-A +A

kostenleer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

Art. 1381. B.W. Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn.
 

Er zijn de verhalen (maar ook werkelijkheden en miseries) van naarstige mannen of vrouwen die gelden of werken hebben geïnvesteerd in het onroerend goed van de andere. Kunnen zij na de beëindiging van de relatie aanspraak maken op vergoeding?

- het feit een hypothecaire of andere lening mee ondertekend te hebben maakten van deze medelener nog geen eigenaar.
- hij die zijn werken of materialen ziet verloren gaan ingevolge natrekking (art. 553 BW) kan een recht op vergoeding laten gelden onder bepaalde voorwaarden zoals voorzien in artikel 555 burgerlijk wetboek.
van onverdeeldheid. Maar artikel 555 kan niet worden toegepast op die werken die op onvoldoende wijze kunnen worden geïndividualiseerd en die dus niet meer kunnen worden weggenomen. Er zou slechts een theoretisch recht op vergoeding bestaan voor de wegneembare werken.

De toepassing van artikel 555 en van het burgerlijk wetboek werd evenwel al geweigerd, gezien dit artikel ervan uitgaat dat een eigenaar die niet in het bezit is van het onroerend goed geconfronteerd wordt met werken die uitgevoerd worden door een derde bezitter. Bij de samenwoonst heeft de eigenaar steeds het bezit gehad van het onroerend goed zodat er volgens deze rechtspraak de theorie van de na trekking en niet van toepassing zou zijn; zie rb in Gent 28 juni 2005 tijdschrift voor notarissen 2005, 464.

Wanneer nu na de samenleving een van de partijen bepaalde bedragen zou gaan terugvorderen (bijvoorbeeld verbouwingskosten), zal deze vordering meestal falen omdat de rechter zal wijzen op het solidariteitsgevoel dat verondersteld wordt inherent zijn aan elke samenleving waarbij ook feitelijke samenwonenden elk naar bestvermogen en in verhouding tot hun mogelijkheden bijdragen tot de dagdagelijkse kosten. Welnu een en ander is een natuurlijke verbintenis die vrijwillig werd uitgevoerd en waarop later niet meer kan worden teruggekomen, zelfs niet wanneer er een duidelijk onevenwicht zou worden aangetoond. Hiervan zou slechts kunnen worden afgeweken wanneer de bijdrage in de lasten kennelijk de mogelijkheden van de bijdragen de partner heeft overschreden (Gent (11deb kamer) 10 mei 2007, 206/AR/2216, onuitgegeven, enkel gestipuleerd in het NJW 186/573.

Toch zou de persoon die werken heeft uitgevoerd aan de eigendom van een persoon met wie hij samenwoonde een beroep kunnen doen op een vergoeding op basis van de kostenleer.

De kostenleer maakt een onderscheid tussen noodzakelijke uitgaven, nuttige uitgaven en verfraaiingswerken. , nuttige uitgaven ten belope van de meerwaarde en verfraaiingswerken indien een niet vergoed te worden ( voor de toepassing van deze leer, zie rb Oudenaarde 19 september 2005, RABG, 2006,774. Deze kostenleer stuit op veel kritiek, niet in het minst omdat zij op geen enkele rechtsfiguur is gesteund, ten ware en de billijkheid als rechtsgrond aanvaard om de beëindiging van een concubinaat in goede billijke banen te leiden.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Brussel AR 2007AR1044

Samenvatting

I . Einde van een feitelijke samenleven. Vergoedingen tussen de ex-concubanten.

II. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:
a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Er met dus worden onderzocht of bepaalde kosten niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

III. Artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van een vordering in terugbetaling. De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

Tekst arrest

ARREST
Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2010/
A.R. nr. 2007/AR/1044

INZAKE VAN :

De heer W. P.,
appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007,

TEGEN :
Mevrouw L. G.,

geïntimeerde,

Gelet op de procedurestukken:

· het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007, beslissing die betekend werd op 10 augustus 2007;
· het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 april 2007;
· de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 10 september 2007;
· de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 oktober 2007.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 58.837,26 euro , nadien uitgebreid tot 59.000 euro , plus de gerechtelijke intresten en tot het horen teruggeven binnen de 48u na betekening van een aantal roerende goederen onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en dienvolgens appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 30.563,38 euro , plus de gerechtelijke intresten vanaf 21 september 2005, datum van de dagvaarding.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde de integrale toekenning van haar oorspronkelijke vordering.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen samen hebben gewoond in de woning van appellant van maart 2003 tot februari 2005. Bij vonnis van de vrederechter van Haacht van 26 januari 2005 werd geïntimeerde veroordeeld om het pand te verlaten.

