-A +A

Onregelmatig bewijs kan in het openbaar belang toch in aanmerking worden genomen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Niemand kan verplicht worden zichzelf te beschuldigen.
In de eed wordt men verondersteld de waarheid te spreken.
Ergo: Een eed kan in het Belgisch recht niet opgelegd worden in het strafrecht.

Zo zijn er nog tal van onregelmatigheden die zich tijdens de onderzoeksfase kunnen voordoen.

1. De internationale en nationale regels

De Belgische rechter mag echter een verhoor van een verdachte afgenomen onder ede in Frankrijk niet zomaar uitsluiten als bewijs.

Immers bij de beoordeling van de regelmatiogheid van bewijs afkomstig uit het buitenland, vormt het recht van de aangezochte Staat de toetssteen vormt, de lex loci. (Cass. 23 december 1998, Arr.Cass. 1988, 1166; zie: G. Vermeulen e.a., Een nieuwe Belgische regeling inzake internationale rechtshulp in strafzaken, Antwerpen, Maklu, 2002, 123-125; A. De Nauw, Fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2007, 119; L. Huybrechts en M. Rozie, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 114; M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier 2009, 564; B. De Smet, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen, Intersentia, 2011, 103-107).

De buitenlandse aangezochte overheid past haar eigen nationale recht toe bij de uitvoering van rogatoire commissies. Het is haar toegestaan dat zij van haar eigen regels afwijkt om te voldoen aan proceseisen van de verzoekende Staat. (zo ondermeer in art. 3, van de Overeenkomst van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (BS 23 oktober 1975), art. 9 van de Overeenkomst van 8 november 1990 inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, opgemaakt te Straatsburg (BS 4 juni 1998) en art. 4.1 van de Overeenkomst van 29 mei 2000 door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag van de Europese Unie betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lidstaten van de Europese Unie (BS 22 juni 2005).

Wanneer de Belgische rechter de rechtmatigheid van buitenlands bewijs beoordeelt dient de Belgische rechter de conformiteit met de voorschriften van de Staat waar het bewijs is vergaard.

En zelfs hierbij komt de Antigoonleer weer om de hoek kijken. Immers bij deze beoordeling de Antigoon-criteria van toepassing, (Cass.14 oktober 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 499 en  zie: F. Goossens, “De Antigoonwet van 24 oktober 2013” in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 213-232; C. Van den Wyngaert, B. De Smet en S. Vandromme, o.c., 1295-1309; F. Lutgentz, “La sanction de l’irrégularité de la preuve en matière pénale après la loi du 24 octobre 2013”, JT 2015, 185-195). Art. 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van art. 90ter Sv. (BS 24 december 2004) bepaalt: “In het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging mag geen gebruik worden gemaakt van bewijsmateriaal: 1° dat in het buitenland op onregelmatige wijze is verkregen, indien de onregelmatigheid volgens het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast,
2° waarvan de aanwending een schending inhoudt van het recht op een eerlijk proces”. Niet elke onregelmatigheid begaan bij opsporing in het buitenland maakt het bewijs onbruikbaar voor de Belgische rechtsinstanties.

De Belgische rechter kan echter geen bewijs in aanmerking nemen verkregen in het buitenland in overeenstemming in omstandigheden strijdig is met de Belgische openbare orde, met de fundamentele grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) of het verbod van onmenselijke behandeling (art. 3 EVRM);(Cass. 12 oktober 1993, Arr.Cass. 1993, nr. 404; Cass. 25 april 1996, Arr.Cass. 1996, 347; Cass. 13 maart 2002, RDP 2003, noot P. Monville; Cass. 6 april 2005, Arr.Cass. 2005, nr. 206; Cass. 8 mei 2007, Arr.Cass. 2007, nr. 232; zie: D. De Wolf, Handboek correctioneel procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 284).

