-A +A

Morele schade kapitalisatie of naar billijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De billijkheid is een vage vorm van recht veruitwendigd in een rechtsbeginsel van rechtmatigheid en redelijkheid zoals intuitief aangevoeld en ingevuld doch gedragen door een algemeen rechtsgevoel.

De rechter mag geen uitspraak doen naar billijkheid, behoudens in de gevallen waarin de wet de billijkheid als rechtsbron erkent of wanneer de partijen uitdrukkelijk de billijkheid als bron van het recht erkend hebben. Wanneer pertijen in een arbitregeprocedure de billijkheid niet erkenbd hebben als criterium op basis waarvan de arbiters uitspraak mogen doen, mogen de arbiters geen uitspraak doen naar billijkheid.

De rechter mag een schadevergoeding enkel naar billijkheid bepalen en uitspreken, wanneer de rechter motiveert waarom de schade enkel naar billijkheid en niet anders kan worden begroot (Cass. 03/01/2013, AR D. 12.0017F)

Hof van Cassatie (2e Kamer) 20 november 2012, RW 2014-2015, 439

“Eerste middel

“1. Het middel voert schending aan van art. 1382 en 1383 BW: de appelrechters verwerpen ten onrechte de kapitalisatieberekening van de eiseres voor haar morele schade wegens de blijvende invaliditeit.

“2. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite, maar binnen de perken van de conclusies van partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel van die schade.

“De rechter mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door het slachtoffer voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

“3. De appelrechters oordelen dat de toepassing van de kapitalisatiemethode voor de blijvende morele schade niet kan worden toegepast omdat:

– een begroting ex aequo et bono te verkiezen is bij gebrek aan een evidente concrete begrotingsgrondslag;

– een begroting op basis van een conventioneel bepaald forfaitair dagbedrag dat als basis wordt gehanteerd voor de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en verrekend wordt op jaarbasis om de toekomstige schade van blijvende arbeidsongeschiktheid te kapitaliseren, ervan uitgaat dat de schade voor en na de consolidatie van eenzelfde intensiteit blijft en voor altijd als een statisch gegeven moet worden beschouwd, wat niet bewezen is;

– de morele schade bestaat uit verschillende elementen waaronder in hoofdzaak de pijnschade, de gederfde levensvreugde, het bewustzijn van de vermindering van fysieke kracht of geestelijke vermogens, de angst en onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling;

– al deze elementen onderhevig zijn aan dynamische factoren van, vooral bij zware fysieke aandoeningen, een mogelijke verergering van de pijn, maar meestal, hoofdzakelijk, van gewenning en aanpassing.

“4. De appelrechters die op deze gronden de door de eiseres voorgestelde kapitalisatieberekening afwijzen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

“Het middel kan niet worden aangenomen.

“Tweede middel

“Eerste onderdeel

“5. Het onderdeel voert schending aan van art. 1382 en 1383 BW: de appelrechters wijzen ten onrechte de door de eiseres voor de begroting van haar schade ingevolge het verlies van economische waarde in het huishouden gehanteerde kapitalisatieberekening af.

“6. De appelrechters oordelen dat:

– het niet te voorspellen is hoe de samenstelling van haar gezin in de toekomst zal evolueren tot aan haar overlijden, zodat het evenmin mogelijk is bij gebrek aan zekere parameters deze schade exact te begroten;

– ter zake dezelfde motivering geldt als voor de begroting van de morele schade wegens blijvende invaliditeit of blijvende arbeidsongeschiktheid.

“7. De appelrechters die op deze gronden de door de eiseres voorgestelde kapitalisatieberekening afwijzen, verantwoorden hun beslissing naar recht”.

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie (2e Kamer) 20 november 2012, RW 2014-2015, 439

Uittreksel

“1. Het middel voert schending aan van art. 1382 en 1383 BW: de appelrechters verwerpen ten onrechte de kapitalisatieberekening van de eiseres voor haar morele schade wegens de blijvende invaliditeit.

“2. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite, maar binnen de perken van de conclusies van partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel van die schade.