Volgens geïntimeerde heeft zij in die periode alleen de lasten van het huishouden gedragen en heeft zij zelfs een aantal persoonlijke schulden van appellant betaald.

III. Beoordeling.

3.1. Geïntimeerde houdt vooreerst voor dat zij een hele reeks van rekeningen alleen heeft betaald die ofwel een last van het huishouden uitmaakten ofwel enkel ten goede kwamen aan appellant.

Zij beroept zich op de rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak en de theorie van de kostenleer als grond van haar vordering tot terugbetaling.

Appellant betwist in se niet dat geïntimeerde inderdaad een aantal betalingen verricht heeft (o.a. hypothecaire lening, maandelijkse bijdrage van 850 euro , belastingen, rekeningen, boodschappen...) en dat een aantal van die betalingen betrekking hebben op afkortingen van zijn persoonlijke schulden maar hij houdt voor dat deze betalingen een oorzaak hadden, met name de samenwoning, en geïntimeerde bijgevolg deze sommen niet kan terugvorderen.

3.2. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:

a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Hierna zal worden onderzocht of de kosten waarvan geïntimeerde gewag maakt, niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

3.3. Geïntimeerde beroept zich tevens op artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van haar vordering in terugbetaling.

De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

3.4. Geïntimeerde toont aan dat zij een bedrag betaalde van 7.389,26 euro voor het vernieuwen van de ramen in de woning van appellant. Deze nieuwe ramen zijn geïncorporeerd in het onroerend goed, exclusief eigendom van appellant.

Op grond van de kostenleer dient appellant deze kosten terug te betalen aan geïntimeerde.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.5. Geïntimeerde brengt een document bij waarin bedragen worden opgesomd ten beloop van 35.853,25 euro en beweert dat appellant dat document voor akkoord ondertekende.

Geïntimeerde betwist dit en ontkent dat zijn handtekening voorkomt op bewust document.

De eerste rechter merkte terecht op dat onafgezien of appellant dat document al dan niet ondertekend heeft, het geenszins een schuldbekentenis uitmaakt en hieruit geen enkele verplichting blijkt in hoofde van appellant om voornoemd bedrag terug te betalen.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat geïntimeerde naast de boodschappen die zij op haar kosten deed en zonder rekening te houden met haar maandelijkse bijdrage van 850 euro (sinds juli 2004) zij tijdens de periode van samenwonen, naast de ramen t.b.v. 7.389,26 euro , nog volgende rekeningen betaalde:

- herstelling wagen appellant: 1.947,33 euro
- afhaling van spaarrekening van geïntimeerde: 8.000,00 euro
- 7x hypothecaire lening van 558,31 euro : 3.908,17 euro
- belastingen appellant: 2.916,51 euro
- eigen schulden appellant: 5.893,11 euro

Totaal: 22.665,12 euro

Met de ramen samen maakt dit een totaalbedrag uit van 30.054,38 euro .

Appellant zelf toont niet aan welke zijn bijdrage was in het huishouden in diezelfde periode.

Gelet op de omvang van het bedrag kan niet aangenomen worden dat geïntimeerde al deze betalingen verrichtte met als oorzaak de samenwoning, haar eigen belang of een weloverwogen risico dat gepaard gaat met buitenhuwelijks samenleven.

De door haar uitgevoerde betalingen overschrijden aanzienlijk de normale bijdrage die in een gemeenschappelijke huishouding van elke partner mag verwacht worden en hebben bovendien een verarming van het vermogen van geïntimeerde tot gevolg gehad en een verrijking van het vermogen van appellant. Vrijgevigheid wordt bovendien niet vermoed.

Op grond van de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak is geïntimeerde gerechtigd om voornoemd bedrag terug te vorderen vanwege appellant. In het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis is echter een materiële vergissing geslopen daar waar appellant veroordeeld wordt tot terugbetaling van een bedrag van 30.563,38 euro i.p.v. 30.054,38 euro .

