-A +A

Keuzerecht van de schuldeiser bij invordering onbetwiste facturen - dagvaarding of administratieve procedure

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een schuldeiser die kiest om niet over te gaan tot administratieve invordering conform art. 1394/20 Ger. Wetboek en opteert voor een invordering bij dagvaarding, draait niet op voor de meerkost van de procedure bij dagvaarding, mits hij een belang heeft om voor de procedure op dagvaarding te kiezen.

Over de gevolgen van de keuze van een schuldeiser die niet overgaat tot administratieve invordering conform art. 1394/20 Ger. Wetboek en opteert voor een invordering bij dagvaarding - repercutie met betrekking tot de kosten:

Hof van Beroep Gent, zestiende kamer, 24/03/2017
2017 / AR/153

In de zaak van:

X, appellante,

tegen

Y,

geïntimeerde,

niet verschijnende, noch vertegenwoordigd zijnde,

wijst het hof het volgend arrest:

1. Er werd kennis genomen van het verstekvonnis op 22 december 2016 gewezen door de 1 e kamer van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, waartegen tijdig en geldig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 27 januari 2017.

De te beoordelen vordering en daartoe dienende feiten worden afdoende uiteen gezet in het beroepen vonnis, mits het navolgende.

2. M.b.t. de in beroep aangevochten verwijzing in de kosten van het geding:

Door appellante wordt afdoende aannemelijk gemaakt dat zij er een rechtmatig belang bij heeft te kiezen voor de gemeenrechtelijke procedure en niet voor de administratieve invordering van onbetwiste geldschulden in de zin van art. 1394/20 e.v. Ger.W.

Immers:

- enerzijds kan zij bij de administratieve invordering i.t.v. art. 1394/20 Ger.W. slechts aanspraak maken op een forfaitaire verhoging van 10 % op de factuurbedragen (zijnde 4.413,91 EUR x 10 % = 441,39 EUR) en een forfait voor invorderingskosten t.b.v. 40,00 EUR (art. 6.1. Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties), zijnde aldus samen 481,39 EUR;

- terwijl zij anderzijds in de gemeenrechtelijke procedure aanspraak kan maken op de volgens de (niet- geprotesteerde en aldus conventioneel geldende) algemene factuurvoorwaarden voorziene verwijlrente van 13 % per jaar (vrijwillig herleid tot 8 %) en schadebeding van 12 % (vrijwillig herleid tot 10 %), minstens op de door haar voorgestane bij art. 5 en 6 Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties voorziene wettelijke rente (sinds het 2e semester 2016 zijnde 8 % per jaar) en een redelijke schadevergoeding (zoals in handelszaken gebruikelijk begroot op 10 % van de onbetaalde factuurbedragen), zijnde volgens haar berekening tot op de datum van dagvaarding 388,57 EUR rente+ 441,39 EUR redeliike schadevergoeding = 829,96 EUR.

Waar aldus binnen de wettelijk toepasselijke rechten appellante als schuldeiser in een gemeenrechtelijke procedure thans recht kan hebben op 8 % intrest én een schadebeding van 10 %, terwijl een betalingsbevel niet verder gaat dan 10 % voor beide samen, naast de in de wet voorziene forfaitaire vergoeding van 40,00 EUR voor de eigen invorderingskosten, maakt dit alles het betalingsbevel - in dit geval en volgens de voormelde berekening onmiskenbaar voor haar minder aantrekkelijk:

Aan appellant als schuldeiser kan dan ook in de gegeven omstandigheden geenszins worden verweten te kiezen voor de gemeenrechtelijke procedure, laat staan enig fout of onvoorzichtig handelen desbetreffende en/of het nodeloos/overbodig veroorzaken· van gedingkosten.

De gedingkosten zijn dan ook ten laste te leggen van de in het ongelijk gestelde partij, geïntimeerde, oorspronkelijke verweerder.

De voormelde redelijke schadeloosstelling omvat·i.t.v. art. 6, 2e lid Wet van- 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

Het beroepen vonnis is aldus te hervormen.

OM DEZE REDENEN HET HOF

Recht doende bij verstek t.a.v. geïntimeerde,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt;

Hervormt het beroepen vonnis wat betreft de verwijzing in de gedingkosten als volgt;

Legt de gedingkosten - in beide aanleggen - ten laste van geïntimeerde, als de in het ongelijk gestelde partij.

Bepaalt de gedingkosten in hoofde van eiseres op de dagvaardingskost t.b.v. 318,14 EUR en het rolrecht hoger beroep t.b.v. 210,00 EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ZESTIENDE KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 24 MAART 2017.

Hof van Beroep Gent 24/04/2017, AR 2016/AR/2008
2016/AR/2008 - In de zaak van: X

Appellante, hierna H

tegen:

Geïntimeerde?

die niet verschijnt, noch iemand voor haar,

velt het hof het volgend arrest:

1. DE RECHTSPLEGING IN HOGER BEROEP

1. Het hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift van 23 november 20161 Het werd gericht tegen het vonnis van 22 september 2016 van de rechtbank yan koophandel Gent, afdeling Dendermonde

2. De appellante werd gehoord op de openbare zitting van 3 april 2017.en het hof nam kennis van de neergelegde conclusies en stukken,

3. Er werd toepassing gemaakt van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

2. DE FEITEN EN DE VOORAFAANDE RECHTSPlEGING

4.

Bij exploot betekend op 12 juli 2016 liet de oorspronkelijke eiser overgaan tot dagvaarding voor de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde. De eis strekte samengevat tot:

- veroordeling in betaling van achterstallige facturen ten belope van 5 943,30 euro, vermeerderd met de intresten aan de rentevoet voorzien in artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende· de bestrijding van de. betalingsachterstand bij handelstransacties op 5 403 euro vanaf de respectievelijke vervaldata der facturen tot de dag van de algehele betaling, en meer intresten op 540,30 euro aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van de algehele betaling,

- veroordeling tot de kosten van het geding,

- uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, zonder borgstelling of kantonnement.

Bij verstekvonnis yao 22 september 2016 werd de eis ingewilligd, behalve wat de kosten van de procedure betrof.

Met betrekking tot de gerechtskosten overwoog de rechtbank het volgende:

"Wat de gerechtskosten betreft, stelt de rechtbank vast dat· de eisende partij in de dagvaarding zelf aangeeft dat haar eis een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en opeisbare geldschuld tot voorwerp heeft, waarvoor zij trouwens de behandeling in kort debatten vraagt in toepassing van art. 735, § 2 Ger. W.

Voor dergelijke invorderingen heeft de wetgever een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.), die op 2 juli 2016 in werking is getreden (KB 16 juni 2016, B.S. 22 juni 2016);

De eisende partij geeft niet aan waarom zij in casu geen gebruik maakt van die specifieke procedure.

Nochtans is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de rechtbank van koophandel te ontlasten door haar meer bepaald te ontheffen van taken die niets te maken hebben met haar kerntaak, zijnde het beslechten van rechtsgeschillen, eenvoudig omdat het gaat om de invordering van onbetwiste schulden, waaromtrent in de Memorie van toelichting_ bij het Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (zg. Potpourri I) eveneens wordt gesteld dat het niet langer aangewezen is om onbetwiste schulden van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure die uitmondt in een administratieve rechtshandeling daartoe volstaat (Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/1, 26- 27).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in casu nodeloze kosten gemaakt, zoals de kosten van dagvaarding. Art. 866. Ger. W.· bepaalt dat nodeloze kosten die veroorzaakt worden door toedoen van een ministerieel ambtenaar, te zijnen laste komen.

