-A +A

Openbaar domein

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het openbaar domein is het geheel van lichamelijke goederen toebehorende aan de overheid het domein genoemd, waarbij verder een onderscheid wordt gemaakt tussen de overheidsgoederen die tot het openbaar domein behoren en die welke tot het privaat domein behoren (M. Boes, Bestuursrecht, Leuven, Acco, 2011, 150). Als uitgangspunt geldt dat een overheidsgoed, zijnde een goed dat tot de gemeenschap behoort tot het privaat domein behoort (Cass. 8 maart 1951, Arr.Verbr. 1951, 391); overheidsgoederen zijn in beginsel onderworpen aan het gemene recht (V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, V, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 119 en 121, nrs. 143 en 145; J. Hansenne, Précis – Les biens, Luik, Collection Scientifique de la Faculté de Droit de Liège, 1996, p. 146, nr. 127).

Een goed behoort tot het openbaar domein doordat het, hetzij door een uitdrukkelijke hetzij door een impliciete beslissing van de overheid, wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon.

Het onderscheid tussen openbaar en privaat domein heeft geen wettelijke grondslag, vermits het uitsluitend voortvloeit uit de rechtsleer en de rechtspraak. De juridische afbakening van deze aangelegenheid is derhalve op bepaalde punten vatbaar voor controverse of verandert naargelang van de rechtspraak.

Openbare domeingoederen daarentegen genieten een uitzonderingsstatuut wegens hun bijzondere, publieke bestemming (S. Van Garsse, De concessie in het raam van de publiek-private samenwerking in Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 2007, p. 86, nr. 164; F. Van Neste, Zakenrecht. Boek 1 in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1990, p. 181, nr. 98A); ze zijn principieel onbeschikbaar en bijgevolg onvervreemdbaar, onverjaarbaar en niet vatbaar voor beslag (J. Hansenne, o.c., p. 141, nr. 123). Tot het privaat domein behoren derhalve alle overheidsgoederen die niet tot het openbaar domein behoren, deze overheidsgoederen kunnen dus wel verkocht worden (bv. bossen, pastoriën, duinen, niet bewaarbare waterlopen, industriewoningen.

De bijzondere eigenschap van een openbaar domein goed is de affectatie, lees de publieke bestemming.

Het openbaar domein wordt opgesplitst in
- het natuurlijk openbaar domein
- het kunstmatig openbaar domein.

Tot het natuurlijk openbaar domein behoren:
- de zee en de stranden
- de bevaarbare kanalen,
- aanwassen en gorzingen van de zee,
- stromen en rivieren
- vijvers, riolen
- havens
- wegen, banen, straten, trottoirs bruggen, bermen, bomen langs de weg, hellingen
- verkeersborden
- spoorwegen, stations, perrons, parkeerplaatsen aan stations
- versterkte plaatsen, poorten, muren, grachten, wallen

Zij behoren van nature uit tot het openbaar domein (art. 538 BW) of juister, zijn natuurlijk geaffecteerd.

Het kunstmatig openbaar domein bestaat uit de goederen die door de overheid bestemd worden voor het gebruik van allen of voor een openbare dienst.

voorbeelden van onroerende goederen van het kunstmatige openbaar domein:
- beschermde monumenten en landschappen
- in de legger der buurtwegen opgenomen wegen
- openbare bibliotheken, musea, cultuur centra, schouwburgen
- ziekenhuizen
- kerken en hun beelden
- gevangenissen
- handelsbeurzen, hallen, overdekte markten
- postkantoren
- slachthuizen
- begraafplaatsen
- parken
- vliegvelden
- stadhuizen, ministeries, gerechtsgebouwen
- militaire domeinen, kazernes, oefenpleinen, militair ziekenhuis

Voorbeelden van roerende goederen behorend tot het kunstmatig openbaar domein:
- archieven, verzamelingen van bibliotheken
- religieuze kunstvoorwerpen
- de (kunst)voorwerpen in de musea van Schone Kunsten en andere openbare musea
- Het Lam Gods
- Rechtbanken

Maar het louter gebruik door het publiek volstaat volgens het Hof van Cassatie niet om tot het openbaar domein te behoren (Cass. 8 maart 1951, Arr.Verbr. 1951, 391). Volgens de vaststaande rechtspraak van ons hoogste rechtscollege behoort een goed evenwel “tot het openbare domein doordat het, hetzij door een uitdrukkelijke hetzij door een impliciete beslissing van de overheid wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon” (Cass. 3 mei 1968, Pas. 1968, I, 1033, RW 1968-69, 409, Arr.Cass. 1968, 1100, RCJB 1969, 5; Cass. 18 mei 2007, Arr.Cass. 2007, 1045, JLMB 2007, 1726, NJW 2007, 652, Pas. 2007, 934, DPK 2008, 219, RCJB 2012, 466, noot A. Vandeburie, Rev.not.b. 2007, 631, RW 2007-08, 736, TBBR 2008, 550, TBO 2008, 9, TBP 2008, 495, T.Not. 2009, 32). Deze affectatie van een goed tot gebruik van allen en dus tot het openbaar domein vereist de tussenkomst van de overheid die expliciet of impliciet het goed (uitdrukkelijk dan wel impliciet, heeft bestemd tot het gebruik van allen.

De vraag rijst of de affectatie van een goed tot het openbaar domein ook een materieel aspect omvat, in die zin dat tevens vereist zou zijn dat de bestemming van het goed tot het gebruik van allen ook dient te blijken uit de “realisatie” van die bestemming (S. Van Garsse, o.c., p. 102, nr. 199), hetzij door het feitelijk gebruik door het publiek, hetzij door de materiële inrichting van het goed om een dergelijk gebruik mogelijk te maken.

