-A +A

Overschrijding redelijke termijn in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 21ter Voorafgaande Titel Sv. bepaalt dat, bij overschrijding van de redelijke termijn, de rechter hetzij de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring kan uitspreken (waarbij een veroordeling tot de kosten, teruggave en een eventuele bijzondere verbeurdverklaring wel nog mogelijk zijn), hetzij een straf kan uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. De sanctie is materieelrechtelijk sanctie met een invloed op de bestraffing.

De overschrijding van de redelijke termijn van de procesgang in strafzaken maakt een schending uit van de rechten van verdediging en dus van het recht op een eerlijk proces. De vraag die zich terecht stelt is welke sanctie hieraan dient gekoppeld te worden en welke rechtbank (vonnisgerecht onderzoeksgerecht) de overschrijding van de redelijke termijn kan sanctioneren.

Indien er door de overschrijding van de redelijke termijn wel een onherstelbaar nadeel is toegebracht aan het recht van verdediging, wordt de procedurele sanctie van de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uitgesproken (Cass. 25 januari 2000, JT 2001, 47, noot F. Kuty; Cass. 3 oktober 2012, T. Strafr. 2014, 179; zie ook: GwH 18 februari 2010, nr. 16/2010, T. Strafr. 2010, 91, noot; GwH 29 april 2010, nr. 51/2010; W. De Pauw, «De Cassatie-rechtspraak in verband met de beoordeling van de redelijke termijn voor de onderzoeksgerechten getoetst aan de Grondwet», RABG 2010, 859-865).

Het beginsel van het naleven van de redelijke is een algemeen rechtsbeginsel, dat de wet in voorkomend geval aanvult. Art. 6.1. EVRM vermeldt de redelijke termijn als onderdeel van het recht op een eerlijk proces (Cass. 29 juni 1999, JLMB 2000, 52, noot Kuty). Het beginsel is ingeschreven in art. 14 BUPO-Verdrag en in art. 21ter Voorafgaande Titel Sv.

"De redelijke termijn is de uitdrukking van de gedachte dat de onzekerheid die met de vervolging gepaard gaat, voor de verdachte zoveel mogelijk beperkt moet worden. In die zin is het dan ook een waarborg die aan de verdachte om billijkheidsredenen wordt gegeven". (C. Van Den Wyngaert m.m.v. B. De Smet en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Maklu, 2014, 721).

Ook voor de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling is de redelijke termijn van belang, onder meer voor het verhinderen dat bewijs tenietgaat, maar eveneens voor het adequaat beantwoorden van de maatschappelijke vraag tot bestraffing in bepaalde zaken (J. Meese, Overschrijding van de redelijke termijn, Gent, Larcier, 2008, p. 4, nr. 4).

Deze termijn begint te lopen vanaf de «vervolging», namelijk vanaf het moment dat de verdachte weet dat hij zich moet verdedigen (Cass. 21 november 1995, RW 1996, 970) en loopt tot de definitieve beslissing over de grond van de zaak (D. Vandermeersch, «Le contrôle et la sanction du dépassement du délai raisonnable aux différents stades du procès pénal», Rev.dr.pén. 2010, 981).

Het overschrijden van de redelijke termijn kan tot gevolg hebben dat het tijdsverloop de bewijsgaring zodanig heeft aangetast waardoor de rechter niet meer kan oordelen of de beklaagde de feiten pleegde. In dit geval dient de rechter vrij te spreken.

Conform artikel 6.1 van het Europees verdrag van de rechten van de mens heeft elke rechtsonderhorigen het recht dat zijn strafproces wordt afgehandeld binnen een redelijke termijn.

Artikel 21 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering heeft hiertoe een sanctie voorzien ingeval van overschrijding van de redelijke termijn waarin uitdrukkelijk gesteld wordt dat de rechter ten gronde als dan een veroordeling kan uitspreken bij eenvoudige schuldigverklaring dan wel een straf die lager ligt dan degene die hij zou uitspreken indien er geen overschrijding was van de redelijke termijn termijn of zelfs onder het wettelijk minimum ligt.

De Belgische wet voorziet de bevoegdheid om de overschrijding van de wettelijke termijn te sanctioneren door de grondrechter, dus de vonnisrechter en laat deze bevoegdheid niet aan de onderzoeksgerechten zoals de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling.