“De rechter mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door het slachtoffer voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

“3. De appelrechters oordelen dat de toepassing van de kapitalisatiemethode voor de blijvende morele schade niet kan worden toegepast omdat:

– een begroting ex aequo et bono te verkiezen is bij gebrek aan een evidente concrete begrotingsgrondslag;

– een begroting op basis van een conventioneel bepaald forfaitair dagbedrag dat als basis wordt gehanteerd voor de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en verrekend wordt op jaarbasis om de toekomstige schade van blijvende arbeidsongeschiktheid te kapitaliseren, ervan uitgaat dat de schade voor en na de consolidatie van eenzelfde intensiteit blijft en voor altijd als een statisch gegeven moet worden beschouwd, wat niet bewezen is;

– de morele schade bestaat uit verschillende elementen waaronder in hoofdzaak de pijnschade, de gederfde levensvreugde, het bewustzijn van de vermindering van fysieke kracht of geestelijke vermogens, de angst en onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling;

– al deze elementen onderhevig zijn aan dynamische factoren van, vooral bij zware fysieke aandoeningen, een mogelijke verergering van de pijn, maar meestal, hoofdzakelijk, van gewenning en aanpassing.

“4. De appelrechters die op deze gronden de door de eiseres voorgestelde kapitalisatieberekening afwijzen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

“Het middel kan niet worden aangenomen.

“Tweede middel

“Eerste onderdeel

“5. Het onderdeel voert schending aan van art. 1382 en 1383 BW: de appelrechters wijzen ten onrechte de door de eiseres voor de begroting van haar schade ingevolge het verlies van economische waarde in het huishouden gehanteerde kapitalisatieberekening af.

“6. De appelrechters oordelen dat:

– het niet te voorspellen is hoe de samenstelling van haar gezin in de toekomst zal evolueren tot aan haar overlijden, zodat het evenmin mogelijk is bij gebrek aan zekere parameters deze schade exact te begroten;

– ter zake dezelfde motivering geldt als voor de begroting van de morele schade wegens blijvende invaliditeit of blijvende arbeidsongeschiktheid.

“7. De appelrechters die op deze gronden de door de eiseres voorgestelde kapitalisatieberekening afwijzen, verantwoorden hun beslissing naar recht”.
• Hof van Cassatie (1e Kamer) 17 februari 2012, RW, 2014-2015, 437

abstract:

Degene die door zijn schuld aan een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden, en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt.

Hij mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de reden aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

uittreksel:

“Eerste middel

“De eiser voerde in zijn appelconclusie m.b.t. de blijvende arbeidsongeschiktheid aan dat de raming naar billijkheid een subsidiair karakter heeft en dat de kapitalisatiemethode moet worden gebruikt voor alle punten van de vordering, zelfs als daarvoor een forfaitaire berekeningswijze mogelijk is. Voor de reeds geleden morele schade van 1 januari 2001 tot 1 maart 2011, vorderde hij in hoofdzaak 3.709 dagen x 25 euro x 43%, of een bedrag van 39.871,75 euro, en, voor de toekomstige morele schade na 1 maart 2011, eiste hij dat de schade zou worden gekapitaliseerd volgens de door hem aangegeven formule.

“Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser “de vergoeding van zijn blijvende morele schade vordert volgens de forfaitaire berekeningswijze en vervolgens voor de toekomstige schade de kapitalisatiemethode gebruikt”.

“Het bestreden vonnis dat overweegt dat “die methode niet kan worden verantwoord wanneer [...] de basis zelf [naar billijkheid] wordt geraamd” en “in de tijd kan variëren, rekening houdend met de gewenning en met de noodzakelijke aanpassing van de getroffene aan zijn lijden en aan de gevolgen ervan wanneer het zich mettertijd stabiliseert”, maar niet de omstandigheden, eigen aan de zaak, vermeldt die de variatie van de forfaitaire grondslag in de tijd verantwoorden, miskent de verplichting om de schade in concreto te ramen.

“Het middel is gegrond

“Tweede middel

“De eiser voerde in zijn appelconclusie m.b.t. de economische schade door huishoudongeschiktheid aan dat de raming naar billijkheid een subsidiair karakter heeft en dat de kapitalisatiemethode moet worden gebruikt voor alle punten van de vordering, zelfs als daarvoor een forfaitaire berekeningswijze mogelijk is. Voor de reeds geleden economische schade door huishoudongeschiktheid van 1 januari 2001 tot 1 maart 2011, vorderde hij in hoofdorde 3.709 dagen x 6,13 euro x 43%, of een bedrag van 9.776,55 euro, en, voor de toekomstige economische schade door huishoudongeschiktheid na 1 maart 2011, eiste hij dat die schade zou worden gekapitaliseerd volgens de door hem aangegeven formule.

