-A +A

Invordering onbetwiste facturen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

"Art. 1394/20. Elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21 kan, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 % van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en strafbedingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder worden ingevorderd, met uitzondering van schulden van of ten aanzien van:
1° publieke overheden bedoeld in artikel 1412bis, § 1;
2° schuldeisers of schuldenaren die niet zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° handelingen die niet zijn verricht in het kader van de activiteiten van de onderneming;
4° een faillissement, een gerechtelijke reorganisatie, een collectieve schuldenregeling en andere vormen van wettelijke samenloop;
5° niet-contractuele verbintenissen, tenzij zij
a) het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen de partijen of er een schuldbekentenis is,
of
b) betrekking hebben op schulden uit hoofde van gemeenschappelijke eigendom van goederen.".

"Art. 1394/21. Vooraleer tot invordering over te gaan betekent de gerechtsdeurwaarder aan de schuldenaar een aanmaning tot betalen.
De aanmaning bevat, op straffe van nietigheid, benevens de vermeldingen bedoeld bij artikel 43:
1° een duidelijke beschrijving van de verbintenis waaruit de schuld is ontstaan;
2° een duidelijke beschrijving en verantwoording van al de bedragen die van de schuldenaar geëist worden, met inbegrip van de kosten van de aanmaning en, in voorkomend geval, de wettelijke verhogingen, interesten en strafbedingen;
3° de aanmaning om te betalen binnen de maand en de wijze waarop de betaling kan worden verricht;
4° de mogelijkheden waarover de schuldenaar beschikt om op de aanmaning te reageren overeenkomstig artikel 1394/22;
5° de inschrijving van de schuldeiser en de schuldenaar in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Bij de akte van aanmaning worden gevoegd:
1° een afschrift van de bewijsstukken waarover de schuldeiser beschikt;
2° het in artikel 1394/22 bedoelde antwoordformulier.".

"Art. 1394/22. De schuldenaar die de bedragen die worden ingevorderd niet betaalt, kan binnen de termijn bedoeld in artikel 1394/21, tweede lid, 3°, betalingsfaciliteiten vragen of de redenen te kennen geven waarom hij de schuldvordering betwist, bij middel van het antwoordformulier dat gehecht wordt aan de akte van aanmaning.
Het antwoordformulier wordt, tegen ontvangstbewijs, aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder gestuurd, hem overhandigd in zijn studie of hem overgezonden op een andere wijze bepaald door de Koning. De gerechtsdeurwaarder geeft daarvan onverwijld kennis aan de schuldeiser evenals, in voorkomend geval, van het betalen van de schuld.".

"Art. 1394/23. In het geval de schuldenaar de schuld betaalt of de redenen te kennen geeft waarom hij de schuld betwist, wordt de invordering beëindigd, onverminderd het recht van de schuldeiser om, in geval van betwisting van de schuld, zijn rechtsvordering in rechte uit te oefenen.
In het geval de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten overeenkomen wordt de invordering opgeschort.".

"Art. 1394/24. § 1. Ten vroegste acht dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 1394/21, tweede lid, 3°, stelt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, op verzoek van de schuldeiser, proces-verbaal van niet-betwisting op waarin wordt vastgesteld, naar gelang van het geval:
1° ofwel dat de schuldenaar de schuld niet of niet geheel heeft voldaan, noch betalingsfaciliteiten heeft gevraagd of gekregen, noch de redenen te kennen heeft gegeven waarom hij de schuld betwist;
2° ofwel dat de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten zijn overeengekomen, die evenwel niet zijn nagekomen.
In het proces-verbaal worden tevens de vermeldingen van de akte van aanmaning en de geactualiseerde afrekening van de schuld in hoofdsom, schadebeding, intresten en kosten opgenomen.
§ 2. Het proces-verbaal wordt op verzoek van de gerechtsdeurwaarder uitvoerbaar verklaard door een magistraat van het Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest bedoeld in artikel 1389bis/8.
Het wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging en maakt, in voorkomend geval pro rata van het saldo van de schuldvordering, een titel uit die overeenkomstig het vijfde deel van dit Wetboek ten uitvoer kan worden gelegd.
§ 3. Onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter in geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging wordt de uitvoering van het proces-verbaal van niet-betwisting alleen geschorst door een vordering in rechte, die wordt ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak. Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034quater, is van toepassing. Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift een afschrift van het proces-verbaal van niet-betwisting gevoegd.
§ 4. Een volledig uitgevoerde invordering geldt als dading voor de gehele schuld, met inbegrip van alle eventuele wettelijke verhogingen, interesten en strafbedingen.".