En zo kom de internationale openbare orde om de hoek, bestaande uit een geheel van ongeschreven regeles die zo belangrijk worden geacht voor een eerlijk proces dat daaraan niet kan worden getornd, zelfs als het bewijs uit het buitenland rechtmatig werd verkregen (P. Traest, “De internationalisering van het bewijsrecht: over telefoontap en de eisen die aan het in het buitenland verworven bewijs moeten gesteld worden”, R.Cass. 1996, 141-148; F. Thomas, Internationale rechtshulp in strafzaken, Antwerpen, Kluwer, 1998, 170; I. Onsea, De bestrijding van georganiseerde misdaad, Antwerpen, Intersentia, 2003, 443; L. Huybrechts en M. Rozie, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 114).

Rechtsleer verdedigt dat de "noemer" van “internationale openbare orde” niet te ruim mag worden opgevat, uit respect voor de soevereiniteit van de aangezochte Staat, waar het bewijs wordt gebruikt (T. Vogler, “Structures et méthodes de la coopération répressive internationale et régionale”, RIDP 1984, 50). 

2. De afweging met het openbaar belang

De strafrechter mag het gewicht van het openbaar belang bij de vervolging van een misdrijf en bij de berechting van de daders in aanmerking nemen en afwegen tegen het belang van het individu dat de bewijzen ten laste regelmatig worden vergaard. Bij een verzoek tot verwijdering uit het dossier van stukken moet bij de beoordeling van het recht op een eerlijk proces rekening worden gehouden met de ernst van de feiten.

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 30 april 2014, met noot B. De Smet, RW 2015-2016, 1101

AR nr. P.13.1869.F

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel en Belgische Staat, minister van Financiën t/ H. d. C.-S. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep van de eerste eiser is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 oktober 2013.

De cassatieberoepen van de tweede eiser zijn gericht tegen hetzelfde arrest alsook tegen het tussenarrest van het voormelde rechtscollege van 25 juni 2013.

De eisers voeren in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, respectievelijk twee en drie middelen aan.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering die tegen de overige verweerders is ingesteld

...

Eerste middel

Het middel voert de schending aan van art. 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken. Het arrest wordt in substantie verweten dat het de geldigheid van een in het buitenland verzameld bewijs niet naar recht controleert, te dezen een in Frankrijk onder ede afgelegde verklaring.

Het bestreden arrest vermeldt of oordeelt dat:

– de onderzoeksrechter te Antwerpen op 18 januari 2000 een ambtelijke opdracht heeft gegeven om in Frankrijk de zesde verweerder te verhoren, met de vermelding dat hij buiten ede moest worden verhoord;

– de ambtelijke opdracht de betrokkenheid aantoonde van de betrokkene bij de door het gerechtelijk onderzoek geviseerde feiten van heling of witwassen;

– de Belgische speurders die de tenuitvoerlegging van de ambtelijke opdracht hebben bijgewoond, deloyaal hebben gehandeld door hun Franse collega’s, op 29 maart 2000, het verhoor bewust onder ede te hebben laten afnemen;

– het zwijgrecht van de zesde verweerder werd miskend, aangezien hij werd verhoord in omstandigheden die hem deden geloven dat zijn verklaring hem niet kon schaden;

– de onderzoeksrechter de onregelmatigheid heeft overgenomen door het verhoor bij het dossier te voegen en op grond daarvan belangrijke ambtsverrichtingen te bevelen, waaruit volgt dat hij de verplichting heeft geschonden bepaald bij art. 56, § 1 Sv., om te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld;

– het op onrechtmatige wijze onder ede afgenomen verhoor een hoofdtroef van het gerechtelijk onderzoek is;

– de zesde verweerder tijdens het debat voor het hof van beroep zijn verklaring van 29 maart 2000 heeft ingetrokken;

– de gevolgen van een miskenning van het recht op een eerlijk proces onafhankelijk worden beoordeeld van de ernst van de feiten die de beklaagden ten laste zijn gelegd;

– aangezien die miskenning vaststaat, het hof van beroep het ingetrokken verhoor niet mag gebruiken om degene te veroordelen die het heeft afgelegd en zich evenmin op de gegevens van de onregelmatige verklaring en de door die verklaring voorgebrachte ambtsverrichtingen mag baseren om de personen te veroordelen die door de onder ede verhoorde verdachte in het geding zijn betrokken.