Het openbaar domein omvat ook nog een materieel element opdat een goed tot het openbaar domein zou worden “geaffecteerd” (D. Renders en B. Gors, Les biens de l’administration, Brussel, Bruylant, 2014, p. 21, nr. 32; A. Vandeburie, Propriété et domanialité publiques en Belgique. Essai de systématisation et d’optimalisation du droit domanial, Brussel, die Keure, 2013, p. 432 en 439, nrs. 377 en 383; A. Vandeburie, “Définir le domaine public, permettre sa valorisation: une entreprise impossible?” (noot onder Cass. 18 mei 2007), RCJB 2012, (473), p. 477, nr. 2; 

Het loutere feit dat de overheid een goed wegens openbaar of algemeen nut verwerft, reslulteert niet automatisch in openbaar domein.
Aldus zal een goed slechts tot het openbaar domein behoren indien het de concrete bestemming heeft ontvangen waarvoor het werd onteigend (Cass. 2 juni 1898, Pas. 1898, I, 219, conclusie advocaat-generaal Mélot; Cass. 14 oktober 1926, Pas. 1927, I, 67; Cass. 30 maart 1933, Pas. 1933, I, 185; Rb. Brussel 12 april 1954, JT 1954, 461; Rb. Luik 10 oktober 1986, JL 1986, 651; Rb. Bergen 28 maart 2001, JLMB 2001, 1710). De verwerving, door de overheid, van een goed om reden van algemeen nut volstaat bijgevolg niet: “[q]ue le domaine public ne comprend que les biens réellement affectés à l’usage ou à la protection de tous [...]; [q]ue dès lors l’immeuble exproprié n’est mis hors du commerce que pour autant qu’il reçoive la destination pour laquelle il a été acquis, mais que tant qu’il n’a pas été affecté à l’utilité des travaux décrétés, il reste dans le domaine de l’administration, susceptible d’appropriation privée, aliénable et prescriptible”. In de woorden van H. De Page en R. Dekkers: “Bien que le nom de cette opération puisse faire supposer le contraire, les biens expropriés ne font point, par le seul fait de l’expropriation, partie du domaine public. Ils tombent d’abord dans le domaine privé” (H. De Page en R. Dekkers, o.c., p. 672, nr. 754, 3o). Het openbaar nut dient dus gepaterialiseerd. Er bestaat geen “virtueel openbaar domein”.

De volgende juridische principes bepalen wat behoort tot het openbaar domein.

De goederen van een publiekrechtelijk rechtspersoon behoren principieel tot het privaat domein, tenzij het tegendeel blijkt uit de wet of uit de bestemming van het goed.
...
De opsomming in de artt. 538 e.v. BW van wat tot het openbaar domein behoort, is niet beperkend. Alle goederen die door de bevoegde overheid tot het openbaar gebruik bestemd zijn, maken deel uit van het openbaar domein (zie in die zin: Cass. 2 oktober 1924, Pas. 1924, I, 530).
Goederen maken deel uit van het openbaar domein als ze tot gebruik van allen bestemd zijn (zie in die zin: Cass. 9 maart 1950, Arr.Verbr. 1950, 457, Pas. 1950, I, 485, RW 1949-50, 1947).

De onroerende goederen van de Staat of van een gemeente maken in principe deel uit van het privaat domein, tenzij ze door hun aard zelf of door een formele beslissing van de openbare macht tot het openbaar nut aangewend worden. Het louter gebruik door het publiek van een aan de Staat of aan een andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehorende grond volstaat niet om dit goed in het openbaar domein te doen vallen, indien het daartoe niet bestemd geweest is (zie in die zin: Cass., 8 maart 1951, Pas. 1951, I, 461, RW 1951-52, 121, Arr.Cass. 1951, 390).

Een goed behoort tot het openbaar domein doordat het, hetzij door een uitdrukkelijke hetzij door een impliciete beslissing van de overheid, wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon (zie in die zin: Cass. 3 mei 1968; Cass. 17 oktober 2014, C.13.0384.N., Arr.Cass. 2014, 2276).

Rechtspraak: 

Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel
21e Kamer – 9 november 2016, RW 2017-2018, 1707

MIVB t/ NV B.A.-M. en NV B.
...
II. Feiten en procedurele antecedenten

1. A.-M. en de MIVB sloten op 27 januari 1995 een overeenkomst, genaamd «handelshuurcontract», geregistreerd op 27 januari 1995, voor een termijn van negen jaar met ingang van 1 juli 1994 om van rechtswege te eindigen op 30 juni 2003. Bij deze overeenkomst stelt de MIVB een ruimte ter beschikking, gelegen in het station Communicatiecentrum Noord te Brussel, niveau 0, met een oppervlakte van +/- 450 m2 (25 m2 terras inbegrepen).

Art. 2 van het «handelshuurcontract» bepaalt dat indien de MIVB zelf het voorwerp van het huurcontract wil exploiteren, ze op de vervaldag van elke periode van drie jaar een einde kan maken aan het huurcontract door middel van een aangetekende brief. Op de vervaldag van het huurcontract wordt het lokaal zonder enige schadeloosstelling teruggegeven en moet het op kosten van de huurder in zijn oorspronkelijke toestand worden teruggebracht.

Art. 3 bepaalt dat de plaats enkel als café-taverne mag worden geëxploiteerd en de huurder dit zal doen onder de naam «N.E.».

Art. 11 bepaalt dat de huurder in de verhuurde ruimten enkel de opgesomde activiteiten mag uitoefenen. Er wordt op gewezen dat «de in huur gegeven ruimten deel uitmaken van een commercieel geheel waarvan de goede werking gekoppeld is aan een algemene organisatie van het geheel en derhalve en in eerste instantie aan een evenwicht tussen de handelszaken in het gemeenschappelijke belang van de MIVB, de exploitanten en de consumenten, onverminderd ...»

Art. 12 bepaalt de voorwaarden en modaliteiten waaronder de commerciële exploitatie dient te gebeuren. Art. 12.4 bepaalt dat de exploitatie van de huurder zich zonder toestemming van de MIVB niet mag uitbreiden over de gangen of over de andere delen voor openbaar gebruik.

Art. 16 gaat over de «reglementen – Algemeen gebruik van de private delen en van de delen voor openbaar gebruik – Klachten – Bezwaar». Zo bepaalt art. 16.1 dat de huurder alle reglementen en richtlijnen van de verantwoordelijke van de handelspanden van de MIVB moet naleven.

Art. 16.2 regelt het gebruik van de delen voor openbaar gebruik; het laat de MIVB o.m. toe de toegang te verbieden tot alle voor openbaar gebruik bestemde oppervlakken of tot delen ervan of afbakeningen te plaatsen, of de voor openbaar gebruik bestemde oppervlakken te sluiten om er werken uit te voeren of nog er activiteiten van uiteenlopende aard uit te oefenen voor de animatie en promotie van de metro.