In de rechtsleer wordt op goede gronden verdedigd dat het in art. 866 Ger. W. opgenomen principe in een proceseconomische en kostenbeheersingsoptiek - een ruime toepassing verdient/temeer het gezien wordt als een uiting van het algemeen beginsel inzake loyauteit of goede trouw in het proces. Bepaalde rechtsleer acht het In artikel 866 Ger: W. opgenomen principe naar analogie zelfs van toepassing op de advocaat die optreedt als mandataris ad litem (zie B. Deconinck, Art. 866 Gerechtelijk Wetboek" in Comm.Ger., 2009, nrs. 4-7). In die omstandigheden worden de gerechtskosten van onderhavige procedure ten loste van de eisende partij gelegd."

6. Bij vonnis van 31 januari 2017 van de Nederlandstalige. rechtbank van koophandel Brussel werd […] failliet verklaard en werd […] aangewezen als curator.

DE STANDPUNTEN EN VORDERINGEN VAN PARTIJEN IN HOGER BEROEP.

7.

Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie verwijst het hof naar haar beroepsakte.

8. In die beroepsakte neergelegd ter griffie op 23 november 2016 vordert appellant samengevat:

- haar hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren,

- het bestreden vonnis te niette doen wat betreft; de beslissing over de gerechtskosten,

opnieuw rechtdoende te veroordelen tot de kosten van het geding

aan de zijde van […] begroot op:

- 310,42 euro dagvaardingskosten. en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg,
-
- 210 euro rolrechten en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep in geval van niet-betwisting of verstek.
-
DE BEOORDELING

4.1 De toelaatbaarheid van het hoger beroep

9. Een betekening van het bestreden vonnis ligt niet voor. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm. Het hoger beroep is bijgevolg toelaatbaar.

4.2 De gegrondheid van het hoger beroep

10. Het hoger beroep door […] is beperkt tot de beslissing van de eerste rechter over de gerechtskosten.

11. Bij wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diversè bepalingen inzake Justitie (BS 22 oktober 2015) werd een nieuw hoofdstuk-I quinquies met als tltel "Invordering van onbetwiste geldschulden" (hierna de "IOS-procedure") ingevoegd in het vijfde deel, eerste titel van het Gerechtelijk Wetboek. Het omvat de artikelen 1394/20 tot en met 1394/27.

12. Artikel 1394/20 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar Is op dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10% van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en strafbedingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder kan worden ingevorderd.

Uit deze wetsbepaling blijkt dat een schuldeiser de mogelijkheid, maar niet de verplichting, heeft om zijn schuldvordering te innen via de IOS-procedure.

Het louter feit dat tijdens de parlementaire voorbereiding geopperd werd dat het niet langer aangewezen was om onbetwiste schuldvorderingen van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure volstond (zie. Parl. st., Kamer, DOC 54 1219/001, p. 2.6) doet geen afbreuk aan deze duidelijke wetsbepaling.

13'. In zijn advies over het ontwerp van wet tot wijziging van_ de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie (potpourri IV) wees ook de Raad van State al op het facultatief karakter van de IOS- procedure: .

"Voorts hebben alle commentatoren de nadruk gelegd op de alternatieve. aard van die nieuwe buitengerechtelijke procedure die "s'ajoute aux procédures existantes mais ne les· supplante pas" (vrije vertaling: die wordt toegevoegd aan de bestaande procedures, maar ze niet vervangt). Artikel 735, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt trouwens nog altijd uitdrukkelijk dat "de invordering van de niet .betwiste. schuldvorderingen" één van de gedingen is die moeten worden behandeld "op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure". Die bepaling wordt in het huidige. voorontwerp niet gewijzigd." {zie Parl. st., Kamer, DOC 54 1986/001, p. 187, zie ook D. MOUGENOT, Le recouvrement de dettes d'argent non contestées, In H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Le code judiciaire en.potpourri, Brussel, Larcier, 2016, p. 334).

14. Zelfs de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België erkent het facultatief karakter van de 105-procedure (zie N. DECOCK, Vereenvoudigde Invorderingsprocedure. voor geringe . schuldvorderingen naar Frans recht en procedure voor invordering van onbetwiste geldschulden naar Belgisch recht: van hetzelfde laken een broek?, NKGB-CNHB, december 2016 / januari 2017, (8-16), 10:

"De advocaat is natuurlijk geen eenvoudige uitvoerder. Als raadsman van zijn cliënt komt het hem in alle omstandigheden toe de cliënt nuttig te 'informeren over de opportuniteit van de ene of de andere procedure, en zou hij hem dan ook kunnen aanraden geen beroep te doen op deze versnelde procedure (die wettelijk facultatief is) wanneer de voorwoorden hiertoe nochtans wel vervuld zijn.

Het vervullen van deze voorwaarden houdt dus niet automatisch in dat de procedure wordt opgestart. Het is inderdaad zo dat de advocaat de gerechtsdeurwaarder hiertoe. specifiek moet mandateren."

Terecht merkt […] op dat de raadsman van de schuldeiser optreedt als "eerste rechter" (zie ook W. DE Bus, Invordering van onbetwiste schulden. Advocaat, vervul uw rol van eerste rechter, Juristenkrant 2016, afl. 336, 11). ·

15. Omwille van het facultatief karakter oordeelde de eerste rechter ten onrechte dat […] moest aangeven waarom zij in casu geen gebruik maakt van die tos-procedure.

16.

Als schuldeiser kan […] bovendien een belang / voordeel hebben bij een "klassieke" gerechtelijke procedure, nu de nieuwe IOS-procedure . de inning van de invorderingskosten (waaronder de intresten en de forfaitaire schadevergoeding) beperkt tot maximaal 10% van de hoofdsom (vgl. B. VANDER MEULEN, Invordering van onbetwiste schulden: een oproep tot realiteitszin, Juristenkrant 2016, afl. 335, 12-13).

17. De bovenstaande overwegingen gelden des te meer nu artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.

In de context van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde (zie cass. 13 december 2016, P.16.0421.N/3, www.jurldat.be).

Nochtans heeft de eerste rechter in zijn vonnis niet vastgesteld dat de eis van […] voor het geheel of een deel ervan strijdig was met de openbare orde.

18. Noch uit het gerechtsdossier, noch uit het bestreden vonnis blijkt dat […] de gelegenheid gekregen heeft zijn standpunt over het al dan niet volgen van de IOS-procedure toe te lichten. Evenmin werden de debatten in toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek daartoe heropend. Bijgevolg· werden de rechten van verdediging van […]op dit punt miskend.

19. Tot slot kon de eerste rechter zich evenmin nuttig beroepen op artikel 866 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar te zijnen laste komen; hij kan bovendien worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.

Immers, de raadsman van kan niet beschouwd worden als een ministerieel ambtenaar in de zin van artikel 866 van het Gerechtelijk Wetboek.

Zelfs indien aangenomen zou worden dat het artikel een uiting vormt van een algemener beginsel inzake loyauteit of goede trouw In het proces dat op advocaten van toepassing is, dan nog is het hof· van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet deloyaal gehandeld werd ..

De keuze voor de klassieke gerechtelijke procedure (omwille van de mogelijk daaraan verbonden voordelen, zoals de ruimere Inningsmogelijkheden en zoals het feit dat sneller een titel bekomen kan worden) kan legitiem zijn en maakt niet per se een fout uit. Uit niets blijkt dat foutief handelde en onnodig kosten maakte.