Nochtans wordt meermaals en dit zelfs met succes voor de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling tot verval van de strafvordering besloten wegens overschrijding van deze wettelijke termijn en dit dan niet op basis van het interne Belgisch recht maar dan op basis van de voormelde internationale norm.

Het Hof van Cassatie sprak zich een eerste maal uit op 8 april 2008 waarbij zij deze bevoegdheid van de onderzoeksgerechten erkende door te stellen dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 van het Europees verdrag van de rechten van de mens zich tot de nationale rechter moet kunnen wenden teneinde rechtsherstel te bekomen hetgeen moet kunnen gebeuren in elk stadium van de strafprocedure, dus ook voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling.

Wanneer het internationaal recht aan elke burger een eerlijk proces waarborgt, impliceert dit dat een zaak die maar al te lang aansleept tot gevolg heeft dat de verdachte of de beklaagde zich nog onmogelijk op een correcte manier kan verdedigen. Hoe kan hij nog na al die tijd zich alle elementen herinneren en hoe kan hij nog alle mogelijke elementen a décharge verzamelen. Bovendien kunnen er ondertussen getuigen overleden zijn, bewijsstukken verdwenen zijn, wettelijke bewaringstermijnen van bepaalde documenten verstreken...

het zijn deze overwegingen die de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent in twee arresten deed besluiten dat de strafvordering in dit geval niet vervalt maar ze als dusdanig niet verder toelaat.

Deze arresten dateren van 30 april 2009 en 2 juni 2009 en werden weergegeven in een commentaar van de juristenkrant nummer 194 van 30 september 2009.

Commentaar:
De overschrijding van de redelijke termijn en de sanctionering ervan door vonnisgerechten en onderzoeksgerechten:
Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve of op verzoek van een der partijen de regelmatigheid van de procedure bij de regeling van de rechtspleging en in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.
Hieruit volgt dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kennisneemt van de zaak en bij die gelegenheid door de inverdenkinggestelde geroepen wordt uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, zij toepassing moet maken van artikel 235bis, § 1, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering. Zij dient dan overeenkomstig dit artikel over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. De kamer van inbeschuldigingstelling is immers een nationale instantie tot dewelke de inverdenkinggestelde zich kan richten als bedoeld in artikel 13 EVRM. Eén en ander werd met zoveel woorden gesteld in een arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2008.
Dat arrest betekende een ommekeer ten opzichte van de vroegere rechtspraak, die stelde dat enkel de vonnisrechter uitspraak doet over de overschrijding van de redelijke termijn (Cass., 8 november 2005, P.05.1191.N), nadat die rechtspraak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens expliciet was veroordeeld (EHRM, 25 september 2007, De Clerck t. België, § § 84-85).
Aangezien artikel 235bis als enige mogelijke sancties de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering (artikel 235bis, § 5) en de nietigheid « van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging » (artikel 235bis, § 6) vermeldt, kan men ervan uitgaan  dat het onderzoeksgerecht dat de overschrijding van
In drie recente arresten verduidelijkte het Hof van Cassatie evenwel zijn rechtspraak :
« Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder het recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, onaantastbaar oordeelt welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak » (Cass., 27 oktober 2009, P.09.0901.N).
« Het onderzoeksgerecht dat beslist over de regeling van de rechtspleging, kan nochtans ook over de overschrijding van de redelijke termijn oordelen.
Alleen wanneer het oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is, kan het hem van rechtsvervolging ontslaan.
Aldus wordt de verdachte overeenkomstig artikel 13 EVRM daadwerkelijke rechtshulp geboden om door het vonnisgerecht en eventueel, onder de hierboven vermelde beperking, door het onderzoeksgerecht een miskenning van zijn recht op een proces binnen redelijke termijn te doen vaststellen.
De kamer van inbeschuldigingstelling heeft evenwel niet de bevoegdheid om louter omwille van de overschrijding van de redelijke termijn het verval van de strafvordering uit te spreken waarbij dan nog de burgerlijke rechtsvordering zonder meer wordt ter zijde geschoven » (Cass., 24 november 2009, P.09.0930.N).
« Wanneer het onderzoeksgerecht oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is en hij van rechtsvervolging wordt ontslagen, moet het preciseren tegen welke bewijsmiddelen en waarom de verdachte zich niet meer behoorlijk zou kunnen verdedigen. Deze motivering moet het Hof toelaten te toetsen of de kamer van inbeschuldigingstelling wettig heeft kunnen oordelen, zoals zij dat heeft gedaan » (Cass., 24 november 2009, P.09.1080.N).
De strekking van de voormelde  arresten heeft als gevolg dat er geen verschil bestaat tussen de vonnisgerechten en de onderzoeksgerechten bij de beoordeling van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn aangezien in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die niet als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », de onderzoeksgerechten noch de vonnisgerechten vermogen het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken.
Ook in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die wel als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », bestaat er geen verschil in behandeling tussen de verdachte voor het onderzoeksgerecht en de beklaagde voor de vonnisrechter. De vonnisrechter dient immers, indien de bewijsvoering onmogelijk is geworden, de beklaagde vrij te spreken en, indien het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast, dient hij de onontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen.
Ondersteuning en bron van dit argument: Grondwettelijk Hof 18 februari 2010, RABG 2010/13, 852.
Rechtsleer: 

