-A +A

Opzettelijk meedelen van onjuiste gegevens aan verzekering nietigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Door het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over de antecedenten van de bestuurder wordt de verzekeraar misleid en wordt hem met betrekking tot de inschatting van het risico essentiële informatie onthouden, waardoor de verzekeringsovereenkomst nietig is (artikel 6 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst).

• HOF VAN BEROEP  TE GENT,  1e kamer, 19 februari 2009, RABG/2010/20 1338
samenvoeging van 2005/AR/2846 en  2005/AR/2854)

D.L. A., 

appellant,

tegen:

1. NAVIGA-MAURETUS N.V., thans ingevolgde naamswijziging NATEUS, verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, ingeschreven met KBO-nummer 0404.484.654, eerste geïntimeerde,

2. ZAKENKANTOOR B. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8780 OOSTROZEBEKE, Hoogstraat 54, ingeschreven met KBO-nummer 0428.365.658, tweede geïntimeerde,en in de beroepsakte aangeduid als partij "mede inzake":

D.L. F., 

en 2005/AR/2854

in de zaak van:

D.L. F., appellant,

tegen:

1. NAVIGA-MAURETUS N.V., thans ingevolgde naamswijziging NATEUS, verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, ingeschreven met KBO-nummer 0404.484.654, eerste geïntimeerde,

2. ZAKENKANTOOR B. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8780 OOSTROZEBEKE, Hoogstraat 54,ingeschreven met KBO-nummer 0428.365.658, tweede geïntimeerde,

3. D.L. A., derde geïntimeerde,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van dit hof op 25 november 2005 hebben A. D.L. (2005/AR/2846) en F. D.L. (2005/AR/2854) tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 september 2005, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, derde kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

1. Op 5 juli 1996 raakt F. D.L. (appellant in de zaak 2005/AR/2854) met zijn personenwagen BMW 320 betrokken bij een ongeval. Het voertuig, dat omnium verzekerd is bij N.V. De Medische (later N.V. Naviga-Mauretus en thans N.V. Nateus, eerste geïntimeerde in de beide zaken) door bemiddeling van B.V.B.A. Zakenkantoor B. (tweede geïntimeerde in de beide zaken), wordt onherstelbaar beschadigd. De schade wordt volgens expertiseverslag van 16 juli 1996 geraamd op 1.331.000 frank (=  euro  32.994,63), meer een vergoeding van 59.200 frank (=  euro  1.467,53) voor wachttijd en vervangingstermijn, doch onder aftrek van de verkoopwaarde van het wrak ten bedrage van 488.805 frank (=  euro  12.117,16).

Met aangetekend schrijven van 2 september 1996 deelt de verzekeraar mee dat de verzekeringsovereenkomst nietig is, omdat bij de contractsluiting onjuiste informatie werd verstrekt over de antecedenten van het risico en bepaalde gegevens opzettelijk werden verzwegen of opzettelijk onjuist werden medegedeeld. Meer bepaald zou F. D.L. toen hebben verklaard dat hij voorheen geen verzekering voor een motorrijtuig had afgesloten bij een andere maatschappij en hij gedurende de laatste vijf jaar niet betrokken was bij een verkeersongeval, niettegenstaande hij tussen 20 januari 1988 en 20 mei 1996 verzekerd was bij een andere maatschappij en in deze periode bij drie schadegevallen betrokken was (in 1989 en 1993). 

F. D.L. ontkent dat hij het verzekeringsvoorstel van 27 maart 1995, waarin voormelde verklaring voorkomt, heeft ondertekend, zodat volgens hem de verzekeraar ten onrechte de nietigheid van het contract inroept.

Met dagvaarding van 30 juli 1997 vordert hij in hoofdorde de veroordeling van De Medische (hierna verder genoemd Nateus) tot betaling van 901.935 frank (=  euro  22.358,38). Subsidiair vraagt hij, bij toepassing van artikel 19, lid 2 van het gerechtelijk wetboek, een schriftonderzoek te bevelen met betrekking tot de handtekening op het document, getiteld ‘voorstel voor motorrijtuigverzekering'.

Nateus vordert bij tegeneis de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst, overeenkomstig artikel 6 van de wet op de Landverzekering, en de veroordeling van F. D.L. tot betaling van 559.942 frank (=  euro  13.880,60), uit hoofde van de vergoedingen die zij heeft uitbetaald aan de benadeelden van het door F. D.L. op 5 juli 1996 veroorzaakt ongeval (toepassing van artikel 25 van de modelpolis).

Op 3 april 1998 laat F. D.L. overgaan tot dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van B.V.B.A. Zakenkantoor B., teneinde haar te laten veroordelen tot betaling van de schade aan zijn voertuig, voor zover zijn vordering tegen Nateus zou worden afgewezen, en tot zijn algehele vrijwaring, voor zover de door Nateus tegen hem gestelde vordering gegrond zou verklaard worden. 

Zakenkantoor B. betwist deze vordering en vordert bij tegeneis van F. D.L. een vergoeding van 50.000 frank (=  euro  1.239,47) voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van diens lichtzinnige wijze van procederen. 

Bij niet bestreden vonnis van 25 januari 2000 beveelt de eerste rechter de persoonlijke verschijning van F. D.L. en de zaakvoerder van Zakenkantoor B. (F.B.). Zij worden gehoord op 22 februari 2000.

Hangende de procedure legt F. D.L. op 23 augustus 2000 klacht neer wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken tegen de zaakvoerder van Zakenkantoor B.. 

F.B. en Zakenkantoor B. worden bij beschikking van de Raadkamer te Kortrijk van 11 juni 2002 buiten vervolging gesteld, nadat uit het door de onderzoeksrechter bevolen schriftonderzoek gebleken is dat de betwiste handtekening onder het verzekeringsvoorstel niet van de hand is van F.B., maar volgens de schriftdeskundige moet worden toegeschreven aan de vader van F. D.L., A. D.L. (appellant in de zaak 2005/AR/2846). 

Nateus laat op 12 december 2002 A. D.L. dagvaarden teneinde de zaken te horen voegen en hem, op basis van bedrog, minstens op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, samen met F. D.L. te zien veroordelen tot betaling van  euro  13.880,60, meer intresten en kosten. Later breidt zij haar vordering tegen vader en zoon D. L. uit tot  euro  19.457,96, meer de intresten op  euro  13.880,60 vanaf 2 september 1996.

2. De eerste rechter voegt de beide zaken samen. Hij stelt vast dat bij het invullen van het verzekeringsvoorstel bedrog werd gepleegd, dat niet toerekenbaar is aan Zakenkantoor B., doch wel aan F. D.L., in wiens voordeel de frauduleuze verklaringen werden afgelegd, en door A. D.L., die hieraan medeplichtig was.

Aldus wordt in het bestreden vonnis als volgt geoordeeld:

- de vordering van Nateus tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst, gesloten met F. D.L., wordt gegrond verklaard;

- de vordering van F. D.L. tegen Nateus wordt als ongegrond afgewezen;

- de regresvordering van Nateus tegen F. D.L., evenals haar zelfde, doch op quasi-delictuele grondslag gestoelde vordering tegen A. D.L., worden gegrond verklaard;

- F. D.L. en A. D.L. worden in solidum veroordeeld om aan Naviga-Mauretus de som van  euro  19.457,96, meer de intresten, te betalen;

- de subsidiaire vordering van F. D.L. tegen Zakenkantoor B., evenals de tegenvordering van Zakenkantoor B. tegen F. D.L., worden als ongegrond afgewezen.

3. In zijn beroepsakte (2005/AR/2846) houdt A. D.L. voor dat hij slechts enkele algemeenheden heeft ingevuld op het hem door Zakenkantoor B. voorgelegd verzekeringsvoorstel en dat hij geenszins bedrog heeft gepleegd. Hij ontkent ten stelligste dat hij het kwestieuze verzekeringsvoorstel heeft ondertekend en wijst erop dat hij niet werd betrokken bij het onderzoek van de schriftdeskundige, die overigens slechts over een kopie van het bewuste document beschikte.

Op deze gronden besluit hij tot de afwijzing van de tegen hem gestelde vordering. 

4. Het door F. D.L. ingesteld hoger beroep (2005/AR/2854) is gesteund op de volgende grieven:

- het verzekeringsvoorstel werd ingevuld door A. D.L., die zijn lasthebber was, zonder dat hem ooit opdracht werd gegeven om zaken te verzwijgen of bedrog te plegen, zodat hijzelf, als lastgever, niet kan worden verantwoordelijk gesteld voor handelingen die de lasthebber eventueel buiten zijn mandaat heeft gesteld;

- de eerste rechter heeft ten onrechte gesteld dat hij zijn verklaringen heeft gewijzigd;

- er werd bij het invullen van het verzekeringsvoorstel geen bedrog gepleegd dat toerekenbaar is aan F. D.L.;

- de verzekeringsovereenkomst werd ten onrechte nietig verklaard en hij werd ten onrechte veroordeeld om  euro  19.457,96 te betalen aan Nateus, aangezien de premies steeds stipt werden betaald.

Met deze argumenten beoogt F. D.L. de vernietiging van het bestreden vonnis, de afwijzing van de tegen hem gestelde vordering en de veroordeling van Nateus tot betaling van  euro  22.345,00, meer intresten en kosten.

Subsidiair, voor zover de vordering van Nateus toch gegrond zou bevonden worden, stelt hij incidenteel beroep in tegen Zakenkantoor B., met het oog op volledige vrijwaring (conclusie neergelegd op 11 juli 2008).

 

5. Nateus besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. In haar op 13 februari 2007 neergelegde conclusie vraagt zij voorbehoud om verdere kosten en uitgaven in verband met het ongeval van 5 juli 1996 op F. D.L. te verhalen.

6. Ook Zakenkantoor B. vraagt de afwijzing van de hogere beroepen. In hoofdorde betwist zij de toelaatbaarheid van het door F. D.L. ingesteld hoger beroep, nu in de door hem neergelegde beroepsakte tegen haar geen enkele vordering wordt gesteld.