20 In toepassing van de artikelen 1017, 1022 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst het hof […] in faling in de gerechtskosten.

5. DE BESLISSING

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

Rechtdoende bij verstek,

Verklaart het hoger beroep door […] toelaatbaar en gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 22 september 2016 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde met rolnummer […], behalve wat de kosten betreft. .

Veroordeelt […] in faling tot de gerechtskosten, begroot aan de zijde van […] op:

- 310,42 euro dagvaardingskosten en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg,

- 210 euro rol rechten en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ..

Aldus gewezen door de zevende kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

Hof van· beroep Gent, zevende kamer, 27 APR. 2017
2016/ AR/2009

In de zaak van: […]

Appellante, hierna "

tegen: […]

Geïntimeerde,

1. RECHTSPLEGING IN HOGER BEROEP

1. Het hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift van 23 november 2016. Het werd gericht tegen het vonnis van 15 september 2016 van· de rechtbank van _koophandel Gent, afdeling Dendermonde.

2. Partijen werden gehoord op de openbare zitting van 3 april 2017 en het hof nam kennis van de neergelegde conclusies en stukken.

3. Er werd toepassing gemaakt van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in-gerechtszaken.

2. DE FEITEN EN DE VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING'

4. In de periode van 31 maart 2016 tot en met 14 Juni 2016 schreef […]:.voor de. levering van materialen aan […]:facturen uit voor een totaalbedrag van 11248, 72 euro

5. Bij gebreke aan reactie op de ingebrekestellingen van 21 en ·29 juni 2016 (stukken 3-4) en bij gebreke aan betaling liet […]: op · 19 Juli 2016 overgaan tot dagvaarding van voor de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde.

De eis strekte samengevat tot:

- veroordeling van in betaling van 12.145,30 euro, vermeerderd met de intresten aan de rentevoet voorzien in artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op 11 041,18 euro vanaf de respectievelijke vervaldata der facturen tot de dag van de algehele betaling, en meer intresten op 1104,12 euro aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van d~ dagvaarding tot de dag van de algehele betaling,

- veroordeling van […]: tot de kosten van het geding

- uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, zonder borgstelling of kantonnement.

6. Op 30 augustus 2016 meldde de raadsman van de eis op zich niet te betwisten. Tegelijk verzocht hij om de minimumrechtsplegingsvergoeding en om te mogen afkorten met zes maandelijkse betalingen vanaf 1 oktober 2016. De raadsman van […]:ging hiermee dezelfde dag nog akkoord (stukken 5-6).

7. Bij vonnis van 15 september 2016 werd de eis van […] tegen […] ingewilligd, behalve wat de kosten van de procedure betrof, en werd […] gemachtigd de veroordeling te voldoen door middel van zes afkortingen. De kosten van de procedure werden ten laste van […] gelegd, onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek.

Met betrekking tot de gerechtskosten overwoog de rechtbank het volgende:

"Wat de gerechtskosten betreft, stelt de: rechtbank· vast dat de eisende partij in de dagvaarding zelf aangeeft dat haar eis een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en opeisbare geldschuld tot voorwerp heeft, waarvoor zij trouwens de behandeling in kort debatten vraagt in toepassing van art. 735, § 2 Ger. W. Voor dergelijke invorderingen heeft de wetgever een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure Ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.), die op 2 juli 2016 in werking is getreden (KB 16 juni 2016, B.S. 22 Juni 2016); De eisende partij geeft niet aan waarom zij in casu geen· gebruik maakt van die specifieke procedure. Nochtans is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de rechtbank van koophandel te ontlasten door haar meer bepaald te ontheffen van taken die niets te maken hebben met haar kerntaak, zijnde het beslechten van .rechtsgeschillen, eenvoudig omdat het gaat om de Invordering van onbetwiste schulden, waaromtrent in de Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp houdende wijziging va« het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (zg. Potpourriwet I) eveneens wordt gesteld· dat het niet langer aangewezen is om onbetwiste schulden van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure die uitmondt in een administratieve rechtshandeling daartoe volstaat (Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/1, 26- 27).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in casu nodeloze kosten gemaakt, zoals de kosten van dagvaarding. Art. 866 Ger. W. bepaalt dat nodeloze kosten die veroorzaakt worden door toedoen van een ministerieel ambtenaar, te zijnen laste komen, In de rechtsleer wordt op goede gronden verdedigd dat het in art. 866 Ger. w .. opgenomen-principe in een proceseconomische en kostenbeheersoptiek een ruime toepassing verdient/temeer het gezien wordt als een uiting van het algemeen beginsel inzake loyauteit of goede trouw in het proces. Bepaalde rechtsleer acht het in artikel 866 Ger. W. opgenomen principe naar, analogie zelfs van toepassing op de advocaat: die optreedt als mandataris ad litem (zie B. Deconinck, "Art. 866 Gerechtelijk wetboek" in Comm.Ger., 2009, nrs. 4-7).· In die omstandigheden worden de gerechtskosten van onderhavige procedure ten laste van de eisende partij gelegd."

8. Op 19 september 2016 stuurde de raadsman van […] een afrekening met afbetalingsplan aan de raadsman van. De afrekening omvatte · 750 euro rechtsplegingsvergoeding (stuk 7..-..).

3. DE STANDPUNTENEN VORDERINGEN VAN PARTIJEN IN HOGER BEROEP

9. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie van partijen verwijst het hof naar de beroepsakte en de conclusies voor partijen.

10. In de beroepsconclusie neergelegd ter griffie op 30 januari 2017 vordert […]

samengevat:

- haar hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren,

- het bestreden vonnis teniet te doen wat betreft 'de beslissing over de gerechtskosten,

- opnieuw rechtdoende, te veroordelen. tot de kosten van het geding· aan de zijde van […]begroot op 311,91 euro dagvaardingskosten en 750 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 210 euro rolrechten en 750 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

11. In de synthese beroepsbesluiten neergelegd ter griffie op 18 . februari 2017 vordert […]

samengevat

- akte te nemen dat zij zich gedraagt naar het oordeel van het hof,

- te zeggen voor recht dat de gerechtskosten hogér beroep niet ten haren laste gelegd worden.

BEOORDELING

4.1 De toelaatbaarheld van het hoger beroep

12. Een betekening van het bestreden vonnis ligt niet voor -. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm. Het hoger beroep is bijgevolg toelaatbaar.

De gegrondheid van het hoger beroep

13. Het hoger beroep door […] is beperkt tot de beslissing van de eerste rechter over de gerechtskosten.

14. Het beschikkingsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 1138, 2· van het Gerechtelijk Wetboek, betreft een algemeen rechtsbeginsel (cf. Cass. 28 oktober 2011, F.11.0004.F, www.juridat.be).Het houdt in dat de partijen de grenzen van het geding bepalen en dat de eiser het voorwerp en de oorzaak van zijn eis bepaalt.

De rechter mag daarom oordelen noch over meer dan de eiser vordert (ultra petita), noch over . minder (infra petita), noch over niet door de eiser gevorderde zaken (extra petita).

De rechter moet, zelfs ambtshalve, de rechtsregels toepassen op de feiten die hem. regelmatig ter beoordeling voorgelegd zijn, ongeacht of die rechtsregels aanvullend, dwingend of van openbare orde zijn (Da mihi factum, dabo tibi ius) (zie C. VAN SEVEREN, Beschikkingsbeginsel vs.' taak van de rechter, noot onder Antwerpen 20 januari 2014, NJW 2015, afl. 314, 18).