“Het bestreden arrest dat overweegt dat “de kapitalisatiemethode [...] niet kan worden verantwoord wanneer [...] de basis zelf [naar billijkheid] wordt geraamd” en “in de tijd kan variëren, wat in het bijzonder het geval is met de huishoudelijke activiteit, die neiging heeft af te nemen naarmate de getroffene ouder wordt”, maar niet de omstandigheden, eigen aan de zaak, vermeldt die de variatie van de forfaitaire grondslag in de tijd verantwoorden, miskent de verplichting om de schade in concreto te ramen”.

 

Franse term: 
équité
Rechtsleer: 

VAN GOMPEL, H., De rol van de billijkheid bij de bepaling van de uitwinningsvergoeding van een agent, Limb.Rechtsl. 2008, afl. 4, 342-343

BUYSSENS, F., Wettelijke samenwoning: het recht is geen zaak van billijkheid, T.Fam. 2009, afl. 4, 65-66

MERTENS, D., Bandeloze billijkheid. Vijf bemerkingen bij de toepassing van art. 2 en 3 Alleenverkoopwet, RW 2010-11, afl. 19, 802-805

DAMBRE, M., Ruimte voor de billijkheid bij de begroting van de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, RABG 2010, afl. 15-16, 1025-1031

 

RENIERS, A., De interpretaties van artikel 1278, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek in het licht van de billijkheid en de rechtszekerheid, RABG 2010, afl. 4, 253-256 Rechtsleer - Noten bij rechtspraak - 2010
Gevolg t.a.v. de echtgenoten m.b.t. hun goederen (echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting)

BORGERS, M., GIESEN, I., JANSEN, C., KRISTEN, F., MEIJER, F., STRUYCKEN, T., VERSTIJLEN, F., VRANKEN, J., Een alternatieve visie op de functies van de redelijkheid en billijkheid en de taak van de rechter: vragen aan Hesselink, NJB (NL) 2000, 2029-2031 en http://www.njb.nl (20 december 2000).

DAELE, K., De billijkheid in de Concessiewet. Een fata morgana?, NJW 2003, afl. 22, 222-227

SEGERS, N., [Stijging grondstofprijzen, imprevisieleer, billijkheid en Weens Koopverdrag], Limb.Rechtsl. 2006, afl. 1, 76-82

BALLON, G., Goede trouw, redelijkheid en billijkheid en eerlijke handelspraktijken. Kanttekeningen bij en een toepassing van Walter van Gervens beschrijving van de goede trouw

Rechtsleer - Bijdragen in boek - In: X., Liber Amicorum Walter Van Gerven, 119-129 - 2000
Goede trouw (verbintenissen uit overeenkomst)

CLITEUR, P., Redelijkheid en billijkheid van de islam, Ars Aequi (Ned.) 2003, afl. 7-8, 582-587 en http://www.arsaequi.nl/maandblad (1 juli 2008)

CORNELIS, L., Een toekomst voor de dictatuur van redelijkheid en billijkheid?, TPR 2001, 13-22.

AUBEL, C., Stilzwijgende garantie of billijkheid

HESSELINK, M., De redelijkheid en billijkheid in het Europese privaatrecht, Ars Aequi (Ned.) 1999, 687-694

DE PEUTER, S., Makelaarscommissies en billijkheid, Res Jur.Imm. 1992, 276-278.

SWEETLOVE, R., De griffier, zijn rol in het gerechtelijk systeem en zijn belangrijkheid in de kontekst van de hervormingen die nodig zijn om de doeltreffendheid en de billijkheid van het gerecht te verbeteren, De Schakel deel 1: 1994, afl. 33, 14-19, slot: 1994, afl. 34, 14-18.

MAEIJER, J., De goede trouw of de redelijkheid en billijkheid, TPR 1991, 5-28.

VERBEKE, A., Redelijkheid en billijkheid in het huwelijksvermogensrecht. Een rechtsvergelijkende benadering, RW 1990-91, 1315-1321.