"Art. 1394/25. De Koning bepaalt het model van het antwoordformulier bedoeld in artikel 1394/22, het model van het proces-verbaal van niet-betwisting, de wijze waarop dat proces-verbaal uitvoerbaar wordt verklaard en het formulier van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1394/24, § 2.".

"Art. 1394/27. § 1. Er wordt, bij de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders bedoeld in artikel 555, een "Centraal register voor de invordering van onbetwiste geldschulden" opgericht, hierna "Centraal register" genoemd. Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank georganiseerd en beheerd door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders waarin gegevens verzameld worden die nodig zijn om het juiste verloop van de procedures voor de invordering van onbetwiste geldschulden na te gaan en het proces-verbaal van niet-betwisting uitvoerbaar te verklaren.
Te dien einde, onverminderd andere mededelingen of kennisgevingen, stuurt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder een afschrift van al de in dit hoofdstuk bedoelde exploten, betekeningen, kennisgevingen, mededelingen, betalingsfaciliteiten of processen-verbaal en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan binnen drie werkdagen aan het Centraal register.

§ 2. De Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders wordt met betrekking tot het Centraal register beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
De gegevens opgenomen in het Centraal register worden tien jaar bewaard.

§ 3. De gerechtsdeurwaarders kunnen de gegevens van het Centraal register rechtstreeks registreren en raadplegen per aangemaande partij of, in voorkomend geval, per schuldeiser. Deze gerechtsdeurwaarders worden bij naam aangewezen in een geïnformatiseerd register, dat door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders voortdurend wordt bijgewerkt.

Van zodra een proces-verbaal van niet-betwisting overeenkomstig artikel 1394/24 uitvoerbaar werd verklaard, kunnen de in het Centraal register opgenomen gegevens die hierop betrekking hebben enkel nog geraadpleegd worden door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders met het in paragraaf 6 bedoelde oogmerk.

§ 4. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de registratie van gegevens in het Centraal register, of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing.

§ 5. Om de juistheid na te gaan van de gegevens die in het Centraal register worden ingevoerd en het Centraal register voortdurend te kunnen bijwerken, heeft de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders toegang tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 7°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en kan zij het identificatienummer van dat register gebruiken. Zij mag het nummer evenwel in geen enkele vorm aan derden mededelen.

De Koning stelt de wijze vast waarop de informatiegegevens van het Rijksregister aan de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders worden overgezonden. Hij kan eveneens nadere regels vaststellen betreffende het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders.

§ 6. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het Centraal register. In voorkomend geval is hoofdstuk VII van boek IV van deel II van dit Wetboek van toepassing.

§ 7. De Koning bepaalt de nadere regels voor de inrichting en werking van het Centraal register.".
 

Rechtsleer: 

• X, onbewiste geldschulden, NJW 2016-2017, 572

Rechtspraak: 

Over de gevolgen van de keuze van een schuldeiser die niet overgaat tot administratieve invordering conform art. 1394/20 Ger. Wetboek en opteert voor een invordering bij dagvaarding - repercutie met betrekking tot de kosten

Hof van Beroep Gent, zestiende kamer, 24/03/2017
2017 / AR/153

In de zaak van:

X, appellante,

tegen

Y,

geïntimeerde,

niet verschijnende, noch vertegenwoordigd zijnde,

wijst het hof het volgend arrest:

1. Er werd kennis genomen van het verstekvonnis op 22 december 2016 gewezen door de 1 e kamer van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, waartegen tijdig en geldig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 27 januari 2017.