Zij stelt bovendien incidenteel beroep in tegen de afwijzing van haar vordering in schadevergoeding en vordert thans van F. D.L. een vergoeding van  euro  2.500,00, omdat zij bovendien nog onterecht werd meegesleurd in de beroepsprocedure. 

beoordeling

1. Aangezien de beide hogere beroepen gericht zijn tegen hetzelfde vonnis, past het, in het kader van een goede rechtsbedeling en teneinde eventuele strijdige beslissingen te vermijden, de beide zaken samen te voegen. 

2. Met betrekking tot de betwisting door Zakenkantoor B. van de toelaatbaarheid van het tegen haar ingesteld incidenteel hoger beroep moet inderdaad worden vastgesteld dat in de beroepsakte van F. D.L. geen vordering wordt gesteld tegen Zakenkantoor B.. 

Dit belet evenwel niet dat F. D.L. ook bij conclusie hoger beroep kan instellen tegen Zakenkantoor B., die in het geding aanwezig is (artikel 1056, 4° van het gerechtelijk wetboek). 

Nu het bestreden vonnis niet blijkt te zijn betekend en het hoger beroep derhalve niet laattijdig is, is er geen grond om te besluiten tot de niet-toelaatbaarheid van dit hoger beroep.

3. Er bestaat geen enkele twijfel over dat, voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst, gedateerd 24 mei 1995, tussen De Medische (thans Nateus) en F. D.L., door de verzekeringnemer aan de verzekeraar onjuiste informatie werd verstrekt middels het niet correct beantwoorden van de vragenlijst die voorkomt op het formulier ‘Voorstel voor Motorrijtuigverzekering', gedateerd 27 maart 1995.

Meer in het bijzonder werd op de vragen of de bestuurder (F. D.L.) reeds eerder verzekerd was voor een motorrijtuig en bij hoeveel verkeersongevallen (in recht of in fout, met of zonder derden) hij gedurende de laatste 5 jaren betrokken was, respectievelijk ‘neen' en ‘nul' geantwoord, en dit niettegenstaande F. D.L. van 20 januari 1988 tot 20 mei 1996 verzekerd was bij de maatschappij Noordstar en aldaar drie schadegevallen waren geregistreerd, waarvan twee in 1989 en één in 1993.

Door het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over de antecedenten van de bestuurder werd de verzekeraar misleid en werd hem met betrekking tot de inschatting van het risico essentiële informatie onthouden, waardoor de verzekeringsovereenkomst nietig is (artikel 6 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst).

Tevergeefs blijft F. D.L. opwerpen dat het aldus gepleegd bedrog hem niet toerekenbaar is omdat de kwestieuze vragenlijst niet door hem zelf werd ingevuld, maar door zijn vader, A. D.L. (of door F.B. aan de hand van de verklaringen van A. D.L.). 

Niet enkel is hij als verzekeringnemer verantwoordelijk voor de informatie die aan de verzekeraar wordt verstrekt, terecht heeft de eerste rechter gewezen op de tegenstrijdige verklaringen die F. D.L. in verband met het beantwoorden van de vragenlijst heeft afgelegd.

- Uit de brieven van zijn raadsman van 19 september 1996 aan De Medische en aan Zakenkantoor B. blijkt dat F. D.L. aanvankelijk betwistte enige verklaring te hebben afgelegd betreffende een verzekering bij een andere maatschappij of zijn betrokkenheid bij schadegevallen.

- Later moet hij evenwel toegeven dat pagina 1 van het voorstel (waarop de vraag over de vroegere verzekering is doorkruist) van bij hem thuis naar Zakenkantoor B. werd gefaxt. Zijn verklaring dat F.B. het invullen van de vragenlijst had onderbroken met de melding dat deze niet diende te worden ingevuld, is ongeloofwaardig, aangezien het precies is omdat de vragenlijst niet was beantwoord, dat het verzekeringsvoorstel later thuis (bij A. D.L.) met de makelaar werd besproken en volledig ingevuld. 

- Naar aanleiding van de persoonlijke verschijning op 22 februari 2000 verklaart F. D.L. dat hij hierbij aanwezig was (hij lag eerst te slapen, maar werd door zijn vader opgeroepen) en zegt hij letterlijk: "Ik heb zelf mijn rijbewijs en mijn paspoort gehaald en aan mijn vader gegeven, die evenwel reeds bezig was met de makelaar. Ik heb geen woord tegen de makelaar gezegd. Ik heb niet gezegd dat ik bij een andere maatschappij verzekerd was. Van die accidenten heb ik evenmin gesproken".

Het belang van de vragenlijst kan hem echter hoe dan ook niet ontgaan zijn, gelet op de vaststelling dat de eerder gefaxte en onvolledig ingevulde vragenlijst niet volstond, waarop de afspraak volgde met het oog op het volledig invullen van het verzekeringsvoorstel, en het feit dat in de per 8 maart 1996 gedateerde offerte (die dus het invullen van de vragenlijst voorafgaat) duidelijk was gewezen op het belang van de antecedenten ("onder voorbehoud van kontrole der antecedenten en voor zover deze gunstig zijn").

- Wanneer F. D.L. op 14 september 2000 door de verbalisanten wordt ondervraagd in het kader van het strafonderzoek wijzigt hij opnieuw zijn verklaringen en zegt hij dat het opmaken van het voorstel gebeurde in het huis van zijn vader, zonder dat hij daarbij aanwezig was. 

Deze gegevens doen besluiten dat F. D.L. het belang van de vragenlijst en van de correcte informatie omtrent zijn antecedenten wel degelijk inzag, maar dat hij de gegevens omtrent zijn vroegere verzekering en de schadegevallen waarbij hij was betrokken geweest, opzettelijk heeft verzwegen, zich verschuilend achter het feit dat zijn vader de vragenlijst heeft ingevuld.

Uit geen enkel gegeven blijkt dat bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst Zakenkantoor B. tekort zou gekomen zijn aan haar informatieplicht of zou hebben voorgehouden dat de gegevens omtrent de antecedenten van de bestuurder niet van belang waren. Het is dan ook volkomen onterecht dat F. D.L. voorhoudt dat de fout van Zakenkantoor B. moet worden toegerekend aan de verzekeraar, omdat zij als diens aangestelde zou zijn opgetreden. Bij gebrek aan enige fout in hoofd van de makelaar is het irrelevant om in te gaan op de vraag of deze in casu al dan niet is opgetreden als lasthebber van de verzekeraar.

De opzettelijke verzwijging die de door F. D.L. in ondergeschikte orde gevraagde toepassing van artikel 7 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst uitsluit, staat vast. Dat het onduidelijk blijft aan wie de handtekening op de vragenlijst van het Voorstel voor Motorrijtuigverzekering moet worden toegeschreven, is zonder belang en doet niet af aan deze vaststelling.

De eerste rechter heeft bijgevolg terecht de verzekeringsovereenkomst nietig verklaard op grond van artikel 6 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, de vordering van F. D.L. tegen Nateus ongegrond verklaard en de verhaalsvordering van Nateus tegen hem gegrond verklaard op grond van artikel 25 van de modelpolis.

F. D.L. werpt ten onrechte op dat de voorwaarden van de modelpolis hem niet tegenstelbaar zijn. Het staat immers vast dat hij bij Nateus een verzekeringspolis burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen heeft onderschreven (aangezien hij de bijzondere voorwaarden van de polis heeft ondertekend en hij zich op deze overeenkomst beroept om van Nateus vergoeding te vorderen), zodat moet worden aangenomen dat de bepalingen van de modelovereenkomst, met inbegrip van de bepalingen betreffende de regresvordering, hiervan deel uitmaken. Het tegendeel wordt door F. D.L. niet aangetoond.

Wat de vordering van Nateus betreft, dient volledigheidshalve te worden opgemerkt dat, meer dan 11 jaar na het ongeval van 5 juli 1996, zij haar vraag om voorbehoud in verband met verdere kosten en uitgaven niet verantwoordt, zodat op dit verzoek niet kan worden ingegaan.

4. In het kader van de door F. D.L. neergelegde klacht met burgerlijke partijstelling heeft de onderzoeksrechter bij beschikking van 16 november 2000 de heer Desobry aangesteld als deskundige, met verzoek advies te verstrekken nopens de vraag of de handtekening die voorkomt in de rubriek ‘De verzekeringnemer' (op het Voorstel voor Motorrijtuigverzekering) van de hand is van F. D.L., A. D.L. of F.B..

In zijn op 11 september 2001 neergelegd verslag, komt deze deskundige tot de eindconclusie dat alhoewel de mogelijke vergelijkingen niet talrijk zijn, deze toch toelaten te bevestigen dat de schrijver van de betwiste handtekening A. D.L. is. De vergelijkingen met de handtekeningen en het geschrift van F.B. laten volgens hem niet toe te zeggen dat de betwiste handtekening van diens hand is.

A. D.L. betwist de bevindingen van deskundige Desobry. Zelf heeft hij een beroep gedaan op schriftdeskundige Johan Vlecken, die na onderzoek van de betwiste handtekening en de vergelijkingshandtekeningen tot het besluit komt dat de betwiste handtekening niet van de hand is van A. D.L..

Beide deskundigen onderbouwen hun verslag met technische argumenten en het is het hof niet mogelijk de handtekening op het Voorstel voor Motorrijtuigverzekering met zekerheid toe te schrijven aan A. D.L..

In de mate hij de vragenlijst heeft ingevuld, gebeurde dit in naam en voor rekening van zijn zoon, die - zoals hiervoor vastgesteld - verantwoordelijk is voor de aldus verstrekte informatie. Er zijn onvoldoende elementen om te besluiten dat A. D.L. hierbij bewust heeft meegewerkt aan het door F. D.L. gepleegd bedrog.

Een fout in hoofde van A. D.L. wordt dan ook niet aangetoond, zodat de tegen hem op quasi-delictuele gronden gestoelde vordering ongegrond is.