Het arrest besluit daaruit dat de strafvordering niet ontvankelijk is ten aanzien van de beklaagden H. de C.-S., E.D.W., L.F., B.O., A. Mc G. en E.Th. de M.

Art. 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken bepaalt drie gevallen van uitsluiting van het in het buitenland verzamelde bewijsmateriaal.

Het eerste geval is dat van het bewijs dat werd verkregen met overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, volgens het recht van de Staat op het grondgebied waarvan de onderzoeksverrichting werd verricht.

Het tweede geval is dat van het bewijs dat is aangetast door een onregelmatigheid die het onbetrouwbaar maakt.

Het derde geval is dat van het bewijs waarvan de aanwending een miskenning inhoudt van het recht op een eerlijk proces.

Uit de gecombineerde bepalingen van art. 105, 113-1, 153 en 154 van het Franse Wetboek van Strafvordering, zoals ze op de feiten van toepassing zijn, volgt dat een persoon die ten gevolge van een ambtelijke opdracht van de onderzoeksrechter in verzekerde bewaring is geplaatst, wordt verhoord nadat hij de bij wet bepaalde eed heeft afgelegd, wanneer tegen hem geen ernstige en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat hij heeft deelgenomen aan de feiten die bij de onderzoeksrechter aanhangig zijn gemaakt of indien niet blijkt dat die persoon in een inleidende vordering met naam is aangewezen.

Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest blijkt, enerzijds, dat de ambtelijke opdracht van 18 januari 2000 geen melding heeft gemaakt van de aanvullende vorderingen van de procureur des Konings waarin de zesde verweerder met naam wordt vermeld en, anderzijds, dat de Franse overheid die hem diende te verhoren, heeft geoordeeld dat in de huidige stand van het onderzoek geen enkele aanwijzing doet vermoeden dat de betrokkene feiten van heling of witwassen had gepleegd of gepoogd had te plegen.

Het hof van beroep heeft weliswaar geoordeeld dat, voor de Belgische overheid, de betrokkenheid van de zesde verweerder bij de feiten zijn eedaflegging uitdrukkelijk uitsloot.

Het arrest stelt echter niet het bestaan vast van een nietigheid die het Wetboek van Strafvordering van de aangezochte Staat zou toekennen aan het verhoor onder ede van een persoon die ingevolge een internationale ambtelijke opdracht wordt verhoord, wanneer de rechterlijke overheid of de politie van die Staat meent dat de voorwaarden voor aanhouding niet verenigd zijn, hoewel de opdrachtgevende buitenlandse overheid het tegendeel beweert.

Het arrest verantwoordt de beslissing van de appelrechters betreffende het eerste bij de wet van 9 december 2004 bepaalde geval van uitsluiting van het bewijs, derhalve niet naar recht. Bijgevolg zijn de gevolgtrekkingen die het hof van beroep hieruit heeft gehaald, wat betreft de oneerlijkheid van de Belgische speurders die de tenuitvoerlegging van de opdracht hebben bijgewoond volgens de rechtspleging van de aangezochte Staat of de miskenning door de onderzoeksrechter van de hem bij art. 56, § 1 Sv. opgelegde verplichtingen, evenmin naar recht verantwoord.

Wat het tweede bij wet bepaalde geval van uitsluiting betreft, stelt het arrest niet vast dat de eed die de zesde verweerder werd opgelegd nadat hem kennis was gegeven van de rechten van de in verzekerde bewaring geplaatste persoon, tot gevolg had dat de verklaringen die hij ten overstaan van de Franse politie heeft afgelegd of de transcriptie ervan hierdoor onbetrouwbaar werden.

