-A +A

Kwekersrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het kwekersrecht is een intellectueel eigendomsrecht over nieuwe, homogene, bestendige en waardevolle plantenrassen en teeltmateriaal, verschaft door een kwekerscertificaat. Het kwekersrecht verschaft aan de houder van het kweekcertificaat het tijdelijk alleenrecht op de verhandeling van zaad en vermeerderingsmateriaal van het betrokken ras.

De houder van een kweekcerficaat kan licenties verlenen waarbij toestemming topt gebruik van dit materiaal, onder de in licentie verschafte voorwaarden wordt gebruikt.

Franse term: 
droit d'obtention végétale
Rechtsleer: 

X. Kwekersrecht, bespreking KB 12 mei 2015, NJW 2015/490, 325

Rechtspraak: 

• Cass. 09/02/2012, juridat:

Samenvatting

De houder of de licentiehouder van een kwekersrecht kan een vordering wegens inbreuk instellen tegen een derde die het materiaal heeft verkregen via een andere licentiehouder die zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden of de beperkingen die zijn opgenomen in de licentieovereenkomst die laatstgenoemde licentiehouder eerder met de houder had gesloten, voor zover de betrokken voorwaarden of beperkingen rechtsreeks zien op de wezenlijke elementen van het betrokken communautaire kwekersrecht, hetgeen de verwijzende rechter dient te beoordelen; het is voor de beoordeling van de inbreuk van geen belang dat de derde die handelingen met betrekking tot het verkochte of afgestane materiaal heeft verricht, op de hoogte was of geacht werd op de hoogte te zijn van de in de licentieovereenkomst opgelegde voorwaarden of beperkingen. 

Integrale versie van het arrest

Wetgeving: 

uittreksel uit het wetboek van economisch recht (weergave 05/07/2015)