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de voor hem gebrachte eisen en hij kan, ongeacht de omschrijving die de partijen eraan gegeven hebben, deze aanvullen, mits hij geen enkel geschil opwerpt waarvan de partijen het bestaan uitgesloten hebben, zijn beslissing uitsluitend grondt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling voorgelegd zijn en het voorwerp van de vordering niet wijzigt: Hij is bovendien verplicht om, met eerbiediglng van het recht van verdediging, ambtshalve alle rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door alle feiten die door de partijen in het bijzonder tot staving van hun eisen aangevoerd .zijn (zie Cass. 2,7 september 2013, C.12.0381.F, www.juridat.be).

15. Op de inleidingszitting voor de eerste rechter bestond een akkoord tussen […] en […]. Het akkoord omvatte de betaling van de kosten van de procedure (inclusief de minimumrechtsplegingsvergoeding). De eerste rechter erkende dit overigens in het bestreden vonnis

-door te onderlijnen da noch de aard, noch de hoegrootheid van de vordering betwistte.

Niettegenstaande dit akkoord wierp de eerste rechter in het bestreden vonnis een geschil op over deze kosten van de procedure waarvan de partijen het bestaan uitgesloten hadden. Op die manier statueerde de eerste rechter extra petita en miskende hij het beschikkingsbeginsel.

16. Noch uit het gerechtsdossier, noch uit het bestreden vonnis blijkt dat partijen de gelegenheid gekregen hebben hun standpunt over het al dan niet volgen van de procedure tot invordering van onbetwiste geldschulden (IOS-procedure) toe te lichten. Evenmin werden de debatten in toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek daartoe heropend, Bijgevolg werden de rechten van verdediging van partijen op dit punt miskend.

17. . Nu de miskenning van het beschikkingsbeginsel de aanleiding .vormde voor het hoger beroep, eerder dan de houding van […],en […].nog niet tot betaling overging, komt het passend voor de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep om te slaan en enkel de rolrechten in. hoger beroep ten laste van […] leggen.

5..

DE BESLISSING_

ÖP DEZE GRONDEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,.

Verklaart het hoger beroep door […] toelaatbaar en gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 15 september 2016 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde met rolnummer […] behalve wat de kosten betreft.

Veroordeelt […] tot de gerechtskosten,. begroot aan de zijde van […]

op:

- 311,91 euro dagvaardingskosten en 750 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg,

- 210 euro rolrechten In hoger beroep.

- Slaat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep om.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken

Rechtsleer: 

• X, onbewiste geldschulden, NJW 2016-2017, 572

• Alexander Wynter, Invorderen via rechtbank in plaats van via IOS is niet per se fout, Juristenkrant , 350 van 24 mei 2017 onder verwijzing naar Gent 24 april 2017, AR 2016/AR/2008 

Rechtspraak: 

IOS is en blijft facultatieve procedure

Hof van Cassatie 12/10/2017, AR C.17.0120.N (juridat)

Nr. C.17.0120.N
M.EX.T BELGIUM nv, met zetel te 8800 Roeselaere, Industrieweg 1,
eiseres,
tegen
A.V.B. ELECTRONICS bvba, met zetel te 9140 Temse, Hoogkamerstraat
108 R,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk van 27 oktober 2016.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Het onderdeel bekritiseert de veroordeling van de eiseres tot de proceskos-ten om reden dat zij haar niet-betwiste vordering tot betaling van een geldschuld via een gewone gerechtelijke procedure heeft ingevorderd en geen gebruik heeft gemaakt van de procedure voor de invordering van onbetwiste geldschulden zoals geregeld door de artikelen 1394/20 e.v. Gerechtelijke Wetboek, aangezien de rechters hiertoe niet kunnen steunen op artikel 866 Gerechtelijk Wetboek, noch op artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek en er evenmin sprake kan zijn een fout of nala-tigheid in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek of van een procesmisbruik.

2. Krachtens artikel 866 Gerechtelijk Wetboek komen de proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een mi-nisterieel ambtenaar, te zijnen laste.

Deze bepaling laat slechts toe om kosten ten laste te leggen van de ministerieel ambtenaar die ze heeft veroorzaakt. Zij laat niet toe om de nodeloos geachte kos-ten ten laste te leggen van een partij.

3. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, in zijn versie voor de wijzi-ging door de wet van 25 december 2016, bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten an-ders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij verwijst in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen die het even-tueel bekrachtigt.

De artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek zijn bijzondere wettelijke bepa-lingen in de zin van artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Krachtens deze bepalingen kunnen de kosten ten laste van de niet in het ongelijk gestelde partij worden gelegd indien deze door haar fout zijn veroorzaakt.

Krachtens artikel 1394/20 Gerechtelijk Wetboek kan elke onbetwiste schuld tus-sen ondernemingen die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeis-baar is op de dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21, ongeacht het be-drag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invor-deringskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 pct. van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en strafbedingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder worden ingevorderd.

Krachtens de artikelen 1394/21 en 1394/22 Gerechtelijk Wetboek betekent de ge-rechtsdeurwaarder, vooraleer tot invordering over te gaan aan de schuldenaar een aanmaning tot betalen en beschikt de schuldenaar over een maand vanaf deze aanmaning om hetzij de schuld te betalen, hetzij betalingsfaciliteiten te vragen, hetzij de redenen te kennen te geven waarom hij de schuldvordering betwist.

Krachtens artikel 1394/24, § 1, Gerechtelijk Wetboek stelt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder ten vroegste acht dagen na het verstrijken van de termijn van een maand, op verzoek van de schuldeiser, proces-verbaal van niet-betwisting op. Krachtens artikel 1394/24, § 2, wordt het proces-verbaal op verzoek van de gerechtsdeurwaarder uitvoerbaar verklaard door een magistraat van het Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest bedoeld in artikel 1389bis/8.

4. Uit de parlementaire voorbereiding en uit de tekst van artikel 1394/20 Ge-rechtelijk Wetboek blijkt dat de procedure van invordering van onbetwiste geld-schulden facultatief is en dat een schuldeiser de mogelijkheid behoudt om de geldschulden in te vorderen via een gewone een gerechtelijke procedure.

Bovendien kunnen interesten en schadebedingen via deze procedure maximaal ten belope van 10 pct. van de hoofdsom worden ingevorderd en verloopt minstens een maand en acht dagen vooraleer een uitvoerbaar verklaard proces-verbaal van niet-betwisting kan worden afgeleverd.

Uit het vorenstaande volgt dat de keuze voor een gewone gerechtelijke procedure in plaats van voor de procedure van invordering van onbetwiste geldschulden, op zich geen fout uitmaakt, noch blijk geeft van procesmisbruik.

5. De rechters die anders oordelen en op deze gronden de proceskosten ten las-te leggen van de eiseres, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de gedingkosten ten laste van de ei-seres heeft gelegd, onverminderd artikel 1024 Gerechtelijk Wetboek.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van kophandel te...
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 12 oktober 2017 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: de naamloze vennootschap M.EX.T. BELGIUM, met zetel te 8800 Roeselare, Industrieweg 1, ingeschreven in de Kruispunt¬bank van Ondernemingen onder het nummer 0449.035.071,

Eiseres tot cassatie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cas¬satie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan.