• F. Deruyck, «De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: Let’s get serious» in F. Deruyck en M. Rozie (eds.), Het strafrecht bedreven: Liber Amicorum Alain De Nauw, Brugge, die Keure, 2011, 171-182;

• F. Kuty, «Une nouvelle sanction au dépassement du délai raisonnable: la déclaration de culpabilité sans prononciation de peine», JT 1998 , 793-796;

• F. Kuty, «Dépassement du délai raisonnable, peine inférieure au minimum légal et irrecevabilité des poursuites», JT 2001, 41-46;

• L. Arnou, «Is er nog toekomst voor de onontvankelijkheid van de strafvordering als sanctie van het overschrijden van de redelijke termijn in strafzaken?» (noot onder Gent 20 december 1994), AJT 1995-96, 548-552;

• A. De Nauw en M. Vandebotermet, «De gevolgen van de overschrijding van de «redelijke termijn» van artikel 6.1. EVRM», RW 1988-89, 1281-1291;

• J. Meese, «De overschrijding van de redelijke termijn: is de verrijzenis van de sanctie van verval of onontvankelijkheid in het verschiet?» (noot onder Cass. 8 april 2008), NC 2008, 359-362;

• B. De Smet, «Controle op de redelijke termijn van het strafproces tijdens de regeling der rechtspleging (noot onder Cass. 24 november 2009), RW 2009-10, 1387-1390;

• J. Meese, «De redelijke termijn in strafzaken: een stand van zaken», NC 2010, 315-320; D. Vandermeersch, o.c., Rev.dr.pén. 2010, 985-1006).

• Willem De Pauw, De cassatierechtspraak in verband met de beoordeling van de redelijke termijn door de onderzoeksgerechten getoetst aan de grondwet, RABG, 2010/13, 859.

• L. Van den Steen, De overschrijding van de redelijke termijn en de internering: het één sluit het ander niet uit noot onder Cass. 19/04/2016, RW 2017-2018, 499

• Vetters en Bonné, Strafvordering onontvankelijk indien recht van verdediging wordt geschonden door flagrant overschrijden van de wettelijke termijn, noot onder Rb. Gent 21 okober 2013, RABG 2014/19, 1324.

Samenvatting van het geannoteerde vonnis.

Wanneer het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is is de strafvordering onontvankelijk (Cass. 24 november 2009, met noot B. De Smet, "Controle op de redelijke termijn van het strafproces tijdens de regeling van rechtspleging", RW 2009-10, 1839, nr 9) en Cass. 15/09/201, Cass. 07/09/2011, GwH 18/02/2010 en 29/04/2010.

Zowel onderzoeksgerechten als vonnisgerechten kunnen de overschrijding van de redelijke termijn vaststellen.

Of de redelijke termijn al dan niet werd overschreden, moet niet in abstracto worden geoordeeld, maar wel in concreto (EHRM 15/11/2001, Olstowski).

De complexiteit van een zaak vormt geen blijvende verantwoording voor een onredelijk lange duur. Zie EHRM 15/07/2002, JLMB 2002, 1406 waarbij geoordeeld werd dat noch de complexiteit van de zaak, noch de organisatorische moeilijkheden van het onderzoeksgerecht een verantwoording uitmaken en een termijn van 6 jaar en 2 maanden bestempels werd als miskenning van de redelijke termijn.