Titel 3. - [1 Kwekersrecht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

HOOFDSTUK 1. - [1 Materieel recht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 1. [1 Voorwaarden inzake de verlening van het kwekersrecht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.104. [1 Rassen van alle botanische geslachten en soorten, met inbegrip van onder meer hun hybriden, kunnen het voorwerp uitmaken van een kwekersrecht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.105. [1 Het kwekersrecht wordt verleend wanneer het ras onderscheidbaar, homogeen, bestendig en nieuw is.
Bovendien moet het ras worden aangeduid met een benaming in overeenstemming met hetgeen bepaald is in artikel XI.143.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.106. [1 § 1. Een ras wordt als onderscheidbaar beschouwd indien het door de expressie van de eigenschappen die voortvloeit uit een bepaald genotype of combinatie van genotypen, duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op de datum van indiening van de aanvraag zoals bepaald in artikel XI.133, of in voorkomend geval, op de voorrangsdatum zoals bepaald in artikel XI.134, algemeen bekend is.
§ 2. Het bestaan van een ander ras wordt met name als algemeen bekend beschouwd, indien op de datum van indiening van de aanvraag zoals bepaald in artikel XI.133, of in voorkomend geval, op de voorrangsdatum zoals bepaald in artikel XI.134 :
1° dat andere ras al het voorwerp van een kwekersrecht uitmaakt, of het ras in een officieel rassenregister is opgenomen in enige Staat of in een intergouvernementele organisatie die op dit gebied bevoegd is;
2° voor dat andere ras al een aanvraag voor het verlenen van een kwekersrecht of tot opneming ervan in een officieel rassenregister is ingediend, mits de aanvraag intussen heeft geleid tot de verlening van de bescherming of tot de inschrijving in het register;
3° de teelt of de verhandeling van dat andere ras reeds begonnen is;
4° dat andere ras in een referentiecollectie komt, of in een publicatie nauwkeurig beschreven wordt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.107. [1 Een ras wordt als homogeen beschouwd indien het voldoende homogeen is in de expressie van de eigenschappen die in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de onderscheidbaarheid, alsmede van elke andere eigenschap die voor de rasbeschrijving wordt gebruikt, behoudens de variatie die mag worden verwacht in verband met de bijzonderheden die eigen zijn aan de vermeerdering ervan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.108. [1 Een ras wordt als bestendig beschouwd indien de expressie van de eigenschappen die in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de onderscheidbaarheid, alsmede van elke andere eigenschap die voor de rasbeschrijving wordt gebruikt, onveranderd blijft na achtereenvolgende vermeerderingen of, in het geval van een bijzondere vermeerderingscyclus, aan het eind van elke cyclus.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.109. [1 § 1. Een ras wordt als nieuw beschouwd als op de datum van indiening van de aanvraag zoals bepaald in artikel XI.133, of in voorkomend geval, op de voorrangsdatum zoals bepaald in artikel XI.134, geen rascomponenten of oogstmateriaal van het ras door of met toestemming van de kweker aan derden zijn verkocht of anderszins afgestaan, met het oog op exploitatie van het ras :
1° op het grondgebied van België eerder dan één jaar vóór de bovengenoemde datum;
2° buiten het grondgebied van België, eerder dan vier jaar of, in het geval van bomen of wijnstokken, eerder dan zes jaar vóór de bovengenoemde datum.
§ 2. Het afstaan van rascomponenten aan een officiële instantie voor wettelijke doeleinden, of aan derden uit hoofde van een overeenkomst of een andere rechtsverhouding uitsluitend met het oog op voortbrenging, vermeerdering, vermenigvuldiging, conditionering of opslag, wordt niet beschouwd als afstand aan derden in de zin van paragraaf 1, voor zover de kweker het uitsluitende beschikkingsrecht over deze en andere rascomponenten behoudt en geen verdere afstand plaatsvindt.
Deze afstand van rascomponenten wordt echter als afstand in de zin van paragraaf 1 beschouwd indien deze componenten herhaaldelijk worden gebruikt bij de voortbrenging van hybriden en indien er afstand plaatsvindt van rascomponenten of oogstmateriaal van hybriden.
Deze afstand van rascomponenten door een vennootschap of onderneming in de zin van artikel 54, § 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan een andere dergelijke vennootschap of onderneming wordt niet als afstand aan derden beschouwd indien een van hen geheel deel uitmaakt van de andere, of indien beiden geheel deel uitmaken van een derde dergelijke vennootschap of onderneming, voor zover geen verdere afstand plaatsvindt. Deze bepaling geldt niet voor coöperatieve vennootschappen.
§ 3. De afstand van rascomponenten of oogstmateriaal van het ras die zijn voortgebracht uit planten die worden gekweekt voor de in artikel XI.116, 2° en 3°, genoemde doeleinden en die niet voor verdere vermeerdering worden gebruikt, wordt niet als exploitatie van het ras beschouwd, tenzij met het oog op die afstand wordt verwezen naar het ras.
Ook wordt geen rekening gehouden met afstand aan derden indien deze hetzij gebeurt in verband met, hetzij als gevolg van het feit dat de kweker het ras heeft gepresenteerd op een officiële of officieel erkende tentoonstelling in de zin van het Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen, of op een tentoonstelling in een lidstaat van de Europese Unie en die door die lidstaat officieel als gelijkwaardig is erkend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.110. [1 De aanvrager duidt het ras aan door een benaming overeenkomstig artikel XI.143.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 2. - [1 Rechthebbenden of rechtverkrijgenden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.111. [1 § 1. Het recht op een kwekersrecht komt toe aan de persoon die het ras heeft gekweekt, of het heeft ontdekt en ontwikkeld, of aan zijn rechthebbende of rechtverkrijgende, die hierna "de kweker" wordt genoemd.
§ 2. Indien het nieuwe ras door twee of meer personen werd gekweekt, of werd ontdekt en ontwikkeld, komt het recht gezamenlijk toe aan deze personen of hun respectievelijke rechthebbenden of rechtverkrijgenden, tenzij anders is overeengekomen.
§ 3. Indien het nieuwe ras door een werknemer in de uitoefening van zijn arbeidscontract werd gekweekt, of werd ontdekt en ontwikkeld, komt dit recht toe aan de werkgever, tenzij anders is overeengekomen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.112. [1 § 1. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon of elke instelling, die ingevolge het recht dat op haar van toepassing is met een rechtspersoon gelijk wordt gesteld, kan een aanvraag voor een kwekersrecht indienen.
§ 2. Een aanvraag kan ook door twee of meer aanvragers gezamenlijk worden ingediend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 3. - [1 Rechtsgevolgen van het kwekersrecht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.113. [1 § 1. Het kwekersrecht heeft als rechtsgevolg dat aan de houder of houders ervan, hierna "de houder" genoemd, het recht wordt voorbehouden om de in paragraaf 2 genoemde handelingen te verrichten.
§ 2. Onverminderd de artikelen XI.115 en XI.116, is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen uitgevoerd met betrekking tot rascomponenten, het oogstmateriaal of de producten die rechtstreeks zijn verkregen uit oogstmateriaal van het beschermde ras :
1° het voortbrengen of de vermeerdering;
2° het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering;
3° het te koop aanbieden;
4° het verkopen of op een andere wijze commercialiseren;
5° de invoer;
6° de uitvoer;
7° de opslag voor een van de hierboven genoemde doeleinden.
De houder kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.
§ 3. Paragraaf 2 is voor oogstmateriaal slechts van toepassing indien dit werd verkregen door het niet-toegestane gebruik van rascomponenten van het beschermde ras, en tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemde rascomponenten uit te oefenen.
§ 4. Paragraaf 2 is van toepassing op producten die rechtstreeks zijn verkregen uit oogstmateriaal van het beschermde ras, indien deze producten werden verkregen door het niet-toegestane gebruik van dit oogstmateriaal, en tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemd oogstmateriaal uit te oefenen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.114. [1 § 1. De bepalingen van artikel XI.113 zijn ook van toepassing :
1° op rassen die in wezen afgeleid zijn van het beschermde ras als het beschermde ras zelf niet een in wezen afgeleid ras is,
2° op rassen die, overeenkomstig artikel XI.106, niet duidelijk te onderscheiden zijn van het beschermde ras,
en
3° op rassen waarvan de voortbrenging het herhaalde gebruik van het beschermde ras vereist.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, wordt een ras geacht in wezen van een ander ras, hierna "het oorspronkelijke ras", afgeleid te zijn, als
1° het hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras of van een ras dat zelf hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras,
2° het duidelijk te onderscheiden is van het oorspronkelijke ras, overeenkomstig artikel XI.106,
en
3° afgezien van de afwijkingen die voortvloeien uit de afleiding, het overeenkomt met het oorspronkelijke ras in de expressie van de wezenlijke eigenschappen die het resultaat is van het genotype of van de combinatie van genotypen van het oorspronkelijke ras.
§ 3. In wezen afgeleide rassen kunnen bijvoorbeeld zijn verkregen door middel van de selectie van een natuurlijke of teweeggebrachte mutant of van een somaclonale variant, door de selectie van een individu dat afwijkt van planten van het oorspronkelijke ras, door terugkruisingen of door transformatie door middel van genetische modificatie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.115. [1 § 1. Onverminderd artikel XI.113, § 2, worden landbouwers gemachtigd om voor vermeerderingsdoeleinden op hun eigen bedrijf, het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een beschermd ras of een ras dat valt onder artikel XI.114.
§ 2. De voorwaarden die uitvoering geven aan de in paragraaf 1 bedoelde afwijking, en die de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer beschermen, worden door de Koning vastgesteld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.116. [1 Het kwekersrecht strekt zich niet uit tot :
1° handelingen die in de particuliere sfeer en voor niet commerciële doeleinden zijn verricht;
2° handelingen die voor experimentele doeleinden zijn verricht;
3° handelingen die zijn verricht ten behoeve van het kweken, of van het ontdekken en ontwikkelen van andere rassen;
4° handelingen als bedoeld in artikel XI.113, §§ 2, 3 en 4, met betrekking tot die andere rassen, behalve wanneer artikel XI.114 van toepassing is;
5° handelingen waarvan het verbod inbreuk zou maken op de bepalingen van artikel XI.115 of artikel XI.126.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.117. [1 § 1. Het kwekersrecht strekt zich niet uit tot handelingen betreffende materiaal van het beschermde ras, of van een ras bedoeld in artikel XI.114, dat op het grondgebied van de Europese Unie door de houder, of met diens toestemming, werd gecommercialiseerd, of betreffende materiaal afgeleid van dit materiaal, tenzij die handelingen :
1° een verdere vermeerdering van het betrokken ras inhouden, tenzij het materiaal juist met het oog op die vermeerdering is afgestaan,
of
2° een uitvoer van materiaal van het ras inhouden waardoor de vermeerdering van het ras mogelijk wordt gemaakt naar een land dat geen bescherming kent van rassen van het plantengeslacht of van de plantensoort waartoe het ras behoort, behalve wanneer het uitvoer voor verbruiksdoeleinden betreft.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt met betrekking tot een ras verstaan onder "materiaal" :
1° de rascomponenten, in welke vorm ook;
2° het geoogste product, met inbegrip van volledige planten en van plantendelen;
3° elk product dat rechtstreeks uit het geoogste product is vervaardigd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.118. [1 § 1. Eenieder die op het grondgebied van België rascomponenten van een beschermd ras of van een ras dat onder de bepalingen van artikel XI.114, valt, voor commerciële doeleinden aanbiedt of aan derden afstaat, is gehouden de rasbenaming te gebruiken die overeenkomstig artikel XI.143 werd goedgekeurd. Bij een schriftelijke vermelding moet de rasbenaming gemakkelijk herkenbaar en duidelijk leesbaar zijn. Als een merk, een handelsnaam of een soortgelijke aanduiding met de vastgestelde rasbenaming verbonden is, moet deze benaming gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn.
§ 2. Paragraaf 1 blijft ook na de beëindiging van het kwekersrecht van toepassing.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.119. [1 § 1. De houder mag een recht dat is verleend met betrekking tot een aanduiding die gelijk is aan de rasbenaming, niet gebruiken om te verhinderen dat die benaming voor dat ras vrij wordt gebruikt, ook niet na beëindiging van het kwekersrecht.
§ 2. Derden mogen een recht dat is verleend met betrekking tot een aanduiding die gelijk is aan de rasbenaming, slechts gebruiken om te verhinderen dat die benaming vrij wordt gebruikt, indien dat recht is verleend voordat de rasbenaming overeenkomstig artikel XI.143 werd vastgesteld.
§ 3. Wanneer een ras onder een kwekersrecht valt, mag op het Grondgebied van de Europese Unie noch de voor dat ras vastgestelde benaming, noch een aanduiding die met die benaming kan worden verward, gebruikt worden in samenhang met een ander ras van dezelfde botanische soort of van een verwante soort, dan wel voor materiaal van dit andere ras.
De Koning bepaalt de als verwant te beschouwen soorten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 4. - [1 Duur en beëindiging van het kwekersrecht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.120. [1 Het kwekersrecht duurt tot het einde van het vijfentwintigste kalenderjaar dat volgt op het jaar van verlening van het kwekersrecht; voor de rassen van wijnstokken, bomen en aardappelen duurt het tot het einde van het dertigste kalenderjaar.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.121. [1 § 1. De houder kan afstand doen van het kwekersrecht door een ondertekende en geschreven verklaring te sturen aan de Dienst.
§ 2. De afstand heeft het eind van het kwekersrecht tot gevolg op de datum van ontvangst door de Dienst van de in paragraaf 1 bedoelde verklaring en behoudens zijn inschrijving in het in artikel XI.152 bedoelde register, hierna "het register" genoemd. Indien echter op die dag de jaartaks voor het instandhouden van het kwekersrecht nog niet betaald is, dan heeft het verval van het kwekersrecht uitwerking op het einde van de periode waarvoor de laatste jaartaks betaald werd.
§ 3. De afstand kan niet ingeschreven worden wanneer uit inschrijvingen in het register blijkt dat er personen zijn die, met betrekking tot het kwekersrecht rechten of licenties hebben verkregen, of die een vordering hebben ingesteld tot opeising van het kwekersrecht, tenzij die personen met de afstand instemmen.
§ 4. De bepalingen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag voor een kwekersrecht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.122. [1 § 1. Het kwekersrecht wordt door de rechtbank nietig verklaard als :
1° op het tijdstip van de verlening van het kwekersrecht de in artikel XI.106 of XI.109 bepaalde voorwaarden niet waren vervuld,
of
2° indien de verlening van het kwekersrecht voornamelijk was gebaseerd op door de aanvrager verstrekte inlichtingen en documenten, op het tijdstip van de verlening ervan de in de artikelen XI.107 en XI.108 vastgestelde voorwaarden niet daadwerkelijk waren vervuld,
of
3° het kwekersrecht werd verleend aan een persoon die daartoe niet gerechtigd was, tenzij het wordt overgedragen aan degene die daartoe recht heeft.
§ 2. Indien het kwekersrecht nietig is verklaard, wordt het geacht van de aanvang af niet de in deze wet omschreven rechtsgevolgen te hebben gehad.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.123. [1 § 1. Indien de in artikel XI.151 voorziene jaartaks niet betaald wordt binnen de gestelde termijn is de houder van rechtswege vervallen verklaard van zijn rechten. Het verval heeft uitwerking op de vervaldatum van de niet betaalde jaartaks.
§ 2. De rechtbank verklaart de houder voor de toekomst van zijn rechten vervallen, indien wordt vastgesteld dat niet langer aan de voorwaarden van artikel XI.107 of XI.108 wordt voldaan.
Indien wordt vastgesteld dat reeds op een datum vóór de vervallenverklaring niet meer aan deze voorwaarden was voldaan, kan de vervallenverklaring uitwerking hebben vanaf die datum.
§ 3. De Dienst kan de houder voor de toekomst van zijn rechten vervallen verklaren, na hem in gebreke te hebben gesteld en binnen een redelijke termijn die hem betekend wordt :
1° indien de houder de in artikel XI.144, § 1, bedoelde verplichting niet nagekomen is,
of
2° indien de houder een volgens artikel XI.145, § 3, gedaan verzoek van de Dienst met het oog op de controle van de instandhouding van het ras, niet beantwoordt,
of
3° indien de Dienst overweegt om de rasbenaming te schrappen en de houder geen andere passende benaming voorstelt.
§ 4. Behalve in de in paragrafen 1 en 2 bedoelde gevallen heeft het verval uitwerking op de datum van de in paragraaf 3 bedoelde betekening, behoudens zijn inschrijving in het register.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 5. - [1 Het kwekersrecht als deel van het vermogen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.124. [1 § 1. De aanvraag voor een kwekersrecht en het kwekersrecht kunnen worden overgedragen aan één of meer rechthebbenden of rechtverkrijgenden.
§ 2. De overdracht onder levenden van een aanvraag of van een kwekersrecht moet op straffe van nietigheid schriftelijk gebeuren.
§ 3. Behoudens andersluidende bepalingen van artikel XI.160, doet de overdracht geen afbreuk aan de rechten door derden verworven vóór de datum van de overdracht.
§ 4. Alle overdrachten moeten, in de door de Koning vastgestelde vormen en termijnen, aan de Dienst worden bekendgemaakt.
§ 5. De overdracht heeft alleen uitwerking jegens de Dienst en kan alleen tegengeworpen worden aan derden vanaf de datum van ontvangst door de Dienst van de bewijsstukken zoals die door de Koning vereist zijn en behoudens de inschrijving ervan in het register. Voordat een overdracht in het register is ingeschreven, kan zij evenwel tegengeworpen worden aan derden die na de datum van de overdracht rechten hebben verworven maar die daarvan kennis hadden toen zij deze rechten verwierven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.125. [1 § 1. Een aanvraag voor een kwekersrecht of een kwekersrecht kan geheel of gedeeltelijk het voorwerp van contractuele licenties uitmaken. Deze licenties kunnen uitsluitend of niet-uitsluitend zijn.
§ 2. De licenties moeten op straffe van nietigheid schriftelijk worden verleend.
§ 3. De aanvrager of de houder stelt de Dienst onverwijld op de hoogte van de licenties die hij in België verleent, op de door de Koning vastgestelde wijze.
§ 4. De licenties kunnen ten opzichte van de Dienst slechts uitwerking hebben, en aan derden worden tegengesteld, na de ontvangst door de Dienst van de in paragraaf 3 bedoelde kennisgeving en onder voorbehoud van zijn inschrijving in het register. De licentie kan evenwel vóór haar inschrijving in het register tegenstelbaar zijn aan derden die na de datum van afgifte van de licentie rechten hebben verkregen, maar die daarvan kennis hadden toen zij deze rechten verwierven.
§ 5. De aanvrager of de houder kan de uit de aanvraag of uit het kwekersrecht voortvloeiende rechten inroepen tegen een licentiehouder die een van de aan zijn licentie verbonden voorwaarden of beperkingen schendt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.126. [1 § 1. De minister kan gedwongen licenties verlenen voor de niet-uitsluitende exploitatie van een door kwekersrecht beschermd plantenras :
1° aan de persoon/personen die daartoe een aanvraag hebben ingediend, op de door de Koning bepaalde wijze, maar slechts uitsluitend om redenen van algemeen belang en onder redelijke voorwaarden. De Koning kan enkele gevallen als voorbeeld van het algemeen belang vermelden;
2° aan de houder van het kwekersrecht van een in wezen afgeleid ras indien aan de criteria van punt 1° is voldaan;
3° aan de houder van een octrooi voor een biotechnologische uitvinding wanneer hij deze niet kan exploiteren zonder afbreuk te doen aan een kwekersrecht van eerdere datum, voor zover dat de biotechnologische uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van een aanmerkelijke economische betekenis vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras, en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt;
4° aan de houder van een octrooi voor een biotechnologische uitvinding, wanneer de houder van een kwekersrecht, overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake uitvindingsoctrooien, een gedwongen licentie heeft verkregen voor de niet-uitsluitende exploitatie van de uitvinding van dit octrooi, omdat hij het kwekersrecht niet kan exploiteren zonder op het octrooi van eerdere datum inbreuk te maken, en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde licentieaanvragers moeten aantonen dat ze zich tevergeefs tot de houder van het kwekersrecht gewend hebben om een licentie in der minne te bekomen.
§ 3. De aanvraag wordt door de minister overgemaakt aan de Commissie voor de gedwongen licenties bedoeld in artikel XI.128, om de betrokkenen te horen, ze zo mogelijk te verzoenen en indien dit niet mogelijk is, de minister een met redenen omkleed advies te verstrekken over de gegrondheid van de aanvraag. De Commissie voegt het dossier van de zaak bij haar advies.
De minister beslist over het gevolg dat aan de aanvraag zal gegeven worden en maakt zijn beslissing aan de betrokkenen bekend op de door de Koning bepaalde wijze.
§ 4. In het geval bedoeld bij paragraaf 1, 3°, wordt de aanvraag voor een gedwongen licentie gegrond verklaard indien de houder van het heersende kwekersrecht noch de afhankelijkheid van het octrooi van de aanvrager van de licentie betwist, noch zijn geldigheid, noch het feit dat de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras.
Het feit dat de houder van het oudere kwekersrecht de afhankelijkheid ontkent van het octrooi van de aanvrager van de licentie, geeft aan deze laatste van rechtswege de toelating de uitvinding te exploiteren die in zijn eigen octrooi is beschreven evenals het heersende plantenras zonder daarvoor wegens namaak vervolgd te kunnen worden door de houder van het oudere kwekersrecht.
De betwisting over de geldigheid van het afhankelijke octrooi schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie op voorwaarde dat, hetzij een vordering tot nietigverklaring van dit octrooi reeds ingesteld is voor de bevoegde instantie door de houder van het heersend kwekersrecht, hetzij deze een vordering voor de rechtbank instelt tegen de aanvrager van de licentie binnen twee maanden nadat hem kennis gegeven werd van het indienen van een aanvraag voor een licentie.
De betwisting over de belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis van het afhankelijk octrooi vergeleken met het in het heersende kwekersrecht beschreven plantenras schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie, op voorwaarde dat de houder van het heersend kwekersrecht, binnen twee maanden nadat hem van het indienen van een aanvraag voor een licentie kennis werd gegeven, een verzoekschrift indient bij de rechtbank zetelend zoals in kortgeding. De gerechtelijke beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Het niet in acht nemen van de termijn voorzien in de twee voorgaande leden sluit het recht uit van de houder van het heersende kwekersrecht om zijn betwisting te doen gelden voor de rechtbank.
§ 5. Binnen vier maanden na de mededeling van de beslissing wordt door de houder van het kwekersrecht en de licentiehouder een schriftelijke overeenkomst aangaande de wederzijdse rechten en verplichtingen afgesloten. De minister wordt hiervan in kennis gesteld.
Bij ontstentenis van een overeenkomst binnen de voormelde termijn worden de wederzijdse rechten en verplichtingen vastgesteld door de rechtbank, zetelend zoals in kort geding, op dagvaarding van de meest gerede partij.
De griffier zendt kosteloos binnen de maand na de uitspraak een afschrift van het definitieve vonnis naar de minister.
De wederzijdse rechten en verplichtingen bepalen de aard van de handelingen en houden rekening met de belangen van iedere houder van een kwekersrecht die zou worden benadeeld door het verlenen van de gedwongen licentie. Ze omvatten een tijdslimiet, voorzien de betaling van een toereikende vergoeding aan de houder, en kunnen de houder bepaalde verplichtingen opleggen om het gebruik van de gedwongen licentie mogelijk te maken.
De persoon aan wie de gedwongen licentie wordt verleend moet over de nodige financiële en technische middelen beschikken om deze licentie te kunnen exploiteren.
In zover nieuwe elementen zich zouden hebben voorgedaan, kan er, op verzoek van de houder van het kwekersrecht of van de licentiehouder, overgegaan worden tot de herziening van de genomen beslissing voor wat hun wederzijdse verplichtingen betreft en desgevallend ook voor wat de exploitatievoorwaarden betreft. De bevoegdheid om de beslissing te herzien, komt toe aan de autoriteit van wie de beslissing uitging en de te volgen procedure is dezelfde als die welke voorzien is om de beslissing te nemen die het voorwerp is van de herziening.
§ 6. Wanneer een opeisingprocedure die krachtens artikel XI.159, § 1, tegen de houder is ingesteld, in het register is ingeschreven, kan de minister de procedure van verlening van de gedwongen licentie schorsen. Hij kan de procedure slechts hervatten na de inschrijving in het register van de in kracht van gewijsde gegane rechtelijke beslissing of van de beslissing die vaststelt dat de opeisingsprocedure op elke andere wijze is beëindigd.
Wanneer de overdracht van het kwekersrecht ten opzichte van de Dienst uitwerking heeft, wordt de nieuwe houder, op vraag van de aanvrager, partij in het geding, indien de licentieaanvraag die hij aan de nieuwe houder richtte binnen de twee maanden vanaf de mededeling waarin de Dienst hem in kennis stelt van de inschrijving in het register van de nieuwe houder, niet tot het sluiten van een licentie heeft geleid. De aanvrager van licentie moet bij zijn verzoek voldoende bewijsstukken voegen die het niet-slagen van zijn inspanningen aantonen en, in voorkomend geval, de ten opzichte van de nieuwe houder ondernomen stappen.
§ 7. De minister verleent de gedwongen licentie bij besluit volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten. Het besluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
§ 8. Op verzoek van de houder van het kwekersrecht en na kennis hebben gekregen van het advies van de Commissie, kan de minister de gedwongen licentie intrekken, indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis blijkt dat de licentiehouder zich ten aanzien van de houder van het kwekersrecht aan een ongeoorloofde handeling schuldig heeft gemaakt dan wel aan zijn verplichtingen tekort is gekomen.
De beslissing tot intrekking vermeldt in voorkomend geval de reden waarom het advies van de Commissie niet werd gevolgd.
Het besluit tot intrekking wordt per uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
§ 9. Zodra de gedwongen licentie is toegekend, worden de betrekkingen tussen de houder en de licentiehouder, behoudens afwijkingen in het toekenningsbesluit, gelijkgesteld met deze die bestaan bij contractuele licentiegeving-licentieneming.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

