdheden uitoefent onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere magistraten, en op het gegeven dat de betrokken bevoegdheden op elk moment ook door een parketmagistraat kunnen worden uitgeoefend, lijkt de ontworpen regeling niet te strijden met de bij artikel 151, §1, van de Grondwet gewaarborgde onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele vervolging en opsporing."

Krachtens het advies van de Raad van State heeft de wetgever een systeem van bijzondere machtiging aangenomen wat de uitoefening van de strafvordering door de parketjuristen betreft, door deze te beperken tot de materies behorende tot de bevoegheid van de politierechtbank, met uitzondering van het in artikel 419, tweede lid van het Strafwetboek vermelde misdrijf (onvrijwillige doding als gevolg van een verkeersongeval). Dit uitzonderingsregime dient te worden toegepast voor alle ongevallen met dodelijke afloop.

De parketjuristen zullen dus voor alle misdrijven die vallen onder de bevoegdheid van de politierechtbank de strafvordering op gang kunnen brengen, alle hieruit voortvloeiende handelingen uitvoeren en vorderen op de terechtzitting.

Zo zullen ze in de praktijk een vordering tot gerechtelijk onderzoek kunnen nemen, een pro-justitia kunnen opstellen, een rechtstreekse dagvaarding kunnen ondertekenen en ter zitting kunnen vorderen.

Ze zullen eveneens alle bijhorende onderzoeksdaden kunnen stellen om deze misdrijven op te sporen en bewijsmateriaal ervoor te verzamelen, met uitzondering van de vrijheidsberoving (cf. supra). Zo zullen ze bijvoorbeeld een verhoor Salduz III kunnen afnemen, maar niet Salduz IV. Ze zullen ook kunnen bevelen om een rijbewijs in te trekken.

Ze zullen niet de onmiddellijke aanhouding ter zitting kunnen vorderen. Indien ze geconfronteerd worden met een zittingsmisdrijf zullen zij verzoeken om de zitting te schorsen en zal een magistraat verder in die zaak zetelen.

In het kader van de uitoefening van de strafvordering voor de politierechtbank genieten de parketjuristen van de vrijheid van spreken zoals de magistraten van het openbaar ministerie.10

Gelet op de strikte toepassing van de wet zullen ze niet in hoger beroep kunnen zetelen11. Behoudens in geval van een dossier betreffende een onvrijwillige doding, zijn de parketjuristen echter wel gemachtigd hoger beroep aan te tekenen omdat dit recht in het verlengde ligt van het uitoefenen van de strafvordering voor de politierechtbank. Ze zullen daarentegen het hoger beroep van het openbaar ministerie niet kunnen instellen bij het rechtscollege waar beroep kan worden aangetekend (artikel 205 Sv.).

De wet bepaalt dat de parketjuristen de strafvordering niet kunnen uitoefenen voor de hoven van assisen, de correctionele kamers van de hoven van beroep en de correctionele rechtbanken. In de praktijk komt het erop neer dat de parketjurist wat betreft de misdrijven die onder de bevoegdheid van deze rechtscolleges vallen, niet de strafvordering op gang kan brengen (ondertekening van een vordering tot inonderzoekstelling of een rechtstreekse dagvaarding), niet kan zetelen tijdens terechtzittingen, geen daden kan stellen die deel uitmaken van de uitoefening van de strafvordering, waaronder meer bepaald het instellen van bijkomende of eindvorderingen of het instellen van hoger beroep. De memorie van toelichting sluit niet de mogelijkheid uit om een mini-onderzoek te vorderen: "... aangezien er geen sprake is van een vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek. Bij evocatie van een mini-onderzoek door de onderzoeksrechter is er immers een autosaisine en geen vordering van het openbaar ministerie." 12 Deze bevoegdheid kan echter niet worden gedelegeerd, omdat de saisine door de onderzoeksrechter in deze situatie de mogelijkheid met zich meebrengt dat de strafvordering op gang wordt gebracht.