5. De in subsidiaire orde door F. D.L. tegen Zakenkantoor B. gestelde vordering in vrijwaring is gestoeld op de (eveneens in ondergeschikte orde voorgehouden) hypothese dat Zakenkantoor B. is opgetreden als zijn aangestelde (lasthebber).

Zakenkantoor B. zou als lasthebber fouten hebben begaan in de uitvoering van haar opdracht en hiervoor aansprakelijk zijn jegens haar lastgever, F. D.L..

Noch de lastgeving, noch enige fout in hoofde van Zakenkantoor B. komen echter bewezen voor, aangezien geenszins wordt aangetoond dat zij op de hoogte was van de antecedenten van F. D.L.. Zoals hiervoor vastgesteld, is deze als enige verantwoordelijk voor de foutieve informatie die aan de verzekeringsmaatschappij werd verstrekt. 

De vordering in vrijwaring is ongegrond.

6. Het is niet onbegrijpelijk dat alle partijen die partij waren in eerste aanleg door appellanten ook werden betrokken bij de procedure in hoger beroep.

Zakenkantoor B. kan dan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat zij op een tergende en roekeloze wijze werd meegesleurd in de beroepsprocedure.

Het incidenteel beroep, strekkende tot betaling van een schadevergoeding van  euro  2.500,00, is ongegrond. 

7. Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd ingevolge de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 hebben partijen, bij monde van hun advocaten, ter terechtzitting verklaard dat zij akkoord gingen met de toepassing van het basisbedrag, nu er geen omstandigheden zijn om te besluiten tot een verhoging of een vermindering ervan.

Rekening houdend met het bedrag van de initiële vordering van F. D.L. als oorspronkelijke eiser (901.935 frank of  euro  22.358,38) moet de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep die toekomt aan Nateus en Zakenkantoor B. en ten laste dient te worden gelegd van F. D.L., in dit geval begroot worden op  euro  2.000,00.

De vordering van Nateus tegen A. D.L. bedroeg  euro  19.457,96. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep die hem toekomt en ten laste valt Nateus bedraagt  euro  1.100,00. 

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Voegt de zaken onder nummers 2005/AR/2846 en 2005/AR/2854 samen.

Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar.
Verklaart het hoger beroep van F. D.L. en het incidenteel beroep van Zakenkantoor B. ongegrond.
Verklaart het hoger beroep van A. D.L. gegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis, behoudens waar het A. D.L. veroordeelt om (in solidum met F. D.L.) aan Nateus de som van  euro  19.457,96, meer de intresten, te betalen en hem verwijst in de kosten gevallen aan de zijde van Nateus.
Doet het op dit punt teniet en opnieuw wijzende:

Verklaart de vordering van Nateus tegen A. D.L. ongegrond.

Verwijst F. D.L. in de kosten van de beroepsinstantie, die aan zijn zijde niet dienen te worden begroot daar zij hem ten laste blijven, en aan de zijde van Nateus en Zakenkantoor B. vereffend worden op ieder  euro  2.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

Verwijst Nateus in de kosten van de beide instanties gevallen aan de zijde van A. D. L. en vereffend op  euro  349,53 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg,  euro  58,25 aanvullende rechtsplegingsvergoeding (persoonlijke verschijning),  euro  186,00 rolrecht en  euro  1.100,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken.


• Antwerpen 22 juni 2011, NjW 2012, 255.

Verzekeringsnemer is niet alleen gehouden op de vragen van de verzekeraar te antwoorden maar ook alle relevante elementen en zaken mede te delen.

[ ...]

C.A., [ ... ] appellant, [...]

tegen

1. AXA Belgium NV, [...]
2.
geïntimeerde, [ ... ]

3. Zakenkantoor Jean Schaekers NV, [...] geïntimeerde,
4.
[ ... ]

Wat voorafgaat

Met inleidende dagvaarding van 28.1.2009 voor de rechtbank van koophandel te Tongeren hebben C.A. en V.D., de nv Axa Belgium als hun brandverzekeraar en de nv Zakenkantoor Jean Schaekers, hun makelaar, aangesproken in betaling van een aantal bedragen en dit ingevolge de vernieling door brand van hun woning gelegen te [ ... ] tussen 3 en 4.1.2008.

[ ... ]

Het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 18.9,2009 heeft de eis van eisers ten aanzien van eerste en tweede verweerster afgewezen als ongegrond. Er werd voor recht gezegd dat de polis nr. 818 122.431 van eisers bij eerste verweerster aangegaan nietig is en eisers werden veroordeeld om aan eerste verweerster het bedrag van € 7.500,00 te betalen meer de gerechtelijke interesten.

Eisers werden verwezen in de gedingkosten van verweersters. Hef vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande ieder rechtsmiddel en zonder borgstelling.

De eerste rechter heeft de nietigheid van de polis uitgesproken op basis van de opzettelijke verzwijging van eisers bij het ondertekenen van de polis. De vraag in verband met vroegere verzekeringen werd onjuist door eisers in gevuld. Er waren eerdere bestaande verzekeringen en een eerdere polis met Axa werd wegens wanbetaling beëindigd. Daarenboven waren er ook sinisters waarbij eisers betrokken waren, rechtstreeks of onrechtstreeks. Dit werd niet geantwoord op het verzekeringsvoorstel. cfr. vragen verzekeringsvoorstel:

- is de verzekeringnemer reeds verzekerd geweest voor de voorgestelde risico’s? neen

- heeft de verzekenngnemer in de laatste 5 jaar een schadegeval voorde voorgestelde risico’s gehad? Neen.

De eerste rechter oordeelt dat ieder normale kandidaat verzekeringnemer geacht moet
worden deze voorgeschiedenis te kennen op het ogenblik dat hij een verzekeringsvoorstel ondertekent. Hier was desbetreffend een vraag in het verzekeringsvoorstel gesteld en het onjuist beantwoorden van deze vraag werd geacht te kwader trouw te zijn. Hef opnemen van deze vraag in het verzekeringsvoorstel werd door de eerste rechter beoordeeld als volstaande om aan te nemen dat de verzekeraar de juiste beantwoording van deze vraag als essentieel beschouwde voor de beoordeling van het te verzekeren risico. De taalkennis van eisers was zeker voldoende. De polis werd nietig verklaard op basis van artikel 8 WLVO. De tegeneis van eerste verweerder werd om deze redenen gegrond verklaard.

De professionele fout die eisers aan tweede verweerster verweten namelijk dat de heer Schaekers onvolledig of onjuist het verzekeringsvoorstel zou hebben Ingevuld, werd door de eerste rechter niet aanvaard.

3. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof 3.11.2009 heeft C.A., hierna appellant genoemd, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en dit ten aanzien van de nv Axa Belgium en de nv Zakenkantoor Jean Schaekers, hierna eerste en tweede geïntimeerde genoemd.

[ ... ]

Beoordeling in hoger beroep

Eerste geïntimeerde vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis waarin de eerste rechter besloot tot de nietigheid van de polis.

De eis van eerste geïntimeerde is gesteund in hoofdorde op artikel 6 van de wet van 25.6.1992 op de landverzekeringsovereenkomst (kort WLVO) bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst. Krachtens artikel 6 WLVO is de verzekeringsovereenkomst nietig wanneer het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over het risico, de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico.

Verder baseert eerste geïntimeerde zijn eis op een precontractuele fout begaan door appellante in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, die zij omschrijft als “het voor het afsluiten van de overeenkomst bewust foute en/of bedrieglijke informatie te verstrekken of belangrijke informatie te verzwijgen en aldus kunstgrepen aan te wenden om de eigen (zware) antecedenten te verzwijgen, om de eigen prestatie (nl. het betalen van een premie) ten onrechte te beïnvloeden in zijn eigen voordeel en ten nadele van de verzekeraar en anderen en om het risico te laten aanvaarden, terwijl hij goed weet dat de verzekeraar niet met een persoon zoals C.A. zou contracteren indien hij had geweten met wie hij werkelijk te maken had’.

Eerste geïntimeerde baseert zich tevens op het wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst van bedrog en het algemeen rechtsbeginsel van “fraus omnia corrumpit”. Het herstel van deze fout bestaat erin om iedere waarborg aan appellant te ontzeggen en de nietigheid van de polis in te roepen.

Tevens baseert eerste geïntimeerde zich op het wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst van dwaling, waarbij zij aanvoert dat zij heeft gedwaald omtrent de persoon en de eerlijkheid van haar wederpartij.

Eerste geïntimeerde voert in dit verband de volgende feitelijkheden/omstandigheden aan waarover zij bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst niet was ingelicht door appellant;

(i) het strafrechtelijk verleden van appellant - veroordeling als dader of mededader: inbreuk wet betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen (1 jaar gevangenisstraf) (13.08.1995 corr. Rb. Tongeren) - zware diefstal in staat van wettelijke her-haling (2 jaar) (hof van beroep Antwerpen 10.03.2005)
(ii)
- meerdere verkeersinbreuken

- valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken en oplichting (rechtbank van eerste aanleg te Hasselt 01.08.2007).

(iii) op bedrieglijke wijze vergoeding van de verzekeraar (FIDEA als verzekeraar gewaarborgd inkomen) trachten te bekomen (vonnis rechtbank koophandel te Tongeren, bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12.10.2005)
(iv)
(v) dat hij nalaat gegevens te verstrekken over een complex: geschil over een vroegere brand op 24.5.2003 met verzekeraar ING
(vi)
(vii) dat hij niet de eerste maal slachtoffer is geworden van een brand. Eerste geïntimeerde verwijst in dit verband naar de brand van het tuinbedrijf Elvi op 24.5.2003 dat weliswaar op naam van zijn vrouw stond maar waar hij achter de schermen de werkelijke zaakvoerder van was
(viii)
(ix) dat hij niet heeft vermeld in het verzekeringsvoorstel dat hij voorafgaandelijk verzekerd was voor het risico van brand, namelijk bij Flexia en Axa en dat hij niet heeft gemeld dat de verzekeringsovereenkomst door de verzekeraar werd opgezegd wegens wanbetaling,
(x)
Artikel 5 en 8 Wet landverzekeringsovereenkomst (kort: WLVO)

Eerste geïntimeerde laat haar vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst steunen op de opzettelijke verzwijging van gegevens door de verzekeringnemer bij de contractsluiting, die haar hebben misleid bij de beoordeling van het risico (art. 8 wet landverzekeringsovereenkomst).