HOOFDSTUK 2. - [1 De Raad en de Commissie]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.127. [1 § 1. Bij de FOD Economie wordt een Raad voor het kwekersrecht, hierna "de Raad" genoemd, ingesteld die samengesteld is uit personen die buitengewoon gekwalificeerd zijn op het gebied van de rechtsgeleerdheid, de genetica, de plantkunde of de fytotechnie.
§ 2. De taak, de samenstelling en de werking van de Raad en van de afdelingen ervan worden door de Koning geregeld. De leden van de Raad worden door de minister benoemd en ontslagen.
§ 3. De werkingskosten van de Raad komen ten laste van de begroting van de in paragraaf 1 bedoelde Federale Overheidsdienst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.128. [1 § 1. Bij de in artikel XI.127, § 1, bedoelde Federale Overheidsdienst wordt een Commissie voor de gedwongen licenties ingesteld, hierna de Commissie genoemd, die belast is met het uitvoeren van de taken die haar krachtens artikel XI.126 werden toebedeeld.
De Commissie bestaat uit tien leden benoemd door de minister.
Acht leden worden in gelijk aantal aangewezen op voorstel van de representatieve organisaties :
- van de nijverheid en de handel,
- van de landbouw,
- van de kleine en middelgrote ondernemingen, en
- van de consumenten.
De in vorige alinea bedoelde organisaties worden door de minister aangewezen.
Twee leden worden onder de leden van de in artikel XI.127 bedoelde Raad aangewezen. Zij blijven lid van de Commissie voor de duur van hun mandaat in de Commissie, onafhankelijk van hun hoedanigheid van lid van de Raad.
Het mandaat van lid van de Commissie heeft een duur van zes jaar. Het is hernieuwbaar.
De Commissie wordt voorgezeten door één van zijn leden, door de minister aangewezen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
De adviezen worden bij consensus aangenomen. Bij gebrek aan consensus herneemt het advies de verschillende standpunten.
De Koning bepaalt de modaliteiten van werking en organisatie van de Commissie.
De Commissie stelt zijn huishoudelijk reglement op. Het treedt in werking na goedkeuring door de minister.
§ 2. Zodra de minister een verzoek tot verlening van een gedwongen licentie ontvangt, wijst hij bij de Commissie één of meer gekwalificeerde beambten aan, die werden gekozen uit de ambtenaren van de FOD Economie.
De Commissie bepaalt de opdracht van de beambten bedoeld in het eerste lid en stelt de modaliteiten vast volgens de welke deze beambten haar rekenschap van hun opdracht zullen afleggen. De Commissie verduidelijkt de voorwaarden van verzending voor de documenten bedoeld in het vierde lid, met het oog op de bescherming van vertrouwelijke gegevens.
Deze door de minister daartoe aangestelde beambten zijn bevoegd om alle inlichtingen te verzamelen, en om alle schriftelijke of mondelinge deposities of getuigenverklaringen die zij noodzakelijk achten voor het vervullen van hun opdracht, te ontvangen.
In de uitoefening van hun ambt mogen deze beambten :
1° middels een verwittiging van ten minste vijf werkdagen of zonder voorafgaande verwittiging indien zij redenen hebben te geloven dat de stukken die nuttig zijn voor het onderzoek van het verzoek tot gedwongen licentie, het risico lopen vernietigd te worden, tijdens de gewone openings- of werkuren binnentreden in de bureaus, lokalen, werkplaatsen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° monsters nemen op de wijze en onder de door de Koning bepaalde voorwaarden;
4° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 bedoelde documenten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun opdrachten;
5° deskundigen belasten met door hen bepaalde opdracht, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden.
Bij ontstentenis van een bevestiging door de voorzitter van de Commissie binnen de vijftien dagen, is het beslag van rechtswege opgeheven. De persoon bij wie beslag op de goederen wordt gelegd kan als gerechtelijke bewaarder ervan aangesteld worden.
De voorzitter van de Commissie kan het beslag dat hij bevestigd heeft, opheffen in voorkomend geval op verzoek van de eigenaar van de in beslag genomen goederen gericht aan de Commissie.
Middels een verwittiging van ten minste vijf werkdagen of zonder voorafgaande verwittiging indien zij redenen hebben te geloven in het bestaan van een risico op vernietiging van stukken die nuttig zijn voor het onderzoek van de aanvraag voor een gedwongen licentie, kunnen de aangestelde beambten in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de voorzitter van de rechtbank van koophandel. De bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee beambten gezamenlijk plaatsvinden.
In de uitoefening van hun opdracht kunnen zij de bijstand van diensten van de politie opvorderen.
De aangestelde beambten oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
§ 3. De daartoe aangestelde beambten leggen hun verslag voor aan de Commissie. De Commissie brengt slechts advies uit na de houder van het kwekersrecht en de persoon die de gedwongen licentie aanvraagt of heeft verkregen, te hebben gehoord. Deze personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of door een persoon die de Commissie voor elke zaak speciaal aanvaardt. De Commissie hoort eveneens de deskundigen en de personen waarvan zij de ondervraging nuttig acht. Zij kan de aangestelde beambten gelasten een aanvullend onderzoek te doen en een bijkomend verslag voor te leggen.
Ten minste één maand vóór de datum van haar vergadering verwittigt de Commissie bij aangetekende zending de personen die tijdens deze vergadering moeten worden gehoord. In dringende gevallen wordt deze termijn gehalveerd.
§ 4. De werkingskosten van de Commissie komen ten laste van de begroting van de in artikel XI.127, § 1, bedoelde Federale Overheidsdienst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