Het derde geval van uitsluiting houdt in dat de rechter bepaalt of de rechtspleging eerlijk is verlopen. Daartoe dient hij na te gaan of het recht van verdediging werd geëerbiedigd.

Dat nazicht vergt een onderzoek van de zaak in haar geheel, om na te gaan of een gebrek dat inherent is aan een fase van de rechtspleging al dan niet achteraf kon worden rechtgezet.

Er is met name grond om te onderzoeken of de partijen de authenticiteit van het bewijsmateriaal hebben kunnen betwisten en zich tegen het gebruik ervan hebben kunnen verzetten. Dat toezicht houdt rekening met de kwaliteit van het bewijsmateriaal, met inbegrip van het feit of de omstandigheden waarin het werd vergaard aan de juistheid ervan doen twijfelen.

Het evenwicht tussen de rechten van de verschillende partijen holt het begrip eerlijk proces niet uit. Het ideaal van rechtvaardigheid is daar ook een bestanddeel van. Daaruit volgt dat het gewicht van het openbaar belang bij de vervolging van een misdrijf en bij de berechting van de daders in aanmerking kan worden genomen en kan worden afgewogen tegen het belang van het individu dat de bewijzen ten laste regelmatig worden vergaard.

Door te oordelen dat de gevolgen van een miskenning van het recht op een eerlijk proces worden beoordeeld zonder rekening te houden met de ernst van de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten, heeft het hof van beroep het onderzoek van de proportionaliteit geweigerd dat de rechter nochtans toekomt wanneer het bewijs dat van een dergelijke miskenning wordt beticht, het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot verwijdering uit het dossier.

De afwijzing van dat onderzoek is weliswaar verantwoord wanneer de onregelmatigheid tot gevolg heeft dat het recht van verdediging van de beklaagde van meet af aan van zijn substantie wordt ontdaan of dat de kwaliteit van het bewijsmateriaal erdoor wordt aangetast.

Met geen enkele van de hierboven samengevatte overwegingen weegt het arrest de aangeklaagde onregelmatigheid af tegen de rechten die elkeen van de beklaagden al dan niet heeft kunnen uitoefenen tijdens het voorbereidend onderzoek, voor de onderzoeksgerechten, tijdens de terechtzittingen van de correctionele rechtbank en in zijn middelen in hoger beroep.

Het hof van beroep beslist bijgevolg niet naar recht dat de eed die de zesde verweerder is opgelegd door de overheid van de aangezochte Staat, volstond om alle partijen de mogelijkheid te ontzeggen om de in de litigieuze verklaring vermelde gegevens ten laste tegen te spreken.

Het middel is dienaangaande gegrond.

Het tweede middel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord.

...

C. Cassatieberoep van de Belgische Staat van 12 december 2013

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 25 juni 2013

Tweede middel

Beide onderdelen samen

De eiser verwijt de appelrechters dat ze de namens hem op de terechtzitting van 25 juni 2013 neergelegde conclusie hebben afgewezen, zonder naar recht het zuiver dilatoire karakter van die laattijdige mededeling te hebben vastgesteld.

De grief voert aan dat de raadsman van de eiser een geval van overmacht heeft aangevoerd, namelijk een tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens medische redenen, bevestigd door een getuigschrift neergelegd op de terechtzitting van 17 juni 2013, dat de periode van 10 tot 30 juni 2013 dekt.

De rechter kan te laat neergelegde conclusies die aan de goede rechtsbedeling in de weg staan, die op onrechtmatige wijze de rechten van de tegenpartij benadelen en die het recht op een eerlijk proces aantasten, uit het debat weren omdat ze een misbruik van procedure opleveren.