Het komt aan de verzekeraar (eerste geïntimeerde) toe het bewijs te leveren dat de verzekerde zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Deze mededelingsplicht in hoofde van de verzekerde wordt in artikel 5 WLVO als volgt omschreven: de verzekeringnemer is verplicht alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar. De verzekeringnemer moet echter geen omstandigheden meedelen die de verzekeraar kende of redelijkerwijs had moeten kennen. Het is zodoende aan de verzekeraar om aan te tonen dat het element waarover hij niet was ingelicht voor hem een beoordelingsfactor van het risico uitmaakte dat de verzekeringnemer redelijkerwijze als dusdanig kon beschouwen en dat de verzekeringnemer er kennis van had.

Het is ook de verzekeraar die de eventuele opzettelijke aard van deze tekortkoming moet aantonen (artikel 5 en 6 WLVO alsook artikel 1315, eerste lid burgerlijk wetboek en artikel 870 gerechtelijke wetboek).

Het voormelde artikel 6 WLVO vereist niet dat de verzwegen of onjuist meegedeelde omstandigheden een invloed hebben gehad op het schadegeval. Een invloed op de beoordeling van het risico door de verzekeraar volstaat. Er hoeft met andere woorden geen oorzakelijk verband te worden aangetoond tussen de verzwegen gegevens en de oorzaken van het uiteindelijke sinister waarvoor tussenkomst wordt gevraagd.

Eerste geïntimeerde die zich beroept op een opzettelijke verzwijgen van gegevens door appellant, dient zodoende aan te tonen (i) dat hij door appellant over een bepaald element niet is ingelicht, (ii) dat dit element voor hem een beoordelingsfactor van het risico uitmaakte en (iii) dat appellant dit redelijkerwijze als dusdanig kon beschouwen en (iv) dat dit verzwijgen bovendien opzettelijk geschiedde door de appellant

Het blijkt dat eerste geïntimeerde in het verzekeringsvoorstel een aantal vragen heeft gesteld. Het betreft de volgende vragen:

Is de verzekeringnemer reeds verzekerd geweest voor de voorgestelde risico’s?

zo ja, bij welke maatschappij?

welk contractnummer?

werd deze verzekering opgezegd door de maatschappij?

zo ja, om welke reden?

Heeft de verzekeringnemer in de laatste 5 jaar een schadegeval voor de voorgestelde risico’s gehad?

Zo ja, wanneer? Voor welk bedrag. Schade van welke aard?

Appellant heeft op alle vragen “neen” geantwoord.

Het wordt niet betwist door appellant in huidige procedure dat dit verzekeringsvoorstel onvolledig en onjuist werd ingevuld. Appellant verwijst daarbij naar het feit dat dit voorstel werd ingevuld door zijn verzekeringsmakelaar, tweede geïntimeerde, die zeer goed op de hoogte was van het feit dat de woning tot mei 2003 verzekerd was bij AXA en daarna vanaf mei nog kort bij FLEXIA.

Terecht betwist appellant dat hij in de laatste 5 jaar een schadegeval heeft gehad voor de voorgestelde risico’s. Eerste geïntimeerde verwijst weliswaar naar schadegevallen maar het is niet aangetoond dat appellant de laatste 5 jaar voorafgaandelijk aan het afsluiten van de verzekeringspolis, ooit het slachtoffer is geworden van een brand met betrekking tot een door hem verzekerd risico.

Een beweerde fout van de verzekeringstussenpersoon wijzigt niets in de verhouding tussen de verzekeringnemer en de verzekeraar. De invulling van een vragenlijst door de verzekeringstussenpersoon ontneemt aan de verzekeraar niet het recht om zich op een schending van de informatieplicht en risicobeschrijving ten aanzien van de verzekeringnemer te beroepen. Wel kan de verzekeringnemer de aansprakelijkheid voorhouden van de verzekeringstussenpersoon. Dit verweer van appellant dat niet hij maar zijn verzekeringsmakelaar het verzekeringsvoorstel foutief heeft ingevuld is zodoende niet relevant in de verhouding tot eerste geïntimeerde.

Het gegeven dat de verzekeraar deze vragen stelt voorafgaandelijk aan het afsluiten van de polis doet het hof besluiten dat de verzekeraar belang hechtte om geïnformeerd te zijn door de verzekerde over de antwoorden op deze vragen. Er werd uitdrukkelijk gevraagd naar bepaalde omstandigheden (voorafgaandelijk afgesloten polissen en schadegevallen voor hetzelfde risico).

Het hof is van oordeel dat artikel 5 WLVO de verplichting oplegt aan de verzekerde om deze vragen correct te beantwoorden en de verzekeraar correct te informeren middels een Juist antwoord op de vragen. Het hof is van oordeel dat het juist invullen van de vragen op de vragenlijst die de verzekeraar voorlegt bij het invullen van het verzekeringsvoorstel vallen onder de mededelingsplicht van artikel 5 WLVO. De kandidaat-verzekeringnemer is verplicht bij het sluiten van de overeenkomst alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Deze gegevens waren bekend in hoofde van appellant, minstens moesten door hem gekend zijn. Het hof verwijst daarbij naar de invulling door appellant van het verzekeringsvoorstel FLEXIA (stuk 5 bundel eerste geïnterneerde). In dit voorstel heeft appellant melding gemaakt van de polls AXA en de opzegging van deze polis door de verzekeraar wegens wanbetaling.

Eerste geïntimeerde voert aan dat appellant bovendien de spontane mededelingplicht die artikel 5 WLVO oplegt niet is nagekomen. Zij verwijst daarbij ondermeer naar het strafrechtelijk verleden van appellant en naar de procedure tegen Fidea.

Het blijkt vooreerst dat appellant deze strafrechtelijke veroordelingen niet betwist Hij betwist enkel dat hij iets te maken had met de brand van het tuinbedrijf “Tuindecoratie Elvi” in mei 2003 en de bewering van eerste geïntimeerde dat hij in die periode in de gevangenis heeft gezeten. Integendeel stelt appellant “er kan uiteraard niet ontkend worden dat concluant in het verleden wel eens een misstap heeft begaan”.

In de vragenlijst in het verzekeringsvoorstel heeft eerste geïntimeerde niet gevraagd naar het strafrechtelijk verleden van de verzekerde of naar andere (burgerrechtelijke) veroordelingen en werd niet gevraagd of appellant ooit in contact is gekomen met het gerecht.

Beoordeeld dient derhalve te worden of in deze omstandigheden deze gegevens voor appellant als kandidaat verzekeringnemer “bekende omstandigheden waren die hij redelijkerwijs moet beschouwen ais gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van hei risico door de verzekeraar”.

Het gegeven dat de vraag naar deze gegevens (m.n. naar vroegere veroordelingen of procedures met een verzekeraar) niet is gesteld, doet niet besluiten dat deze gegevens niet zouden moeten medegedeeld worden door de kandidaat verzekerde. Het is aan de verzekerde om te boordelen of deze gegevens van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Onterecht stelt appellant dat indien de verzekeraar bepaalde vragen niet stelt, dit doet besluiten dat de verzekeraar in deze gegevens niet geïnteresseerd is zodat zij niet voor de verzekeraar van belang zijn in de beoordeling van het risico.

Het criterium is of de door de verzekerde mede te delen gegevens, gegevens betreffen die de kandidaat verzekerde redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Het hof stelt vast dat eerste geïntimeerde verwijst naar het strafrechtelijk verleden van appellant waaronder zijn veroordeling als dader of mededader m.b.t. een inbreuk wet betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen (vuurwerk). Zoals reeds gesteld betwist appellant niet dat hij daadwerkelijk per 13.8.1995 correctioneel werd veroordeeld voor een inbreuk op voornoemde wet die de materie regelt van de vergunningsplicht met betrekking tot het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken, onder zich hebben of dragen van voornoemde ontplofbare stoffen (vuurwerk).

Gelet op de aard van het verzekerde risico gedekt onder de polls die appellant bij eerste geïntimeerde afsloot, met name het brandrisico, acht hef hof het niet melden van deze omstandigheid met name een veroordeling m.b.t. de vergunningsplicht voor ontplofbare stoffen (vuurwerk) een schending van zijn mededelingplicht conform artikel 5 WLVO, nl. het niet mededelen van omstandigheden die de verzekerde, ten deze appellant, redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar, ten deze eerste geïntimeerde.

Enkel wanneer deze gegevens opzettelijk verzwegen zijn en wanneer de verzekeraar aantoont dat hij door de verzwijging misleid is bij de beoordeling van het risico, is de polis nietig (artikel 8 WLVO).

Het hof beoordeelt deze verzwijging ten deze als opzettelijk, vermits het hof van oordeel is dat de precedenten van appellant in zijn hoedanigheid van verzekerde ten opzichte van zijn verzekeraar, een spanningsveld blootleggen waarbij het vertrouwen dat er tussen verzekerde en verzekeraar behoort te bestaan, terecht in vraag kan worden gesteld (o.m. de burgerlijke veroordeling van appellant wegens bedrog ten aanzien van zijn verzekeraar gewaarborgd inkomen, cfr. arrest van dit hof d.d. 12.10,2005 stuk 8 bundel eerste geïntimeerde).

Op basis hiervan is het hof van oordeel dat appellant zich bewust was, minstens behoorde te zijn, van de ontegensprekelijke noodzaak deze voorafgaandelijk aan de onderschrijving van de polis strafrechtelijke veroordeling inzake vuurwerk, te moeten mededelen aan de verzekeraar.

Het hof beoordeelt deze omstandigheid wel degelijk als relevant in hoofde van de verzekeraar bij de beoordeling van het risico op het ogenblik van de onderschrijving.