HOOFDSTUK 3. - [1 De procedure voor de Dienst]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 1. - [1 Partijen in de procedure en gemachtigden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.129. [1 § 1. De volgende personen kunnen partij zijn in een procedure voor de Dienst :
1° de aanvrager van een kwekersrecht;
2° degene die bezwaar maakt als bedoeld in artikel XI.139, § 1;
3° de houder;
4° eenieder wiens aanvraag of verzoek een voorafgaande voorwaarde is voor een beslissing van de Dienst.
§ 2. De Dienst kan elke andere persoon, niet bedoeld in paragraaf 1, maar met een rechtstreeks en individueel belang, op zijn schriftelijk verzoek, toestaan om als partij aan de procedure deel te nemen.
§ 3. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon en elke instelling die ingevolge het recht dat op haar van toepassing is met een rechtspersoon gelijk wordt gesteld wordt als een persoon in de zin van het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 beschouwd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.130. [1 De Koning bepaalt de modaliteiten waarbij een gemachtigde wordt aangewezen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 2. - [1 De aanvraag]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.131. [1 De indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht wordt hetzij in persoon, hetzij per post of op enige andere door de Koning bepaalde wijze, bij de Dienst gedaan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.132. [1 § 1. De aanvraag voor een kwekersrecht moet tenminste bevatten :
1° een verzoek tot verlening van een kwekersrecht;
2° de identificatie van de botanische taxon;
3° gegevens betreffende de identiteit van de aanvrager, of van de gezamelijke aanvragers;
4° de naam van de kweker alsook een verklaring dat voor zover de aanvrager weet, geen andere personen bij het kweken, of bij het ontdekken en het ontwikkelen van het ras betrokken zijn. Indien de aanvrager niet de kweker is, of indien hij niet de enige kweker is, dient hij de nodige bewijsstukken voor te leggen waarin hij aangeeft op welke grond hij het recht op het kwekersrecht heeft verkregen;
5° een voorlopige aanduiding van het ras;
6° een technische beschrijving van het ras;
7° bijzonderheden over elke eerdere commercialisatie van het ras;
8° bijzonderheden over elke andere aanvraag die werd ingediend voor het ras.
§ 2. De aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden en vormen vastgelegd in deze titel.
§ 3. De Koning kan de elementen, vermeld in paragraaf 1, verduidelijken en aanvullen met andere gegevens.
§ 4. De aanvrager dient een benaming van het ras voor te stellen, die bij de aanvraag kan worden gevoegd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.133. [1 De datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht is de datum waarop een aanvraag overeenkomstig artikel XI.131 door de Dienst ontvangen is, mits de voorwaarden van artikel XI.132, § 1, vervuld zijn, en de krachtens artikel XI.150, § 1, eerste lid, voor de indiening verschuldigde vergoeding betaald is.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.134. [1 § 1. Het recht van voorrang van een aanvraag wordt bepaald op grond van de datum van ontvangst van de aanvraag. Wanneer de aanvragen dezelfde datum van indiening hebben, wordt de voorrang bepaald op grond van de volgorde van ontvangst indien deze kan worden vastgesteld. Zo niet, hebben zij dezelfde voorrang.
§ 2. Indien de aanvrager of zijn rechtsvoorganger in een andere verdragsluitende partij dan België, namelijk een Staat of een intergouvernementele organisatie die lid is van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten, voor het ras een kwekersrecht heeft aangevraagd, en de datum van de aanvraag binnen twaalf maanden na de dag van indiening van de eerste aanvraag is gelegen, heeft de aanvrager, voor zijn aanvraag voor een Belgisch kwekersrecht, recht op voorrang voor de eerste aanvraag, mits deze op de datum van indiening nog geldig is.
§ 3. Het recht van voorrang heeft tot gevolg dat voor de toepassing van de artikelen XI.106, XI.109 en XI.111, de datum van indiening van de eerste aanvraag zal worden beschouwd als datum van indiening voor het Belgische kwekersrecht.
§ 4. Elk beroep op een recht van voorrang vervalt indien de aanvrager niet binnen de drie maanden na de datum van indiening een afschrift van de eerste aanvraag aan de Dienst voorlegt. Als de eerste aanvraag niet in het Frans, in het Nederlands of in het Duits is opgesteld, kan de Dienst bovendien een vertaling van die eerste aanvraag in een van die talen eisen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 3. - [1 Het onderzoek]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.135. [1 § 1. De Dienst onderzoekt :
1° of de aanvraag aan de in artikel XI.132 bedoelde voorwaarden voldoet;
2° of, in voorkomend geval, het beroep op voorrang voldoet aan artikel XI.134, §§ 2 en 4;
en
3° of de op grond van artikel XI.150, § 1, eerste lid, verschuldigde vergoeding voor indiening is betaald binnen de gestelde termijn.
§ 2. Indien de aanvraag aan de voorwaarden van artikel XI.133, maar niet aan de andere voorwaarden van artikel XI.132, § 2, voldoet, geeft de Dienst de aanvrager de gelegenheid de eventuele vastgestelde gebreken binnen de gestelde termijn te regulariseren.
§ 3. Indien de aanvraag niet aan de voorwaarden van artikel XI.133 voldoet, stelt de Dienst de aanvrager ervan op de hoogte dat zijn aanvraag onvolledig is.
§ 4. In geval van een onvolledige aanvraag is de aanvrager verantwoordelijk voor de eventuele bewaring en terugzending van materiaal en documenten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.136. [1 § 1. De Dienst onderzoekt, op basis van de in de aanvraag verstrekte gegevens, of het ras overeenkomstig artikel XI.104 het voorwerp van een kwekersrecht kan zijn, of het ras nieuw is overeenkomstig artikel XI.109, en of de aanvrager op grond van artikel XI.112 gerechtigd is tot het indienen van een aanvraag.
§ 2. De Dienst onderzoekt eveneens, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, of de voorgestelde rasbenaming overeenkomstig artikel XI.143 geschikt is.
§ 3. De eerste aanvrager wordt geacht rechthebbende van het kwekersrecht te zijn. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer, alvorens een besluit over de aanvraag wordt genomen, uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing met betrekking tot een opeising van het recht krachtens artikel XI.159, § 3, blijkt dat de eerste aanvrager geen aanspraak op het recht heeft, of er niet alleen aanspraak op heeft. Wanneer vastgesteld is wie rechthebbende of mederechthebbende is, mogen deze persoon of deze personen een procedure als aanvragers openen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.137. [1 § 1. Indien de Dienst bij het onderzoek overeenkomstig de artikelen XI.135 en XI.136 geen enkel beletsel voor het verlenen van het kwekersrecht vaststelt, neemt hij de nodige maatregelen opdat het technische onderzoek wordt uitgevoerd.
§ 2. Het technische onderzoek heeft de bedoeling te controleren of de in de artikelen XI.106, XI.107 en XI.108 bedoelde voorwaarden vervuld zijn. Dat onderzoek stelt de Dienst in staat de officiële beschrijving van het ras vast te stellen en een officieel monster ervan te verkrijgen.
§ 3. Het technische onderzoek gebeurt onder de leiding van de Dienst, die zich kan laten bijstaan door de Raad. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden in overeenstemming met de door de Dienst en, in voorkomend geval, door de Raad erkende beleidslijnen en in overeenstemming met de door de Dienst gegeven instructies.
§ 4. De Dienst heeft de bevoegdheid om samenwerkingsakkoorden af te sluiten in verband met het technische onderzoek van de rassen en de daartoe vereiste uitvoeringsmaatregelen te nemen.
§ 5. Wanneer krachtens paragraaf 4 teeltproeven en andere noodzakelijke proeven werden uitgevoerd door de dienst van een in artikel XI.134, § 2, verdragsluitende partij, die met de verlening van kwekersrechten van die partij belast is, of door die dienst nog worden uitgevoerd en de resultaten door de Dienst kunnen worden bekomen en van toepassing zijn op de bodem- en klimaatvoorwaarden van België, mag het in artikel XI.138 bedoelde onderzoeksverslag op die resultaten gesteund zijn.
§ 6. Wanneer het vermelde onderzoeksverslag niet gesteund is op de met toepassing van paragraaf 5 bekomen resultaten, wordt het onderzoek gesteund op teeltproeven en andere noodzakelijke proeven uitgevoerd hetzij door de Dienst of door een derde instelling onder contract, hetzij door de aanvrager, op verzoek van de Dienst.
§ 7. De aanvrager dient alle door de Dienst met het oog op het technisch onderzoek gevraagde inlichtingen, documenten of materiaal te verstrekken.
§ 8. Indien de aanvrager zich op grond van artikel XI.134, § 2, op een recht van voorrang beroept, dient hij overeenkomstig artikel XI.133, binnen een termijn van twee jaar na de datum van indiening van de aanvraag het vereiste materiaal en elk ander vereist stuk over te leggen. Indien de eerste aanvraag vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar wordt ingetrokken of afgewezen, kan de Dienst eisen dat de aanvrager binnen een bepaalde termijn het materiaal of elk ander vereist stuk overlegt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.138. [1 § 1. Wanneer het krachtens artikel XI.137, § 1, uitgevoerde technisch onderzoek beëindigd is, maakt het voorwerp uit van een onderzoeksverslag dat aan de Dienst wordt overgemaakt. Indien uit het verslag blijkt dat aan de voorwaarden van de artikelen XI.106, XI.107 en XI.108 is voldaan, wordt een beschrijving van het ras bijgevoegd.
§ 2. Het onderzoeksverslag en de bevindingen van de Dienst betreffende dit onderzoeksverslag en, in voorkomend geval, de bevindingen van de Raad, worden medegedeeld aan de aanvrager.
§ 3. De aanvrager kan inzage nemen van het dossier en opmerkingen indienen.
§ 4. Indien de Dienst van oordeel is dat het onderzoeksverslag niet volstaat om een besluit te nemen met kennis van zaken, kan hij op eigen initiatief, na raadpleging van de aanvrager, of op verzoek van de aanvrager, bepalen dat een aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd. Voor de beoordeling van de resultaten wordt elk aanvullend onderzoek voordat een beslissing uit hoofde van de artikelen XI.141 en XI.142 definitief wordt, beschouwd als deel uitmakend van het in artikel XI.135, bedoelde onderzoek.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.139. [1 § 1. Eenieder kan tegen de verlening van het kwekersrecht schriftelijk bezwaar maken bij de Dienst.
§ 2. Onverminderd artikel XI.153, hebben degenen die bezwaren maken toegang tot de documenten, met inbegrip van de resultaten van het technische onderzoek en, in voorkomend geval, de beschrijving van het ras.
§ 3. Bezwaren kunnen alleen worden gemaakt op grond van het feit dat :
1° niet aan de in de artikelen XI.106, XI.107, XI.108, XI.109 en XI.111 vermelde voorwaarden is voldaan;
2° de rasbenaming niet voldoet aan de bepalingen van artikel XI.143.
§ 4. De Koning bepaalt de informatie die de bezwaren moeten bevatten en stelt de termijn vast waarbinnen bezwaren moeten worden gemaakt en de wijze van onderzoek ervan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.140. [1 Wanneer een bezwaar op grond van het feit dat niet aan de voorwaarden van artikel XI.111, §§ 1, 2 en 3, is voldaan, leidt tot intrekking of afwijzing van de aanvraag voor een kwekersrecht, kan degene die bezwaar heeft gemaakt, indien hij voor hetzelfde ras een aanvraag voor een kwekersrecht heeft ingediend binnen een termijn van een maand na de intrekking of nadat de beslissing tot afwijzing definitief is geworden, eisen dat de datum van indiening van de ingetrokken of afgewezen aanvraag als datum van aanvraag geldt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 4. - [1 Beslissingen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.141. [1 § 1. De Dienst wijst de aanvraag voor een kwekersrecht af, zodra hij vaststelt dat de aanvrager :
1° nadat hem de gelegenheid is gegeven gebreken als bedoeld in artikel XI.135, § 2, te regulariseren, dit niet binnen de hem toegestane termijn heeft gedaan;
of
2° niet heeft voldaan aan het in artikel XI.137, § 7 of 8, bedoelde verzoek van de Dienst, binnen de bepaalde termijn, tenzij de Dienst heeft ingestemd met het niet-overleggen van inlichtingen, documenten of materiaal;
of
3° geen geschikte rasbenaming heeft voorgesteld overeenkomstig artikel XI.143 binnen de door de Dienst bepaalde termijn.
§ 2. De Dienst wijst de aanvraag voor een kwekersrecht eveneens af :
1° indien hij vaststelt dat niet aan de voorwaarden die hij op grond van artikel XI.136 moet onderzoeken, is voldaan;
of
2° indien hij op grond van het in artikel XI.138 bedoelde onderzoeksverslag van oordeel is dat niet aan de voorwaarden van de artikelen XI.106, XI.107 en XI.108 is voldaan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.142. [1 Indien de Dienst van oordeel is dat de resultaten van het technische onderzoek volstaan om een beslissing over de aanvraag te nemen, verleent hij het kwekersrecht en levert hij een kwekerscertificaat af, voor zover geen beletsel als bedoeld in artikelen XI.139 en XI.141 deze verlening in de weg staat. De beslissing bevat de officiële beschrijving van het ras.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.143. [1 § 1. Wanneer een kwekersrecht wordt verleend, keurt de Dienst voor het betrokken ras de door de aanvrager overeenkomstig artikel XI.132, § 3, voorgestelde rasbenaming goed, indien hij, op basis van het overeenkomstig artikel XI.136, § 2, verrichte onderzoek, van oordeel is dat de benaming geschikt is.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de rasbenaming moet voldoen om geschikt te zijn en de aan het gebruik ervan verbonden voorwaarden.
§ 3. De benaming is bestemd om de generische aanduiding van het ras te worden.
§ 4. De Dienst schrijft de benaming in op hetzelfde tijdstip waarop het kwekersrecht verleend wordt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 5. - [1 Instandhouding van het kwekersrecht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.144. [1 § 1. De houder dient het beschermde ras of, in voorkomend geval, de erfelijke bestanddelen ervan, in stand te houden gedurende de hele geldigheidsduur van het recht.
§ 2. Van de houder kan geëist worden dat hij zelf instaat voor het voortbestaan van het officiële monster.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.145. [1 § 1. De Dienst kan controleren of het ras, en in voorkomend geval de erfelijke bestanddelen ervan, gedurende de hele duur van de bescherming worden in stand gehouden.
§ 2. De Dienst is bevoegd om samenwerkingsakkoorden af te sluiten in verband met de controle op de instandhouding van de rassen en kan de daartoe vereiste uitvoeringsmaatregelen nemen.
§ 3. Als de Dienst erom verzoekt, moet de houder aan de Dienst of enige door de Dienst aangewezen partij, binnen de gestelde termijn, de voor de controle op de instandhouding van het ras noodzakelijk geachte inlichtingen, documenten of materiaal voorleggen en mag hij het onderzoek van de met het oog op de instandhouding getroffen maatregelen niet beletten.
§ 4. Wanneer er aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat het ras niet wordt in stand gehouden en, in voorkomend geval, dat het vermoeden niet wordt tegengesproken door de door de houder in uitvoering van paragraaf 3 verstrekte inlichtingen en documenten, beveelt de Dienst een controle op de instandhouding van het ras en stelt de wijze vast waarop die moet gebeuren.
De houder moet toestaan dat materiaal van het betrokken ras en de plaats waar het ras in stand wordt gehouden, worden geïnspecteerd, zodat de nodige informatie kan worden verkregen ter beoordeling of het ras in stand gehouden wordt.
De houder moet de noodzakelijke documentatie bijhouden, zodat kan worden gecontroleerd of de noodzakelijke maatregelen zijn genomen.
§ 5. De controle omvat teeltproeven of andere proeven waarbij het door de houder verstrekte materiaal wordt vergeleken met de officiële beschrijving of met het officiële monster van het ras.
§ 6. Wanneer bij de controle blijkt dat de houder het ras niet in stand heeft gehouden, wordt de houder gehoord, op verzoek van de Dienst of op zijn verzoek, voordat een beslissing houdende verval wordt genomen overeenkomstig artikel XI.123.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.146. [1 De houder dient, op verzoek van de Dienst, aan de Dienst of aan enige door de Dienst aangewezen partij, binnen de gestelde termijn, geschikte monsters van het beschermde ras of, in voorkomend geval, van de erfelijke bestanddelen ervan te verstrekken met het oog op :
1° de samenstelling of vernieuwing van het officiële monster van het ras,
of
2° de uitvoering van vergelijkende rassenonderzoeken ten behoeve van de bescherming.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.147. [1 § 1. De Dienst wijzigt, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, een overeenkomstig artikel XI.143 vastgestelde rasbenaming indien hij vaststelt dat deze benaming niet of niet meer aan de voorwaarden van dit artikel voldoet en, indien de houder, rekening houdend met een vroeger recht van een derde, met de wijziging instemt, of indien een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing het gebruik van de rasbenaming verbiedt aan de houder of aan elke andere persoon die tot gebruik van de rasbenaming verplicht is.
§ 2. De Dienst geeft de houder de gelegenheid een gewijzigde rasbenaming voor te stellen, en zet de procedure voort overeenkomstig artikel XI.143.
§ 3. Tegen de voorgestelde gewijzigde rasbenaming kan overeenkomstig artikel XI.139, § 3, 2°, bezwaar ingeroepen worden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 6. - [1 Overige procedurevoorschriften]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.148. [1 § 1. Wanneer ondanks de in bijzondere omstandigheden betrachte zorg, de aanvrager van een kwekersrecht, de houder of iedere andere partij in een procedure voor de Dienst, niet in staat is geweest tegenover de Dienst een termijn in acht te nemen, kan hij op verzoek in zijn rechten hersteld worden indien de verhindering ingevolge deze wet rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg gehad heeft.
§ 2. Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van twee maanden nadat de verhindering is geëindigd. De niet-gestelde handeling moet gesteld worden binnen deze termijn. Het verzoek is slechts ontvankelijk binnen een termijn van een jaar te rekenen vanaf het verstrijken van de niet in acht genomen termijn.
§ 3. Het verzoek moet met redenen omkleed zijn en de feiten en de rechtvaardigingen aanvoeren waarop het gegrond is. Het verzoek wordt slechts geacht te zijn ingediend nadat de vergoeding tot herstel in de rechten binnen de termijn voorzien in paragraaf 2, werd betaald. De Dienst beslist over het verzoek.
§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op de termijnen bedoeld in paragraaf 2, alsmede in artikel XI.134.
§ 5. Wie te goeder trouw materiaal van een ras waarvoor een aanvraag tot verlening van een kwekersrecht is bekendgemaakt of waarvoor een kwekersrecht is verleend, heeft gebruikt of daartoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen nadat ten aanzien van de aanvraag of van het verleende kwekersrecht een verlies van een recht als bedoeld in paragraaf 1, is ingetreden en voordat herstel in de rechten heeft plaatsgevonden, mag dat gebruik in of ten behoeve van zijn bedrijf voortzetten zonder dat hij enige vergoeding is verschuldigd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.149. [1 § 1. Wanneer een vordering tot opeising krachtens artikel XI.159, § 3, tegen de aanvrager is ingesteld en deze in het register is ingeschreven, kan de Dienst de procedure schorsen. De Dienst kan de datum vaststellen waarop hij voornemens is de procedure te hervatten.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde vordering tot opeising tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft geleid, of wanneer er een beslissing die de beëindiging van de vordering op een andere wijze vaststelt, in het register is ingeschreven, hervat de Dienst de procedure. Hij kan de procedure eerder hervatten, maar niet vóór de overeenkomstig paragraaf 1 vastgestelde datum.
§ 3. Wanneer het recht op een kwekersrecht op een derde is overgegaan, en deze overdracht uitwerking heeft ten opzichte van de Dienst, kan de betrokken derde zich in de plaats van de eerste aanvrager stellen, mits hij de Dienst hiervan in kennis stelt binnen een maand nadat de desbetreffende in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing in het register is ingeschreven. Wanneer de oorspronkelijke aanvrager reeds vergoedingen uit hoofde van artikel XI.150 heeft betaald, worden deze geacht te zijn betaald door de tweede aanvrager.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 7. - [1 Vergoedingen en taksen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.150. [1 § 1. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoedingen die de aanvrager moet betalen voor de indiening en het onderzoek van zijn aanvraag.
De Koning bepaalt eveneens :
1° het bedrag van de vergoedingen verschuldigd voor de inschrijvingen die door de Dienst worden verricht met toepassing van de artikelen XI.124, XI.125 en XI.126,
2° het bedrag van de vergoedingen verschuldigd voor de door de Dienst afgegeven attesten en afschriften,
3° het bedrag van de vergoedingen voor de controle op de instandhouding van het ras,
4° het bedrag van de vergoeding tot herstel in de oorspronkelijke toestand.
§ 2. Indien de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens paragraaf 1, eerste lid, niet worden betaald, wordt de aanvrager geacht aan zijn aanvraag te verzaken.
§ 3. De Koning bepaalt de modaliteiten van inning van de vergoedingen.
§ 4. De vergoedingen zijn niet terugbetaalbaar.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.151. [1 § 1. Met het oog op de instandhouding van het kwekersrecht, rekent de Dienst jaartaksen aan gedurende de duur van het recht.
§ 2. De jaartaks is vooraf te betalen. De betaling vervalt op de laatste dag van de maand van de verjaardag van de verlening van het kwekersrecht.
De jaartaks voor het eerste jaar wordt betaald vóór het einde van de maand volgend op de maand waarin het kwekersrecht wordt verleend.
Wanneer de betaling van de jaartaks niet op de vervaldatum werd gekweten, kan deze taks alsnog betaald worden vermeerderd met een toeslag, binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de jaartaks.
§ 3. De Koning bepaalt het bedrag en de modaliteiten van inning van de jaartaks en de toeslag.
§ 4. De jaartaks is niet terugbetaalbaar.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 8. - [1 Bijhouden van het register]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.152. [1 § 1. De Dienst houdt een register bij van de aanvragen voor kwekersrecht en van de verleende kwekersrechten.
§ 2. Het register bevat de volgende inschrijvingen :
1° aanvragen tot verlening van een kwekersrecht, met vermelding van het taxon en de voorlopige aanduiding van het ras, de datum van indiening en de naam en het adres van de aanvrager, de kweker en eventuele betrokken gemachtigden;
2° alle gevallen van beëindigingen van procedures betreffende aanvragen voor een kwekersrecht, met vermelding van de onder 1° bedoelde informatie;
3° voorstellen voor rasbenamingen;
4° wijzigingen van de identiteit van een aanvrager of diens gemachtigde;
5° alle betekende overdrachten van een aanvraag, met vermelding van de naam en het adres van de rechthebbenden of rechtverkrijgenden;
6° alle betekende contractuele licenties, vergezeld van de naam en het adres van de licentiehouders;
7° alle geschillen over burgerlijke rechten, evenals de in kracht van gewijsde gegane beslissing over deze vordering of elke andere beëindiging van de vordering.
§ 3. Nadat een kwekersrecht is verleend worden bovendien de volgende gegevens in het register ingeschreven :
1° de soort waartoe het ras behoort en de rasbenaming;
2° de officiële beschrijving van het ras;
3° indien een ras, voor de productie van materiaal, het voortdurend gebruik van materiaal van bepaalde componenten vereist, een verwijzing naar die componenten;
4° de naam en het adres van de houder, van de kweker en van de betrokken gemachtigden;
5° de datum waarop het kwekersrecht aanvangt en waarop het eindigt, het laatste met vermelding van de reden;
6° alle betekende overdrachten van een kwekersrecht, met vermelding van de naam en het adres van de rechthebbenden of rechtverkrijgenden;
7° alle betekende contractuele licenties, met vermelding van de naam en het adres van de licentiehouders;
8° de gedwongen licenties en de daarop betrekking hebbende beslissingen, met vermelding van de naam en het adres van de licentiehouders;
9° alle wijzigingen in een kwekersrecht;
10° indien de houder van een oorspronkelijk ras en de kweker van een ras dat in wezen van het oorspronkelijke is afgeleid, beiden hierom verzoeken, de identificatie van de rassen als zijnde oorspronkelijk en in wezen afgeleid, met inbegrip van de rasbenamingen en de namen van de betrokken partijen. Een verzoek van een van de betrokken partijen is slechts toereikend, indien de partij in kwestie een onbetwistbare erkenning van de andere partij heeft verkregen overeenkomstig artikel XI.161, dan wel indien hij een in een kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft verkregen waarin de betrokken rassen als zijnde oorspronkelijk en in wezen afgeleid, worden geïdentificeerd;
11° alle geschillen over burgerlijke rechten, evenals de in kracht van gewijsde gegane beslissing over deze vordering of elke andere beëindiging van de vordering.
§ 4. De Koning kan elke verdere bijzonderheid en elke andere voorwaarde betreffende de inschrijving in het register bepalen.
§ 5. De in paragrafen 2, 7°, en 3, 11°, bedoelde inschrijvingen worden uitgevoerd door de griffier van de rechterlijke instantie die over het betrokken geschil uitspraak heeft gedaan, op verzoek van de persoon die de vordering ingediend heeft of van elke belanghebbende.
§ 6. De Dienst kan de officiële beschrijving van het ras wat betreft aantal en aard van de eigenschappen of de vastgestelde expressies van die eigenschappen, ambtshalve en na raadpleging van de houder, aan de voor de beschrijving van rassen van het betrokken taxon geldende beginselen aanpassen, teneinde de beschrijving van het ras met de beschrijvingen van andere rassen van het betrokken taxon te kunnen vergelijken.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.153. [1 § 1. Het in artikel XI.152 genoemde register ligt ter inzage van het publiek, in de kantoren van de Dienst.
§ 2. Elke belanghebbende die daarom verzoekt, kan uittreksels uit het register verkrijgen.
§ 3. Iedereen die een gewettigd belang heeft, kan, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten :
1° de stukken inkijken die op een aanvraag voor een kwekersrecht betrekking hebben,
2° de stukken inkijken die op een reeds verleend kwekersrecht betrekking hebben,
3° de teeltproeven bezoeken met het oog op het technisch onderzoek van een ras,
en
4° de teeltproeven bezoeken met het oog op de technische controle op de instandhouding van een ras.
§ 4. Indien voor de voortbrenging van materiaal van het ras materiaal van bepaalde componenten herhaaldelijk moet worden gebruikt, wordt op verzoek van de aanvrager van het kwekersrecht geen publieke inzage gegeven in gegevens betreffende de componenten, noch van de teelt daarvan. Een dergelijk verzoek is niet meer ontvankelijk wanneer er reeds een beslissing is gevallen over de aanvraag van het kwekersrecht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.154. [1 De inschrijvingen in het register die zijn opgelegd in het artikel XI.152, § 2, en § 3, 1°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, worden door de Dienst gepubliceerd op de door de Koning vastgestelde wijze.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