3.6. Appellant werpt hiertegen op dat geïntimeerde rechtsmisbruik pleegt.

Hij beweert dat het getuigt van kwade trouw en zeker rechtsmisbruik uitmaakt om hem enerzijds het gevoel te geven dat om altruïstische en om amoureuze redenen financiële bijstand wordt verleend om dan anderzijds bij het beëindigen van de relatie deze bijstand terug te vorderen en hem achter te laten in een nog diepere put dan waarin hij zich reeds bevond.

Door alle betalingen nauwkeurig bij te houden en op te schrijven heeft geïntimeerde zeker niet de indruk kunnen wekken dat zij één en ander deed uit "altruïstische" overwegingen. Het komt trouwens eerder voor dat appellant "gebruik" heeft gemaakt van geïntimeerde om zijn eigen schulden te kunnen aflossen.

In deze is er dan ook geen sprake van enig rechtsmisbruik vanwege geïntimeerde.

3.7. Geïntimeerde vraagt tenslotte de afgifte van een reeks roerende goederen.

Appellant betwist dat deze goederen in zijn bezit zijn.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat geïntimeerde niet bewijst dat de door haar opgesomde goederen wel degelijk in het bezit zijn van appellant.

Er is geen reden om thans nog aan geïntimeerde toe te laten het bewijs hiervan te mogen leveren met alle middelen van recht gezien het tijdsverloop dat inmiddels reeds verstreken is sedert dat geïntimeerde de woning van appellant verliet.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.8. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.9. Beide partijen hebben ter zitting van 12 januari 2010 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Zij hebben dat terecht begroot op 2.500 euro .

Dit bedrag komt ten beloop van 2/3den toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN :
HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna beperkte mate gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat appellant gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van 30.054,38 euro in hoofdsom i.p.v. het toegekende 30.563,38 euro .

Veroordeelt appellant tot 2/3den van de kosten in hoger beroep, in hun geheel begroot
- in hoofde van hemzelf op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en
- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/3/2010

Rechtspraak: 

Antwerpen 31 januari 2017 AR: 2015/FA/100, TBBR 2018/4, 230

Samenvatting:

In de verhouding tussen samenlevers, waar de werken in de regel in gezamenlijk overleg worden uitgevoerd, kan de kostenleer in beginsel niet worden toegepast.

De natrekkingsleer is slechts toepasbaar indien het nagetrokken goed nog individualiseerbaar is.

Tussen samenlevers, waar de ene partner in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, is artikel 555 BW zinledig.

Tekst arrest

( ... )

1. Wat voorafgaat

Appellante heeft op 5 november 2005 een woning gekocht te Bornem aan de ( ... ).

Nadat partijen in februari 2008 een relatie zijn begonnen, heeft geïntimeerde zich op 7 januari 2009 laten inschrijven op het adres van appellante.

Vervolgens hebben zij op 19 augustus 2009 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bornem.

Uit hun relatie is één kind geboren, te weten: M.-A.R., op ( ... ).

Op 17 september 2009 hebben partijen een onderhandse overeenkomst afgesloten, betreffende een financiële regeling "omtrent het huis dat door hen beiden wordt bewoond, maar (voorlopig) in eigendom is van R.F. ".

In deze overeenkomst is onder meer het volgende bedongen: - "maandelijks zal WR. een som van 600 EUR betalen aan R.F., hetgeen overeenkomt met de helft van de afbetaling van de woning. Vanaf januari 2010 zullen deze bedragen gezien worden als investering ....

- Alle investeringen aan de woning(. .. ) die enkel door WR. worden gedragen, zullen minimaal 2 maal per jaar worden vastgelegd tussen de partijen, om een vlotte opvolging van de staat van de kosten te garanderen.

- In geval dat WR. verhuist en geen mede-eigenaar wil worden van de woning, zal het totaal van deze investeringen aan hem worden terugbetaald."

Die overeenkomst bevatte ook een addendum, door beide partijen ondertekend, houdende de omschrijving van een reeks aankopen tussen 11 juni 2009 en 5 september 2009 voor in totaal 14.599,02 EUR.

Geïntimeerde heeft op 22 februari 2013 een eenzijdige verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning afgelegd.