Het hof besluit tot een opzettelijke verzwijging in hoofde van appellant als kandidaat verzekerde van deze veroordeling.

De verzwegen gegevens moeten relevant zijn voor de risicowaardering door de verzekeraar. De verzekeraar moet derhalve bewijzen dat hij niet of minstens niet aan dezelfde voorwaarden zou hebben gecontracteerd. Het moet gaan om gegevens die een hele andere risicobeoordeling met zich zou hebben meegebracht, in die zin dat de verzekeraar met een aangrenzende waarschijnlijkheid het verzekeringsvoorstel niet zou hebben aanvaard of minstens slechts onder andere voorwaarden. Appellant voert verweer dat het hoogst twijfelachtig is dat op grond van deze verkeerde informatie eerste geïntimeerde ertoe zou bestolen hebben de woning niette verzekeren.

Het hof is van oordeel dat deze verzwijging ontegensprekelijk de verzekeraar misleid heeft bij de beoordeling van het risico, ten deze brandrisico, dit gelet op de aard van de veroordeling die betrekking had op de vergunningsplicht van ontplofbare stoffen (vuurwerk).

Ook aan deze toepassingvoorwaarde in artikel 8 WLVO is derhalve voldaan.

Er geldt in hoofde van de verzekeringnemer een informatieplicht die zich niet vertaalt in een verificatieplicht van de verzekeraar, De verzekeraar is niet gehouden op het ogenblik van het afsluiten van de polis, onderzoek te verrichten naar de juistheid van de door de verzekerde verstrekte gegevens en dient evenmin na te gaan of de verzekerde voldaan heeft aan zijn mededelingplicht conform artikel 5 WLVO.

Onterecht voert appellant dan ook verweer dat eerste geïntimeerde pas nadat het schadegeval zich heeft voorgedaan, informatie is gaan inwinnen over zijn polis en zijn verleden.

De verzekeraar dient niet hef oorzakelijk verband tussen deze verzwijging en het schadegeval aan te tonen. Deze voorwaarde wordt niet gesteld in artikel 8 WLVO.

Het hof besluit op basis van de hierboven weergegeven overwegingen, dat de verzekeraar slaagt in het bewijs van de toepassingsvoorwaarden van artikel 6 WLVO zodat het beroepen vonnis wordt bevestigd in zoverre voor recht werd gezegd dat de polis nr. 818.122.431 nietig is.

Wat de vordering van eerste geïntimeerde ten aanzien van appellant betreft tot teruggave van € 7.500,00

Gelet op de hierboven weergegeven overwegingen op grond waarvan de polis nietig is wegens opzettelijke verzwijging, is deze eis gegrond. Het hof merkt desbetreffend ook geen specifiek verweer van de zijde van appellant.

Het beroepen vonnis wordt desbetreffend bevestigd. Appellant wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eerste geïntimeerde van het bedrag van €7. 500,00 meer de gerechtelijke interesten.

Wat de vordering van appellant ten aanzien van tweede geïntimeerde betreft

Appellant voert de aansprakelijkheid van tweede geïntimeerde aan doordat deze laatste onvolledig en/of onjuist het verzekeringsvoorstel heeft ingevuld. Appellant voert aan dat tweede geïntimeerde kennis had van de voorgeschiedenis van de woning (vorige polissen, eerste vraag) en van de schadegevallen.

Hij voert aan dat hij tweede geïntimeerde volledig hiervan op de hoogte heeft gesteld.

Dit verweer is niet terzake dienend. Het hof heeft hierboven een schending aanvaard in hoofde van appellant met betrekking tot zijn spontane mededelingsplicht en meer bepaald zijn strafrechtelijke veroordeling d.d. 13,6.1995.

Niet aangevoerd wordt, iaat staan dat bewezen wordt, door appellant dat hij tweede geïntimeerde ook in kennis had gesteld van deze strafrechtelijke veroordelingen, zodat desbetreffend aan tweede geïntimeerde geen fout in het invullen van het verzekeringsvoorstel kan worden verweten.

De eis van appellant ten aanzien van tweede geïntimeerde is ongegrond.

[ ... ]

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het beroepen vonnis. [ ... ]

Noot onder dit arrest in het NJW 260, 258, DW, Mededelingsplicht verzekeringnemer, met onderstaannde bijkomende verwijzingen.

• Cass. 22 november 1990, RW 1990-91, 1301 en T. Verz. 1991, 322

• Gent 3 januari 1997, RGAR 1998, nr. 12943,

• Bergen 23 februari 1998, JLMB 150;

• Rb. Dendermonde 16 juni 2005, T.Verz. 2006, 79

• Pol. Brugge 12 maart 2010, RW 2010-11, 1612

• Gent 26 oktober 1994, RW 1995-96, 159,

• Luik 3 april 1995, RGAR 1997, nr. 12812

• Pol. Gent 28 januari 2002, RW 2002-03, 1514).
 

 

 

Rechtspraak: 

zie ook Hof van Beroep Gent 19/02/2009, Juridat:

samenvatting:

Nu de verzekeraar geen overtuigende elementen aanbrengen ter ondersteuning van hun stelling dat moderne, losse juwelen een meer gegeerde buit voor dieven zijn dan antieke juwelen en dus een groter risico op diefstal creëren, nu in de vragenlijst geen onderscheid werd gemaakt tussen moderne en antieke juwelen en de verzekeraars ook geen enkele informatie verstrekken over de wijze van premieberekening, kunnen zij zich niet beroepen op de niet-mededeling van nieuwe of gewijzigde omstandigheden (art. 26 WLO) om dekking te weigeren.

uittreksel uit arrest:

HOF VAN BEROEP TE GENT 1e kamer terechtzitting van 19 februari 2009

TUSSENARREST

(deels ten gronde -heropening debatten -verstrekken informatie -conclusietermijnen -verdere behandeling op08.10.2009, 14u00)

(definitief t.a.v. 3e, 4e, 6e,7e en 8e geïntimeerden)
2007/AR/1544

in de zaak van:

1. F.A.,
optredende in zijn hoedanigheid van enige algemeen lasthebber voor België van de vereniging van verzekeraars bekend als UNDERWRITERS AT LLOYD'S,
met zetel in het Verenigd Koninkrijk, 1 Lime Street, Londen EC 3M 7HA,eerste appellant,

2. WÜRTTEMBERGISCHE VERSICHERUNG AG,
verzekeringsmaatschappij, vennootschap naar vreemd recht,
met zetel in het Verenigd Koninkrijk, 37-39 Lime Street, Londen EC 3M 7AY,
woonst kiezende bij haar afsluitingsagent de N.V. G. & Co, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 BRUSSEL, Lariksenstraat 55/1,
ingeschreven met KBO-nummer 0415.318.168,

tweede appellante,

tegen:

1. K.N.,eerste geïntimeerde,en
2. P.V.,tweede geïntimeerde, beiden handeldrijvend onder de benaming ' M. K.',
3. BUFFILOR B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 4800 VERVIERS, rue de Francorchamps 23, ingeschreven met KBO-nummer 0478.873.954,derde geïntimeerde,
4. S.C., vierde geïntimeerde,
5. G.D., vijfde geïntimeerde,
6. V.C., zesde geïntimeerde,
7. ANGLO-BELGE SPECIAL RISKS N.V., met maatschappelijke zetel te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Frans van Hombeeckplein 10,
ingeschreven met KBO-nummer 0438.461.972,zevende geïntimeerde,
8. G. AND CO N.V.,
met maatschappelijke zetel te 1050 ELSENE, Lariksenstraat 55, ingeschreven met KBO-nummer 0415.318.168,achtste geïntimeerde,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18.06.2007 hebben A. D. F., in zijn hoedanigheid van algemeen lasthebber voor België van de vereniging van verzekeraars bekend als UNDERWRITERS AT LLOYD'S, en AG Württembergische Versicherung hoger beroep aangetekend tegen een vonnis op 13.03.2007 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, tweede kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

1. De heer en mevrouw K.-P. baten een juwelierszaak uit te , onder de naam "M. K.".
Op 11.09.2004 werden zij het slachtoffer van een gewapende overval op hun zaak. Daarbij werd een aanzienlijke partij waardevolle juwelen ontvreemd. De daders werden voor deze overval inmiddels veroordeeld door de correctionele rechtbank te Brugge.
K.-P. zijn tegen diefstal verzekerd op basis van een globale juweliersverzekeringspolis met nr. 440003G09326. Deze polis werd door hun makelaar Anglo-Belge Verzekeringen bij verzekeringsagent G. and Co onderschreven, die op haar beurt de verzekering plaatste bij appellanten, nl. respectievelijk Lloyd's en Württembergische Versicherung. De polis voorziet in een dekking voor een bedrag van 250.000,00 euro, waarvan de eerste schijf van 100.000,00 euro wordt verzekerd door Württembergische Versicherung en de tweede schijf van 150.000,00 euro door Lloyd's, zonder solidariteit tussen hen.

BVBA Buffilor, C. S., D. G. en C. V. zijn cliënten van "M. K." die juwelen in consignatie hadden gegeven met het oog op verkoop. Hun juwelen werden bij de overval ontvreemd.

De verzekeraars weigerden dekking te verlenen. Zij voeren daartoe aan dat de polis werd afgesloten voor een handel in antieke juwelen (antique jewelry), terwijl de gestolen goederen hedendaagse juwelen en losse diamanten betreffen en K.-P. nooit hebben gemeld dat zij hun activiteit hadden gewijzigd van de verkoop van antieke juwelen naar de verkoop van hedendaagse juwelen en losse diamanten, wat volgens de verzekeraars een aanzienlijk hoger risico op diefstal met zich mee brengt.

2.1 Voor de eerste rechter vorderden K.-P. de veroordeling van appellanten, hun makelaar Anglo-Belge en verzekeringstussenpersoon G. - solidair, in solidum, minstens de een bij gebreke van de andere - tot het betalen van de som van 300.000,00 euro provisioneel, meer rente en kosten.
De vordering tegen appellanten strekte tot het verlenen van dekking op grond van de bij hen afgesloten juweliersverzekeringspolis. Aangezien appellanten zich beroepen op het niet melden van een risicoverzwaring richten K.-P. zich ook tegen hun makelaar Anglo-Belge, die bij het afsluiten van de polis de vragenlijst voor hen heeft ingevuld, en tegen de agent van de verzekeraars (G.) op grond van professionele fouten die deze zouden hebben begaan.