De te beoordelen vordering en daartoe dienende feiten worden afdoende uiteen gezet in het beroepen vonnis, mits het navolgende.

2. M.b.t. de in beroep aangevochten verwijzing in de kosten van het geding:

Door appellante wordt afdoende aannemelijk gemaakt dat zij er een rechtmatig belang bij heeft te kiezen voor de gemeenrechtelijke procedure en niet voor de administratieve invordering van onbetwiste geldschulden in de zin van art. 1394/20 e.v. Ger.W.

Immers:

- enerzijds kan zij bij de administratieve invordering i.t.v. art. 1394/20 Ger.W. slechts aanspraak maken op een forfaitaire verhoging van 10 % op de factuurbedragen (zijnde 4.413,91 EUR x 10 % = 441,39 EUR) en een forfait voor invorderingskosten t.b.v. 40,00 EUR (art. 6.1. Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties), zijnde aldus samen 481,39 EUR;

- terwijl zij anderzijds in de gemeenrechtelijke procedure aanspraak kan maken op de volgens de (niet- geprotesteerde en aldus conventioneel geldende) algemene factuurvoorwaarden voorziene verwijlrente van 13 % per jaar (vrijwillig herleid tot 8 %) en schadebeding van 12 % (vrijwillig herleid tot 10 %), minstens op de door haar voorgestane bij art. 5 en 6 Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties voorziene wettelijke rente (sinds het 2e semester 2016 zijnde 8 % per jaar) en een redelijke schadevergoeding (zoals in handelszaken gebruikelijk begroot op 10 % van de onbetaalde factuurbedragen), zijnde volgens haar berekening tot op de datum van dagvaarding 388,57 EUR rente+ 441,39 EUR redeliike schadevergoeding = 829,96 EUR.

Waar aldus binnen de wettelijk toepasselijke rechten appellante als schuldeiser in een gemeenrechtelijke procedure thans recht kan hebben op 8 % intrest én een schadebeding van 10 %, terwijl een betalingsbevel niet verder gaat dan 10 % voor beide samen, naast de in de wet voorziene forfaitaire vergoeding van 40,00 EUR voor de eigen invorderingskosten, maakt dit alles het betalingsbevel - in dit geval en volgens de voormelde berekening onmiskenbaar voor haar minder aantrekkelijk:

Aan appellant als schuldeiser kan dan ook in de gegeven omstandigheden geenszins worden verweten te kiezen voor de gemeenrechtelijke procedure, laat staan enig fout of onvoorzichtig handelen desbetreffende en/of het nodeloos/overbodig veroorzaken· van gedingkosten.

De gedingkosten zijn dan ook ten laste te leggen van de in het ongelijk gestelde partij, geïntimeerde, oorspronkelijke verweerder.

De voormelde redelijke schadeloosstelling omvat·i.t.v. art. 6, 2e lid Wet van- 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

Het beroepen vonnis is aldus te hervormen.

OM DEZE REDENEN HET HOF

Recht doende bij verstek t.a.v. geïntimeerde,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt;

Hervormt het beroepen vonnis wat betreft de verwijzing in de gedingkosten als volgt;

Legt de gedingkosten - in beide aanleggen - ten laste van geïntimeerde, als de in het ongelijk gestelde partij.

Bepaalt de gedingkosten in hoofde van eiseres op de dagvaardingskost t.b.v. 318,14 EUR en het rolrecht hoger beroep t.b.v. 210,00 EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ZESTIENDE KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 24 MAART 2017.