Hoewel de wet de parketjuristen niet machtigt om de strafvordering uit te oefenen in correctionele en criminele zaken, belet ze hen echter niet om onderzoeksdaden te stellen, af te zien van het instellen van vervolging of alternatieven hiervoor voor te stellen (minnelijke schikking of strafbemiddeling). In artikel 12 van de Grondwet wordt immers enkel het instellen van de strafvervolging beoogd. Daarnaast maakt artikel 162 van het Gerechtelijk Wetboek het mogelijk om alle bevoegdheden van het openbaar ministerie te delegeren, met uitzondering van die waarvoor een wettelijke machtiging vereist is. Dit betekent met andere woorden dat alle bevoegdheden van het openbaar ministerie die niet het instellen van strafvervolging (instellen en uitoefenen van de strafvordering) met zich meebrengen aan de parketjuristen kunnen worden toegekend.

De verruimde minnelijke schikking moet daarentegen worden uitgesloten, want in dit geval werd de strafvordering reeds op gang gebracht.

a. Opsporingsonderzoek

De parketjurist kan een opsporingsonderzoek uitvoeren en alle wettelijke toegestane onderzoeksdaden stellen met uitzondering van de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Hij zou daarentegen een inbeslagname, een bankonderzoek, de identificatie van een telefoonnummer of het onderscheppen van post kunnen bevelen of de politiediensten vorderen om een onderzoeksdaad te stellen. Hij zal desalniettemin geen bijzondere opsporingsmethoden kunnen uitvoeren rekening houdend met de gevoelige aard ervan en de complexiteit van de dossiers waarin deze methoden worden ingezet. Zoals er reeds hierboven werd gesteld was het duidelijk de wens van de wetgever om geen complexe dossiers toe te vertrouwen aan de parketjuristen. Bovendien behoren de bijzondere opsporingsmethoden tot de bevoegdheid van een BOM-magistraat.

Tijdens de besprekingen in de commissie Justitie heeft de minister van Justitie te kennen gegeven dat de parketjurist geen wachtdienst mag verrichten.13

De wet verbiedt ook niet dat de parketjurist een strafuitvoeringsonderzoek leidt aangezien er in dat geval per definitie reeds definitief beslist werd over de strafvordering. Op grond van dezelfde motivering als tijdens het opsporingsonderzoek zullen ze in dat kader geen bijzondere opsporingsmethodes kunnen uitvoeren. Hoewel de wet geen delegatie verbiedt wat de uitoefening van de opdrachten van het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank betreft, dient dit te worden uitgesloten aangezien deze materie de individuele vrijheid raakt. Hij zal daarentegen dossiers betreffende herstel in eer en rechten volledig kunnen behandelen, inbegrepen het zetelen op terechtzittingen van de kamer van inbeschuldigingstelling14.

b. Adviserende bevoegdheid en vorderingsrecht in burgerlijke zaken

In burgerlijke zaken zullen de parketjuristen adviezen kunnen ondertekenen en formuleren op de terechtzitting van zowel de rechtbank van eerste aanleg, de familierechtbank, de handelsrechtbank en de arbeidsrechtbank, als van het vredegerecht of de politierechtbank. Wat betreft de delegatie voor de familierechtbank zal de korpschef in het bijzonder erop toezien dat de jurist over de nodige bekwaamheid beschikt wanneer hij advies moet verlenen over geschillen waarbij kinderen betrokken zijn.

Ze zullen eveneens het aan het openbaar ministerie toevertrouwde vorderingsrecht kunnen uitoefenen in het kader van burgerlijke, handels en sociale materies (bijvoorbeeld rechtstreekse dagvaarding in faillissement, schijnhuwelijk of vordering sui generis van de arbeidsauditeur) met uitzondering van de inobservatiestelling van de geesteszieken rekening houdend met de aantasting van de individuele vrijheid die deze maatregel met zich meebrengt. De wetgever heeft immers duidelijk de tussenkomst van de jurist verboden in het kader van de wet betreffende de voorlopige hechtenis.

c. Jeugdzaken

Hoewel de wet het niet uitsluit, zullen de juristen niet kunnen zetelen op jeugdterechtzittingen met betrekking tot minderjarigen in een verontrustende opvoedingssituatie (VOS) en maatregelen ten aanzien van de ouders rekening houdend met de beperkingen op de individuele vrijheid en de beperkingen van het ouderlijk gezag die deze rechtbank kan bevelen. Ze zullen het vorderingsrecht niet kunnen uitoefenen om maatregelen op te leggen op basis van als misdrijf omschreven feiten of een VOS, of ten aanzien van ouders bij de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank. Ze zullen desalniettemin onderzoeksdaden kunnen stellen naar analogie met de correctionele materies met uitzondering van de vrijheidsberovende of vrijheidsbeperkende maatregelen.