TEGEN: de besloten vennootschap met beperkte aansprake-lijkheid A.V.R. ELECTRONICS, met zetel te 9140 Temse, Hoogkamer¬straat 108 R, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemin¬gen onder het nummer 0449.395.159,

Verweerster in cassatie

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer het vonnis, dat op 27 oktober 2016 bij ver-stek werd gewezen door de eerste kamer van de Rechtbank van Koophandel te Gent, afdeling Kortrijk (A/16/03708), aan het toezicht van Uw Hof te onderwer¬pen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Bij exploot van 20 juli 2016 werd verweerster op verzoek van eise¬res gedagvaard in betaling van een niet geprotesteerde factuur van 12 februari 2016. Eiseres vorderde betaling van de hoofdsom van euro 587,86 en van het schadebeding van euro 58,79, te vermeerderen met:

- de conventioneel overeengekomen rentevoet van 12 % op euro 587,86 vanaf de vervaldag van de factuur;

- de gerechtelijke rente tegen de wettelijke rentevoet op euro 58,79 vanaf de da¬tum van de dagvaarding;

- de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsver-goeding begroot op euro 240,00.

Op de inleidende zitting van 29 september 2016 is verweerster niet verschenen.

Bij vonnis van 27 oktober 2016 verleende de Rechtbank van Koophandel te Gent, afdeling Kortrijk, verstek en veroordeelde ver-weerster om aan eiseres te betalen de som van euro 673,65 te ver-meerderen met:

- de conventionele rente tegen de rentevoet zoals bepaald in toe-passing van artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op euro 587,86 vanaf de dag na de vervaldatum van de factuur tot de dag van de betaling;

- de gerechtelijke rente tegen de wettelijke rentevoet op euro 58,79 sedert de dagvaarding.

De rechtbank besliste evenwel de kosten van de procedure ten laste te leggen van eiseres omdat eiseres in de dagvaarding had aangegeven dat haar eis een onbetwiste geldsom tot voorwerp heeft en zij niettemin heeft gedagvaard in plaats van over te gaan tot in-vordering van deze schuld over¬eenkomstig art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.

Tegen voornoemd verstekvonnis van de Rechtbank van Koop-handel te Gent, Afdeling Kortrijk, van 27 oktober 2016 meent eiseres een enig middel tot cassatie te kunnen aanvoeren. Het middel betreft meer bepaald de beslissing over de gerechtskosten.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen en algemeen rechtsbeginsel

- artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955
- artikelen 735§§1 en 2, 774, 866, 1017, 1018, 1022, 1394/20 t.e.m. 1394/24, van het Gerechtelijk Wetboek, voornoemd artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dit bestond vóór de wijziging bij de wet van 25 december 2016
- artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek
- het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verde¬diging voorschrijft
- het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden vonnis van 27 oktober 2016 verleent de Recht-bank van Koophandel te Gent, afdeling Kortrijk, verstek tegen verweerster, veroordeelt haar om aan eiseres te betalen de som van euro 673,65, te vermeer¬deren met:

- de conventionele rente tegen de rentevoet zoals bepaald in toe-passing van artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op euro 587,86 vanaf de dag na de vervaldatum van de factuur tot de dag van de betaling;
- de gerechtelijke rente tegen de wettelijke rentevoet (wet 5 mei 1865) op euro 58,79 sedert de dagvaarding tot de dag van betaling,

en legt de kosten van de onderhavige procedure ten laste van ei-seres, onverminderd de toepassing van artikel 1024 Ger. W., wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond, en dit op de volgende gronden:

"De rechtbank heeft (eiseres) gehoord in openbare zitting en heeft kennis ge¬nomen van de neergelegde stukken en van de stukken in het dossier van de rechtspleging. De artikelen 2, 37 eh 41 van de wet van 15 juni 1935 op het ge¬bruik der talen in gerechtszaken worden toegepast.

Met dagvaarding van 20/07/2016 vordert (eiseres) partij jegens (verweerster) de betaling van 677,10 EUR + de rente en de kosten van het geding.

Op de inleidende zitting van 29 september 2016 is (verweerster) niet versche¬nen en (eiseres) vroeg jegens haar verstek en vonnis.

De vordering komt toelaatbaar en gegrond voor aan de hand van de door (ei¬seres) gegeven uitleg en de overgelegde stukken, behoudens wat volgt.

Met toepassing van het ambtshalve matigingsrecht (Wet 23 november 1998) wordt de conventionele rente verminderd tot de rentevoet zoals die bepaald wordt in toepassing van art. 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties en toegekend vanaf de dag na de vervaldag van de factuur zoals hierna bepaald.

Wat de gerechtskosten betreft, stelt de rechtbank vast dat (eiseres) in de dag¬vaarding zelf aangeeft dat haar eis een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en opeisbare geldschuld tot voorwerp heeft, waarvoor zij trou¬wens de behandeling In korte debatten vraagt in toepassing van art. 735, § 2 Ger.W. Voor dergelijke invorderingen heeft de wetgever een nieuwe, eenvou¬dige en goedkope procedure ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger.W.), die op 2 juli 2016 in werking is getreden (KB 16 juni 2016, B.S. 22 juni 2016). (Eiseres) geeft niet aan waarom zij in casu geen gebruik maakt van die speci-fieke procedure. Nochtans is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de rechtbank van koophandel te ontlasten door haar meer bepaald te ont¬heffen van taken die niets te maken hebben met haar kerntaak, zijnde het be¬slechten van rechtsgeschillen, eenvoudig omdat het gaat om de invordering van onbetwiste schulden, waaromtrent in de Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp hou-dende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (zg. Potpourriwet 1) eveneens wordt gesteld dat het niet langer aangewezen is om onbetwiste schulden van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure die uitmondt in een administratieve rechtshandeling daartoe volstaat (ParI.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/1, 26-27). Naar het oor¬deel van de rechtbank zijn er in casu nodeloze kosten gemaakt, zoals de kos¬ten van dagvaarding. Art. 866 Ger.W, bepaalt dat nodeloze kosten die veroor¬zaakt worden door toedoen van een ministerieel ambtenaar, te zijnen laste komen. In de rechtsleer wordt op goede gronden verdedigd dat het in art. 866 Ger.W. opgenomen principe - in een proceseconomische en kostenbeheer¬singsoptiek - een ruime toepassing verdient, temeer het gezien wordt als een uiting van het algemeen beginsel inzake loyauteit of goede trouw in het pro¬ces. Bepaalde rechtsleer acht het in artikel 866 Ger.W. opgenomen principe naar analogie zelfs van toepassing op de advocaat die optreedt als mandataris ad litem (zie B. Deconinck, "Art. 866 Gerechtelijk Wetboek" in Comm.Ger., 2009, nrs. 4-7). In die omstandigheden worden de gerechtskosten van onder¬havige procedure ten laste van (eiseres) gelegd, evenwel zonder dat dit af-breuk doet aan hetgeen is bepaald in art. 1024 Ger.W. wat de kosten van ten¬uitvoerlegging betreft.

Op de vraag van (eiseres) om dit verstekvonnis, dat een veroordeling tot beta¬ling van een som geld bevat en waartegen nog verzet openstaat, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, kan worden ingegaan zodat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd vóór het verstrijken van de termijn van 1 maand na de be¬tekening van dit vonnis, in de zin van art. 1495, tweede lid Ger.W.

De schorsende werking van het eventueel aantekenen van verzet, ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad van onderhavig ver-stekvonnis, kan even¬wel slechts mits een bijzondere motivering wor-den uitgesloten (art. 1397, eer¬ste lid Ger.W.). (Eiseres) toont niet aan welke specifieke redenen er voorhan¬den zijn om in onderhavig geval van dat principe af te wijken.

Het kantonnement is een recht van de veroordeelde partij. (Eiseres) toont niet aan waarom dit aan (verweerster) moet worden ontzegd."