Hof van Beroep Gent 24/04/2017, AR 2016/AR/2008

 

2016/AR/2008 - In de zaak van: X

Appellante, hierna H

tegen:

Geïntimeerde?

die niet verschijnt, noch iemand voor haar,

velt het hof het volgend arrest:

1. DE RECHTSPLEGING IN HOGER BEROEP

1. Het hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift van 23 november 20161 Het werd gericht tegen het vonnis van 22 september 2016 van de rechtbank yan koophandel Gent, afdeling Dendermonde

2. De appellante werd gehoord op de openbare zitting van 3 april 2017.en het hof nam kennis van de neergelegde conclusies en stukken,

3. Er werd toepassing gemaakt van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

2. DE FEITEN EN DE VOORAFAANDE RECHTSPlEGING

4.

Bij exploot betekend op 12 juli 2016 liet de oorspronkelijke eiser overgaan tot dagvaarding voor de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde. De eis strekte samengevat tot:

- veroordeling in betaling van achterstallige facturen ten belope van 5 943,30 euro, vermeerderd met de intresten aan de rentevoet voorzien in artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende· de bestrijding van de. betalingsachterstand bij handelstransacties op 5 403 euro vanaf de respectievelijke vervaldata der facturen tot de dag van de algehele betaling, en meer intresten op 540,30 euro aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van de algehele betaling,

- veroordeling tot de kosten van het geding,

- uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, zonder borgstelling of kantonnement.

Bij verstekvonnis yao 22 september 2016 werd de eis ingewilligd, behalve wat de kosten van de procedure betrof.

Met betrekking tot de gerechtskosten overwoog de rechtbank het volgende:

"Wat de gerechtskosten betreft, stelt de rechtbank vast dat· de eisende partij in de dagvaarding zelf aangeeft dat haar eis een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en opeisbare geldschuld tot voorwerp heeft, waarvoor zij trouwens de behandeling in kort debatten vraagt in toepassing van art. 735, § 2 Ger. W.

Voor dergelijke invorderingen heeft de wetgever een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.), die op 2 juli 2016 in werking is getreden (KB 16 juni 2016, B.S. 22 juni 2016);

De eisende partij geeft niet aan waarom zij in casu geen gebruik maakt van die specifieke procedure.

Nochtans is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de rechtbank van koophandel te ontlasten door haar meer bepaald te ontheffen van taken die niets te maken hebben met haar kerntaak, zijnde het beslechten van rechtsgeschillen, eenvoudig omdat het gaat om de invordering van onbetwiste schulden, waaromtrent in de Memorie van toelichting_ bij het Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (zg. Potpourri I) eveneens wordt gesteld dat het niet langer aangewezen is om onbetwiste schulden van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure die uitmondt in een administratieve rechtshandeling daartoe volstaat (Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/1, 26- 27).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in casu nodeloze kosten gemaakt, zoals de kosten van dagvaarding. Art. 866. Ger. W.· bepaalt dat nodeloze kosten die veroorzaakt worden door toedoen van een ministerieel ambtenaar, te zijnen laste komen.

In de rechtsleer wordt op goede gronden verdedigd dat het in art. 866 Ger. W. opgenomen principe in een proceseconomische en kostenbeheersingsoptiek - een ruime toepassing verdient/temeer het gezien wordt als een uiting van het algemeen beginsel inzake loyauteit of goede trouw in het proces. Bepaalde rechtsleer acht het In artikel 866 Ger: W. opgenomen principe naar analogie zelfs van toepassing op de advocaat die optreedt als mandataris ad litem (zie B. Deconinck, Art. 866 Gerechtelijk Wetboek" in Comm.Ger., 2009, nrs. 4-7). In die omstandigheden worden de gerechtskosten van onderhavige procedure ten loste van de eisende partij gelegd."

6. Bij vonnis van 31 januari 2017 van de Nederlandstalige. rechtbank van koophandel Brussel werd […] failliet verklaard en werd […] aangewezen als curator.

 

DE STANDPUNTEN EN VORDERINGEN VAN PARTIJEN IN HOGER BEROEP.

7.

Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie verwijst het hof naar haar beroepsakte.