4. Het arbeidsregime

Omwille van de ‘tweeslachtige’ positie van de gedelegeerde parketjurist is het de korpschef die in overleg met de hoofdsecretaris het arbeidsregime dient vast te leggen dat hem het meest geschikt lijkt.

Artikel 162, §2 van het Gerechtelijk Wetboek dat vervangen wordt door de wet van 25 april 2007 wordt aangevuld met vijf leden:

Bij gemotiveerde individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie toekennen aan bij het parket-generaal, auditoraat-generaal, federaal parket, parket of arbeidsauditoraat aangewezen parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken.

De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft.

Uitgesloten zijn:

— de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken;

— de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;

— het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.

De bevoegdheden die enkel parketmagistraten die daartoe een bijzondere, door de wet voorgeschreven opleiding hebben gevolgd, kunnen uitoefenen, kunnen de parketjuristen enkel uitoefenen mits eenzelfde opleiding gevolgd te hebben.

De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel jurist worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste anciënniteit.

Deze toekenning van bevoegdheden kan op elk ogenblik door de korpschef worden ingetrokken. De parketjurist staat onder het gezag en toezicht van zijn korpschef en oefent de hem toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van één of meer magistraten.

Rechtsleer: 

• HERBOTS, P., Parketjurist en referendaris beter betaald. Balie-ervaring meegeteld voor berekening anciënniteit, Juristenkrant 2007, afl. 153, 17

• Marek Verhoeven, De juristenkrant, 21 maart 2012, nr. 246, De referendaris: de helpende hand van de rechter

• W. Pas, «De auditeurs en referendarissen in de Raad van State», Cass@nova 2005/2, p. 6 en 7;

• R. Ryckeboer, «De referendarissen bij het Arbitragehof», Cass@nova 2005/2, p. 4-6.

• A. Bossuyt, «De referendarissen van Europa», Cass@nova 2005/2, p. 7 en 8).

• I. Boone, «De referendarissen bij het Hof van Cassatie», Cass@nova 2005/2, 1-4;

• T. Erniquin, «Les référendaires attachés aux juridictions supérieures», JT 2003, 717-729 en 796.

•  Baudenelle, «Les référendaires près les cours d’appel et les tribunaux de première instance», JT 2005, 781-786;

• K. Blomme, «De functie en het statuut van de hoven en rechtbanken in evolutie», Ius et actores 2009, nr. 3, p. 5-46;

• C. De Busschere, «Artikel 162» in Comm.Ger., 2009;

• G. De Leval en F. Georges, Précis de droit judiciaire, I, Brussel, Larcier, 2010, p. 255-257, nrs. 389-393;

• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 355-358.

•  Verslag L. Willems en R. Landuyt, Parl.St. Kamer 1998-99, nr. 2037/2, p. 10.

• E. Van Dooren, «De wettelijke termijn van installatie en eedaflegging voor gerechtelijke ambten, met bijzondere toepassing op de referendarissen bij het Hof van Cassatie», RW 2008-09, p. 1573, nr. 2; 
 

Wetgeving: 

• Wet van 24 maart 1999 met betrekking tot de parketjuristen en de referendarissen..., BS 7 april 1999, 11.297, err. BS 8 mei 1999, 16.037;

• Wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot de bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie, BS 1 juni 2007, 29.680, err. BS 30 juli 2007, 40.274.

• Artikel 197 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (B.S. van 19 februari 2016) vult artikel 162, §2, van het Gerechtelijk Wetboek

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 09:44
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 09:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.