K.-P. vroegen ook voorbehoud om hun vordering uit te breiden betreffende aanspraken die hun cliënten die juwelen in bewaring gaven, hebben geformuleerd of nog zouden formuleren.

2.2 BVBA Buffilor vorderde de veroordeling van K.-P., appellanten, Anglo-Belge en G. tot het betalen van de som van 3.985,50 euro, meer rente en kosten.

2.3 C. S. vorderde eveneens de veroordeling van K.-P. tot het betalen van de som van 7.000,00 euro, meer rente en kosten.

2.4 D. G. vorderde de veroordeling van K.-P. en van de verzekeraars Anglo-Belge en G. tot het betalen van de som van 11.527,05 euro, meer rente en kosten.

2.5 Ook C. V. richtte haar vordering zowel tegen K.-P. als tegen de verzekeraars Anglo-Belge en G.. Zij vorderde betaling van de som van 2.600,00 euro.

2.6 De verzekeraars Lloyd's en Württembergische Versicherung betwistten de vordering van K.-P. op grond van de niet-melding van de risicoverzwaring.
Zij betwistten ook het rechtstreeks vorderingsrecht van de schadelijders-klanten van "M. K." en beriepen zich ook ten hunne opzichte op de excepties die zij ten aanzien van K.-P. opwierpen.

2.7 Ook Anglo-Belge en G. vroegen de tegen hen gerichte vordering als ongegrond af te wijzen. Zij voeren aan geen enkele professionele fout te hebben begaan.

3. Bij het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter dat geen enkel controleerbaar gegeven voorligt dat toelaat te besluiten dat het verschil in de aard van de goederen (antieke juwelen versus hedendaagse juwelen en losse diamanten) het risico van diefstal verhoogt en dat de verzekeraars derhalve tot het verlenen van dekking gehouden zijn.
De eerste rechter wees er in dat verband o.m. op:
- dat de verzekeraars in hun vragenlijst dit onderscheid niet maakten, hetgeen een indicatie vormt dat van risicoverzwaring geen sprake is en dat indien de verkoop van hedendaagse juwelen en losse diamanten toch een risicoverzwaring zou inhouden, K.-P. dit niet wisten en ook niet dienden te weten;
- dat de verzekeraars in de polis geen enkele beperking hebben ingevoerd met betrekking tot de aard van de verzekerde juwelen; dat indien de verkoop van hedendaagse juwelen en losse diamanten daadwerkelijk een dermate verzwaring van het risico inhield, niet aan te nemen is dat de verzekeraars in hun polis geen nauwkeurige omschrijving van het risico zouden hebben voorzien.

Gelet op het feit dat Württembergische Versicherung - verzekeraar van de (niet overschreden) eerste schijf van 100.000,00 euro - dekking diende te verlenen, werd de vordering tegen makelaar Anglo-Belge en verzekeringsagent G. als ongegrond afgewezen.

Voorts oordeelde de eerste rechter dat K.-P. ten aanzien van hun klanten-bewaargevers gehouden zijn tot teruggave van de in bewaring gegeven juwelen, dat dit een resultaatsverbintenis is en dat de loutere verwijzing naar het gewapend karakter van de overval geen bewijs oplevert van overmacht, zodat zij principieel aansprakelijk zijn als bewaarnemer, maar dat in zoverre de klanten gedekt zijn door de voor hun rekening door K.-P. afgesloten diefstalverzekering, zij zich enkel tegen de verzekeraars en niet tegen K.-P. kunnen richten. Ten belope van de franchise kunnen zij dat, steeds volgens de eerste rechter, wel.

Op basis van deze overwegingen en na cijfermatige beoordeling van de vorderingen van de respectieve partijen:
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan K.-P. van een provisie van 756,00 euro, meer rente, en werd hen voorbehoud verleend voor het instellen van een vrijwaringsvordering ten aanzien van de verzekeraars betreffende aanspraken die derden-klanten hebben geformuleerd of nog zouden formuleren;
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan Buffilor van de som van 3.595,95 euro, meer vergoedende rente vanaf 11.09.2004, en K.-P., in solidum, tot de vrijstelling van 398,55 euro, meer rente;
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan D. G. van de som van 3.330,00 euro, meer vergoedende rente vanaf 11.09.2004, en K.-P., in solidum tot de vrijstelling van 370,00 euro, meer rente;
- werden K.-P., in solidum, veroordeeld tot betaling aan C. S. van de vrijstelling van 700,00 euro, meer rente, en werd haar voorbehoud verleend om nog een vordering in te stellen tegen de verzekeraars;
- werd Württembergische Versicherung veroordeeld tot betaling aan C. V. van de som van 2.340,00 euro, meer vergoedende rente vanaf 11.09.2004, en K.-P. tot de vrijstelling van 260,00 euro, meer rente.

4.1 Met hun hoger beroep beogen appellanten het tenietdoen van het bestreden vonnis en de afwijzing van de tegen hen gerichte vorderingen.

Ondergeschikt vragen zij voor recht te zeggen:
- dat K.P. bevrijd zijn van hun teruggaveplicht ten aanzien van hun klanten wegens overmacht, zodat het voorbehoud dat hen door de eerste rechter werd toegestaan om hun vordering uit te breiden wanneer andere klanten hen zouden aanspreken, dient te worden afgewezen;
- dat geen dekking dient te worden verleend voor de gestolen goederen die een waarde hadden boven het verzekerde en toelaatbare bedrag van 10.000,00 euro;
- dat moratoire (geen vergoedende) interesten verschuldigd zijn vanaf de datum van de aanvraag tot betaling van de verzekeringsvergoeding (voor K.-P.) of vanaf de tussenkomst in de rechtspleging (voor de schadelijders-klanten).

In nog meer ondergeschikte orde vragen zij de aanstelling te bevelen van een gerechtsdeskundige met opdracht onder meer om:
- een staat van bevinding op te maken van de ligging, de inrichting en de beveiligingsinstallatie van de winkel op datum van 11.09.2004 en van de aard van de gestolen goederen (losse diamanten, moderne juwelen, tweedehandse of antieke juwelen);
- advies te verlenen over de hoegrootheid van de premieberekening tot dekking van een verzekerd kapitaal van 250.000,00 euro, rekening houdend met de bijzondere en algemene voorwaarden van de verzekeringspolis;
- advies te verlenen over de verhouding tussen de betaalde premie onder de polis CP 1002GB van 05.04.2004 en de premie die de verzekeringnemer had moeten betalen indien de verzwaring door een andere verzekeraar in aanmerking was genomen

Minstens vragen zij de vordering te verminderen met de vrijstelling.

Indien de vordering van K. zelfs gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, vragen zij K. te veroordelen tot terugbetaling van de gecrediteerde premie van 2.525,45 euro, premie die inmiddels werd terugbetaald aan K..

4.2 K.-P. vragen het hoger beroep af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vragen zij het bestreden vonnis te hervormen en te zeggen voor recht dat zij bevrijd zijn van hun teruggaveplicht ten aanzien van hun klanten en dienvolgens de vordering van Buffilor, S., G. en V. ten hunnen opzichte als ongegrond af te wijzen.
Ondergeschikt, voor het geval zou worden geoordeeld dat appellanten niet tot dekking gehouden zijn, vragen zij, bij incidenteel beroep, hun vorderingen tegen Anglo-Belge en G. in te willigen.

4.3 Buffilor vraagt het hoger beroep af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt zij de solidaire of in solidum veroordeling van "het H. K.", appellanten, Anglo-Belge en G. tot betaling van de som van 3.985,50 euro, meer interest.

4.4 D. G. vraagt het hoger beroep van appellanten af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt zij de integrale inwilliging van haar aanvankelijke eis ten bedrage van 11.527,05 euro, minstens 7.400,00 euro, meer vergoedende interest vanaf 11.09.2004 ten aanzien van "het H. K.", appellanten, Anglo-Belge en G..

4.5 C. S. vraagt het hoger beroep van appellanten en het incidenteel beroep van K.-P. af te wijzen als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt zij de inwilliging van haar aanvankelijke eis ten bedrage van 7.000,00 euro, meer vergoedende interest vanaf 11.09.2004, ten aanzien van "het H. K.", appellanten, Anglo-Belge en G..

4.6 C. V. vraagt het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het bestreden vonnis te bevestigen.
Bij incidenteel beroep vraagt zij appellanten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de een bedrag van 1.000,00 euro uit hoofde van verdedigingskosten.

4.7 Anglo-Belge vraagt het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen.

4.8 G. vraagt de tegen haar gerichte incidentele beroepen onontvankelijk te verklaren nu zij geen gedaagde in hoger beroep is.
Ondergeschikt vraagt zij het bestreden ten hare opzichte te bevestigen.

beoordeling

1. ontvankelijkheid van de incidentele beroepen tegen NV G.

NV G. besluit ten onrechte tot de onontvankelijkheid van de tegen haar gerichte incidentele beroepen op grond van het argument dat zijzelf geen gedaagde is in hoger beroep maar slechts werd opgeroepen in bindend en gemeenverklaring van het tussen te komen arrest. Overeenkomstig art. 1054 Ger.W. kan immers door de gedaagde in hoger beroep incidenteel beroep worden ingesteld "tegen alle partijen die in het geding zijn in hoger beroep". Een partij die in bindend- en gemeenverklaring werd opgeroepen, voldoet aan deze omschrijving, zodat tegen haar incidenteel beroep kan worden ingesteld.

2. niet-mededeling van de verzwaring van het risico?