Op 22 oktober 2013 heeft geïntimeerde appellante doen dagvaarden

Zijn oorspronkelijke vordering strekte ertoe:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 76.752 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot aan de volledige betaling;

- appellante te horen veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR, basisbedrag voor vorderingen vanaf 100.000,01 EUR;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Hij baseerde zijn vordering op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking om vergoeding te bekomen voor investeringen ten bedrage van 50.955 EUR, voor terugbetaling van het woonkrediet voor 17.040 EUR en onkosten voor 8.757,22 EUR, hetzij in totaal 76.752 EUR, nog te vermeerderen met conventionele intresten.

Appellante besloot tot de ongegrondheid van die vordering en stelde in haar conclusie neergelegd op 24 januari 2014 een tegenvordering, die ertoe strekte geïntimeerde te horen veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800, onder aftrok van de bedragen die hij zou bewijzen effectief betaald te hebben, en tot betalen van de gedingkosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR.

In conclusies neergelegd op 27 februari 2014 vorderde geïntimeerde dan:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 67.996,27 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- haar tevens te veroordelen tot betalen van 8.789,79 EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum der onkosten tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- de tegeneis af te wijzen als ongegrond;

- appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR. - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In conclusies neergelegd op 10 april 2014 herleidde appellante haar tegenvordering en vorderde nog een saldo van 6.560 EUR, meer intresten vanaf 22 februari 2013, meer de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR. In zijn syntheseconclusies baseerde geïntimeerde zich in hooforde op de overeenkomst van 17 september 2009, ondergeschikt op de overeenkomst die zij hierover bij notaris MAES hebben bereikt, meer ondergeschikt op de leer van de natrekking, meest ondergeschikt op de verrijking zonder oorzaak.

In het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 24 september 2014 heeft de eerste rechter - de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009 absoluut nietig bevonden, nu zij niet bij authentieke akte is verleden;

- de hoofdvordering van geïntimeerde evenwel gegrond verklaard voor 50.956,27 EUR (voor de door hem betaalde materialen en werken uitgevoerd aan de woning), en appellante veroordeeld tot betalen van dit bedrag aan geïntimeerde, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet, en dit op grond van de verrijking zonder oorzaak, nu deze uitgaven kennelijk de normale lasten van het samenleven te boven gingen;

- het overige van de hoofdvordering (de afbetalingen van het hypothecair krediet en diverse onkosten) alsook de tegenvordering ongegrond verklaard;

- partijen ieder in de eigen gerechtskosten verwezen. Dit vonnis is betekend op 8 januari 2015.

2. De vorderingen in beroep

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 februari 2015, heeft appellante een naar vorm en termijn regelmatig beperkt hoger beroep ingesteld, in zover zij op grond van de vermogensverschuiving zonder oorzaak veroordeeld werd tot betalen van 50.956,27 EUR, meer de gerechtelijke intresten.

Het hoger beroep strekt ertoe de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en rechtdoende op de oorspronkelijke tegeneis van appellante, deze tegeneis, voor zover geen compensatie van de prestaties van beide partijen in het kader van de kosten van huishouding zou aanvaard worden, quod non, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800 EUR, onder aftrok van de bedragen die hij bewijst effectief betaald te hebben voor het woningkrediet hetzij 15.840 EUR, blijft verschuldigd 6.960 EUR, meer de intresten vanaf 22 januari 2013.

Zij vordert tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de procedure, en begroot deze op een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR per aanleg, alsook het rolrecht hoger beroep p.m.

Geïntimeerde vorderde in conclusies de laattijdig neergelegde conclusies van appellante van 19 december 2015 uit de debatten te weren, alsook de wering van de niet-meegedeelde stukken. Ter terechtzitting van 27 september 2016 verklaarde geïntimeerde die exceptie van laattijdigheid van conclusies en van wering van stukken niet aan te houden. Geïntimeerde besluit ten gronde tot de ongegrondheid van het beroep en vordert op incidenteel beroep, ingesteld bij conclusies neergelegd op 26 juni 2015, en zoals geherformuleerd in conclusies neergelegd op 28 december 2015:

- appellante te veroordelen tot betaling van 67.996,27 EUR, vermeerderd met de nalatigheidintrest conform de conventionele intrestvoet aan 8 % vanaf de datum investering of afbetaling woningkrediet tot op de dag van de dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot op de dag van de volledige betaling.