Het arrest wijst er onder meer op dat de beklaagden sedert bijna een jaar in beroep gedagvaard zijn door het hoger beroep van de burgerlijke partij, dat de data van de terechtzittingen werden vastgesteld op 30 oktober 2012, dat een tijdschema werd opgesteld waarin wordt bepaald dat de burgerlijke partij het woord zou nemen op 29 april 2013 en dat dit werd uitgesteld naar de terechtzittingen van 21 en 22 mei 2013, de laatste termijn om de conclusie van de burgerlijke partij mee te delen.

Het arrest voegt daaraan toe dat de burgerlijke partij die dag een nieuw uitstel heeft verkregen naar 27 mei, dat ze vervolgens heeft aangegeven op de vastgestelde dag het woord niet te kunnen nemen, dat toen werd bepaald dat het openbaar ministerie op 27 mei zou vorderen, dat het proces ten gevolge van een wraking vanaf die dag werd opgeschort tot 17 juni 2013, datum waarop het openbaar ministerie zijn vordering heeft aangevat, voordat de raadsman van de burgerlijke partij op de terechtzitting voor zichzelf een medisch getuigschrift neerlegde.

Op grond van die gegevens hebben de appelrechters kunnen oordelen dat de door dat getuigschrift bevestigde ongeschiktheid geen geval van overmacht was dat het misbruik uitsluit bestaande uit het laattijdig neerleggen van een conclusie van 211 bladzijden nadat de beklaagden zich hebben moeten verweren zonder het standpunt van de burgerlijke partij in hoger beroep te kennen.

Het hof van beroep verantwoordt zijn beslissing dus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 21 oktober 2013 dat het hoger beroep van de eiser, burgerlijke partij, niet-ontvankelijk verklaart

...

Eerste middel

Bij verklaring van 11 juli 2012 door een advocaat op de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, heeft de eiser hoger beroep ingesteld, in de hoedanigheid van burgerlijke partij, tegen het vonnis van die rechtbank van 28 juni 2012.

Volgens het uittreksel van de minuten van de griffie van de rechtbank werd het hoger beroep ingesteld tegen de tien verweerders, beklaagden, “wegens alle hen betreffende overtredingen”,

Het arrest beslist dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de burgerlijke partij “haar cassatieberoep alleen gericht heeft tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het beroepen vonnis en niet tegen de burgerrechtelijke beschikkingen”.

De akte vermeldt evenwel niet dat de eiser in hoger beroep zijn rechtsmiddel beperkt tot de beslissing op de strafvordering tegen de verweerders wegens de hun ten laste gelegde misdrijven.

Wanneer een beslissing wordt aangevochten zonder dat de eiser in hoger beroep de beschikkingen vermeldt die hij bestrijdt, moet daaruit worden afgeleid dat hij alle bepalingen bedoelt. De rechter in hoger beroep kan geen onderscheid maken tussen de bestreden bepalingen en die welke, volgens hem, niet worden bestreden, wanneer de appellant zelf zijn hoger beroep niet anders bepaalt dan door te verwijzen naar het vonnis waartegen hij opkomt.

De vermelding dat de burgerlijke partij verwijst naar het geheel van de misdrijven die de gedaagden in hoger beroep ten laste worden gelegd, kan niet worden uitgelegd als een beperking van het hoger beroep tot de strafrechtelijke bepalingen, aangezien de burgerlijke partij het herstel vordert van schade veroorzaakt door een misdrijf dat haar heeft benadeeld, wat haar de hoedanigheid verleent zich op het bestaan ervan te beroepen.

Het arrest, dat uit de tekst van de akte van hoger beroep afleidt dat de eiser de beslissing op de door hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering van zijn rechtsmiddel uitsluit, geeft van die akte een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent bijgevolg de bewijskracht van die akte.

Het middel is in zoverre gegrond.

...

NOOT – De regelmatigheid van bewijs afkomstig uit het buitenland, de eed van de verdachte en te laat neergelegde conclusies

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 06/03/2016 - 14:26
Laatst aangepast op: vr, 27/10/2017 - 16:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.