Art. 16.4 gaat nog een stap verder; het bepaalt dat in geval van een staking of actie die schade zou kunnen berokkenen, de MIVB tijdelijk één of meer stations kan sluiten, zonder recht op schadeloosstelling van de huurder. En tot slot bepaalt art. 16.4 in fine: «Indien de plaats zou wegvallen of verplaatst moeten worden uit hoofde van werken, om redenen die eigen zijn aan de exploitaties van de metro, of wegens overmacht, zal de MIVB alles in het werk stellen om de huurder een soortgelijke plaats ter beschikking te stellen, zonder dat deze laatste aanspraak kan maken op een vergoeding of een schadeloosstelling.»

2. De BVBA H. (niet in zake) ging op 9 juni 1994 een handelshuurovereenkomst aan met A.-M. betreffende deze café-taverne voor een termijn van negen opeenvolgende jaren met ingang van 1 juli 1994 om van rechtswege te eindigen op 30 juni 2003. Deze overeenkomst werd geregistreerd op 24 april 1995. De BVBA H. werd zo onder(handels)huurder. Of deze laatste overeenkomst een handelshuur betreft, staat in huidig geding niet ter discussie.

3. Op 10 maart 2001 sloten de BVBA H. en B. en op 28 maart 2001 sloten de BVBA H., B. en A.-M. een overeenkomst waarbij de voornoemde (onder)handelshuurovereenkomst tussen A.-M. en de BVBA H. overgedragen werd aan B. met ingang van 1 april 2001 voor de resterende duur tot 30 juni 2003. Er werd gepreciseerd dat de huurhernieuwing moest worden aangevraagd tussen 1 januari 2002 en 1 april 2002 om in te gaan op 1 juli 2003, maar dat al stappen ondernomen waren en de MIVB al een principieel akkoord toezegde.

4. De MIVB en A.-M. kwamen een eerste huurhernieuwing overeen op 4 mei 2001 tegen dezelfde voorwaarden als in de overeenkomst van 27 januari 1995, voor een termijn van negen jaar, ingaande op 1 juli 2003, om te eindigen zonder stilzwijgende verlenging op 30 juni 2012. Deze hernieuwing werd geregistreerd op 26 juli 2001.

5. B. verkreeg van A.-M. eveneens de (eerste) hernieuwing van de onderhuur voor een tweede negenjarige periode, en tegen betaling van een maandhuur van 3.800 euro, bekrachtigd bij akkoordvonnis van de vrederechter van Schaarbeek van 19 november 2003. De hernieuwde (onder)handelshuur nam een aanvang op 1 juli 2003 om te eindigen op 30 juni 2012.

6. Per aangetekende brief met ontvangstbewijs van 5 januari 2011 verzocht A.-M. de MIVB om een tweede huurhernieuwing voor een termijn van negen jaar (derde negenjarige periode), ingaande op 1 juli 2012, aan dezelfde huurvoorwaarden als in de overeenkomst van 1995.

7. Bij aangetekende brief met ontvangstbewijs van 14 januari 2011 weigerde de MIVB de huurhernieuwing, zeggende dat de handelsruimten in de Brusselse metrostations behoren tot het publiek domein en derhalve niet in huur gegeven kunnen worden. De MIVB zei dat zij evenwel bereid was een contractuele relatie verder te zetten die kadert in haar commerciële politiek en aan A.-M. bij beëindiging van het huidige contract op 30 juni 2012 een nieuwe domeinconcessie toe te staan, beheerst door het Algemene Lastenkohier voor het gebruik van de handelsruimten in metro- en premetrostations, tegen voorwaarden die beide partijen passen.

8. Bij aangetekende brief met ontvangstbewijs van 1 februari 2011 betwistte A.-M. de inhoud van het antwoord van 14 januari 2011 van de MIVB en deelde deze laatste mee het dossier aan haar juridische dienst te bezorgen.

9. Bij dagvaarding betekend op 11 februari 2011 dagvaardde A.-M. de MIVB voor de vrederechter van Schaarbeek, in huurhernieuwing van de handelshuurovereenkomst bestaande tussen hen, voor een termijn van negen jaar ingaande op 1 juli 2012 aan dezelfde huurvoorwaarden, inclusief de huurprijs vervat in de handelshuurovereenkomst van 27 januari 1995, laatst hernieuwd bij overeenkomst van 4 mei 2001, (...).

10. Per gerechtsdeurwaardersexploot betekende B. op 29 maart 2011 aan A.-M. haar verzoek tot huurhernieuwing, volgens bijgevoegde originele brief van 28 maart 2010, van de huur die zou verstrijken op 30 juni 2012, aan dezelfde huurvoorwaarden die op dat ogenblik van kracht waren.
B. betekende deze aanvraag op 29 maart 2011 eveneens aan de MIVB, met de verduidelijking dat zij de onderhuurder was van het betrokken pand.

11. Bij aangetekende brief met ontvangstbewijs van 4 april 2011 deelde A.-M. aan B. de weigering tot huurhernieuwing van de MIVB mee en de motieven van deze laatste. A.-M. liet weten verplicht te zijn de huurhernieuwing op haar beurt om dezelfde reden te weigeren. Ze voegde kopie toe van het ontwerp van dagvaarding ten laste van de MIVB, evenals de beschikking van de vrederechter tot conclusiekalender en pleitdatum, en stelde dat B. best zo spoedig mogelijk zou tussenkomen in de procedure.

12. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het vredegerecht op 4 mei 2011 is B. vrijwillig tussengekomen in de zaak.
...
Bij bestreden eindvonnis van 1 september 2015, gewezen op tegenspraak, overwoog de eerste rechter o.a. dat de omstreden handelsexploitatie van B. gelegen is in een deel van het Communicatiecentrum Noord te Brussel dat behoort tot het openbaar domein en dat de MIVB ze in principe nodig heeft voor de vervulling van de openbare dienst; dat daar niet noodzakelijk uit volgt dat de overeenkomst tussen de MIVB en A.-M. inzake de verhuur van de kwestieuze handelsruimte een domeinconcessie betreft, maar dat uit de aard van de overeenkomst voortvloeit dat het een handelshuur betreft. De eerste rechter overwoog ook dat de MIVB niet aantoonde dat de beëindiging van de handelshuur noodwendig is voor de werking van de openbare dienst.

De eerste rechter besliste als volgt: verklaart de hoofdvordering van A.-M. toelaatbaar en gegrond in de hierna volgende mate; zegt voor recht dat de tussen A.-M. en de MIVB bestaande handelshuurovereenkomst wordt hernieuwd voor een termijn van negen jaren, ingaande op 1 juli 2012, en aan dezelfde huurvoorwaarden, o.a. de huurprijs, zoals vervat in de handelshuurovereenkomst van 27 januari 1995, en laatst hernieuwd bij overeenkomst van 4 mei 2001.
...
III. Vorderingen in hoger beroep
...
V. Gegrondheid
Essentieel voor de beslechting van dit geschil is de juridische aard van:
– het omstreden pand, nl. of dit tot het privaat dan wel openbaar domein behoort;
– de overeenkomst van 27 januari 1995 genaamd «handelshuurcontract» tussen de MIVB en A.-M., zoals hernieuwd op 4 mei 2001.