HIJMA, J., Het constitutieve wijzigingsvonnis in het licht van de algemene werking van redelijkheid en billijkheid [Ned.]

VIERING, M., Beleid en billijkheid; een beoordeling

Rechtsleer - Bijdragen in boek - In: X., 50 jaar EVRM. 50 jaar Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens 1950-2000, 235-244 - 2001

VIERING, M., Beleid en billijkheid; een beoordeling Bijdragen in boek - In: X., 50 jaar EVRM. 50 jaar Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens 1950-2000, 235-244 - 2001 Eerlijke behandeling (recht op een eerlijk proces E.V.R.M.)

EM, J., [Het begrip billijkheid in art. 1135 B.W. en de verbindende kracht van overeenkomsten], Rev.not.b. 1988, 49-52.

MORTELMANS, K., Effectiviteit en billijkheid: de G[eïntegreerde] M[editerrane] P[rogramma]'s, de G[eïntegreerde] A[ctie] P[rogramma]'s en de hervorming van de Europese structuurfondsen, SEW 1988, 610-623.

DE BONDT, W., Redelijkheid en billijkheid in het contractenrecht, TPR 1984, 95-126.

DUMON, F., Billijkheid en recht. Enkele overwegingen, Med. A.W.L.S.K. 1980, afl. 5, 20 p.

VERSTEGEN, R., Tussen rechtszekerheid en billijkheid. Rechtstheoretische en rechtsvergelijkende kanttekeningen bij artikel 1591 en 1592 B.W - Bijdragen in boek - In: X., Liber Amicorum Paul De Vroede - 2000

RIJKEN, G., Redelijkheid en billijkheid 

DE BOECK, A., Oorzaak Bijdragen in boek - In: X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Verbintenissenrecht, Titel II. Contractenrecht, 1-31 (31 p.) - januari 2010

DUYNSTEE, J., Naar regt en billijkheid Bijdragen in boek - In: X., Goed en trouw. Opstellen aangeboden aan Prof. W. Van Der Grinten, 89-100. - 1984
Rechtsfilosofie, algemeen

ROEVENS, A., De rechtszekerheid, de billijkheid en de goede trouw, grondpijlers van het recht, Bijdragen in boek - In: X., Liber amicorum Josse Mertens de Wilmars, 233-248. - 1982

MENDEL, M., Rechtsverwerking in door goede trouw (redelijkheid en billijkheid) beheerste verhoudingen - Bijdragen in boek - In: X., Lugdunum Batavorum Juri Sacrum 1882-1982, 39-58. - 1982 Overeenkomst, afstand van recht en rechtsverwerking
 

Wetgeving: 

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 1135. Overeenkomsten verbinden niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. 

uittreksel uit het wetboek van vennootschappen

Art. 31 Indien de vennoten zijn overeengekomen de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen of aan een derde, kan tegen die regeling slechts worden opgekomen, indien zij blijkbaar strijdig is met de billijkheid.

Geen bezwaar dienaangaande wordt aangenomen, indien meer dan drie maanden zijn verlopen sinds de partij die beweert benadeeld te zijn, van de regeling kennis heeft gekregen, of indien zij aan die regeling een begin van uitvoering heeft gegeven.
 

Gerelateerd
Nog dit: 

Cass. 04/10/2010 AR C.09.0475.N, juridat

samenvatting

De rechter beoordeelt in feite het bestaan van de door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade en het bedrag van de vergoeding voor het volledige herstel ervan.

Hij kan de schade ex aequo et bono ramen, mits hij de reden aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade, zoals hij die omschreven heeft, onmogelijk anders kan worden bepaald (1). (1) Zie Cass., 22 april 2009, AR P.08.0717.F, A.C., 2009, nr. 268.

tekst arrest

Nr. C.09.0475.N
V.H.,
eiser,

tegen
1. S.M., en zijn echtgenote
2. S.M.,
samenwonende te ,
verweerders,
en ten aanzien van
OHRA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Elsene, Pleinlaan 15, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder
partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 februari 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 augustus 2010 verwezen naar de derde kamer.
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

1. Overeenkomstig artikel 46, §2, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, mag de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.