Evenmin maakt een personeelsonderbezetting van een onderzoekscel (zoals de fiscale administratie) of de structurele overbelasting van hoven en rechtbanken een geldige verantwoording uit.

Rechtspraak: 

• Cassatie 13/01/2010 AR P.10.0001.F Juridat

samenvatting

Om in het licht van de concrete gegevens van de zaak te oordelen of de in artikel 5.3 van het E.V.R.M. bepaalde redelijke termijn al dan niet is overschreden, moet de rechter bij de uitspraak over de voorlopige hechtenis het tijdstip van zijn beslissing in aanmerking namen en het ogenblik waarop, naar zijn schatting, de zaak ten gronde zal kunnen worden behandeld.

tekst vonnis

Nr. P.10.0001.F

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 december 2009.

II. FEITEN

De eiser is sedert 20 oktober 2008 voorlopig aangehouden en werd bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 30 september 2009, dat de gevangenneming beveelt, wegens poging tot moord verwezen naar het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad.

Het bestreden arrest verklaart een door de eiser op 28 december 2009 ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden, niet gegrond en voert daarbij aan dat de redelijke termijn is overschreden die bij artikel 5.3 EVRM is gewaarborgd.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel 

Eerste onderdeel

Het arrest vermeldt dat miskenning van de redelijke termijn die bij de aangevoerde verdragsbepaling is gewaarborgd, niet louter kan worden afgeleid uit het feit dat de misdaad van 20 oktober 2008 die de eiser ten laste is gelegd, door het hof van assisen eerst in de loop van het laatste trimester van het jaar 2010 kon worden berecht.

De eiser oefent kritiek uit op deze redengeving en verwijt het arrest dat het de duur van de hechtenis niet beoordeelt in het licht van de concrete gegevens van de zaak. Volgens het middel had de kamer van inbeschuldigingstelling moeten nagaan of de rechtspleging zonder onverantwoorde vertraging voortgang vindt, rekening houdend met de veelheid van de feiten, de ernst ervan, de houding van de inverdenkinggestelde en de snelheid waarmee de instanties het onderzoek voeren waarmee ze zijn belast.

Om te oordelen of de in artikel 5.3 EVRM bepaalde redelijke termijn al dan niet is overschreden, moet de rechter bij de uitspraak inzake voorlopige hechtenis, het tijdstip van zijn beslissing in aanmerking nemen en niet het ogenblik waarop, naar zijn schatting, de zaak zelf zal kunnen voorkomen.

Door te verwijzen naar een mogelijke vaststelling van de zaak voor het hof van assisen, een jaar nadat zij daarnaar werd verwezen, antwoordt de kamer niet naar recht op het verweer volgens hetwelk de handhaving van de voorlopige hechtenis vanaf heden in strijd is met het voormelde artikel 5.3, rekening houdend met de duur van de reeds ondergane hechtenisneming, met het feit dat een zaak waarvan het onderzoek is afgesloten geen ingewikkelde zaak is, met de bekentenissen van de eiser en de voorwaarden tot vrijlating die hij voorstelt om het gevaar voor herhaling te voorkomen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel,

• Cassatie 01/03/2016, RW 2016-2017, 735

Samenvatting

Uit de artikelen 6 en 13 EVRM volgt niet dat een ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, die niet heeft geleid tot een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde of het teloorgaan van bewijsmateriaal, moet worden gesanctioneerd met een verval van de strafvordering of een buitenvervolgingstelling; het rechtsherstel waarop de inverdenkinggestelde ingevolge deze verdragsbepalingen is gerechtigd, kan bestaan in een voor de burgerlijke rechtbank te vorderen schadevergoeding of de vaststelling door het onderzoeksgerecht van die overschrijding, waarmee de vonnisrechter in het licht van de gehele rechtspleging rekening moet houden en waaruit hij de bij de wet bepaalde gevolgen moet afleiden

Tekst arrest

Nr. P.15.1272.N
J A H,
inverdenkinggestelde,
eiser,
tegen
A M,
burgerlijke partij,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 17 september 2015.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. Het arrest verklaart eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raad-kamer niet ontvankelijk in zoverre dit hoger beroep is gesteund op de voor de eer-ste rechter schriftelijk ingeroepen middelen betreffende de verjaring van de straf-vordering voor de onderdelen 1 en 3 van de telastlegging en de bezwaren.