A. Openbaar domein

18. De rechtbank beslecht eerst de kwestie of het pand, gelegen in het CCN te Brussel, niveau 0, met een oppervlakte van +/- 450 m2, waarin B. de café-taverne North-Express uitbaat en die voorwerp is van de kwestieuze overeenkomsten tussen de MIVB en A.-M. en tussen deze laatste en Bulc., tot het openbaar domein behoort.

De volgende juridische principes bepalen wat behoort tot het openbaar domein.

De goederen van een publiekrechtelijk rechtspersoon behoren principieel tot het privaat domein, tenzij het tegendeel blijkt uit de wet of uit de bestemming van het goed.
...
De opsomming in de artt. 538 e.v. BW van wat tot het openbaar domein behoort, is niet beperkend. Alle goederen die door de bevoegde overheid tot het openbaar gebruik bestemd zijn, maken deel uit van het openbaar domein (zie in die zin: Cass. 2 oktober 1924, Pas. 1924, I, 530).

Goederen maken deel uit van het openbaar domein als ze tot gebruik van allen bestemd zijn (zie in die zin: Cass. 9 maart 1950, Arr.Verbr. 1950, 457, Pas. 1950, I, 485, RW 1949-50, 1947).

De onroerende goederen van de Staat of van een gemeente maken in principe deel uit van het privaat domein, tenzij ze door hun aard zelf of door een formele beslissing van de openbare macht tot het openbaar nut aangewend worden. Het louter gebruik door het publiek van een aan de Staat of aan een andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehorende grond volstaat niet om dit goed in het openbaar domein te doen vallen, indien het daartoe niet bestemd geweest is (zie in die zin: Cass., 8 maart 1951, Pas. 1951, I, 461, RW 1951-52, 121, Arr.Cass. 1951, 390).

Een goed behoort tot het openbaar domein doordat het, hetzij door een uitdrukkelijke hetzij door een impliciete beslissing van de overheid, wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon (zie in die zin: Cass. 3 mei 1968; Cass. 17 oktober 2014, C.13.0384.N., Arr.Cass. 2014, 2276).

19. De MIVB die betwist dat zij gebonden is door een handelshuurovereenkomst op grond van het feit dat de omstreden exploitatie tot het openbaar domein behoort en dus enkel het voorwerp kan uitmaken van een domeinconcessie, dient haar stelling te bewijzen.

20. De eerste rechter oordeelde dat «sommige handelsruimten in de metrostations van Brussel en zo ook delen van het CCN gebouw, waar onder meer de omstreden handelsexploitatie van B. gelegen is, behoren tot het openbaar domein, d.w.z. dat de MIVB ze nodig heeft voor de vervulling van de openbare dienst». Hij baseerde zijn oordeel o.m. op de standpunten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 december 2005 en 6 december 2009, bepaalde rechtspraak (o.m. Cass. 25 september 2000; Brussel, 23 oktober 2013) en het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.

Gelet op de hiervoor uiteengezette juridische principes, zijn de toepasselijke criteria echter hetzij een wettelijke grondslag, hetzij een overheidsbeslissing tot expliciete of impliciete bestemming tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon.

21. De MIVB verduidelijkte dat niet zij de eigenaar is van het pand, maar wel het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het blijkt inderdaad uit stuk 6 van de MIVB dat bij notariële akte van verdeling van 11 april 1996 het CCN werd opgedeeld in vier loten. Elk lot bestaat uit één of meer privatieve delen (toegewezen als exclusieve eigendom aan een individuele mede-eigenaar) en een aandeel in de gemeenschappelijke delen (voor gemeenschappelijk gebruik van verschillende of alle mede-eigenaars) (p. 48). Zo werd lot 1 afgescheiden ten voordele van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit lot is samengesteld uit oppervlakten op verschillende niveaus, aangeduid in het grijs op het aan de akte aangehechte plan. Er werd o.m. gepreciseerd dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest eigenaar is van de metrotunnel en het metrostation op -1, evenals van de trappen en roltrappen van het metrostation naar de verdiepingen 0 en +1.

De gemene delen, toebehorend aan alle of sommige mede-eigenaars in onverdeeldheid, zijn aangeduid in het lichtgroen. Sommige gemene delen zijn niet alleen bestemd voor de mede-eigenaars, maar ook voor het publiek dat een beroep doet op de openbare diensten in het CCN (p. 52). Deze delen zijn aangeduid in het geel.

Overeenkomstig art. II.1.8 Reglement van mede-eigendom kunnen loten of delen ervan verkocht worden aan derden, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden inzake de lasten van de mede-eigendom. Ook kunnen loten of delen van loten ter beschikking worden gesteld in de vorm van het toekennen van een zakelijk recht, een persoonlijk recht of een eenzijdige toestemming tot bezetting. De betrokken mede-eigenaar dient zijn wederpartij wel de statuten van het gebouw, het inwendig reglement van orde en de beslissingen van de algemene vergadering mee te delen.

De rechtbank kan noch uit de omstandigheid dat niet de MIVB maar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest eigenaar is van de omstreden ruimte, noch uit de voormelde bepalingen van de akte van 11 april 1996 afleiden dat de omstreden ruimte waarin de café-taverne is gevestigd, tot het openbaar domein behoort. De plaats waar de café-taverne is gevestigd, is immers grijs ingekleurd, terwijl de delen die volgens de akte van 1996 bestemd zijn voor het publiek dat een beroep doet op de openbare diensten in het CCN, in het geel is ingekleurd. Bovendien kunnen loten of delen verkocht worden aan derden (met eerbiediging van de lasten van de mede-eigendom) en mogen er zakelijke en persoonlijke rechten op gevestigd worden.

22. De MIVB voert aan dat bij beslissing van de overheid het omstreden pand behoort tot het openbaar domein en dat die beslissing blijkt uit haar stukken 9 en 10.

De MIVB leidt uit deze stukken af dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest alle metrostations met al hun aanhorigheden in haar openbaar domein wilde opnemen en dat dit een eenzijdige beslissing van de overheid uitmaakt, die tegenwerpelijk is aan iedereen.