 

Grieven

1.1. Artikel 1394/20 Ger. W. bepaalt dat elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op de dag van de aanmaning, bedoeld bij artikel 1394/21, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderings¬kosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 % van de hoofdsom van de schuld, alle intresten en strafbedingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder "kan" worden ingevorderd, met uitzondering van schulden van of ten aanzien van:

1° publieke overheden bedoeld in artikel 1412bis, §1;
2° schuldeisers of schuldenaren die niet zijn ingeschreven in de Kruispunt¬bank van Ondernemingen;
3° handelingen die niet zijn verricht in het kader van de activiteiten van de on¬derneming;
4° een faillissement, een gerechtelijke reorganisatie, een collectieve schul¬denregeling en andere vormen van wettelijke samenloop;
5° niet contractuele verbintenissen, tenzij zij
a) het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen de par-tijen of er een schuldbekentenis is; of
b) betrekking hebben op schulden uit hoofde van gemeen-schappelijke ei¬gendom van goederen.

Vooraleer tot invordering over te gaan, betekent de gerechtsdeur-waarder aan de schuldenaar een aanmaning tot betalen over-eenkomstig arti¬kel 1394/21 Ger. W. Na deze aanmaning kan de schuldenaar ofwel betalen, ofwel overeenkomstig artikel 1394/22 Ger. W. betalingsfaciliteiten vragen of¬wel de redenen te kunnen geven waarom hij de schuldvordering betwist bij middel van het ant-woordformulier dat gehecht wordt aan de akte van aanma¬ning. Artikel 1394/23 Ger. W. bepaalt dat de invordering wordt beëindigd in het geval de schuldenaar de schuld betaalt of de redenen te kennen geeft waarom hij de schuld betwist, onverminderd het recht van de schuldeiser om, in geval van betwisting van de schuld, zijn rechts-vordering in rechte uit te oefenen. Bij gebrek aan betwisting van de schuld, van betaling ervan of van toekenning van afbetalingsfacilitei-ten, stelt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, op verzoek van de schuldeiser, proces-verbaal van niet betwisting op waarvan de inhoud is vastgesteld bij artikel 1394/24, §1, Ger. W. Het proces-verbaal wordt op verzoek van de gerechtsdeurwaarder uitvoerbaar verklaard door een magistraat van het Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest bedoeld in artikel 1389/bis/8. Het wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging en maakt, in voorkomend geval pro rata van het saldo van de schuldvordering, een titel uit die overeenkomstig het vijfde deel van het Ge¬rechtelijk Wetboek ten uitvoer kan worden gelegd. De uitvoering van het pro¬ces-verbaal van niet betwisting wordt ingevolge artikel 1394/24§3 Ger. W. al¬leen geschorst door een vordering in rechte, die wordt ingesteld bij verzoek¬schrift op tegenspraak.

1.2. Ingevolge artikel 735§1 Ger. W. worden ten aanzien van iede¬re verschijnende partij de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met redenen omkleed verzoek is gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij.

Artikel 735§2 Ger. W. preciseert dat de zaken in korte debatten worden behandeld ingeval de partijen daarmee akkoord gaan. Be-houdens ak¬koord van de partijen zal het geding op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure worden behandeld in ondermeer het volgende geval:

de invordering van niet betwiste schuldvorderingen

1.3. Het louter feit dat een onbetwiste geldschuld ressorteert on-der het toepassingsgebied van artikel 1394/20 Ger. W. sluit bijgevolg niet uit dat zij langs gerechtelijke weg kan worden ingevorderd nu artikel 1394/20 Ger. W. enkel bepaalt dat een dergelijke schuld in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van diens ad-vocaat door een gerechtsdeurwaarder "kan" worden ingevorderd. Deze wijze van invordering is derhalve niet ver¬plicht en doet overigens geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de schuldeiser om de invordering van zijn niet betwiste schuldvordering met toepassing van artikel 735§§1 en 2 Ger. W. in korte debatten ter inleidende zitting te behande¬len.

1.4. De proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar komen in¬gevolge artikel 866 Ger. W. te zijnen laste; hij kan bovendien worden veroor¬deeld tot schadevergoeding jegens de partij.

Eerste onderdeel

2.1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeen-komstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben ge¬geven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voor¬waarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regel¬matig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

De rechter miskent het recht van verdediging wanneer hij zijn be-slissing steunt op een middel of een exceptie die niet werd aange-voerd door partijen, waarvan partijen, gelet op het verloop van het debat, niet moesten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover partij¬en geen tegenspraak hebben kunnen voeren.

2.2. Ingevolge artikel 774 Ger. W. moet de rechter ambtshalve de debatten heropenen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.

3. De rechters beslisten ambtshalve:

- dat de wetgever voor de invordering van een niet-betwiste, vast-staande en opeisbare geldschuld een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure heeft ingevoerd, nl. de artikelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W. die op 2 ju¬li 2016 in werking is getreden;

- dat eiseres niet aangeeft waarom zij in casu geen gebruik maakt van die specifieke procedure;

- dat naar het oordeel van de rechtbank er in casu nodeloze kosten werden gemaakt, zoals de kosten van dagvaarding;

- en dat in die omstandigheden de gerechtskosten van onderhavige procedu¬re ten laste van eiseres worden gelegd.

Deze excepties werden ambtshalve door de rechters in-geroepen zonder eiseres de gelegenheid te geven haar verweer-middelen desaangaande te laten gelden (zie het enig stuk gevoegd aan onderhavige voorziening).

Door de gerechtskosten ten laste van eiseres te leggen op de voormelde ambtshalve ingeroepen excepties, zonder eiseres de kans te bie¬den hierover tegenspraak te voeren en zonder haar in de gelegenheid te stel¬len aan te geven waarom zij in casu geen gebruik heeft gemaakt van de speci¬fieke invorderingsprocedure, terwijl eise-res zich aan die ambtshalve ingeroe¬pen excepties niet hoefde te verwachten nu artikel 1394/20 Ger. W. een schuldeiser niet verplicht om van die specifieke invorderingsprocedure gebruik te maken, schenden de appelrechters artikel 6.1 EVRM en miskennen zij het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdedi-ging.

Door de vordering van eiseres om verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding af te wijzen op grond van voormelde exceptie die de partijen voor hen niet hadden ingeroepen, zonder vooraf ambtshalve de her¬opening der debatten te bevelen, schenden de appelrechters tevens artikel 774 Ger. W.

Tweede onderdeel

4.1. Artikel 1017, eerste lid, Ger. W. preciseert dat, tenzij bij-zonde¬re wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het onge¬lijk gestelde partij verwijst in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen die het eventueel bekrachtigt. De kosten kunnen, ingevolge het vierde lid van artikel 1017 Ger. W. worden omgeslagen zoals de rechter het raad¬zaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig ge¬schilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zussen of aanverwanten in dezelfde graad.

De kosten omvatten overeenkomstig artikel 1018 Ger. W. onder-meer de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald, de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten en de rechtsplegingsver¬goeding zoals bepaald in artikel 1022 Ger. W., zijnde een forfaitaire tegemoet¬koming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

De partij die de kosten bedoeld in de artikelen 1018 en 1022 Ger. W. heeft gemaakt en die in het gelijk wordt gesteld, kan ingevolge artikel 1017, eerste lid, Ger. W. enkel in de kosten worden verwezen indien bijzondere wet¬ten dit toelaten.