- appellante te veroordelen tot betalen van 8. 789, 79 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum der onkosten tot de datum dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling.

- ondergeschikt, te oordelen dat de mondelinge overeenkomst tussen partijen in aanwezigheid van notaris MAES van 3 september 2012 bindend is en dienvolgens appellante te veroordelen tot betalen van 85.500 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 september 2012.

- ondergeschikt, notaris MAES met studie te 2540 HOVE, Kapelstraat 90 op te roepen als getuige ten einde onder eed te worden verhoord nopens het bestaan van de overeenkomst van 3 september 2012.

- de initiële tegeneis van appellante af te wijzen als ongegrond.

- appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten, met inbegrip de rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR per aanleg.

- dit alles bij 'vonnis' uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Beoordeling

3.1. Over de exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 201 Sen over het weren van die conclusie en van stukken

Geïntimeerde heeft op de zitting van 27 september 2016 zijn exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 2015 en van het weren van niet-medegedeelde stukken niet aangehouden.

Er dienen bijgevolg geen conclusies en /of stukken te worden geweerd uit het beraad.

3.2. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn tijdig en naar vorm regelmatig ingesteld. Dit vastgesteld zijnde heeft het hof geen middelen van ontvankelijkheid ambtshalve te onderzoeken.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk.

3.3. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

3.3.1. Het standpunt van partijen

De vordering van geïntimeerde in betalen van 76. 786,06 EUR omvat drie elementen:

- door hem gedane investeringen in het onroerend goed van appellante voor in totaal 50.956,27 EUR;

- door hem verrichte terugbetalingen op het woonkrediet voor het onroerend goed van appellante voor in totaal 17.040 EUR;

- door hem betaalde onkosten voor in totaal 8.789,79 EUR. Hij steunt zich in rechte op het art. 1134 BW, ingevolge de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009, verder op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking, nu zijn bijdragen aan het woonkrediet en aan de investeringen voor renovatie niet kunnen worden aangezien als bijdrage in het samenleven.

Appellante stelt dat

- de overeenkomst tussen partijen van 17 september 2009 nietig is;

- alle betalingen door geïntimeerde uitgevoerd moeten worden aangezien als een bijdrage aan het samenleven, overeenkomstig het bepaalde onder art. 1477 BW;

- zij niet op de hoogte werd gebracht van de investeringen in het onroerend goed, zoals de onderhandse overeenkomst vereiste;

- de door geïntimeerde uitgevoerde werken gebreken vertonen zodat deze geen meerwaarde betekenden voor haar onroerend goed.

3.3.2. Over de geldigheid van de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009

Het artikel 1478, vierde lid BW bepaalt dat de samenwonenden "voorts" hun wettelijke samenwoning naar goeddunken regelen door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. En, in fine: "Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris .... "

De tussen wettelijk samenwonenden gesloten samenlevingsovereenkomst is een plechtige akte. Indien de betrokkenen ervoor opteren een samenlevingsovereenkomst op te stellen, dan moet zij om geldig te zijn noodzakelijkerwijze de vorm van een authentieke akte aannemen en dus worden verleden voor een notaris (art. 1478, vierde lid, in fine BW). Doordat het gaat om een formele rechtshandeling, leidt de niet-naleving van deze geldigheidsvereiste tot absolute nietigheid. Ook bij een latere wijziging van de samenlevingsovereenkomst moet de notariële vorm worden aangehouden. (zie ook: Verslag namens de commissie voor de Justitie, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 49K0170/008, 95; en: W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, lntersentia, 2010, 501, nr. 943; en: J.-F. TAYMANS, 'Les contrats de vie commune' in Y.-H. LELEU, Y. PARENT en J.-F. TAYMANS (eds.), Le couple. Vie commune et rupture, Brussel, Larcier, 2009, 162, nr. 183)