8. In die beroepsakte neergelegd ter griffie op 23 november 2016 vordert appellant samengevat:

- haar hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren,

- het bestreden vonnis te niette doen wat betreft; de beslissing over de gerechtskosten,

opnieuw rechtdoende te veroordelen tot de kosten van het geding

aan de zijde van […] begroot op:

- 310,42 euro dagvaardingskosten. en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg,
-
- 210 euro rolrechten en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep in geval van niet-betwisting of verstek.
-
DE BEOORDELING

4.1 De toelaatbaarheid van het hoger beroep

9. Een betekening van het bestreden vonnis ligt niet voor. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm. Het hoger beroep is bijgevolg toelaatbaar.

4.2 De gegrondheid van het hoger beroep

10. Het hoger beroep door […] is beperkt tot de beslissing van de eerste rechter over de gerechtskosten.

11. Bij wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diversè bepalingen inzake Justitie (BS 22 oktober 2015) werd een nieuw hoofdstuk-I quinquies met als tltel "Invordering van onbetwiste geldschulden" (hierna de "IOS-procedure") ingevoegd in het vijfde deel, eerste titel van het Gerechtelijk Wetboek. Het omvat de artikelen 1394/20 tot en met 1394/27.

12. Artikel 1394/20 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar Is op dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10% van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en strafbedingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder kan worden ingevorderd.

Uit deze wetsbepaling blijkt dat een schuldeiser de mogelijkheid, maar niet de verplichting, heeft om zijn schuldvordering te innen via de IOS-procedure.

Het louter feit dat tijdens de parlementaire voorbereiding geopperd werd dat het niet langer aangewezen was om onbetwiste schuldvorderingen van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure volstond (zie. Parl. st., Kamer, DOC 54 1219/001, p. 2.6) doet geen afbreuk aan deze duidelijke wetsbepaling.

13'. In zijn advies over het ontwerp van wet tot wijziging van_ de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie (potpourri IV) wees ook de Raad van State al op het facultatief karakter van de IOS- procedure: .

"Voorts hebben alle commentatoren de nadruk gelegd op de alternatieve. aard van die nieuwe buitengerechtelijke procedure die "s'ajoute aux procédures existantes mais ne les· supplante pas" (vrije vertaling: die wordt toegevoegd aan de bestaande procedures, maar ze niet vervangt). Artikel 735, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt trouwens nog altijd uitdrukkelijk dat "de invordering van de niet .betwiste. schuldvorderingen" één van de gedingen is die moeten worden behandeld "op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure". Die bepaling wordt in het huidige. voorontwerp niet gewijzigd." {zie Parl. st., Kamer, DOC 54 1986/001, p. 187, zie ook D. MOUGENOT, Le recouvrement de dettes d'argent non contestées, In H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Le code judiciaire en.potpourri, Brussel, Larcier, 2016, p. 334).

14. Zelfs de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België erkent het facultatief karakter van de 105-procedure (zie N. DECOCK, Vereenvoudigde Invorderingsprocedure. voor geringe . schuldvorderingen naar Frans recht en procedure voor invordering van onbetwiste geldschulden naar Belgisch recht: van hetzelfde laken een broek?, NKGB-CNHB, december 2016 / januari 2017, (8-16), 10:

"De advocaat is natuurlijk geen eenvoudige uitvoerder. Als raadsman van zijn cliënt komt het hem in alle omstandigheden toe de cliënt nuttig te 'informeren over de opportuniteit van de ene of de andere procedure, en zou hij hem dan ook kunnen aanraden geen beroep te doen op deze versnelde procedure (die wettelijk facultatief is) wanneer de voorwoorden hiertoe nochtans wel vervuld zijn.

Het vervullen van deze voorwaarden houdt dus niet automatisch in dat de procedure wordt opgestart. Het is inderdaad zo dat de advocaat de gerechtsdeurwaarder hiertoe. specifiek moet mandateren."

Terecht merkt […] op dat de raadsman van de schuldeiser optreedt als "eerste rechter" (zie ook W. DE Bus, Invordering van onbetwiste schulden. Advocaat, vervul uw rol van eerste rechter, Juristenkrant 2016, afl. 336, 11). ·

15. Omwille van het facultatief karakter oordeelde de eerste rechter ten onrechte dat […] moest aangeven waarom zij in casu geen gebruik maakt van die tos-procedure.