HOOFDSTUK 4. - [1 Handhaving van de rechten]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 1. - [1 Namaak]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.155. [1 Wordt beschouwd als namaak :
1° het verrichten van een handeling bedoeld in artikel XI.113, § 2, met betrekking tot een beschermd ras, zonder daartoe gerechtigd te zijn,
of
2° het gebruiken van de rasbenaming in strijd met de voorwaarden van artikel XI.118, § 1,
of
3° het gebruik maken van de rasbenaming van een beschermd ras of van een benaming die met die benaming kan worden verward, in strijd met artikel XI.119, § 3.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.156. [1 § 1. De vordering inzake namaak kan ingesteld worden vanaf de dag van de publicatie van de verlening van het kwekersrecht en alleen voor inbreuken gepleegd vanaf deze datum.
§ 2. De houder of de vruchtgebruiker van een octrooi kan een vordering inzake namaak instellen.
Nochtans mag de houder van een gedwongen licentie toegekend bij toepassing van artikel XI.126, § 1, een vordering inzake namaak instellen indien, na ingebreke gesteld te zijn, de houder of de vruchtgebruiker van het kwekersrecht dergelijke vordering niet instelt.
De houder van een exclusieve licentie kan een vordering wegens namaak instellen, behoudens andersluidende bepaling in de licentieovereenkomst.
Elke licentiehouder mag tussenbeide komen in een vordering inzake namaak ingediend door de houder of de vruchtgebruiker, teneinde vergoeding van de door hem geleden schade te verkrijgen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.157. [1 De houder kan een redelijke vergoeding eisen van eenieder die, in de periode tussen de publicatie van de aanvraag voor het kwekersrecht en de verlening daarvan, een handeling heeft verricht die hem na die periode uit hoofde van het kwekersrecht verboden zou zijn.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.158. [1 De bepalingen van burgerlijk recht die namaak op Belgische kwekersrechten bestraffen, zijn eveneens van toepassing op inbreuken op de communautaire kwekersrechten verleend op grond van de Verordening nr. 2100/94/EG van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 2. - [1 Opeising van het kwekersrecht en identificatie van een ras]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.159. [1 § 1. Indien een kwekersrecht is verleend aan een persoon die op grond van artikel XI.111 niet gemachtigd is, kan de rechthebbende, onverminderd alle andere rechten of vorderingen, eisen dat het kwekersrecht aan hem wordt overgedragen.
§ 2. Indien de benadeelde slechts aanspraak kan maken op een deel van het kwekersrecht, kan hij, in overeenstemming met paragraaf 1, eisen dat hem het medehouderschap van het kwekersrecht wordt verleend.
§ 3. Indien een aanvraag tot verlening van een kwekersrecht is ingediend door een persoon die er geen aanspraak op heeft, of die er niet alleen aanspraak op heeft, kan de gemachtigde persoon met betrekking tot die aanvraag op overeenkomstige wijze de in paragrafen 1 en 2 bedoelde vorderingen instellen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.160. [1 § 1. In geval van volledige verandering van aanvrager of van houder ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing naar aanleiding van een vordering tot opeising, vervallen de licenties bij de inschrijving van de rechthebbende in het register.
§ 2. Indien de aanvrager, de houder of een licentiehouder vóór de inleiding van de opeisingprocedure één van de in artikel XI.113, § 2, genoemde handelingen heeft verricht of daartoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen, mag hij die handelingen voortzetten of verrichten, mits hij de in het register ingeschreven nieuwe aanvrager of houder om verlening van een niet-exclusieve licentie verzoekt.
§ 3. Paragraaf 2 is niet van toepassing indien de aanvrager, de houder of de licentiehouder op het tijdstip waarop hij de handelingen verrichtte of de voorbereidingen daartoe trof, te kwader trouw was.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.161. [1 De houder van een oorspronkelijk ras en de kweker van een ras dat in wezen van een oorspronkelijk ras is afgeleid, kunnen de erkenning eisen van de identificatie van de betrokken rassen als zijnde oorspronkelijk en in wezen afgeleid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 3. - [1 Verjaring]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XI.162. [1 § 1. Vorderingen op grond van artikelen XI.156 en XI.157 verjaren drie jaar na de datum waarop het kwekersrecht uiteindelijk is verleend en waarop de houder kennis heeft gekregen van de betrokken handeling en van de identiteit van de overtreder, of, bij het ontbreken van dergelijke kennis, dertig jaar na de voltrekking van de handeling.
§ 2. Vorderingen op grond van artikel XI.159, §§ 1 en 2, verjaren vijf jaar na de datum van publicatie van de verlening van het kwekersrecht. Deze bepaling geldt niet indien de houder op het tijdstip van verlening of verkrijging van het kwekersrecht wist dat hij er geen recht op had of dat hij er niet alleen recht op had.
§ 3. Vorderingen op grond van artikel XI.159, § 3, verjaren vijf jaar na de datum van publicatie van de aanvraag voor het kwekersrecht. Deze bepaling geldt niet indien de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag of verkrijging van de aanvraag wist dat hij er geen recht op had of dat hij er niet alleen recht op had.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Koninklijk besluit van 12 mei 2015 ter uitvoering van de bepalingen betreffende het kwekersrecht van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek (weergave 05/07/2015) geconsolideerde versie

 
KB Kwekersrecht 12 mei 2015    
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de Dienst : de Dienst voor de Intellectuele Eigendom bij de Federale Overheidsdienst Economie;
  2° de minister : de minister bevoegd voor intellectuele eigendom;
  3° de Verdragsluitende partij : een Staat of een intergouvernementele organisatie die lid is van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten, hierna UPOV genoemd;
  4° de dienst van een Verdragsluitende partij : de met de verlening van kwekersrechten belaste dienst van die Verdragsluitende partij;
  5° een genetisch gemodificeerd organisme : een organisme, met uitzondering van menselijke wezens, waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of door natuurlijke recombinatie niet mogelijk is.

  Art. 2. De indiening van mededelingen bij de Dienst in het kader van de wet en haar uitvoeringsbesluiten, gebeurt schriftelijk.

  Art. 3. § 1. Eenieder mag een volmacht indienen die een gemachtigde toelaat één of meer handelingen te stellen voor de Dienst met betrekking tot één of meerdere kwekersrechtzaken die hem betreffen.
  De volmacht wordt in origineel bij de Dienst neergelegd.
  De aanduiding van een groep van gemachtigden wordt geacht een vertegenwoordigingsvolmacht toe te kennen aan elke gemachtigde die kan aantonen dat hij zijn activiteiten uitoefent binnen deze groep.
  Elke aanduiding van een gemachtigde moet aan de Dienst worden meegedeeld. Deze mededeling vermeldt de naam en het adres van de gemachtigde en van de aanvrager die hem aanduidt.
  § 2. Wanneer niet aan de bepalingen van paragraaf 1 is voldaan, wordt de mededeling geacht niet te zijn ontvangen.
  § 3. Wanneer de volmacht van een gemachtigde afloopt, behoudt hij zijn hoedanigheid van gemachtigde, totdat aan de Dienst wordt meegedeeld dat zijn volmacht is beëindigd. Behoudens strijdige bepalingen in de volmacht, eindigt deze echter ten aanzien van de Dienst bij het overlijden van de volmachtgever.
  § 4. Wanneer er meerdere partijen in de procedure zijn die gezamenlijk optreden, wordt, indien zij geen aanduiding van een gemachtigde aan de Dienst hebben meegedeeld, de partij die in de aanvraag van een kwekersrecht of in een door de minister te verlenen licentie tot exploitatie of in een bezwaarschrift als eerste wordt genoemd, geacht als gemachtigde van de andere partij of partijen in de procedure te zijn aangesteld.