Anders dan wat geïntimeerde voorhoudt heeft het vormgebrek, doordat de wil der partijen niet is vastgelegd door een notaris, wel degelijk vérstrekkende gevolgen: ingevolge het niet nakomen van het zogenaamde wilsformalisme is die overeenkomst absoluut nietig. Immers, de wetgever heeft bij het opmaken van een samenlevingsovereenkomst tussen wettelijk samenwonenden kennelijk dezelfde garanties geeist als bij het opmaken van een huwelijkscontract, en heeft in tegenstelling tot een louter consensueel contract (de regel) geëist dat er een plechtige overeenkomst (de uitzondering) zou worden opgesteld door een notaris. Deze vorm is een essentiële vereiste "ad solemnitatem et non ad probationem" (lees: de vervulling van de formaliteit wordt vereist voor de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling en niet slechts voor het bewijs ervan), (zie terzake het plechtig contract en het wilsformalisme o.m. R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, II, 1971, nr. 39 en H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. 1, 28-29 ent. Il, 454)

Nu er geen geldige samenlevingsovereenkomst bestaat, kunnen partijen daarvan ook niet de uitvoering eisen.

3.3.3. Over de toepassing van art. 544-554 B.W. c.q. de kosten/eer Geïntimeerde beroept zich tevergeefs op de gevolgen van de natrekking ex. art. 554 BW en/of op de kostenleer (art. 1381 BW):

Het art. 554 BW bepaalt:

"De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.".

Het art. 555 BW bepaalt:

"Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen ....

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt .... "

Het art. 1381 BW bepaalt:

"Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn." De ingeroepen natrekkingsleer (hier in essentie artikel 555 BW) biedt geen uitweg aan de geïntimeerde: er kan slechts een beroep worden gedaan op de natrekkingsleer indien het nagetrokken goed nog individualiseerbaar is, zodat de wegname - strikt gezien - mogelijk blijft, zij het desgevallend met minwaarde/economisch verlies tot gevolg (zie en vgl. Cass. 18 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, 891 alsook H. De Page, Traité élémentaire de droit civil beige, VIII, Brussel, Bruylant, p. 9, nr. 420), hetgeen hier evenwel niet het geval is: de geïncorporeerde materialen zijn duidelijk niet vatbaar voor individualisatie en gebeurlijke wegneming.

Artikel 555 BW is bovendien slechts bedoeld voor de situatie waarbij de eigenaar van een onroerend goed, die er niet in het bezit van is, vaststelt dat een derde werken aan het goed heeft uitgevoerd. Een derde is diegene die niet krachtens een overeenkomst heeft gebouwd. Derde is eenieder die gebouwd heeft op de grond van iemand anders of op deze grond werken heeft opgericht op zijn eigen kosten en voor zijn eigen rekening, en waarbij het eigendomsconflict door geen enkele wet en door geen enkele overeenkomst tussen beide partijen werd geregeld (zie ook: F. Van Neste, "Zakenrecht", in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1990, 377, nr. 213). Dit maakt artikel 555 BW zinledig in een rechtsverhouding tussen samen/evers, waar de ene partner, desgevallend met bijstand in natura van zijn familie, in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, hetgeen hier trouwens niet anders was.

De kostenleer is in principe bedoeld voor de situatie waarin de eigenaar zijn onroerend goed terugvordert van een derde die dat goed onder zich heeft en beoogt meer bepaald de hypothese waarin deze derde werken uitvoerde aan het onroerend goed gedurende een tijdspanne of in een periode dat de eigenaar niet in het bezit was van dit goed. Het spreekt voor zich dat geïntimeerde niet kan worden gekwalificeerd als een derde die het onroerend goed van appellante onder zich gehouden heeft. De kostenleer, die uitgaat van de hypothese dat er geen overleg of samenspraak is geweest tussen de vergoedingsgerechtigde en de vergoedingsplichtige, kan in beginsel niet worden toegepast in de verhouding tussen samenlevers, omdat de werken daar in de regel in gezamenlijk overleg worden uitgevoerd, hetgeen hier trouwens kennelijk niet anders was.

3.3.4. Over de verrijking zonder oorzaak

Ook de verrijking zonder oorzaak, die een subsidiair karakter heeft, biedt geen soelaas aan de vordering van geïntimeerde.

Immers, van zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving moet de aanspraak van geïntimeerde worden afgewezen: de oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog onderlijnd dat wanneer de verarmde (bij hypothese geïntimeerde) speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken (het langdurig mogen samenwonen in de voormalige gezinswoning met appellante en hun gemeenschappelijk kind) - dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd- of handelde uit eigen belang de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, III, blz. 54, nr. 40; vgl. met A. DE BERSAQUES, "Le caractère subsidiaire de l'actio de in rem verso", RCJB 1957, (121), 128, nr. 17).