2.1 De verzekeraars werpen op dat zij niet tot dekking gehouden zijn omwille van de foutieve niet-mededeling door K.-P. van een verzwaring van het verzekerd risico, met name doordat zij hebben nagelaten te melden dat zij hun handelsactiviteit die aanvankelijk bestond in de verkoop van antieke juwelen, hebben gewijzigd in de verkoop van moderne juwelen en losse edelstenen, hetgeen volgens de verzekeraars een aanzienlijk hoger risico op diefstal met zich meebrengt. De verzekeraars stellen dat zij het risico niet hadden verzekerd indien zij daarvan kennis zouden hebben gekregen. Ondergeschikt stellen zij dat zij slechts gehouden zijn om dekking te verlenen naar verhouding tussen de betaalde premie en de premie die K.-P. hadden moeten betalen indien de verzwaring in aanmerking was genomen.

2.2 Overeenkomstig artikel 26 Wet Landverzekeringsovereenkomst (WLO) is de verzekeringnemer verplicht om in de loop van de overeenkomst en onder de voorwaarden van artikel 5 van de wet, de nieuwe omstandigheden of de wijziging van de omstandigheden aan te geven die van aard zijn om een aanmerkelijke en blijvende verzwaring van het risico dat het verzekerd voorval zich voordoet, te bewerkstelligen. De verwijzing in artikel 26 WLO naar art. 5 houdt in dat de nieuwe of gewijzigde omstandigheden aan de verzekeringnemer bekend moeten zijn en dat hij deze redelijkerwijze moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar. De verzekeringnemer moet de verzekeraar echter geen omstandigheden meedelen die deze laatste reeds kende of redelijkerwijze had moeten kennen.

2.3 De cruciale vraag die zich in voorliggend geval stelt, is of de verkoop van moderne juwelen en losse edelstenen effectief een aanmerkelijk groter risico op diefstal inhoudt dan de verkoop van antieke juwelen en of K.-P. dit redelijkerwijze moesten weten.

Het hof is, met de eerste rechter, van oordeel dat het groter risico op diefstal niet bewezen is en dat, hoe dan ook, K.-P. dit niet als dusdanig moesten inschatten.

Vooreerst beweren de verzekeraars weliswaar dat moderne juwelen en losse edelstenen een meer gegeerde buit zijn omdat zij gemakkelijker kunnen worden verkocht op de markt van gestolen goederen, maar brengen zij nog steeds geen overtuigende elementen aan die deze bewering ondersteunen, dit terwijl het hier toch niet gaat om een voor zichzelf sprekend element van algemene kennis.

Het enige gegeven waarop de verzekeraars hun bewering steunen, is dat in het concreet geval van de overval op H. K. de dieven blijkbaar eerst de etalages met losse diamanten hebben geledigd en dat mevrouw K. aan de politie heeft verklaard dat de dieven vermoedelijk vooral oog hadden voor diamanten. Uit dit enkel gegeven kan echter niet worden afgeleid dat in het algemeen dieven meer zijn aangetrokken door moderne juwelen en losse edelstenen dan door antieke juwelen en dat moderne juwelen en losse edelstenen daadwerkelijk een hoger risico op diefstal opleveren.

Voorts wordt er terecht op gewezen dat de verzekeraars in hun zeer gedetailleerde vragenlijst ("proposal form") nergens een onderscheid maken tussen antieke en moderne juwelen, dat de vragen in de vragenlijst betrekking hebben op de waarde van de te verzekeren goederen en op omstandigheden zoals de inrichting (aantal etalages enz.) en de beveiliging van de zaak, maar dat niet wordt gevraagd naar de aard (antiek of modern) van de verkochte juwelen. Zoals de eerste rechter terecht heeft opgemerkt, rust op de verzekeringsnemer wel de verplichting om alle voor de beoordeling van het risico relevante elementen aan de verzekeraar mee te delen, ook elementen die in de vragenlijst niet aan bod komen, maar de gestelde vragen kunnen wel een indicatie vormen van wat de verzekeraar van belang acht voor de beoordeling van het risico. De omstandigheid dat in de vragenlijst niet werd gevraagd naar de aard van de juwelen en dat met name geen onderscheid werd gemaakt tussen antieke en moderne juwelen vormt op zijn minst een aanwijzing dat de verzekeraars dit gegeven niet onmiddellijk van belang achtten voor de beoordeling van het risico.

Daarbij komt nog dat de verzekeraars geen enkele informatie verstrekken omtrent de wijze waarop de premie van de polis onderschreven door K.-P. werd berekend. Daaruit en ook uit de vergelijking daarvan met de premieberekening in andere polissen zou nochtans kunnen blijken dat rekening werd gehouden met het feit dat was gemeld dat bij Kooijman antieke juwelen werden verkocht en dat dit een relevant element bij de premieberekening was. Evenmin worden interne documenten voorgelegd waaruit kan blijken met welke criteria rekening wordt gehouden bij de berekening van de premies voor juwelierspolissen.

Uit de omstandigheid dat op de vragenlijst ondertekend door K.-P. expliciet de vermelding "antique jewelry" werd aangebracht, kan verder niet worden afgeleid dat K.-P. wisten dat dit relevant was voor de beoordeling van het risico van diefstal. De vermelding "antique jewelry" werd aangebracht in rubriek 5 van de vragenlijst in verband met de waarde van de goederen. Uit die vermelding kan dan ook niet worden afgeleid dat K.-P. zouden hebben geweten dat antieke juwelen minder gegeerd zijn door dieven en dus een lager risico op diefstal meebrachten. De verzekeraars kunnen dan ook niet worden bijgetreden waar zij stellen dat deze vermelding werd aangebracht om de verzekeraars "gerust te stellen".

Dat K.-P. zouden hebben geweten dat er door de overschakeling naar de verkoop van moderne juwelen en losse diamanten een groter risico op diefstal zou zijn geweest, kan evenmin worden afgeleid uit het feit dat de verzekerde waarde in 2002 en nadien nog eens in 2004 werd opgetrokken tot 250.000,00 euro. Dit duidt er alleen op dat de waarde van de stock steeg, niet dat K.-P. wisten dat er een groter risico op diefstal was door het feit dat (meer) moderne juwelen werden verkocht.

Uit al het voorgaande dient te worden besloten dat geen afdoend bewijs voorligt dat de overschakeling naar de verkoop van moderne juwelen en losse edelstenen een verhoogd risico op diefstal betekende en door de verzekeraars als relevant element bij de beoordeling van het risico werd beschouwd. Hoe dan ook dienden de heer en mevrouw K.-P., gelet op het feit dat het verband tussen de antieke dan wel moderne aard van de juwelen en het risico van diefstal niet evident is en de verzekeraars in hun vragenlijst zelf dit onderscheid niet maakten, niet te weten dat dit een voor de beoordeling van het risico relevant element was.

De eerste rechter heeft bijgevolg terecht beslist dat de Württembergische Versicherung, die de (niet overschreden) eerste schijf van 100.000,00 euro dekt, dekking dient te verlenen en dit zowel aan de heer en mevrouw K.-P. als aan de schadelijders.

Op het aanbod van de verzekeraars om alsnog een deskundigenverslag neer te leggen in verband met hun portefeuille van diefstalverzekeringen van juwelen en om daartoe de debatten te heropenen, dient, gelet op wat voorafgaat, niet te worden ingegaan. Ook het in ondergeschikte orde gevorderde deskundigenonderzoek, is, gelet op wat voorafgaat, niet aan de orde.

3. vorderingen van de schadelijders tegen K.-P. op grond van bewaargeving

3.1 Partijen zijn het erover eens dat de contractuele verhouding tussen K.-P. en de diverse klanten/schadelijders dient te worden gekwalificeerd als bewaargeving. De klanten-schadelijders richten zich tegen K.-P.. Zij voeren aan dat deze als bewaarnemers gehouden zijn tot teruggave van de in bewaring gegeven zaken, dat dit een resultaatsverbintenis is en dat K.-P. geen bewijs leveren van overmacht.

3.2 Als bewaarnemers zijn K.-P. inderdaad gehouden tot teruggave van de in bewaring gegeven goederen. Dit is een resultaatsverbintenis. Daaruit volgt dat zij slechts van deze verbintenis bevrijd zijn indien zij aantonen dat de onmogelijkheid tot teruggave aan een vreemde oorzaak te wijten is.

In tegenstelling tot de eerste rechter is het hof van oordeel dat wel degelijk het bewijs van een vreemde oorzaak voorligt.

De onmogelijkheid tot teruggave van de in bewaring gegeven juwelen is het gevolg van een gewelddadige overval op de juwelierszaak uitgebaat door K.-P.. Het ging daarbij om een gewapende overval door een persoon die zich voordeed als klant en die, na te zijn binnengelaten, mevrouw K. onmiddellijk onder vuur hield, terwijl een mededader, die hij in de zaak had binnengelaten, de glazen toonbanken met een bijl stuk sloeg en de juwelen stal.

K.-P. stellen terecht dat mevrouw K. niets kon doen om dergelijke gewelddadige overval te vermijden en dat haar niets te verwijten valt.

Zoals dat gebruikelijk is bij juweliers kon de zaak niet zomaar worden betreden maar dienden klanten aan te bellen, waarna zij door de juwelier werden binnengelaten. Dit is ook hier gebeurd. Aan mevrouw K. kan niet worden verweten dat zij de dader heeft binnengelaten nadat deze had aangebeld. Dat de man een overval zou plegen stond uiteraard niet op zijn gezicht te lezen en klanten moeten nu eenmaal in de zaak worden binnengelaten.

Voorts blijkt uit de voorliggende gegevens dat de juwelierszaak van de heer en mevrouw K.-P. op normale wijze was beveiligd. Dit blijkt uit de gegevens van "proposal form" (zie punt 12 in verband met het diefstalalarm) en uit het verslag van Tylor & C° (zie stuk 7, in het bijzonder p. 4 over het alarm en de hold-up knoppen).

Aan K.-P. kan uiteraard ook niet worden verweten dat de gestolen juwelen, die hen precies met het oog op verkoop waren toevertrouwd, in de winkel waren uitgestald en dat zij zich dus niet in een kluis bevonden op het ogenblik van de overval. Evenmin is het foutief dat "tientallen diamanten lagen uitgestald in de etalage over de ganse lengte van de straat".