16.

Als schuldeiser kan […] bovendien een belang / voordeel hebben bij een "klassieke" gerechtelijke procedure, nu de nieuwe IOS-procedure . de inning van de invorderingskosten (waaronder de intresten en de forfaitaire schadevergoeding) beperkt tot maximaal 10% van de hoofdsom (vgl. B. VANDER MEULEN, Invordering van onbetwiste schulden: een oproep tot realiteitszin, Juristenkrant 2016, afl. 335, 12-13).

17. De bovenstaande overwegingen gelden des te meer nu artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.

In de context van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde (zie cass. 13 december 2016, P.16.0421.N/3, www.jurldat.be).

Nochtans heeft de eerste rechter in zijn vonnis niet vastgesteld dat de eis van […] voor het geheel of een deel ervan strijdig was met de openbare orde.

18. Noch uit het gerechtsdossier, noch uit het bestreden vonnis blijkt dat […] de gelegenheid gekregen heeft zijn standpunt over het al dan niet volgen van de IOS-procedure toe te lichten. Evenmin werden de debatten in toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek daartoe heropend. Bijgevolg· werden de rechten van verdediging van […]op dit punt miskend.

19. Tot slot kon de eerste rechter zich evenmin nuttig beroepen op artikel 866 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar te zijnen laste komen; hij kan bovendien worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.

Immers, de raadsman van kan niet beschouwd worden als een ministerieel ambtenaar in de zin van artikel 866 van het Gerechtelijk Wetboek.

Zelfs indien aangenomen zou worden dat het artikel een uiting vormt van een algemener beginsel inzake loyauteit of goede trouw In het proces dat op advocaten van toepassing is, dan nog is het hof· van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet deloyaal gehandeld werd ..

De keuze voor de klassieke gerechtelijke procedure (omwille van de mogelijk daaraan verbonden voordelen, zoals de ruimere Inningsmogelijkheden en zoals het feit dat sneller een titel bekomen kan worden) kan legitiem zijn en maakt niet per se een fout uit. Uit niets blijkt dat foutief handelde en onnodig kosten maakte.

20 In toepassing van de artikelen 1017, 1022 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst het hof […] in faling in de gerechtskosten.

5. DE BESLISSING

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

Rechtdoende bij verstek,

Verklaart het hoger beroep door […] toelaatbaar en gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 22 september 2016 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde met rolnummer […], behalve wat de kosten betreft. .

Veroordeelt […] in faling tot de gerechtskosten, begroot aan de zijde van […] op:

- 310,42 euro dagvaardingskosten en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg,

- 210 euro rol rechten en 600 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ..

Aldus gewezen door de zevende kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

 


Hof van· beroep Gent, zevende kamer, 27 APR. 2017

2016/ AR/2009

In de zaak van: […]

Appellante, hierna "

tegen: […]

Geïntimeerde,

1. RECHTSPLEGING IN HOGER BEROEP

1. Het hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift van 23 november 2016. Het werd gericht tegen het vonnis van 15 september 2016 van· de rechtbank van _koophandel Gent, afdeling Dendermonde.

2. Partijen werden gehoord op de openbare zitting van 3 april 2017 en het hof nam kennis van de neergelegde conclusies en stukken.

3. Er werd toepassing gemaakt van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in-gerechtszaken.

2. DE FEITEN EN DE VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING'

4. In de periode van 31 maart 2016 tot en met 14 Juni 2016 schreef […]:.voor de. levering van materialen aan […]:facturen uit voor een totaalbedrag van 11248, 72 euro

5. Bij gebreke aan reactie op de ingebrekestellingen van 21 en ·29 juni 2016 (stukken 3-4) en bij gebreke aan betaling liet […]: op · 19 Juli 2016 overgaan tot dagvaarding van voor de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde.