  Art. 4. § 1. Wanneer de aanduiding van een gemachtigde aan de Dienst wordt meegedeeld, moet de ondertekende volmacht die hiertoe vereist is, worden ingediend binnen een termijn van twee maanden vanaf de mededeling van de aanduiding. Op een met redenen omkleed verzoek, kan de Dienst één enkele verlenging van twee maanden toestaan. Wanneer de volmacht niet tijdig wordt ingediend, worden de door de gemachtigde verrichte handelingen geacht zich niet te hebben voorgedaan.
  § 2. De volmacht kan voor één of meer procedures worden verstrekt en moet in een overeenstemmend aantal exemplaren worden ingediend.
  Er kan ook een algemene volmacht worden verstrekt die de gemachtigde toelaat om de volmachtgever in alle procedures die hem aanbelangen, te vertegenwoordigen. De aangestelde gemachtigde moet voor elke procedure binnen twee maanden een afschrift van deze algemene volmacht voorleggen.
  § 3. De Dienst kan bepalen welke gegevens de volmacht, met inbegrip van de in paragraaf 2 bedoelde algemene volmacht, moet bevatten en stelt daarvoor kosteloos formulieren van deze volmacht ter beschikking van de belanghebbenden.

  HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de Dienst

  Afdeling 1. - De aanvraag

  Art. 5. § 1. De aanvraag voor een kwekersrecht wordt ingediend bij de Dienst.
  Voor het neerleggen van een aanvraag voor een kwekersrecht stelt de Dienst kosteloos een aanvraagformulier en een technische vragenlijst waarvan hij het model vaststelt, ter beschikking.
  § 2. De neerlegging geschiedt hetzij door de aanvrager, hetzij door een gemachtigde die woonachtig is op het grondgebied van de Europese Unie of er een werkelijke vestiging heeft.
  De natuurlijke personen en de rechtspersonen die woonplaats noch werkelijke vestiging in een lidstaat van de Europese Unie hebben, moeten, om voor de Dienst op te treden, vertegenwoordigd worden door een gemachtigde die woonachtig is in een lidstaat van de Europese Unie of er een werkelijke vestiging heeft, en door zijn tussenkomst optreden.
  De indiening gebeurt hetzij in persoon, hetzij per post, hetzij per fax. In dit laatste geval dient het originele exemplaar door de Dienst ontvangen te worden binnen de 14 dagen na de ontvangst van de fax.

  Art. 6. § 1. Wanneer de Dienst een aanvraag ontvangt, kent hij er een nummer aan toe. Hij noteert dit nummer op de stukken die bij de aanvraag gevoegd zijn, alsook de datum van ontvangst ervan door de Dienst.
  § 2. De Dienst levert een ontvangstbewijs af aan de aanvrager. Dit ontvangstbewijs vermeldt minstens het door de Dienst toegekende dossiernummer, het aantal ontvangen stukken, de datum van ontvangst door de Dienst en de datum van indiening in de zin van artikel XI.133 van het Wetboek van economisch recht.
  § 3. Indien twee of meer per post verzonden aanvragen op hetzelfde ogenblik bij de Dienst binnenkomen, worden zij geacht te zijn ontvangen in de volgorde waarin zij zijn afgestempeld.

  Art. 7. Het voorstel voor een rasbenaming wordt ondertekend en wordt schriftelijk bij de Dienst neergelegd. De Dienst stelt kosteloos een formulier voor het indienen van een voorstel voor een rasbenaming ter beschikking.

  Art. 8. De aanvrager kan, tot de verlening van het kwekerscertificaat, de verbetering van materiële fouten in de neergelegde documenten vragen.
  Het verzoek bevat de tekst van de voorgestelde verbetering. De verbetering wordt in het register opgetekend.

  Afdeling 2. - Onderzoek van de aanvraag

  Art. 9. § 1. Indien de Dienst vaststelt dat de aanvraag niet aan de in het artikel XI.132, § 1, van het Wetboek van economisch recht gestelde voorwaarden voldoet, deelt hij de vastgestelde onregelmatigheden mee aan de aanvrager en wijst hij hem erop dat enkel de datum waarop voldoende gegevens worden ontvangen om deze onregelmatigheden te verhelpen, als de datum van indiening in de zin van artikel XI.133 van hetzelfde Wetboek zal worden beschouwd.
  § 2. Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel XI.132, § 1, 7°, van het Wetboek van economisch recht, indien de datum en het land van een eerste afstand in de zin van artikel XI.109, § 1, van hetzelfde Wetboek worden vermeld of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, indien een verklaring in die zin in de aanvraag wordt opgenomen.
  § 3. Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel XI.132, § 1, 8°, van het Wetboek van economisch recht, indien de datum en het land waar de eerdere aanvraag voor het betrokken ras werd ingediend, in zoverre de aanvrager hiervan op de hoogte is, worden vermeld, wanneer die eerdere aanvraag betrekking heeft op :
  1° de verlening van een eigendomsrecht door een Verdragsluitende partij voor het ras, of
  2° de officiële erkenning van het ras, door een Verdragsluitende partij, met het oog op certificering en verhandeling, voor zover die erkenning een officiële beschrijving van het ras omvat.

  Art. 10. § 1. Wanneer de Dienst vaststelt dat de aanvraag niet voldoet aan de paragrafen 2, 3 en 4 of aan artikel 5, past hij de bepalingen van artikel 6 toe, maar nodigt hij tegelijk de aanvrager uit om de vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen binnen de termijn die hij bepaalt. Deze termijn moet minstens één maand bedragen.
  Wanneer deze onregelmatigheden niet binnen de vereiste termijn worden verholpen, wijst de Dienst de aanvraag af overeenkomstig artikel XI.141, § 1, 1°, van het Wetboek van economisch recht.
  § 2. De aanvraag bevat de volgende vermeldingen :
  1° de nationaliteit van de aanvrager, indien hij een natuurlijke persoon is, zijn aanduiding als partij in de procedure overeenkomstig artikel XI.129 van het Wetboek van economisch recht en, indien hij niet de kweker is, de naam en het adres van de kweker;
  2° de Latijnse naam van het geslacht, de soort of de ondersoort, waartoe het ras behoort, en de gewone naam;
  3° de eigenschappen van het ras waardoor dit, naar het oordeel van de aanvrager, duidelijk van andere rassen te onderscheiden is; deze laatsten kunnen vermeld worden om te dienen als referentierassen voor testdoeleinden;
  4° de selectie, de instandhouding en de vermeerdering (vermenigvuldiging) van het ras; de gegevens moeten in het bijzonder betrekking hebben op :
  a) de eigenschappen, de benaming of, bij gebreke hiervan, de voorlopige aanduiding van het ras, en de teelt van een of meer andere rassen waarvan het materiaal bij herhaling moet worden gebruikt voor de voortbrenging van het betrokken ras, of
  b) de genetisch gemodificeerde eigenschappen, wanneer het betrokken ras een genetisch gemodificeerd organisme is;
  5° het land, waar het ras is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld;
  6° de datum en het land van de eerste afstand van componenten of oogstmateriaal van het ras, voor het beoordelen van de nieuwheid van het ras overeenkomstig artikel XI.109 van het Wetboek van economisch recht of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, een verklaring in die zin;
  7° de aanduiding van de instanties waarbij aanvragen als bedoeld in artikel 9, § 3, zijn ingediend, en de dossiernummers van die aanvragen;
  8° bestaande kwekersrechten of toegekende octrooien voor het betrokken ras op het grondgebied van de UPOV.
  § 3. De Dienst kan verzoeken dat binnen de termijn die hij vaststelt, alle vereiste informatie en documenten alsook, in voorkomend geval, voldoende tekeningen of foto's worden verstrekt om de uitvoering van het technische onderzoek toe te laten.
  § 4. Wanneer het betrokken ras een genetisch gemodificeerd organisme is, kan de Dienst de aanvrager verzoeken om hem een afschrift over te maken van de schriftelijke verklaring van de bevoegde instanties waarin bevestigd wordt dat een technisch onderzoek van het ras in kwestie, zoals voorzien in artikel XI.137 van het Wetboek van economisch recht, geen risico's voor het milieu inhoudt, overeenkomstig de bepalingen van de vernoemde richtlijn.

  Art. 11. Wanneer de aanvrager een beroep doet op een recht van voorrang overeenkomstig artikel XI.134, § 2, van het Wetboek van economisch recht, welke niet de vroegste van de overeenkomstig artikel 9, § 3, 1°, van dit besluit te vermelden aanvragen is, wijst de Dienst hem erop dat enkel voor de vroegste van deze aanvragen een voorrangsdatum kan worden toegekend.
  Wanneer het ontvangstbewijs afgeleverd door de Dienst een datum van indiening vermeldt van een aanvraag die niet de vroegste van de te vermelden aanvragen is, wordt de ter kennis van de aanvrager gebrachte voorrangsdatum als nietig beschouwd.

  Afdeling 3. - Rasbenaming

  Art. 12. § 1. Wanneer geen voorstel voor een rasbenaming bij de aanvraag van een kwekersrecht is gevoegd of wanneer de Dienst de voorgestelde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt de Dienst de aanvrager hiervan in kennis, en verzoekt hij hem, naargelang het geval, een voorstel voor een rasbenaming of een nieuw voorstel in te dienen, en wijst hij hem op de gevolgen waaraan hij zich blootstelt indien hij niet voldoet aan dit vereiste.
  Bij gebrek aan een voorstel van rasbenaming op het moment van de neerlegging van de aanvraag, dient een vergoeding door de aanvrager aan de Dienst te worden betaald.
  § 2. Wanneer de Dienst, op het ogenblik waarop hij overeenkomstig artikel XI.138, § 1, van het Wetboek van economisch recht het verslag van het technische onderzoek ontvangt, vaststelt dat de aanvrager geen enkel voorstel voor een rasbenaming heeft ingediend, wijst hij de aanvraag van een kwekersrecht af overeenkomstig artikel XI.141, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek. De Dienst stelt de aanvrager hiervan in kennis.

  Art. 13. § 1. Een rasbenaming is geschikt indien er geen beletsels zijn als bedoeld in paragrafen 2 en 3.
  § 2. Er is een beletsel voor de vaststelling van een rasbenaming wanneer :
  1° het gebruik ervan op het grondgebied van België inbreuk maakt op het oudere recht van een derde;
  2° ze in het algemeen voor de gebruikers ervan moeilijk als rasbenaming herkenbaar en hanteerbaar is;
  3° ze identiek is aan of kan worden verward met een rasbenaming waaronder in een Verdragsluitende partij, een ander ras van dezelfde of van een nauw verwante soort bedoeld in artikel XI.119, § 3, van het Wetboek van economisch recht op een officiële rassenlijst is geplaatst of waaronder materiaal van een ander ras in de handel is gebracht, tenzij het andere ras niet meer bestaat en de rasbenaming ervan geen bijzondere betekenis heeft verkregen;
  4° ze identiek is aan of kan worden verward met andere benamingen die gewoonlijk bij het in de handel brengen van goederen worden gebruikt of waarvan op grond van andere rechtsvoorschriften het gebruik vrij is;
  5° ze strijdig is met de openbare orde of met de goede zeden;
  6° ze misleidend kan zijn of verwarring kan veroorzaken met betrekking tot de eigenschappen, de waarde of de identiteit van het ras, of de identiteit van de kweker of enige andere partij in de procedure.
  § 3. Voorts is er een beletsel wanneer een ras reeds is opgenomen;
  1° in een Verdragsluitende partij
  of
  2° in een andere Staat waarvoor is vastgesteld dat de rassen er worden geëvalueerd overeenkomstig voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften die zijn vastgesteld in de richtlijnen inzake de gemeenschappelijke rassenlijsten,
  in een officieel rassenregister en wanneer materiaal ervan voor commerciële doeleinden in de handel is gebracht, indien de voorgestelde rasbenaming afwijkt van de daar geregistreerde of gebruikte rasbenaming, tenzij deze laatste het voorwerp is van een beletsel in de zin van paragraaf 2.
  § 4. De soorten die als verwant worden beschouwd, bedoeld in artikel XI.119, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zijn die welke door het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) als dusdanig gedefinieerd worden.

  Afdeling 4. - Technisch onderzoek en bezwaren

  Art. 14. De termijn om inzage te nemen van het dossier en opmerkingen in te dienen, bedoeld in artikel XI.138, § 3, van het Wetboek van economisch recht, bedraagt twee maanden vanaf de mededeling aan de aanvrager van het onderzoeksverslag en de bevindingen bedoeld in artikel XI.138, § 2, van hetzelfde Wetboek.

  Art. 15. § 1. De bezwaren bedoeld in artikel XI.139 van het Wetboek van economisch recht bevatten volgende informatie :
  1° de naam van de aanvrager en het dossiernummer toegekend aan de aanvraag waartegen het bezwaar is gericht;
  2° de aanduiding van degene die bezwaar maakt als partij in de procedure in de zin van artikel XI.129, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek;
  3° in voorkomend geval, de vermelding van de aanduiding van een gemachtigde;
  4° een verklaring met een uiteenzetting van de motieven waarop het bezwaar gebaseerd is, als bedoeld in artikel XI.139, § 3, van hetzelfde Wetboek, alsook van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het bezwaar worden aangevoerd.
  § 2. Wanneer met betrekking tot eenzelfde aanvraag voor een kwekersrecht verschillende bezwaarschriften worden ingediend, kan de Dienst deze in één procedure behandelen.

  Art. 16. Bezwaren kunnen worden gemaakt :
  1° op elk moment vanaf de indiening van de aanvraag tot aan het moment waarop een beslissing uit hoofde van artikel XI.141 van het Wetboek van economisch recht of XI.142 van hetzelfde Wetboek genomen wordt, indien het een bezwaar op grond van artikel XI.139, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek betreft;
  2° binnen drie maanden na de publicatie van de voorgestelde rasbenaming overeenkomstig artikel XI.154 van het Wetboek van economisch recht, indien het een bezwaar op grond van artikel XI.139, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek betreft.