Tenslotte hebben K.-P. die bij hen in consignatie gegeven juwelen behoorlijk laten verzekeren en blijkt uit wat hiervoor werd gezegd dat zij geen enkele fout hebben begaan door niet aan de verzekeraars te melden dat zij niet langer (in hoofdzaak) antieke juwelen verkochten.

Er valt dan ook niet in te zien welke fout in verband met de overval aan K.-P. zou kunnen worden verweten. In die omstandigheden dient de overval als een vreemde oorzaak te worden beschouwd, die K.-P. bevrijdt van hun verbintenis tot teruggave van de juwelen.

Het incidenteel beroep van K.-P. is bijgevolg gegrond, terwijl de incidentele beroepen van de klanten-schadelijders die ertoe strekken K.-P. solidair of in solidum met de verzekeraars te horen veroordelen, ongegrond zijn. Het bestreden vonnis dient te worden hervormd in de mate het K.-P. heeft veroordeeld tot betaling (van de franchise) aan de schadelijders.

4. geen aansprakelijkheid van de tussenpersonen Anglo-Belge en G.

Nu de verzekeraars gehouden zijn dekking te verlenen, vervalt de argumentatie dat de makelaar (Anglo-Belge) en de agent (G.) professionele fouten hebben begaan waardoor er geen verzekeringsdekking is. Van enige aansprakelijkheid in hun hoofde kan dan ook geen sprake zijn. De incidentele beroepen van de klanten-schadelijders zijn, in zoverre zij ertoe strekken Anglo-Belge en G. solidair of in solidum met de verzekeraars en met K.-P. te horen veroordelen, ongegrond.

5. door K.-P. gevorderd voorbehoud

K.-P. vragen voorbehoud om voor het geval zij nog door andere klanten-schadelijders zouden worden aangesproken, zich in vrijwaring te richten tegen de verzekeraars.

Dit voorbehoud kan niet worden toegekend omdat de door K.-P. afgesloten diefstalverzekering een zaakverzekering en geen aansprakelijkheidsverzekering is. In zoverre de verzekering aan klanten toebehorende juwelen betreft, werd zij afgesloten voor rekening van deze klanten, die bijgevolg verzekerden zijn en zich rechtstreeks tot de verzekeraar kunnen wenden. De aansprakelijkheid van K.-P. als bewaarnemers is daarentegen onder de polis niet gedekt.

Het hoger beroep is op dit punt gegrond en het bestreden vonnis dient hier te worden hervormd.

6. de diverse vorderingen cijfermatig

6.1 C. S. stelde voor de eerste rechter geen vordering tegen de verzekeraars. Thans doet zij dat wel. Het door haar gevorderd bedrag van 7.000,00 euro is het bedrag vermeld op het commissiecontract en wordt als dusdanig niet betwist. Dit bedrag is, onder aftrok van de vrijstelling van 10 % en derhalve ten belope van 6.300,00 euro, ten laste van Württembergische Versicherung toewijsbaar.

6.2 Verder worden - althans wat de hoofdsommen betreft - cijfermatig alleen door D. G. grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis dat haar vordering slechts ten belope van 3.700,00 euro heeft ingewilligd, met name het bedrag dat vermeld is op het commissiecontract na doorhaling van het aanvankelijk daarop vermeld bedrag van 7.400,00 euro.

Alvorens hierover te beslissen, dienen K.-P. verduidelijking te verschaffen over het ogenblik waarop, de omstandigheden waarin en de redenen waarom het aanvankelijk bedrag van 7.400,00 euro werd doorgehaald en werd gehalveerd tot 3.700,00 euro. Zij dienen ook te verduidelijken:
- van wie de handtekening is onderaan het commissiecontract;
- of de krul die naast het euro-teken en de vermelding "3.700,00" te zien is, al dan niet een paraaf is en, zo ja, van wie deze paraaf is;
- wat het op het commissiecontract vermeld bedrag inhoudt en hoe het tot stand komt en met name of het al dan niet gaat om de verkoopprijs aan dewelke het juweel zal worden aangeboden en of dit bedrag in overleg met de klant wordt bepaald.

De debatten dienen in verband daartoe te worden heropend.

6.3 De verzekeraars stellen terecht dat slechts (moratoire) interest kan worden toegekend vanaf de datum van ingebrekestelling en geen vergoedende interest vanaf de datum van de diefstal. Hun verbintenis ten aanzien van de verzekerden betreft immers een geldschuld waarop artikel 1153 B.W. van toepassing is. Er kan bijgevolg maar interest worden toegekend, aan de wettelijke interestvoet, vanaf de door de verzekeraars aangegeven data.

7. incidenteel beroep van C. V. : verdedigingskosten

C. V. heeft voor de eerste rechter geen vordering tot vergoeding van verdedigingskosten gesteld. Zij kwalificeert haar voor het eerst in hoger beroep gestelde vordering dan ook ten onrechte als een incidenteel beroep.
Bij gebrek aan bewijs dat de kosten en erelonen van haar advocaat het bedrag van de rechtsplegingsvergoedingen overtreffen, kan deze vordering niet worden ingewilligd.

8. gedingkosten

8.1 Het past de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van S., V. en Buffilor ten laste te leggen van Württembergische Versicherung, als zowel voor de eerste rechter als in hoger beroep hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij.

Wat de rechtsplegingsvergoedingen betreft, zijn voor de procedure voor de eerste rechter, die zich volledig afspeelde vóór de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007, de oude tarieven van toepassing, terwijl voor de procedure in hoger beroep de nieuwe tarieven van toepassing zijn.

Er is geen reden om aan partij S. een hogere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan de basisvergoeding, nu de zaak een niet meer dan gemiddelde complexiteit vertoont en er ook geen andere redenen zijn om af te wijken van de basisvergoeding.

8.2 Wat de gedingkosten betreft gevallen aan de zijde van Anglo-Belge en G. past het dat de gedingkosten met betrekking tot de procedure voor de eerste rechter ten laste worden gelegd van K.-P. (zodat het bestreden vonnis op dit punt kan worden bevestigd).

Wat de gedingkosten in hoger beroep betreft, kunnen Anglo-Belge en G. ten aanzien van elke partij die tegen hen een vordering stelde aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding overeenstemmend met het bedrag van die vordering. Derhalve:
- lastens K.-P. (vordering 756,00 euro): 400,00 euro
- lastens Buffilor (vordering 3.985,50 euro): 650,00 euro
- lastens C. S. (vordering 7.000,00 euro): 900,00 euro
- lastens D. G. (vordering 11.527,05 euro): 1.100,00 euro.
C. V. heeft ten aanzien van Anglo-Belge of G. geen incidenteel beroep ingesteld, zodat zij geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is.

8.3 Over de gedingkosten gevallen aan de zijde van D. G., de verzekeraars en K.-P. zal in het eindarrest worden geoordeeld.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep deels gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep van K.-P. gegrond.Verklaart de incidentele beroepen van S., V. en BVBA Buffilor ongegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de vorderingen tegen NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. and C° als ongegrond heeft afgewezen en het K.-P. heeft veroordeeld tot de gedingkosten gevallen aan de zijde van deze partijen.

Opnieuw oordelend:

Veroordeelt Württembergische Versicherung tot betaling aan K.-P. van de som van 756,00 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 28.10.2004 tot de dag der integrale betaling.

Veroordeelt Württembergische Versicherung tot betaling aan BVBA Buffilor van de som van 3.595,95 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 14.11.2005 tot de dag der integrale betaling.

Veroordeelt Württembergische Versicherung tot betaling aan C. V. van de som van 2.340,00 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 19.12.2006 tot de dag der integrale betaling

Verklaart de vorderingen van BVBA Buffilor, C. S. en C. V. jegens K.-P. ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

Verleent akte aan C. S. van haar voor het eerst in hoger beroep gestelde vordering jegens de verzekeraars. Verklaart deze vordering ontvankelijk en deels gegrond jegens Württembergische Versicherung.

Veroordeelt Württembergische Versicherung om aan C. S. te betalen de som van 6.300 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 30.03.2006 tot de dag der integrale betaling.

Wijst het door K.-P. gevraagde voorbehoud voor het instellen van een vrijwaringsvordering tegen de verzekeraars af als ongegrond.

Houdt de beslissing omtrent de vordering van D. G. aan.

gedingkosten

1. Veroordeelt K.-P., BVBA Buffilor, C. S. en D. G. tot de gedingkosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C°.

Veroordeelt dienvolgens K.-P. tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van 400,00 euro voor elk van hen.

Veroordeelt BVBA Buffilor tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van 650,00 euro voor elk van hen.

Veroordeelt C. S. tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van 900,00 euro voor elk van hen.

Veroordeelt D. G. tot betaling aan NV Anglo-Belge Special Risks en NV G. & C° van een rechtsplegingsvergoeding van.1.100,00 euro voor elk van hen.

2. Veroordeelt Württembergische Versicherung A.G., vennootschap naar Engels recht, tot betaling van de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van BVBA Buffilor, C. S. en C. V.. Begroot deze kosten als volgt:
- aan de zijde van BVBA Buffilor:
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 euro
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 euro
- aan C. S.::
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 euro
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 euro
- aan C. V.:
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 euro
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 euro.

3. Houdt de uitspraak over de gedingkosten gevallen aan de zijde van D. G., K.-P. en Württembergische Versicherung/Lloyd's aan.

heropening debatten

Heropent de debatten teneinde K.-P. toe te laten de onder punt 6 gevraagde informatie mede te delen.

Zegt dat K.-P. zullen besluiten tegen uiterlijk 30 april 2009.
Zegt dat D. G. en Württembergische Versicherung/Lloyd's zullen besluiten tegen uiterlijk 25 juni 2009.

Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van donderdag 8 oktober 2009 te 14.00 uur.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 25/03/2011 - 17:07
Laatst aangepast op: za, 01/07/2017 - 10:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.