De rechtbank volgt de MIVB niet in dit standpunt. Geïntimeerden werpen terecht tegen dat de stukken 9 en 10 niet dienstig zijn als beslissingen van de bevoegde overheid om het omstreden pand tot het openbaar domein te bestemmen en wel om de hiernavolgende redenen.

Stuk 9 betreft fragmentarische correspondentie per e-mail en per brief van eind november/begin december 2005. In antwoord op een vraag van de MIVB antwoordt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 7 december 2005 dat een bepaalde formulering gehanteerd mag worden, namelijk (vrij vertaald) «de integraliteit van de handelsruimten en -lokalen in de metro en premetro op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maakt deel uit van het openbaar domein van het Gewest».

Deze correspondentie wordt niet gekaderd: in welk stuk of met welk doel de betrokken formulering gebruikt zou worden, is niet geweten. De correspondentie zou volgens geïntimeerden betrekking hebben op het station Rogier, wat door de MIVB niet tegengesproken wordt. Deze correspondentie houdt geen concrete expliciete of impliciete beslissing in van een bevoegde overheid, noch verwijst ze naar zo’n beslissing (van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) om het in casu omstreden pand te bestemmen tot het gebruik van allen en op te nemen in het openbaar domein.

Stuk 10 betreft een brief van 6 februari 2009 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de MIVB met de volgende inhoud (vrij vertaald): «In aanvulling op onze memo van 7 december 2005, bevestigen wij u nogmaals voor zover als nodig, dat het geheel van de metro- en premetrostations op het grondgebeid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest deel uitmaakt van het openbaar domein van deze laatste, behalve uitdrukkelijk besluit van desaffectatie door onze uitvoerende macht.

Dit betreft niet alleen de eigenlijke spoorwegen en infrastructuur, zoals de perrons, maar ook alle toegangen, hierin begrepen de gangen waar handelsruimtes zijn gevestigd en de handelsruimtes zelf, ook al zijn die gelegen op andere verdiepingen. Het openbaardomeinkarakter is dus absoluut, vanaf de ingang van het station op het openbaar domein tot de uitgang op datzelfde domein. Onze uitvoerende macht en zij alleen kan beslissen over een eventuele desaffectatie. In voorkomend geval neemt de regering een besluit en publiceert dit in het Belgisch Staatsblad, zodat het publiek er kennis van krijgt.

«Meer bepaald, en voor zover als nodig, bevestigen wij u dat wat het station Madou betreft, zowel niveau -2 als niveau -1 van het station en alle handelsruimten die deze bevat voor de renovatie van het station altijd deel hebben uitgemaakt van het openbaar domein en nooit het voorwerp van desaffectatie waren.»

Deze brief is geen beslissing om het in casu concrete omstreden pand in het CCN te bestemmen tot het openbaar domein. De verwijzing in deze brief naar de memo van 7 december 2005 (stuk 9 MIVB) laat vermoeden dat ook dit schrijven het station Rogier betreft, maar volgens de laatste paragraaf gaat het over het station Madou. Overigens, gesteld zijnde dat dit schrijven bedoeld is om betrekking te hebben op alle metro- en premetrostations op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan nog zegt dit alleen iets over de «eigenlijke spoorwegen en infrastructuur, zoals de perrons, maar ook alle toegangen, hierin begrepen de gangen waar handelsruimtes zijn gevestigd en de handelsruimtes zelf, ook al zijn die gelegen op andere verdiepingen. Het openbaar domeinkarakter is dus absoluut, vanaf de ingang van het station op het openbaar domein tot de uitgang».

Met andere woorden, ook alles wat zich in de toegangen bevindt, met inbegrip van handelsruimten, vanaf de ingang van het station tot de uitgang van het station. Welnu, het CCN is niet gelijk te stellen met het (pre)metrostation zelf en bijgevolg kan men uit dit schrijven van 6 februari 2009 niet afleiden dat het openbaar domein zich uitstrekt tot het pand in het CCN waarin de N.E. wordt uitgebaat.

Men moet zich hoeden voor een al te ruime interpretatie van het begrip «station» (zie hierna). De brief van 2009 mag niet zo geïnterpreteerd worden dat alle metro- en premetrostations met alles erop en eraan automatisch tot het openbaar domein behoren, behalve in geval van een uitdrukkelijke desaffectatie, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, zodat het publiek er kennis van krijgt.

Dit zou een onaanvaardbare omkering zijn van het principe dat goederen van een publieke rechtspersoon behoren tot het privaat domein en er een wet of een beslissing van de bevoegde overheid vereist is om een goed tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon, te bestemmen, opdat dit goed als openbaar domein beschouwd kan worden.

23. De MIVB voert voorts aan dat de bestemming voor het gebruik van allen onbetwistbaar is blijkens de statuten van het CCN. Ze zegt dat luidens art. II.1.2 de vloer waar het pand gelegen is, als toegang en «draaischijf» dient tot het openbaar vervoer (haar stuk 6).

De rechtbank stelt vast dat art. II.1.2 van het reglement van mede-eigendom de bestemming van het gebouw als volgt bepaalt:
– niveaus 0 en +1: draaischijf voor de transportmiddelen in het CCN en eerbare commerciële activiteiten;
– verdiepingen boven +1: openbare en privé administratieve diensten;
– beneden niveau 0: parking voor voertuigen en activiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het gebruik van de loten overeenkomstig de bestemming.

De mede-eigenaars dienen de bestemming van het gebouw te respecteren en zij mogen delen of het geheel van hun loten enkel overdragen of ter beschikking stellen aan partijen die de bestemming respecteren.

De MIVB is dus niet volledig in haar verwijzing in zoverre zij aanvoert dat de bestemming van niveau 0 er enkel in bestaat als draaischijf te fungeren. Het reglement vermeldt uitdrukkelijk dat niveau 0 moet dienstdoen enerzijds als draaischijf voor de transportmiddelen en anderzijds voor eerbare commerciële activiteiten. Dat de niveaus 0 en +1 (ook) een draaischijf zijn voor openbaar vervoer, wil bijgevolg niet zeggen dat er volledige niveaus bestemd zijn voor het openbaar vervoer.

Wel integendeel, er is zelfs uitdrukkelijk gestipuleerd dat die niveaus ook bestemd zijn voor eerbare commerciële activiteiten. Dat de commerciële ruimte gelegen is op een locatie waar bijzonder veel passanten voorbijkomen, is wellicht ook ingegeven door commerciële motieven en kan nu bezwaarlijk worden aangegrepen om te motiveren dat de uitbating ligt op een doorgang voor gebruik van allen.