  Art. 17. § 1. Indien de Dienst vaststelt dat het bezwaar niet voldoet aan de voorwaarden van artikel XI.139, §§ 1 en 3, van het Wetboek van economisch recht of aan artikel 15, § 1, 4°, van dit besluit, of dat het onvoldoende informatie bevat om te identificeren tegen welke aanvraag het is gericht, verklaart hij dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken binnen een termijn die hij vaststelt worden verholpen.
  § 2. Indien de Dienst vaststelt dat het bezwaar niet voldoet aan de andere voorwaarden bepaald door het Wetboek van economisch recht of door dit besluit, verklaart hij dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken vóór het verstrijken van de bezwaartermijnen vermeld in artikel 16 worden verholpen.

  Art. 18. Overeenkomstig artikel XI.140 van het Wetboek van economisch recht, wanneer een bezwaar op grond van het feit dat niet aan het bepaalde in artikel XI.111 van het Wetboek van economisch recht is voldaan, leidt tot intrekking of afwijzing van de aanvraag voor een kwekersrecht, kan degene die bezwaar heeft gemaakt, indien hij binnen een maand na de intrekking of binnen een maand nadat de beslissing tot afwijzing definitief is geworden, voor hetzelfde ras een aanvraag heeft ingediend, eisen dat daarvoor de dag van indiening van de ingetrokken of afgewezen aanvraag als datum van indiening van zijn aanvraag geldt.

  Afdeling 5. - Wijziging van de rasbenaming

  Art. 19. § 1. Wanneer, overeenkomstig artikel XI.147 van het Wetboek van economisch recht, de rasbenaming dient te worden gewijzigd, deelt de Dienst de houder de redenen voor de wijziging mee, stelt hij een termijn vast waarbinnen de houder een passend voorstel voor een gewijzigde rasbenaming moet indienen, en wijst hij hem erop dat wanneer hij dit niet doet, de Dienst het kwekersrecht bij toepassing van artikel XI.123, § 3, 3°, van hetzelfde Wetboek vervallen kan verklaren.
  § 2. Wanneer de Dienst het voorstel voor een gewijzigde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt hij de houder hiervan in kennis, stelt hij een nieuwe termijn vast waarbinnen een passend voorstel moet worden ingediend, en wijst hij hem erop dat wanneer hij dit niet doet, de Dienst het kwekersrecht overeenkomstig artikel XI.123, § 3, 3°, van het Wetboek van economisch recht, vervallen kan verklaren.
  Wanneer een nieuwe rasbenaming wordt voorgesteld, betaalt de aanvrager aan de Dienst een vergoeding voor deze nieuwe aanvraag.
  § 3. De artikelen 15 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing op een bezwaar op grond van artikel XI.147, § 3, van het Wetboek van economisch recht.

  Afdeling 6. - Bijhouden van het register en openbare inzage

  Art. 20. Op grond van artikel XI.152, § 4, van het Wetboek van economisch recht, worden eveneens in het register vermeld :
  1° de datum van bekendmaking van de aanvraag, wanneer deze bekendmaking in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van termijnen;
  2° de bezwaren, met vermelding van de datum van indiening ervan, de naam en het adres van degene die bezwaar maakt, en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde;
  3° de gegevens inzake het recht van voorrang;
  4° de vorderingen ingesteld op basis van de artikelen XI.159 en XI.161 van het Wetboek van economisch recht, alsook de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen en de beslissingen die op enige andere wijze een einde stellen aan deze vorderingen;
  5° op verzoek, het stellen van een zakelijke zekerheid of een zakelijk recht met betrekking tot een kwekersrechttitel;
  6° het opheffen van de zakelijke zekerheid of het zakelijk recht als bedoeld in punt 5°.

  Art. 21. Onverminderd andere bepalingen van de wet of dit besluit, kan elke belanghebbende een verzoek tot inschrijving of doorhaling van een inschrijving in het register indienen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan, onder bijvoeging van de nodige bewijsstukken.

  Art. 22. § 1. Onverminderd artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht worden de aanvragen om de stukken bedoeld in artikel XI.153, § 3, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek in te kijken, schriftelijk aan de Dienst gericht.
  § 2. De Dienst levert, op verzoek, afschriften van deze stukken af.
  § 3. Op verzoek kan de inzage ook de vorm aannemen van een schriftelijke mededeling van informatie uit de stukken in kwestie.
  De Dienst kan de betrokken persoon uitnodigen om de integrale stukken persoonlijk in te kijken als hij dat passend acht rekening houdend met de hoeveelheid te verstrekken informatie.

  Art. 23. § 1. Een verzoek tot inzage van het technisch onderzoek als bedoeld in artikel XI.137 van het Wetboek van economisch recht wordt schriftelijk gedaan bij de dienst of de instelling die het onderzoek verricht om toegang tot de proefvelden te kunnen verkrijgen. Deze dienst of instelling brengt de Dienst hiervan op de hoogte en laat hem een verslag van inzage geworden.
  § 2. Onverminderd artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht, laten de bepalingen van dit besluit de algemene toegang van het publiek tot de proefvelden onverlet, voor zover alle rassen worden beschermd door middel van een code, de bevoegde dienst of instelling die het onderzoek verricht passende, door de Dienst goedgekeurde, maatregelen treft om diefstal van materiaal te voorkomen en alle nodige maatregelen ter bescherming van de rechten van de aanvrager of de houder van het kwekersrecht worden genomen.

  Art. 24. Met het oog op de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de informatie die wordt verschaft naar aanleiding van de inzage, kan de Dienst kosteloos formulieren ter beschikking van de aanvrager van het kwekersrecht stellen, die hem toelaten de vertrouwelijke behandeling te vragen van de gegevens betreffende de componenten bedoeld in artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht.

  Art. 25. Overeenkomstig artikel XI.154 van het Wetboek van economisch recht, publiceert de Dienst om de twee maanden een Bulletin der kweekproducten, hierna het Bulletin genoemd.
  In het Bulletin worden ook de gegevens gepubliceerd die overeenkomstig artikel 20, 3°, 4°, en 5° in het register zijn ingeschreven.

  Afdeling 7. - Vergoedingen en taksen

  Art. 26. Het bedrag van de vergoedingen bedoeld in artikel XI.150 van het Wetboek van economisch recht en het bedrag van de taksen en toeslagen bedoeld in artikel XI.151 van hetzelfde Wetboek worden vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde tabel.

  Art. 27. § 1. Wanneer de Dienst voor het onderzoek van een ras of voor de controle op de instandhouding van een ras een beroep doet op de dienst van een Verdragsluitende partij of op een derde instelling, moet de aanvrager voor dit onderzoek het door deze dienst of deze instelling aangerekende bedrag betalen.
  § 2. Wanneer de Dienst aan de dienst van een Verdragsluitende partij de resultaten vraagt van een onderzoek van een ras uitgevoerd in deze Verdragsluitende partij en waarvoor de aanvrager van het kwekersrecht de vereiste vergoedingen heeft betaald, moet de laatstgenoemde de door de voornoemde dienst ingediende factuur voor de mededeling van de resultaten van dat onderzoek betalen.
  § 3. De Dienst kan de aanvrager verplichten om rechtstreeks aan de dienst van de Verdragsluitende partij of de betrokken derde instelling het door laatstgenoemden gevraagde bedrag te betalen.

  Art. 28. De vergoedingen, jaartaksen en toeslagen worden aan de Dienst betaald. Ze worden vereffend via overschrijving op de bankrekening van de Dienst of, indien de Dienst het toestaat, door middel van een elektronische betaling.

  Art. 29. Elke betaling bevat de aanduiding van de naam van de persoon die ze verricht, alsmede de gegevens die noodzakelijk zijn om het de Dienst mogelijk te maken gemakkelijk het voorwerp van de betaling te identificeren.
  Indien het voorwerp van de betaling niet gemakkelijk identificeerbaar is, verzoekt de Dienst de persoon die de betaling verricht heeft dit voorwerp schriftelijk mede te delen binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving. Indien hij ter gelegener tijd aan dit verzoek geen gevolg geeft, wordt de betaling beschouwd niet verricht te zijn geweest. Zij wordt terugbetaald.

  Art. 30. § 1. Indien de vervaldag van een taks of van een bijkomende taks valt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerste daaropvolgende werkdag.
  § 2. Een betalingstermijn wordt in beginsel slechts geacht te zijn geëerbiedigd indien het geheel van het bedrag van de taks binnen de voorziene termijn werd betaald. Indien het geheel van de taks niet werd betaald, wordt het reeds gestort bedrag na het verstrijken van de termijn terugbetaald. Nochtans kan de Dienst, voor zover de lopende termijn dit toelaat, aan de persoon die de betaling verricht heeft de mogelijkheid geven later de rest te storten.

  HOOFDSTUK 3. - Materieel recht

  Afdeling 1. - Verval van het kwekersrecht

  Art. 31. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel XI.123, § 3, van het Wetboek van economisch recht, stelt de Dienst de houder in kennis van zijn voornemen om het kwekersrecht vervallen te verklaren en biedt hem de mogelijkheid om zijn opmerkingen binnen een termijn van twee maanden voor te leggen. De kennisgeving gebeurt met een aangetekende zending.
  § 2. Indien de houder geen gevolg geeft aan de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving, of indien zijn opmerkingen ongegrond worden geacht, spreekt de Dienst het verval van het kwekersrecht uit.
  § 3. De beslissing waarbij de Dienst het kwekersrecht vervallen verklaart, wordt met een aangetekende zending meegedeeld aan de houder.

  Afdeling 2. - Overdracht van eigendom

  Art. 32. § 1. Bij de mededeling van de overdracht van een kwekersrecht of van een aanvraag voor een kwekersrecht, bedoeld in artikel XI.124, § 4, van het Wetboek van economisch recht, wordt gevoegd :
  1° hetzij een afschrift van de akte van overdracht of van het officiële document waaruit de overgang van rechten blijkt,
  2° hetzij een uittreksel van die akte of dat document waaruit de overgang genoegzaam blijkt,
  3° hetzij een attest van overdracht ondertekend door de partijen.
  De mededeling bevat :
  1° de namen, voornamen en volledige adressen van de partijen;
  2° de datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht, de rasbenaming, het nummer en de datum van verlening van het kwekersrechtcertificaat of van de aanvraag voor een kwekersrecht.
  De mededeling geeft ook aan of de overdracht al dan niet een situatie van mede-eigendom doet ontstaan.
  § 2. De mededelingen worden ingeschreven in het register in chronologische volgorde van de ontvangst ervan.

  Afdeling 3. - Licenties

  Art. 33. Elke melding van een contractuele licentie bedoeld in artikel XI.125, § 3, van het Wetboek van economisch recht gebeurt via de verzending naar de Dienst van een door de partijen ondertekend attest.
  Het attest bevat :
  1° de namen, voornamen en volledige adressen van de partijen;
  2° de datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht, de rasbenaming, het nummer en de datum van verlening van het kwekersrecht of van de aanvraag voor een kwekersrecht;
  3° een vermelding of de licentie een exclusieve of niet-exclusieve licentie is;
  4° de datum van inwerkingtreding van de licentie, de duur ervan, en het grondgebied waarop de licentie van toepassing is.

  Art. 34. § 1. Elk verzoek om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van economisch recht bevat de volgende informatie :
  1° de aanduiding van de verzoeker en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
  2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
  3° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de gedwongen licentie betrekking moet hebben;
  4° een verklaring betreffende het openbaar belang waarop het verzoek berust, met inbegrip van een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het ingeroepen openbaar belang worden aangevoerd;
  5° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen.
  § 2. Elk verzoek om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 3°, van het Wetboek van economisch recht, bevat de volgende informatie :
  1° de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
  2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
  3° een voor eensluidend verklaard afschrift van het octrooi waarin het octrooinummer en de conclusie van het octrooi betreffende een biotechnologische uitvinding, alsook de naam van de octrooiverlenende instantie worden vermeld;
  4° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de gedwongen licentie betrekking heeft;
  5° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen;
  6° een verklaring die uiteenzet waarom de biotechnologische uitvinding in kwestie een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde ras, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten ter ondersteuning van de aanspraak;
  7° een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de licentie, dat het territoriale toepassingsgebied van het in 3° bedoelde octrooi niet mag overschrijden.
  § 3. Het verzoek om een in artikel XI.126, § 1, 4°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde wederkerige licentie, bevat de volgende informatie :
  1° de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
  2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
  3° een voor eensluidend verklaard afschrift van het octrooi waarin het octrooinummer en de conclusie van het octrooi betreffende een biotechnologische uitvinding, alsook de naam van de octrooiverlenende instantie worden vermeld;
  4° een officieel document waarin wordt verklaard dat een gedwongen licentie voor een geoctrooieerde biotechnologische uitvinding aan de houder van het betrokken kwekersrecht is verleend;
  5° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de wederkerige licentie betrekking heeft;
  6° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen;
  7° een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de wederkerige licentie, dat het territoriale toepassingsgebied van het in 3° bedoelde octrooi niet mag overschrijden.
  § 4. Bij een verzoek om een gedwongen licentie worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat de verzoeker de houder van het kwekersrecht vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht.
  § 5. Om een contractuele licentie wordt geacht vruchteloos te zijn verzocht in de zin van paragraaf 4, wanneer :
  1° de houder niet binnen een redelijke tijd een definitief antwoord heeft gegeven aan de persoon die om een licentie verzoekt, of
  2° de houder heeft geweigerd een contractuele licentie te verlenen aan de belanghebbende, of
  3° de houder de belanghebbende een licentie heeft aangeboden, maar hetzij de voorwaarden van het aanbod, in het bijzonder die betreffende de te betalen vergoeding, hetzij de voorwaarden van het aanbod in hun geheel kennelijk onredelijk waren.