2. Deze bepaling houdt in dat het slachtoffer van de voor het ongeval aansprakelijke derde slechts vergoeding van de lichamelijke schade kan vorderen wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de schadeloosstelling die op grond van de Arbeidsongevallenwet wordt toegekend en enkel voor het verschil.

Dit cumulatieverbod geldt slechts in zoverre de schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, gedekt wordt door de Arbeidsongevallenwet.

Wanneer, volgens de criteria van de Arbeidsongevallenwet, geen vergoeding wordt toegekend voor de schade waarvoor het slachtoffer naar gemeen recht vergoeding vordert, heeft het slachtoffer, dat zelf geen schuld treft, jegens de aansprakelijke recht op integrale vergoeding van deze schade mits deze schade in gemeen recht bewezen is.

3. De appelrechter stelt vast dat op basis van de arbeidsongevallenwetgeving vergoedingen zijn uitbetaald aan de eiser voor medische kosten, verplaatsingskosten, tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid.

4. Met betrekking tot de materiële professionele schade oordeelt de appelrechter dat de schade in gemeen recht voor tijdelijke ongeschiktheid, meerinspanning en blijvende arbeidsongeschiktheid materieel niet meer bedraagt dan de vergoedingen ontvangen van de arbeidsongevallenverzekeraar, zodat de eiser geen recht heeft op een bijkomende vergoeding naar gemeen recht.

Met betrekking tot de door eiser gevorderde vergoeding voor blijvende huishoudelijke schade en hulp bij het onderhoud van zijn tuin, oordeelt de appelrechter dat de door de deskundige naar gemeen recht opgegeven 15 pct. blijvende arbeidsongeschiktheid ook de meerinspanning in de huishouding en het onderhoud van de tuin vergoedt, zodat hiervoor geen afzonderlijk bedrag toegekend kan worden.

5. Aldus betrekt de appelrechter bij de vergelijking tussen de vergoeding op grond van de Arbeidsongevallenwet en die op grond van het gemene recht, het volledige bedrag van de gemeenrechtelijke vergoeding voor materiële schade wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, die, naar zijn oordeel, deels betrekking heeft op de blijvende huishoudelijke schade.

Laatstgenoemde schade is extraprofessionele schade, die te onderscheiden is van de materiële professionele schade gedekt op grond van de Arbeidsongevallenwet.

Zodoende past de appelrechter het uit artikel 46, §2, van de Arbeidsongevallen-wet voortvloeiende cumulatieverbod onwettig toe op schade die niet vergoed is door de arbeidsongevallenverzekeraar.

Het middel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerders, bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 september 2004, aansprakelijk gesteld zijn op grond van de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, voor het schadegeval waarbij de eiser op 26 februari 1995 letsel opliep.

7. De rechter beoordeelt in feite het bestaan van de door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade en het bedrag van de vergoeding voor het volledige herstel ervan. Hij kan de schade ex aequo et bono ramen, mits hij de reden aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade, zoals hij die omschreven heeft, onmogelijk anders kan worden bepaald.

8. De appelrechter oordeelt met betrekking tot de materiële schade wegens blijvende arbeidsongeschiktheid dat de kapitalisatiemethode, zoals voorgesteld door de eiser, niet kan worden toegepast, gelet op het ontbreken van concreet bewijs van welke inkomsten hij zou hebben verdiend, hetzij welke economische waarde hij op de arbeidsmarkt zou hebben gehad, indien het ongeval niet was gebeurd.

Op grond van deze overwegingen oordeelt hij ook dat wat de morele schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid betreft, de kapitalisatiemethode niet toegepast kan worden, en kent hij voor deze schade een forfaitaire vergoeding toe van 10.312,50 euro.

9. Door de berekeningswijze voorgesteld door de eiser met betrekking tot de morele schade te verwerpen, op grond van de omstandigheid dat de eiser niet aantoont welk inkomensverlies of verlies aan economische waarde hij lijdt, terwijl die omstandigheid vreemd is aan de omvang van de morele schade, schendt de appelrechter de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de schadeposten "blijvende aantasting huishoudelijke arbeid en andere zaakschade" en "morele schade wegens blijvende arbeidsongeschiktheid" en over de kosten.
Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer.

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 11/11/2014 - 17:28
Laatst aangepast op: di, 11/11/2014 - 17:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.