Het argument van B. dat de exploitatie van de café-taverne geen openbare dienst is, is wel relevant, omdat het aantoont dat het omstreden goed niet bestemd werd voor het gebruik van allen. Dat dergelijke uitbatingen bijdragen tot de kwaliteit van de openbare dienstverlening, is een nevenaspect, dat niet de wezenlijke aard van die openbare dienstverlening raakt. De handelsruimte mocht contractueel enkel uitgebaat worden als café-taverne en zulks behoort niet tot de openbare dienstverlening van de MIVB.

24. De MIVB leidt de bestemming voor het gebruik van allen ook nog af uit art. 4 van de overeenkomst van 14 november 1995 (haar stuk 5) «m.b.t. het ter beschikking stellen van de MIVB en de bezetting door haar van de ruimten die voor haar bestemd zijn in het CCN».

Bij overeenkomst van 14 november 1995 regelen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de MIVB het gebruik door deze laatste van bepaalde delen van Lot 1 en van bepaalde gemeenschappelijke publieke delen die haar openbare dienstverlening in het CCN betreffen. Art. 4 bepaalt de bestemming van de zones van de MIVB als volgt (vrij vertaald):

– eerste lid: «Op de niveaus +1 en 0 is er al een deel van het privatieve gedeelte bestemd voor de exploitatie van commerciële ruimtes (zie plannen). Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kent de MIVB het beheer toe van commerciële ruimtes in het metrostation en de publieke ruimtes van het CCN (niveaus 0 en +1, zie plannen). Op het niveau 0 wordt een lokaal ter beschikking gesteld van de MIVB (zie plan).»

– tweede lid: «Het privatieve gedeelte op +1, gecontroleerd door de MIVB, conform het reglement op de politie ..., geeft toegang tot het metrostation en de bushalte.»

Overeenkomstig art. 11 mag de MIVB derden laten genieten van haar gebruiks- en doorgangsrechten in overleg met en met het akkoord van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De rechtbank ziet niet in hoe men uit het bovenstaande kan afleiden dat de omstreden ruimte in het openbaar domein ligt. Wel integendeel, de overeenkomst van 14 november 1995 preciseert dat een deel van het privatieve gedeelte al bestemd is voor commerciële exploitatie. De rechtbank herinnert eraan dat de omstreden «handelshuurovereenkomst» werd aangegaan op 27 januari 1995 voor een duur ingaande op 1 juli 1994, dit is vór de overeenkomst van 14 november 1995.

25. De MIVB zegt vervolgens dat concreet de galerij langs het pand de verplichte doorgang vormt voor de gebruikers van de NMBS om het treinstation te betreden of te verlaten, de meest logische en de meest gebruikte doorgang is naar of van het metrostation en de gang gebruikt wordt door 80 % van de gebruikers van de vervoerdiensten. Ze stelt dat dit nog meer zo is sinds de plaatsing in de middenzone, juist tegenover de taverne, van toegangspoortjes die toegang geven tot

– overdag: de perrons van de ondergrondse metrostations voor reizigers en onderhouds- en veiligheidspersoneel en dat dit ook een nooduitgang is om de perrons te verlaten;

– ’s nachts: het busstation van De Lijn voor gebruikers van de NMBS.

De MIVB verwijst naar haar stuk 8 voor wat de recentelijk geplaatste toegangspoortjes betreft.

Stuk 8 is een (niet volledig gedateerde en niet volledig ondertekende) overeenkomst van 2013 tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de MIVB inzake het plaatsen door de MIVB van toegangspoortjes op het niveau van de lokettenzaal om de toegang tot het metro- en premetrostation te controleren en beveiligen.

Dit argument is niet van aard om het openbaredomeinkarakter van de locatie met de omstreden exploitatie vast te stellen. Het is niet omdat het merendeel van de gebruikers van de vervoerdiensten langs het omstreden pand passeert dat het pand zelf daardoor de bestemming krijgt om gebruikt te worden door allen zonder onderscheid van de persoon en bijgevolg tot het openbaar domein behoort. Bovendien wijzen geïntimeerden erop dat er verschillende doorgangen zijn en de gang palend aan de taverne niet de enige en noodzakelijke toegangsweg is, wat door de MIVB niet betwist wordt.

Dat er toegangspoortjes tot het premetro- en metrostation in de nabijheid van de taverne geplaatst werden, maakt van deze taverne nog geen openbaar domein.

De toegangspoortjes beklemtonen precies dat het openbaar domein van de MIVB en de galerie van elkaar afgescheiden zijn, zoals geïntimeerden terecht opmerken.

Dat het omstreden pand op de toegang naar het treinstation ligt, brengt in deze zaak evenmin zoden aan de dijk. De eigenlijke toegang naar het treinstation ligt een heel eind verder dan de taverne N.E. en er zijn in dit verschil alleszins geen conflicten met de NMBS te beslechten.

26. De MIVB roept verder nog het beginsel in dat de bijzaak de hoofdzaak volgt. Ze verwijst naar een cassatiearrest van 25 september 2000 en andere rechtspraak waarbij geoordeeld werd dat ruimten en inkomstgangen die naar het openbaar vervoer leiden, behoren tot het openbaar domein en dat bijgevolg een handelsruimte gelegen in een metrostation of op een toegangsweg tot een metrostation, in een ruimte ligt die bestemd is voor de openbare dienstverlening en behoort tot het openbaar domein.

Men kan niet zomaar in het abstracte poneren dat alle metro- en premetrostations met alles erop en eraan, eronder, errond en erboven tot het openbaar domein behoren. Of bepaalde goederen en ruimten in en aan stations behoren tot het openbaar domein, is een feitenkwestie, die geval per geval moet worden beoordeeld en afhankelijk is van de invulling van het begrip «station».

Het klakkeloos toepassen van het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt en dat de aanhorigheden van de stations ook tot het openbaar domein horen, zou bij een al te ruime invulling van de begrippen «station» en «aanhorigheden» zelfs kunnen leiden tot de absurde conclusie dat niet enkel het omstreden pand, maar de volledige ruimte die in beslag genomen wordt door het CCN, beschouwd wordt als behorend tot het openbaar domein, quod non.