Artikelen 1382 en 1383 B.W. zijn bijzondere wettelijke bepalingen in de zin van artikel 1017, eerste lid, Ger. W. krachtens welke de kosten ten laste kunnen worden gelegd van de partij door wier fout ze zijn veroorzaakt, zelfs indien haar wederpartij in het ongelijk is gesteld. Een procespartij kan op grond van de artikelen 1382 en 1383 B.W. enkel worden veroordeeld tot beta¬ling van de proceskosten bij ongelijk van zijn wederpartij wanneer hij een pro¬cedure niet heeft aangewend zoals een normale, zorgvuldige en voorzichtige procespartij, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

Een procespartij kan ook, spijts zij in het gelijk werd gesteld, even¬tueel in de kosten worden verwezen in geval van proces-rechtsmisbruik die een toepassing uitmaakt van de leer van het rechtsmisbruik.

Het louter feit dat een procespartij betaling van een niet betwiste schuld vordert via een gewone gerechtelijke procedure in plaats van toepas¬sing te maken van de procedure voorzien in de artikelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W. maakt op zichzelf geen fout of nala-tigheid uit in de zin van artikelen 1382 en 1383 B.W. en is evenmin een vorm van procesrechtsmis¬bruik nu:

- de invorderingsprocedure voorzien in de artikelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W. een facultatieve procedure is die geen afbreuk doet aan de moge¬lijkheid voor de schuldeiser om de invordering van zijn niet-betwiste schuldvordering met toepassing van artikel 735 §§1 en 2 Ger. W. in korte debatten ter inleidende zitting te behandelen;

- de kosten van dagvaarding geen nodeloze kosten zijn nu de in-vordering van onbetwiste schulden overeenkomstig de procedure voorzien in de arti¬kelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W. eveneens met kosten gepaard gaat, ondermeer de kosten van de aanmaning door een gerechtsdeurwaarder, voorzien in artikel 1394/21 Ger. W. alsook de kosten van het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder bedoeld in artikel 1394/24 Ger. W.

4.2. In het bestreden vonnis werd de vordering van eiseres toe-laatbaar en gegrond verklaard, behoudens de door eiseres gevorderde con¬ventionele rente die werd verminderd tot de rentevoet zoals die bepaald wordt in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.

De proceskosten werden evenwel ten laste van eiseres gelegd, niet omwille van de herleiding van de gevorderde rente, maar uitslui-tend op de volgende gronden:

- de eis heeft een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en opeis¬bare geldschuld tot voorwerp waarvoor eiseres de be-handeling in korte de¬batten vraagt in toepassing van artikel 735§2 Ger. W.;

- voor dergelijke invorderingen heeft de wetgever een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.), die op 2 juli 2016 in werking is getreden (K.B. 16 juni 2016, B.S. 22 juni 2016);

- eiseres geeft niet aan waarom zij in casu geen gebruik maakt van die spe¬cifieke procedure;

- er zijn in casu nodeloze kosten gemaakt, zoals de kosten van dagvaarding.

Door louter op voormelde gronden de gerechtskosten ten laste van eiseres te leggen en de door eiseres gevorderde rechtsple-gingsvergoe¬ding af te wijzen, hebben de rechters hun beslissing niet naar recht verant¬woord, nu ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst en het louter feit dat eiseres haar niet betwiste schuldvor¬dering heeft ingevorderd via een gewone gerechtelijke procedure en geen toepassing heeft gemaakt van de procedure voorzien in de artikelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W. geen fout, nalatigheid of rechtsmisbruik in haren hoof¬de uitmaakt, nu laatstgenoemde procedure facultatief is en er aan deze proce¬dure, net zoals aan de gewone gerechtelijke procedure, kosten verbonden zijn.

Door louter op voormelde gronden de gerechtskosten ten laste van eiseres te leggen en de door haar gevorderde rechtsplegings-vergoeding af te wijzen, hebben de rechters de artikelen 735§§1 en 2, 1017, 1018, 1022, 1394/20 t.e.m. 1394/24, van het Gerechtelijk Wetboek alsook de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek geschonden en het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik miskend.

4.3. In zoverre de rechters de gerechtskosten ten laste hebben gelegd van eiseres bij toepassing van artikel 866 Ger. W., hebben zij hun be¬slissing evenmin naar recht verantwoord nu de kosten van dagvaarding geen nodeloze kosten zijn (1) en deze bij toepassing van artikel 866 Ger. W. in ieder geval niet kunnen ten laste worden gelegd van een procespartij doch enkel ten laste van een ministerieel ambtenaar die namens die procespartij de nodeloze proceskosten zou hebben veroorzaakt (2). In ieder geval kon de door eiseres gevorderde rechtsplegingsvergoeding niet worden afgewezen op grond van artikel 866 Ger. W.

Door de gerechtskosten ten laste te leggen van eiseres bij toe-passing van artikel 866 Ger. W. hebben de rechters tevens dit artikel ge¬schonden.

Derde onderdeel

Eiseres vorderde betaling van de hoofdsom van de niet betwiste factuur, vermeerderd met een schadebeding van 10 % en met de conventio¬neel overeengekomen rentevoet van 12 %.

Deze vordering kon niet het voorwerp uitmaken van een invorde-ring van onbetwiste geldschulden in de zin van artikel 1394/20 Ger. W., ver¬mits deze vordering niet beperkt werd tot de onbetwiste geldsom vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 % van de hoofdsom van de schuld, alle intresten en strafbedingen.

De door eiseres gevorderde intresten en strafbedingen bleven samen immers niet beperkt tot 10 % van de hoofdsom van de schuld zodat de rechters, door te beslissen dat de wetgever voor dergelijke invorderingen "een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure (heeft) ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.)", hun beslissing niet naar recht hebben verantwoord en artikel 1394/20 Ger. W. hebben geschonden.

TOELICHTING

Wat betreft het eerste onderdeel

Eiseres is zo vrij met betrekking tot het eerste onderdeel te verwij¬zen naar het arrest van Uw Hof van 29 september 2011 en de conclusie van de heer Advocaat-generaal Christian Vandewal (Arr. Cass. 2011, 1984).

Wat betreft het tweede onderdeel

1. Artikel 1394/20 Ger. W. bepaalt dat elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op de dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderings¬kosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 % van de hoofdsom van de schuld, alle intresten en strafbepalingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder "kan" worden ingevorderd, met uitzondering van de schulden die verder in dit artikel worden gepreciseerd.

De nieuwe invorderingsprocedure is derhalve facultatief. Een schuldeiser die beschikt over een invordering die ressorteert onder het toe¬passingsgebied van de invorderingsprocedure, voorzien in artikel 1394/20 Ger. W., behoudt bijgevolg de mogelijkheid om een ge-rechtelijke procedure op te starten met het oog op het bekomen van een rechterlijke beslissing (G. de Leval, J. van Compernolle en F. Georges, La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile et portant des dispositions en matière de justice, J.T. 2015, (785), 798, nr. 2; M. Castermans, Potpourri I: hervormingen m.b.t. de burgerlijke rechtspleging, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 70-71, nr. 106; S. Voet en B. Allemeersch, Invordering van onbetwiste geld-schulden, in "De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I", B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Brugge, die Keure, 2016, 16, nr. 31).

De minister heeft er op gewezen dat de nieuwe procedure niets af(doet) aan de mogelijkheid van de schuldeiser om toch naar de rechter te stappen en bijvoorbeeld een verstekvonnis te vragen (Parl. St. Kamer 2014-15, doc 54-1219/005, 84, integraal weergegeven in M. Castermans, o.c., (316), 376).

2. Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eind-vonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kos-ten, on¬verminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt (art. 1017, eerste lid, Ger. W.).

Artikel 1382 B.W. is in de zin van artikel 1017 Ger. W. een bijzon-der wettelijke bepaling krachtens welke de kosten ten laste kunnen gelegd worden van de partij door wiens schuld zij zijn veroorzaakt, zelfs indien de an¬dere partij in het ongelijk is gesteld (Cass. 24 april 1978, R.W. 1978-1979, 2669; Cass. 14 mei 2001, Arr. Cass. 2001, 885; G. de Leval, Droit judiciaire privé, T. 2, Manuel de procédure civile, Bruxelles, Larcier, 2015, 274, nr. 2.122).

Een procespartij kan eventueel veroordeeld worden tot de ge-rechtskosten wanneer zij procesrechtsmisbruik heeft gepleegd bij de keuze tussen twee alternatieve procedures, spijts zij uiteindelijk in het gelijk werd ge¬steld wat de grond van de zaak betreft. Het geval waarin een partij in het gelijk wordt gesteld en toch schuldig zou zijn aan procesrechtsmisbruik, zal in de praktijk eerder uitzonderlijk voorkomen.

De leer van het procesrechtsmisbruik maakt een toepassing uit van de leer van het rechtsmisbruik (Cass. 28 juni 2013, Arr. Cass. 2013, 1662, meer bepaald de conclusie van de heer Advocaat-generaal Van Ingelgem).

De rechters verklaarden de vorderingen van eiseres toelaatbaar en gegrond, behoudens de door eiseres gevorderde conventionele rente die werd verminderd tot de rentevoet bepaald in toepassing van artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachter¬stand bij handelstransacties. Zij hebben evenwel de gerechtskosten van de onderhavige procedure ten laste van eiseres gelegd louter omdat:

- de eis een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en op-eisbare geldschuld tot voorwerp heeft;

- de wetgever voor dergelijke invorderingen een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure heeft ingevoerd (nl. de art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.);

- eiseres niet aangeeft waarom zij in casu geen gebruik maakt van die speci¬fieke procedure;

- er in casu nodeloze kosten zijn gemaakt.

Op voormelde gronden konden de appelrechters niet naar recht beslissen de gerechtskosten ten laste van eiseres te leggen, nu ieder eind¬vonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst en de voormelde overwegingen geen vaststelling inhouden van een fout, nalatigheid of proces¬rechtsmisbruik die zou toelaten af te wijken van artikel 1017 Ger. W.

Het louter feit dat eiseres heeft gekozen voor de gewone pro-cedu¬re van invordering en niet voor de invorderingsprocedure, voor-zien in artikel 1394/20 Ger. W., die facultatief is, maakt op zich geen fout, nalatigheid of pro¬cesrechtsmisbruik uit.

3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in casu nodeloze kos¬ten gemaakt. Aan de invorderingsprocedure, voorzien in de arti-kelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W., zijn echter ook kosten ver-bonden. Over de kwestie of deze procedure uiteindelijk goedkoper zou uitvallen, blijken de meningen in de rechtsleer sterk verdeeld te zijn (duurder: G. de Leval, J. Van Compernolle en F. Georges, o.c., 804, tweede kolom, derde lid; goedkoper: S. Voet en B. Al¬lemeersch, o.c., 14, nrs. 26 en 27).

4. Artikel 866 Ger. W. bepaalt dat de proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministeri¬eel ambtenaar, te zijnen laste komen. Hij kan bovendien worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.

Artikel 866 Ger. W. werd normaal aldus geïnterpreteerd dat het in een specifieke aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder voorziet voor nietige proceshandelingen en akten en voor nodeloze kosten die door zijn toe¬doen zijn veroorzaakt. De recente rechtspraak en doctrine leggen de nadruk op het feit dat dit beginsel niet beperkt is tot de gerechtsdeurwaarders, maar ook geldt voor andere ministeriële ambtenaren, zoals o.m. de notarissen (B. Deconinck, Artikel 806, in "Gerechtelijk recht". Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, afl. september 2009, nr. 1).

De rechters oordelen evenwel dat bepaalde rechtsleer het in arti-kel 866 Ger. W. opgenomen principe naar analogie zelfs van toe-passing (acht) op de advocaat die optreedt als mandataris ad litem. De rechters verwijzen terzake naar de aangehaalde bijdrage van mevrouw de raadsheer B. Deco¬ninck.

De auteur heeft in de voormelde bijdrage echter louter verwezen naar een bepaalde strekking in de doctrine zonder deze strekking bij te treden. Zij preciseerde daarentegen uitdrukkelijk dat de discussie of artikel 866 ook van toepassing is op de advocaten inmiddels achterhaald lijkt ten gevolge van de nieuwe bepaling van artikel 780 bis Ger. W. (B. Deconinck, o.c., nr. 5).

De rechters hebben bovendien de kosten niet ten laste gelegd van een ministerieel ambtenaar of een advocaat, maar ten laste van de procespar¬tij zelf, hetgeen uiteraard strijdt met artikel 866 Ger. W.

Wat betreft het derde onderdeel

Intresten en schadebeding worden, bij toepassing van de arti-kelen 1394/20 e.v. Ger. W., beperkt tot ten hoogste 10 % van de schuld in hoofd¬som. De wetgever oordeelde dat het aangewezen was een weliswaar forfaitai¬re, doch objectieve en eenvoudige toepasbare bovengrens, te bepalen voor de vergoeding van de bijkomende schade die een schuldeiser kan lijden, uiter¬aard binnen de geldende wettelijke en contractuele grenzen. De bevoegdheid voor het herleiden van schadebedingen en intresten komt in principe toe aan een rechter (cfr. art. 1153, vijfde lid en 1231 B.W.), maar aangezien de tus¬senkomst van de rechter in het kader van de invorderingsprocedure van artikel 1394/20 Ger. W. uitgesloten werd, wordt geopteerd voor een forfaitaire be¬grenzing van de intresten en schadebeding (M. Castermans, o.c., p. 74, nr. 115).

De door eiseres gevorderde intresten en strafbedingen waren niet beperkt tot 10 % van de hoofdsom van de schuld en konden bijgevolg niet worden ingevorderd in het kader van de artikelen 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.

De rechters konden derhalve niet wettig beslissen dat de wetge-ver voor dergelijke invorderingen een nieuwe, eenvoudige en goedkope pro¬cedure heeft ingevoerd.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiseres ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het be-streden vonnis te vernietigen en de zaak en de partijen te verwijzen naar een andere rechtbank van koophandel.

Brussel, 22 februari 2017.

 

 

Enig stuk gevoegd aan de onderhavige voorziening:

Uittreksel uit het zittingsblad van de zitting van de Rechtbank van Koophandel te Gent, afdeling Kortrijk, van 29 september 2016.

Commentaar: 

Brigitte Vander Meulen, Invordering van onbetwiste schulden, een opproep tot realiteitszin, De juristenkrant, 335, 12 oktober 2016.
De auteur motiveert waarom de IOS procedure niet godkoper, niet sneller en voor de economie nefast is. In een later artikel in de zelfde juristenkrant ontkende een magistraat deze argumentatie. 

Maar terecht wijst de auteur erop dat in de IOS procedure er geen rechtsplegingsvergoeding kan aangerend en het schadebeding en de interesten SAMEN maximum 10% kunnen bedragen. Met andere woorden draait de schuldeiser grotendeel zelf op voor de invorderingskosten. 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 05/05/2017 - 13:15
Laatst aangepast op: vr, 10/11/2017 - 16:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.