  Art. 35. § 1. De beslissing betreffende het verzoek om een gedwongen licentie wordt door de minister ondertekend en bevat de volgende informatie :
  1° een verklaring dat de beslissing door de minister is genomen;
  2° de datum van de beslissing;
  3° de naam van de partijen in de procedure en van hun eventuele gemachtigden;
  4° de verwijzing naar het advies van de Commissie voor de gedwongen licenties bedoeld in artikel XI.126, § 3, van het Wetboek van economisch recht;
  5° een lijst van de vragen waarover voornoemde Commissie zich moest uitspreken;
  6° een samenvatting van de feiten;
  7° de gronden van de beslissing;
  8° het beschikkend gedeelte van de beslissing waarin, in voorkomend geval, wordt gepreciseerd op welke handelingen de gedwongen licentie betrekking heeft, welke voorwaarden eraan zijn verbonden en aan welke categorie van personen zij wordt verleend, hierin begrepen, indien nodig, de bijzondere voorwaarden waaraan die categorie van personen moet voldoen.
  § 2. De minister betekent zijn beslissing aan de belanghebbenden via een aangetekende zending.

  Art. 36. § 1. De beslissing om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van economisch recht te verlenen, bevat een uiteenzetting van het openbaar belang in kwestie.
  De volgende motieven kunnen met name een openbaar belang uitmaken :
  1° de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  2° de noodzaak om de markt te voorzien van materiaal met bepaalde eigenschappen;
  3° de noodzaak om het kweken van verbeterde rassen te blijven aanmoedigen.
  § 2. De beslissing om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek van economisch recht, te verlenen, bevat een uiteenzetting van de redenen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt.
  De volgende elementen kunnen in het bijzonder worden aangehaald om te rechtvaardigen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras :
  1° verbetering van de teelttechnieken;
  2° verbetering van het milieu;
  3° verbetering van de technieken ter bevordering van de exploitatie van genetische biodiversiteit;
  4° verbetering van de kwaliteit;
  5° verbetering van de opbrengst;
  6° verbetering van de resistentie of tolerantie;
  7° verbetering van het vermogen tot aanpassing aan bijzondere klimatologische en/of milieuomstandigheden.
  § 3. De gedwongen licentie mag niet worden overgedragen, tenzij zij tezamen met het deel van een onderneming dat van deze licentie gebruik maakt, of, in het in artikel XI.126, § 1, 2°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde geval, tezamen met het houderschap van een kwekersrecht op een hoofdzakelijk afgeleid ras wordt overgedragen.

  HOOFDSTUK 4. - Afwijking van het kwekersrecht

  Art. 37. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende landbouwvariëteiten :
  1° Avena sativa - Haver;
  2° Hordeum vulgare L. - Gerst;
  3° Triticum spelta L. - Spelt;
  4° Solanum tuberosum - Aardappelen.
  § 2. De minister kan deze lijst echter wijzigen, na raadpleging van de Raad voor het kwekersrecht, en op voorwaarde dat de rechtmatige belangen van de kwekers niet worden geschonden. Hierbij kan de minister onder meer rekening houden met volgende criteria :
  1° de variëteiten waarop de afwijking bedoeld in artikel XI.115, § 1 van het Wetboek van economisch recht van toepassing zou zijn;
  2° de oppervlakte die door de landbouwer wordt gebruikt voor de betrokken teelt;
  3° het aandeel of de hoeveelheid van het betrokken oogstproduct waarop de afwijking betrekking zou hebben;
  4° de waarde van de oogst.
  De minister waakt erover dat in de lijst bedoeld in paragraaf 1, enkel de landbouwvariëteiten worden opgenomen waarvan de landbouwers, in België, gewoonlijk een deel of het geheel van het oogstproduct bewaren voor reproductie of vermeerdering.

  Art. 38. § 1. Voor de in artikel 37 bedoelde landbouwrassen worden landbouwers gemachtigd de handelingen te verrichten bedoeld in artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht, op hun eigen bedrijf, mits betaling van een billijke vergoeding aan de houder van het kwekersrecht.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, hoeven kleine landbouwers deze vergoeding niet aan de houder van het kwekersrecht te betalen.
  Onder "kleine landbouwers" wordt verstaan de kleine landbouwers bedoeld in artikel 14, lid 3, van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht en in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers.

  Art. 39. § 1. De uit het bepaalde in artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht voortvloeiende machtiging en verplichtingen van de landbouwer zijn niet vatbaar voor overdracht aan anderen. In geval van overdracht van het bedrijf van de landbouwer behoren ze evenwel tot de bevoegdheden en verplichtingen waarop deze overdracht betrekking heeft, tenzij, wat de verplichting tot betaling van de in artikel 38, § 1, bedoelde billijke vergoeding betreft, in de akte van overdracht van het bedrijf anders is bepaald. De overdracht van de machtiging en verplichtingen vindt op hetzelfde ogenblik plaats als de overdracht van het bedrijf.
  § 2. Onder "eigen bedrijf" in de zin van artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht wordt verstaan elk bedrijf of gedeelte van een bedrijf, dat de landbouwer daadwerkelijk voor de teelt van gewassen exploiteert, hetzij als eigendom, hetzij anderszins in eigen naam en voor eigen rekening, met name in het geval van een pachtovereenkomst. De vervreemding van een bedrijf of gedeelte van een bedrijf met het oog op de exploitatie daarvan door derden wordt als een overdracht in de zin van paragraaf 1 beschouwd.
  § 3. De persoon aan wie het bedrijf in eigendom toebehoort op het ogenblik waarop nakoming van een verplichting wordt geëist, wordt geacht de landbouwer te zijn, tenzij hij bewijst dat een andere persoon de landbouwer is die overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 de verplichting moet nakomen.

  Art. 40. § 1. Het bedrag van de in artikel 38, § 1 bedoelde billijke vergoeding is vastgesteld in een overeenkomst gesloten tussen de landbouwer en de houder van het kwekersrecht binnen twaalf maanden na het daadwerkelijke gebruik van het oogstproduct voor vermeerderingsdoeleinden. Dit bedrag mag niet lager zijn dan 50% van de bedragen die verschuldigd zijn voor het onder licentie produceren van teeltmateriaal van hetzelfde ras.
  § 2. Op straffe van nietigheid bepaalt de overeenkomst ook de toepassingsvoorwaarden van de afwijking bepaald in artikel XI.115 van het Wetboek van economisch recht, met inbegrip van de modaliteiten voor de vaststelling en voor de betaling van de vergoeding.

  Art. 41. Niet-naleving van de toepassings-voorwaarden van de afwijking bedoeld in artikel XI.115 van het Wetboek van economisch recht of het ontbreken van een overeenkomst conform artikel 40 leidt tot het verlies van het voordeel van deze afwijking.

  HOOFDSTUK 5. - De Raad voor het kwekersrecht en de Commissie voor de gedwongen licenties

  Afdeling 1. - De Raad voor het kwekersrecht

  Art. 42. De Raad voor het kwekersrecht bedoeld in artikel XI.127 van het Wetboek van economisch recht, hierna " de Raad " genoemd, legt aan de minister, op eigen initiatief na overleg met de Dienst of op verzoek van de minister, adviezen voor, over vragen die verband houden met de bescherming van kweekproducten.

  Art. 43. § 1. De Raad omvat :
  1° twaalf personen die in het bijzonder bevoegd zijn op het gebied van genetica, botanica of plantenteelt, respectievelijk van landbouwgewassen, groenten en fruit, niet-eetbare tuinbouwproducten en bosgewassen;
  2° drie personen die in het bijzonder bevoegd zijn op het gebied van intellectuele eigendom.
  § 2. De Raad duidt zijn voorzitter en ondervoorzitter aan.
  § 3. De leden van de Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar; hun mandaat is hernieuwbaar.

  Art. 44. § 1. De Raad kan het onderzoek van één of meer vraagstukken toevertrouwen aan een ad hoc werkgroep samengesteld uit leden van de Raad en uit personen vermeld in paragraaf 2.
  § 2. Het staat de Raad vrij om externe deskundigen of elke andere persoon wiens medewerking nuttig is voor zijn werkzaamheden, op te roepen. De aanduiding van deze deskundigen of andere personen moet het voorwerp van een consensus binnen de Raad zijn.
  § 3. Het secretariaat van de Raad wordt verzorgd door de Dienst.

  Art. 45. De adviezen van de Raad worden bij consensus aangenomen. Bij gebrek aan consensus herneemt het advies de verschillende standpunten.
  De Raad beslist over de publiciteit die aan zijn adviezen moet worden gegeven.

  Art. 46. De vergaderingen van de Raad zijn niet openbaar.
  De leden van de Raad, de deskundigen en elke andere genodigde zijn geheimhouding verschuldigd voor alles wat hun opdracht aangaat. Ze mogen niet deelnemen aan de bespreking van aangelegenheden waarin zij enig belang hebben.
  De voorzitter kan een lid ter orde roepen of schorsen na het gehoord te hebben.

  Art. 47. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring aan de minister wordt voorgelegd.

  Art. 48. Het mandaat van de leden van de Raad, van de deskundigen en van de personen bedoeld in artikel 44, § 2, is onbezoldigd. Desalniettemin ontvangen zij, indien hun woonplaats en hun hoofdactiviteit zich buiten Brussel-Hoofdstad bevinden, de terugbetaling van de reiskosten die zij hebben gedragen om zich van hun woonplaats naar de plaats van de vergadering te begeven, ook als zij hun persoonlijk voertuig gebruikt hebben.
  De terugbetaling van de reiskosten gebeurt in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.

  Afdeling 2. - De Commissie voor de gedwongen licenties

  Art. 49. De modaliteiten van werking en organisatie van de Commissie voor de gedwongen licenties, bedoeld in artikel XI.128, § 1, negende lid, van het Wetboek van economisch recht, zijn dezelfde als die waarin de reglementering betreffende de uitvindingsoctrooien voorziet.

  HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

  Art. 50. Worden opgeheven op 1 juli 2015 :
  1° de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekproducten, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 1993, 9 mei 2007 en 10 mei 2007;
  2° de wet van 10 januari 2011 ter bescherming van kweekproducten;
  3° het koninklijk besluit van 22 juli 1977 tot bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 2005;
  4° het koninklijk besluit van 22 juli 1977 tot bepaling van de rechten te betalen inzake de bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001;
  5° het koninklijk besluit van 1 oktober 1993 tot aanwijzing van de plantensoorten van dewelke een kwekerscertificaat kan worden verleend en tot bepaling van de duur van de bescherming voor die soorten.

  Art. 51. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015.

  Art. 52. De minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.BIJLAGE.

  Art. N. Vergoedingen, taksen en toeslagen verschuldigd met betrekking tot kwekersrecht (Om het bedrag van de vergoedingen te bepalen, worden de plantensoorten in drie klassen ingedeeld.
Klasse A : tarwe, gerst, haver, aardappel, suikerbiet;
Klasse B : rogge, spelt, maïs, grassen, voedergewassen, oliehoudende planten en vezelgewassen, roos, anjer, chrysant, tulp, fresia, azalea, rododendron, begonia, sla, tomaat, witloof, erwt, boon, wortel, schorseneer, bloemkool, ajuin, prei, selder;
Klasse C : landbouwgewassen, uitgezonderd die vermeld onder klassen A en B, tuinbouwgewassen en sierplanten uitgezonderd die vermeld onder klasse B, fruitbomen en fruitheesters, aardbeienplant, sier- en bosbomen, sierheesters)

  

 
Klassen Te innen vergoedingen, taksen en toeslagen Bedrag in euro
       
      .
A B C  
      I De neerlegging en de behandeling der aanvraag :
150 150 150 a) Voor de neerlegging en inschrijving van de aanvraag
50 50 50 b) Voor het beroep op het recht van voorrang
50 50 50 c) Indien geen rasbenaming wordt voorgesteld bij de neerlegging van de aanvraag, maar wel afzonderlijk
50 50 50 d) Bij het voorstellen van een nieuwe benaming
      e) Voor het rasonderzoek (*)
445 345 250 Voor de eerste onderzoeksperiode
295 225 150 Voor de tweede en elke volgende onderzoeksperiode
295 225 150 Voor de controle op de instandhouding van het ras
      II Het behoud van de geldigheid van het kwekersrecht :
      a) Jaarlijkse rechten :
75 75 75 Eerste jaar
150 125 100 Tweede jaar
225 175 125 Derde jaar
295 225 150 Vierde jaar
370 275 175 Vijfde tot vijfentwintigste jaar
20 % 20 % 20 % b) Bijkomend recht in geval van betaling van achterstallig jaarlijks recht (in % van het betrokken jaarlijks recht)
      III Bij aflevering en inschrijving in rassenregister van :
62 62 62 a) Licenties, per neerlegging
62 62 62 b) Dwanglicenties
62 62 62 IV Bij inschrijving van een overdracht van kwekersrecht in het rassenregister
      V Bij aflevering van :
37 37 37 a) Afschrift van inschrijving in het rassenregister
37 37 37 b) Afschrift van de aanvraag voor een kwekersrecht
37 37 37 c) Getuigschrift dat er geen inschrijving bestaat
62 62 62 VI Bij alle andere inschrijvingen of schrappingen in het register der aanvragen of in het rassenregister, per vermelding
350 350 350 VII Herstel in de rechten wanneer een termijn voor een handeling in een procedure voor de Dienst niet in acht genomen werd
(*) Indien, voor het onderzoek naar de onderscheidbaarheid, de homogeniteit en de bestendigheid, beroep wordt gedaan op een buitenlandse dienst, is het bedrag verschuldigd dat door deze dienst wordt gefactureerd.
 
 

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 05/07/2015 - 09:08
Laatst aangepast op: zo, 05/07/2015 - 15:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.