Zoals hiervoor reeds gezegd, kan men het CCN niet gelijkstellen met het station en tonen de stukken aan dat belangrijke delen van het CCN een privatief karakter hebben. Het blijkt weliswaar uit de stukken dat sommige delen van niveau 0 tot het gebruik van allen behoren wegens de noodzaak van de dienstverlening op het vlak van openbaar vervoer, maar het blijkt niet in het minst dat het omstreden pand daar ook bij hoort.

Zoals geïntimeerden opmerken, is er een onderscheid tussen de metrostations op zich met de spoorwegen, roltrappen, vervoersdiensten, perrons en rechtstreekse gangen noodzakelijk om passagiers toegang te verschaffen tot de sporen enerzijds en de winkelgalerijen die een commerciële activiteit ontplooien anderzijds.

Deze laatste onderscheiden zich van de openbare dienst van transport. B. wijst er terecht op dat de omstreden exploitatie niet op het perron ligt of in de eigenlijke metrogangen die men bv. door moet om van het ene spoor naar het andere of om naar de uitgang te gaan. Het omstreden pand ligt op een andere verdieping dan het metrostation.

Men kan naar de winkels zonder dat men naar het metrostation moet. In casu heeft men van het CCN een multifunctioneel gebouw gemaakt met multipele bestemmingen, met inbegrip van een commercieel centrum. Er is een onderscheid tussen standplaatsen in de eigenlijke doorgangen en die in speciaal daartoe bestemde commerciële ruimten, ook al palen deze aan doorgangen. Het is niet zo dat de omstreden exploitatie pal midden in een gebruikte doorgang is ingeplant en daar de passage hindert. In casu gaat het om een degelijke en permanente infrastructuur die van meet af aan gepland was en die een onderdeel uitmaakt van een groter commercieel geheel.

27. De rechtbank beklemtoont nog dat het pand met de café-taverne in kwestie geen onscheidbaar en ondeelbaar geheel uitmaakt met de openbare domeinruimte van de MIVB en dat het bestaan van de taverne niet noodzakelijk is voor de vervulling van de doelstellingen van het openbaar domein. Dat het winkelcentrum volledig afgesloten kan worden, wat overigens niet betwist wordt door de MIVB, is een bijkomend en terecht argument in dit verband.

Ook pertinent is de vermelding in art. 12.4 van het «handelshuurcontract» tussen de MIVB en A.-M. dat de exploitatie zich niet mag uitbreiden over de gangen of over de andere delen voor openbaar gebruik zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de MIVB. Ook dit is een toepassing van het beginsel, waarvan sprake in de akte van 1996 (zie hiervoor), dat er een scheiding is tussen het privatieve gedeelte enerzijds en de ruimte bestemd voor het gebruik van allen en behorend tot het openbaar domein anderzijds.

28. De MIVB put ten slotte een aantal argumenten uit het «handelshuurcontract» van 27 januari 1995 (later hernieuwd) om haar stelling te staven dat deze overeenkomst geen handelshuur, maar een domeinconcessie betreft, en het goed dus behoort tot het openbaar domein, o.m.:

– er is geen verwijzing naar de handelshuurwet in de overeenkomst, noch in de vernieuwing ervan;

– het gebruik werd toegekend voor een vaste duur van negen jaar, zonder vermelding van de mogelijkheid tot vernieuwing;

– art. 16.4 houdt de facto een eenzijdig verbrekingsrecht in, omdat er geen zekerheid is dat er een alternatieve ruimte ter beschikking kan worden gesteld (zie hierna);

– de term «terbeschikkingstelling» en niet «verhuring»;

– het verbod van onderverhuring/overdracht zonder het akkoord van de MIVB;

– de mogelijkheid om de toegang tot gemeenschappelijke plaatsen te verbieden (art. 16.2);

– het recht tot sluiting van het station in geval van staking of sociale onrust (art. 16.4).

De MIVB concludeert dat de overeenkomst rekening houdt met

– het belang van de MIVB om het pand te beheren op een wijze verenigbaar met het openbaar domein en

– het belang van de bezetter van de handelsruimte.

De rechtbank herinnert aan de omschrijving van het begrip openbaar domein: een goed behoort tot het openbaar domein doordat het bij wet of beslissing van de overheid wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon. De voormelde kenmerken van de overeenkomst van 1995 kunnen dus enkel nuttig zijn in de discussie over het beweerdelijk domaniale karakter van het omstreden pand, in zoverre uit die kenmerken moet blijken dat de bevoegde overheid (dat dit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is, wordt niet betwist) het pand tot het gebruik van allen had bestemd/bestemde.

De rechtbank komt na analyse van de overeenkomst van 27 januari 1995 niet tot die conclusie, om de redenen hierna vermeld.

De MIVB geeft een andere interpretatie aan de overeenkomst van 27 januari 1995 dan geïntimeerden. In zoverre de overeenkomst onduidelijk is en interpretatie behoeft, moet de rechtbank de gemeenschappelijke bedoelingen van partijen nagaan. De rechtbank onderschrijft de argumenten van geïntimeerden tot bewijs van een handelshuur en verwijst, bij wijze van niet-beperkende opsomming naar:

– de gebruikte termen, die wijzen op een huur: «handelshuurcontract», de benaming «huurder» voor A.-M., «huurgeld», enz.;

– zowel de aanvankelijke overeenkomst als de hernieuwing werden aangegaan voor een duur van negen jaar, zoals bij handelshuur;

– de bestemming van het goed is de kleinhandel (zie art. 1 van de Handelshuurwet «in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek», nl. een taverne, met een cliënteel dat niet noodzakelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer;

– er is mogelijkheid tot onderverhuring;

– de hoofdelijke gehoudenheid van de overdrager;

– de hernieuwing wordt vermeld in art. 15.4.

Dat er een huishoudelijk reglement is, is op zich niet in strijd met een handelshuur en minstens niet van aard om het openbaar domeinkarakter te vestigen.

Volgens de MIVB is art. 16.4 van de overeenkomst de toepassing van het precariteitsbeginsel dat een wezenlijk bestanddeel is van een domeinconcessie.

Geïntimeerden spreken dit terecht tegen.

De rechtbank stelt vast dat art. 16 nadere bepalingen bevat aangaande het gebruik van de private delen en van de delen voor openbaar gebruik. Art. 16.2 regelt het gebruik van de delen voor openbaar gebruik en meer bepaald de beperkingen erop (zie supra). Art. 16.4, eerste, tweede en derde lid, gaat ook over de delen voor openbaar gebruik en bepaalt dat in geval van een staking of actie die schade zou kunnen berokkenen, de MIVB tijdelijk één of meer stations kan sluiten, zonder recht op schadeloosstelling van de huurder.