2. Uit artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasse-lijk, volgt dat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uit-spraak doet over het hoger beroep tegen een verwijzingsbeschikking, voor de in-verdenkinggestelde slechts cassatieberoep openstaat, wanneer zijn hoger beroep zelf ontvankelijk is, dit is in de gevallen bepaald in artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering.

3. Het niet-beantwoorden door de verwijzingsbeschikking van een middel be-treffende de verjaring van de strafvordering en het ontbreken van een redengeving betreffende het bestaan van voldoende bezwaren maken een verzuim van deze be-schikking uit, zodat het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen deze beschikking ontvankelijk is wanneer het middel tot staving van dit hoger beroep met recht een dergelijk verzuim aanvoert. Zijn hoger beroep is daarentegen niet ontvankelijk wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, ondanks het aangevoerde verzuim, wettig vaststelt dat de beroepen beschikking afdoende met redenen is omkleed.

4. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van eisers cassatieberoep vereist een antwoord op het eerste middel van de eiser dat nauw verband houdt met die ont-vankelijkheid.

Eerste middel

Eerste en tweede onderdeel

5. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 130, 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eerste rechter geen verplichting had om het schriftelijk verweer over het tijdstip van de onderdelen 1 en 3 en de daaruit afgeleide verjaring van de strafvordering ruimer te beantwoorden; het arrest beslist dat het debat over het tijdstip waarop een ten laste gelegde feit is voltrokken tot het debat over de bezwaren behoort en dat de raadkamer eisers conclusie over het verjaard zijn van de onderdelen 1 en 3 kan beantwoorden met de vaststelling dat er bezwaren bestaan; de regel dat de bepaling van het tijdstip van een ten laste gelegd feit onder de bezwaren valt, geldt enkel in het geval daar geen gevolgen aan verbon-den zijn met betrekking tot een eventuele oorzaak van verval van de strafvordering, zoals de verjaring; indien een inverdenkinggestelde voor de raadkamer aanvoert dat de strafvordering is vervallen, moet de raadkamer daarop antwoorden en op grond van de precieze feiten waarvoor het bezwaren aanneemt, onderzoeken of de feiten, voor zover bewezen, verjaard zijn, zodat de kamer van inbeschuldiging-stelling kan nagaan of de raadkamer op grond van de concrete aangegeven feiten haar gevolgtrekking wettig heeft kunnen verantwoorden; de beroepen beschikking oordeelt enkel dat alle feiten samen moeten worden bekeken en dat de verjaring gelet op de eenheid van opzet tussen alle feiten, slechts is beginnen lopen vanaf de laatste strafbare gedraging; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord; met het oordeel dat de raadkamer het verweer van de eiser met betrekking tot de verjaring van de strafvordering wegens de onderdelen 1 en 3 wel degelijk heeft beant-woord, terwijl de raadkamer enkel heeft geoordeeld dat er voor alle feiten samen eenheid van opzet bestaat en de verjaring pas begint te lopen vanaf de laatste strafbare gedraging, miskent het arrest de bewijskracht van deze beschikking daar dit verweer van de eiser niet werd beantwoord.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 130, 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het debat over het tijdstip waarop een ten laste gelegde feit is voltrokken, behoort tot het debat over de be-zwaren en derhalve niet kan worden betrokken in het debat voor de kamer van in-beschuldigingstelling, zelfs niet in het kader van het verplicht door die kamer te voeren onderzoek van het aangevoerde middel van het verval van de strafvorde-ring door verjaring; indien het aannemen van het door de inverdenkinggestelde gevoerde verweer met betrekking tot de datum van het feit tot gevolg heeft dat de strafvordering wegens die telastlegging is vervallen door verjaring moet de kamer van inbeschuldigingstelling de aangevoerde grond van verval van de strafvorde-ring beoordelen; de kamer van inbeschuldigingstelling moet nagaan of het ten laste gelegde feit wel degelijk op de in de vordering van het openbaar ministerie aangenomen datum werd gepleegd; anders is er geen werkelijk onderzoek van de aangevoerde exceptie van verjaring; het arrest dat anders oordeelt, is dan ook niet naar recht verantwoord.

6. Artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De inverdenkingge-stelde kan in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130, onverminderd het in artikel 539 van dit wetboek beoogde hoger beroep. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering. Het hoger beroep is in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke conclusie is ingeroepen voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de raadkamer."

7. Die bepaling biedt aan de inverdenkinggestelde, binnen de perken die het bepaalt, de mogelijkheid om bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep in te stellen tegen de verwijzingsbeschikking in verband met bevoegdheids-betwistingen, onregelmatigheden betreffende een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging en andere gronden die van die aard zijn dat de strafvordering erdoor kan worden beëindigd. Daarentegen verleent die bepaling aan de inverden-kinggestelde geen mogelijkheid om in het kader van een hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking, voor de kamer van inbeschuldigingstelling het bestaan aan te vechten van de bezwaren die deze beschikking onaantastbaar vaststelt. Be-treffende die bezwaren kan de inverdenkinggestelde immers al zijn verweermid-delen doen gelden voor de feitenrechter.

8. De raadkamer oordeelt onaantastbaar of er voor het feit zoals zij dat onder meer omschrijft, naar datum voldoende bezwaren bestaan om de inverdenkingge-stelde naar de feitenrechter te verwijzen. In geval van verwijzing zijn die om-schrijving en beoordeling steeds voorlopig. Het staat dan immers aan de rechter op verwijzing om na onderzoek van alle aan tegenspraak onderworpen gegevens die blijken uit het strafonderzoek en het onderzoek ter rechtszitting, op definitieve wijze het feit te omschrijven en te beoordelen en daarbij te bepalen of de strafvor-dering betreffende dat feit al dan niet vervallen is door verjaring. Bij die beoordeling mag de vonnisrechter niet gebonden zijn door een omschrijving van de datum van het feit door de kamer van inbeschuldigingstelling.

9. Daaruit volgt dat de raadkamer de conclusie van de inverdenkinggestelde die het tijdstip betwist waarop een telastlegging van bedrieglijk onvermogen wordt gesitueerd en op die grond het verval van de strafvordering wegens verja-ring aanvoert, beantwoordt door voor die telastlegging het bestaan van bezwaren vast te stellen.

10. In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat op de raadkamer een verder strekkende motiveringsplicht zou rusten of dat de kamer van inbeschuldiging-stelling zelf het tijdstip van de telastlegging zou moeten beoordelen en op grond daarvan oordelen over de aangevoerde verjaring van de strafvordering, falen ze naar recht.

11. Het arrest oordeelt dat:
- de eiser uit het oog verliest dat het debat over het tijdstip waarop een ten laste gelegde feit is voltrokken tot het debat over de bezwaren behoort;
- de raadkamer heeft geoordeeld dat er voldoende bezwaren bestaan om de eiser naar de vonnisrechter te verwijzen wegens de telastlegging zoals omschreven in de tweede eindvordering van het openbaar ministerie:
- de raadkamer geen verplichting heeft om het schriftelijk verweer van de eiser over de bezwaren met inbegrip van het verweer over het tijdstip van de onder-delen 1 en 3 van de telastlegging ruimer te beantwoorden dan door de vaststel-ling dat er voldoende bezwaren zijn.

Aldus is die beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

12. De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de beschikking van de raadkamer is afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde wetsschending.
In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk.

Derde onderdeel
Eerste en tweede subonderdeel

13. Het eerste subonderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de telastlegging voorziet in een globale periode van 4 april 2005 tot 10 december 2013, wat noodzakelijk inhoudt dat alle onderdelen van deze telastlegging in deze periode dienen te worden gesi-tueerd, geeft het arrest aan de vordering van de procureur des Konings een uitleg-ging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Het tweede subonderdeel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 130, 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat ook het derde en het zesde onderdeel dienen te worden gesitueerd in de globale periode van 4 april 2005 tot 10 december 2013 miskent het arrest het relatief gezag van gewijsde van de beschikking van de raad-kamer die onaantastbaar had geoordeeld over de aanwezigheid van bezwaren en dus over het tijdstip waarop het derde en het zesde onderdeel van de telastlegging werden gepleegd.