3.3.5. Over de beweerde mondelinge overeenkomst tot vereffening en verdeling bij notaris MAES van 3 september 2012

Geïntimeerde beroept zich in ondergeschikte orde, namelijk "indien het hof de mening zou zijn toegedaan dat met de overeenkomst tussen partijen geen rekening kan worden gehouden en dat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van de vermogensverschuiving zonder oorzaak" op het bestaan van een mondelinge overeenkomst in aanwezigheid van notaris MAES, waarbij appellante een vergoeding zou betalen van 85.500 EUR.

Hij verwijst daarvoor naar

- een e-post bericht van notaris MAES van 21 september 2012 dat stelt:

"Ik heb getracht tussen partijen een nieuwe regeling tot stand te brengen. Na een lange bespreking kwam er een nieuw (mondeling) akkoord tussen partijen tot stand, doch de daaropvolgende dag kwam mevrouw FAES terug op de gemaakte afspraken.";

- een e-postbericht van 4 september 2012 van appellante, dat wel degelijk verwijst naar het akkoord over het terug te betalen bedrag, maar waarop is teruggekomen: "Geachte Mevrouw Maes, Alvast bedankt voor uw geduld gisteren. Graag had ik een aantal aanpassingen laten doen in de tekst. Het terug te betalen bedrag van 85.500 EUR mag teruggebracht worden naar 80.000 EUR."

Geïntimeerde meent dat het akkoord tussen partijen bindend was.

Uit de door partijen overgelegde briefwisseling is weliswaar af te leiden dat er tussen partijen onderhandelingen gevoerd werden op basis van hun oorspronkelijke onderhandse overeenkomst die hoger evenwel absoluut nietig is verklaard, en is verder allerminst af te leiden dat er tussen hen een definitief akkoord is tot stand gekomen. Met reden werpt appellante aan geïntimeerde tegen dat zo er al een definitief bindend akkoord zou zijn gesloten, de notaris dat akkoord wel op papier zou hebben gezet.

Ter terechtzitting van 27 september 2016 wierp het hof de vraag op naar de toelaatbaarheid van het door geïntimeerde in meer ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor, gelet op het bepaalde onder art. 1341 BW, en geïntimeerde heeft daarover standpunt ingenomen.

Het art. 1341 B.W. bepaalt: "Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel."

Te dezen blijkt geen notariële of onderhandse akte te zijn opgesteld over enige regeling tussen partijen aangaande hun vereffening en verdeling, en gelet op het art. 1341 B.W. kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten. Bovendien moet worden vastgesteld dat het verzoek tot bewijs door getuigen onvoldoende bepaald is naar tijd en ruimte om een tegenbewijs mogelijk te maken: ook om die reden is het getuigenbewijs niet toelaatbaar.

Geïntimeerde kan zich derhalve ook niet baseren op enig "mondeling" akkoord tussen partijen.

Kortom: geïntimeerde toont niet aan dat de uitgaven (onder welke vorm ook) die hij verricht heeft tijdens het samenleven van partijen zijn evenredige bijdrage in de kosten van de huishouding en het samenwonen overtreffen.

En ter zake wijst appellante er met reden op dat zijzelf immers ook een ganse reeks uitgaven betaalde (belastingen, verzekeringen, de rekeningen voor nutsvoorzieningen allerhande, de aankoop van de gezinswagen - zie de opsomming onder nr. 6 van haar syntheseconclusies neergelegd op 25 maart 2016 met verwijzing naar haar stukkenbundel). Vermits de (oorspronkelijke) tegeneis van appellante slechts is gesteld voor zover het hof zou oordelen dat er geen compensatie kan gebeuren tussen de prestaties verricht door elk der partijen in het kader van de huishouding, dient daarover verder niets gezegd te worden.

( ... )

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het beperkt hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en rechtdoend binnen de perken ervan:

Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond,

Wijst hem ervan af,

Wijst hem ook af van zijn onderschikte actuele vorderingen; Stelt vast dat de in ondergeschikte orde ingestelde (oorspronkelijke) tegeneis derhalve zonder voorwerp valt,

( ... )

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: ma, 24/08/2015 - 13:49
Laatst aangepast op: zo, 10/06/2018 - 17:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.