Art. 16.4 laatste lid bepaalt: «Indien de plaats zou wegvallen of verplaatst moeten worden uit hoofde van werken, om redenen die eigen zijn aan de exploitaties van de metro, of wegens overmacht, zal de MIVB alles in het werk stellen om de huurder een gelijkaardige plaats ter beschikking te stellen, zonder dat deze laatste aanspraak kan maken op een vergoeding of een schadeloosstelling.»

Het opnemen van deze bepaling is voor de rechtbank niet voldoende om te kunnen concluderen tot een openbaardomeinbestemming. Noch art. 16.4 noch een andere bepaling in de overeenkomst laat toe de overeenkomst onmiddellijk en eenzijdig te beëindigen ten behoeve van het algemeen belang.

Bij een eenzijdige verbreking van een domeinconcessie wordt er door de overheid een einde gemaakt aan de concessie ten behoeve van het algemeen belang.

Art. 16.4 houdt daarentegen voor de MIVB een verbintenis in om, mocht er wegens werken aan de metro of wegens overmacht een probleem rijzen m.b.t. de locatie, wat trouwens van tijdelijke aard kan zijn, een soortgelijke plaats ter beschikking te stellen van de huurder.

Dit wijst op een wil om de relatie verhuurder-huurder en de daarmee verband houdende exploitatie van de handel, een café-taverne, verder te zetten, wat er ook met de precieze locatie gebeurt.

Hiermee wordt het geval geregeld dat bv. werken aan de metro voor problemen zouden kunnen zorgen en het rustige genot van het pand zouden kunnen hinderen (wat wellicht voor het hele gebouw van toepassing is), maar dit risico maakt de aan de huurder verleende rechten niet dermate precair dat ze daardoor beëindigd zouden worden of moeten worden. Integendeel, men zal er alles aan doen om die rechten te handhaven en desnoods elders verder te laten uitoefenen.

Conclusie: de door de MIVB aangevoerde kenmerken zijn niet van aard om het omstreden pand tot het openbaar domein te bestemmen noch om van zulke bestemming blijk te geven.

29. Geïntimeerden wijzen er ook nog terecht op dat het niet is omdat sommige bepalingen van de overeenkomst strijdig zouden zijn met dwingende handelshuurwetgeving, dat de overeenkomst geen handelshuur tot voorwerp kan hebben. In voorkomend geval staat het de belanghebbenden vrij er de nietigheid van te vorderen, wat te dezen niet het geval is.

30. Eveneens terecht is het argument van geïntimeerden dat bij de huurhernieuwing op 4 mei 2001 met geen woord gerept werd over een domeinconcessie. Nochtans was, zoals B. opmerkt, het hiervoor besproken cassatiearrest van 25 september 2000 («Goederen die tot het openbaar domein behoren, kunnen niet in huur worden gegeven en komen dus niet voor handelshuur in aanmerking.») toen al bekend. De rechtbank stelt met geïntimeerden vast dat partijen gedurende zestien jaar naar de geest van een handelshuur hebben gehandeld.

31. Ten overvloede en ten slotte verwijst de rechtbank naar het stuk 11 van A.-M. m.b.t. de precontractuele fase, dat bevestigt dat de partijen, met inbegrip van de MIVB, het sluiten van een handelshuur voor ogen hadden (zie bv. stuk 11c «Wij verkrijgen nieuwe huurceel 9 jaar + belofte eerste hernieuwing voor de integraliteit»; «De MIVB wil absoluut overstappen van concessie naar huurceel»).

32. Uit het bovenstaande volgt dat de MIVB niet aantoont dat de locatie met het omstreden handelspand tot het openbaar domein behoort.
...
33. De MIVB voert nog aan dat zij de inrichting van de toegangswegen moet kunnen aanpassen aan het algemeen belang. Aangezien de MIVB er niet in slaagde om aan te tonen dat het omstreden pand op het openbaar domein ligt, is dit argument in het geschil over de huurhernieuwing niet relevant en bovendien wordt de actuele en concrete noodzaak tot aanpassing niet gestaafd door enige stukken.
...
B. Kwalificatie «handelshuurcontract» van 27 januari 1995 en huurhernieuwing
35. Nu niet is aangetoond dat het omstreden pand tot het openbaar domein behoort, kan dit niet langer een argument zijn om:
– de huurhernieuwing te weigeren;
– aan te vechten dat het voorwerp van de overeenkomst van 27 januari 1995 een handelshuur betreft om reden dat goederen van het openbaar domein buiten de handel vallen en er geen handelshuur op kan gevestigd worden, met dwingende rechten voor de huurder, zoals het recht op huurhernieuwing en een minimale duur.

36. Zoals hiervoor besproken, wijzen de bepalingen van de overeenkomst van 27 januari 1995, de voorafgaande onderhandelingen en de hernieuwing in 2001 op een handelshuur. De rechtbank verwijst tevens naar de motivering van de eerste rechter ter zake.
...
38. De MIVB voert voorts geen argumenten aan om de gevorderde huurhernieuwing te weigeren.
De MIVB vordert wel dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat zij het recht behoudt om de overeenkomst van 27 januari 1995, hernieuwd op 4 mei 2001, te beëindigen, onder de voorwaarden bepaald in art. 6.4. (lees: 16.4 van de overeenkomst van 27 januari 1995).

Afgezien van het feit dat de MIVB de beëindiging thans niet vraagt (enkel het behoud van het recht om te beëindigen) en zij evenmin aantoont dat de omstandigheden waarvan sprake in art. 16.4 zich voordoen, en dus het verzoek van de MIVB geen actueel belang vertoont, verwijst de rechtbank naar de bespreking hiervoor van de draagwijdte van art. 16.4. De rechtbank wijst de MIVB van haar verzoek af. Deze bepaling staat de gevorderde huurhernieuwingen niet in de weg.

39. Het wordt niet betwist dat de respectieve huurhernieuwingen door A.-M. en B. tijdig en regelmatig gedaan werden. Er liggen geen geldige, tijdige en wettige weigeringen voor. De beslissing van de eerste rechter dienaangaande moet integraal bevestigd worden.

40. Uit het bovenstaande volgt dat:

– het hoger beroep van de MIVB ongegrond is;

– het incidenteel beroep van B. gegrond is (...).

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: za, 27/02/2016 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 19:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.