14. De subonderdelen die gericht zijn tegen een reden die de bestreden beslis-sing niet schraagt en die dus niet tot cassatie kunnen leiden, zijn niet ontvankelijk.

15. In zoverre eisers cassatieberoep is gericht tegen het onontvankelijk verklaren van zijn hoger beroep, is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

16. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de enkele vaststelling door het onderzoeksgerecht dat de redelijke termijn is overschreden op zich een passend en daadwerkelijk rechtsher-stel uitmaakt voor de eiser en dat het passend karakter van dit rechtsherstel niet wordt teniet gedaan door het gegeven dat het de feitenrechter is die de verdere concrete gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn zal bepalen; de overschrijding van de redelijke termijn blijft voortduren en kent tot de beslissing van het vonnisgerecht geen enkel gevolg; ingeval van vrijspraak kan het vonnis-gerecht geen rechtsherstel verlenen; daadwerkelijke rechtshulp vereist een passend niveau van herstel zonder lange termijnen; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.

17. Uit de artikelen 6 en 13 EVRM volgt niet dat een ter gelegenheid van de re-geling van de rechtspleging vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, die niet heeft geleid tot een onherstelbare miskenning van het recht van verdedi-ging van de inverdenkinggestelde of het teloorgaan van bewijsmateriaal, moet worden gesanctioneerd met een verval van de strafvordering of een buitenvervol-gingstelling. Het rechtsherstel waarop de inverdenkinggestelde ingevolge deze verdragsbepalingen is gerechtigd, kan bestaan in een voor de burgerlijke rechtbank te vorderen schadevergoeding of de vaststelling door het onderzoeksgerecht van die overschrijding, waarmee de vonnisrechter in het licht van de gehele rechtspleging rekening moet houden en waaruit hij de bij de wet bepaalde gevol-gen moet afleiden.

18. Het in een dergelijk geval vervallen verklaren van de strafvordering of het bevelen van een buitenvervolgingstelling en de daaruit vloeiende onmogelijkheid voor het onderzoeksgerecht om van de burgerlijke rechtsvordering kennis te ne-men, zou aan de burgerlijke partij bovendien het recht ontzeggen op een behande-ling van de zaak door de strafrechter.

19. De voormelde vormen van rechtsherstel en desgevallend de combinatie er-van laten wel degelijk een passend niveau van herstel zonder al te lange termijnen en dus een daadwerkelijke rechtshulp toe: de vonnisrechter moet de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn en de sindsdien verlopen termijn in aanmerking nemen en de betrokkene kan vanaf het ogenblik dat hij meent dat de re-delijke termijn-vereiste is miskend voor de burgerlijke rechtbank een vergoeding eisen voor de schade die hij ingevolge die voorgehouden miskenning zou hebben geleden.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

20. Met de redenen die het arrest (p. 13) bevat, oordeelt het dat in dit stadium van de rechtspleging de enkele vaststelling van de overschrijding op zich een pas-send en daadwerkelijk rechtsherstel is voor de eiser en dat de omstandigheid dat het de feitenrechter is die bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verdere concrete gevolgen van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn zal bepalen, niet inhoudt dat het rechtsher-stel wordt uitgesteld of niet passend is, aangezien de feitenrechter gebonden is door deze vaststelling. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 110,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Commentaar: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 14 januari 2014, RW 2014-2015, 1341

De door art. 6.1. EVRM bedoelde redelijke termijn waarbinnen over de gegrondheid van een strafvervolging moet zijn beslist, neemt een aanvang op het ogenblik waarop de betrokkene is beschuldigd van de strafbare feiten waarvoor de strafvervolging is ingesteld, dit is wanneer hij in verdenking is gesteld of wanneer hij ingevolge enige andere daad van het opsporings- of het gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft.

De in het kader van een administratief fiscaal onderzoek verrichte onderzoekshandelingen stellen de betrokken belastingplichtige niet in verdenking en zijn ook geen daden van het opsporings- of het gerechtelijk onderzoek waardoor hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft.

Het arrest kon wettig het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn situeren op het ogenblik van de klacht door de bevoegde inspecteur van de belastingadministratie aan het openbaar ministerie. Die beslissing is naar recht verantwoord.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 01/10/2009 - 16:02
Laatst aangepast op: ma, 27/11/2017 - 12:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.