De eis strekte samengevat tot:

- veroordeling van in betaling van 12.145,30 euro, vermeerderd met de intresten aan de rentevoet voorzien in artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op 11 041,18 euro vanaf de respectievelijke vervaldata der facturen tot de dag van de algehele betaling, en meer intresten op 1104,12 euro aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van d~ dagvaarding tot de dag van de algehele betaling,

- veroordeling van […]: tot de kosten van het geding

- uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, zonder borgstelling of kantonnement.

6. Op 30 augustus 2016 meldde de raadsman van de eis op zich niet te betwisten. Tegelijk verzocht hij om de minimumrechtsplegingsvergoeding en om te mogen afkorten met zes maandelijkse betalingen vanaf 1 oktober 2016. De raadsman van […]:ging hiermee dezelfde dag nog akkoord (stukken 5-6).

7. Bij vonnis van 15 september 2016 werd de eis van […] tegen […] ingewilligd, behalve wat de kosten van de procedure betrof, en werd […] gemachtigd de veroordeling te voldoen door middel van zes afkortingen. De kosten van de procedure werden ten laste van […] gelegd, onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek.

Met betrekking tot de gerechtskosten overwoog de rechtbank het volgende:

"Wat de gerechtskosten betreft, stelt de: rechtbank· vast dat de eisende partij in de dagvaarding zelf aangeeft dat haar eis een invordering van een niet-betwiste, vaststaande en opeisbare geldschuld tot voorwerp heeft, waarvoor zij trouwens de behandeling in kort debatten vraagt in toepassing van art. 735, § 2 Ger. W. Voor dergelijke invorderingen heeft de wetgever een nieuwe, eenvoudige en goedkope procedure Ingevoerd (art. 1394/20 t.e.m. 1394/27 Ger. W.), die op 2 juli 2016 in werking is getreden (KB 16 juni 2016, B.S. 22 Juni 2016); De eisende partij geeft niet aan waarom zij in casu geen· gebruik maakt van die specifieke procedure. Nochtans is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de rechtbank van koophandel te ontlasten door haar meer bepaald te ontheffen van taken die niets te maken hebben met haar kerntaak, zijnde het beslechten van .rechtsgeschillen, eenvoudig omdat het gaat om de Invordering van onbetwiste schulden, waaromtrent in de Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp houdende wijziging va« het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (zg. Potpourriwet I) eveneens wordt gesteld· dat het niet langer aangewezen is om onbetwiste schulden van meet af aan in te vorderen met toepassing van een jurisdictionele procedure, maar dat een administratieve procedure die uitmondt in een administratieve rechtshandeling daartoe volstaat (Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/1, 26- 27).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in casu nodeloze kosten gemaakt, zoals de kosten van dagvaarding. Art. 866 Ger. W. bepaalt dat nodeloze kosten die veroorzaakt worden door toedoen van een ministerieel ambtenaar, te zijnen laste komen, In de rechtsleer wordt op goede gronden verdedigd dat het in art. 866 Ger. w .. opgenomen-principe in een proceseconomische en kostenbeheersoptiek een ruime toepassing verdient/temeer het gezien wordt als een uiting van het algemeen beginsel inzake loyauteit of goede trouw in het proces. Bepaalde rechtsleer acht het in artikel 866 Ger. W. opgenomen principe naar, analogie zelfs van toepassing op de advocaat: die optreedt als mandataris ad litem (zie B. Deconinck, "Art. 866 Gerechtelijk wetboek" in Comm.Ger., 2009, nrs. 4-7).· In die omstandigheden worden de gerechtskosten van onderhavige procedure ten laste van de eisende partij gelegd."

8. Op 19 september 2016 stuurde de raadsman van […] een afrekening met afbetalingsplan aan de raadsman van. De afrekening omvatte · 750 euro rechtsplegingsvergoeding (stuk 7..-..).

3. DE STANDPUNTENEN VORDERINGEN VAN PARTIJEN IN HOGER BEROEP

9. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie van partijen verwijst het hof naar de beroepsakte en de conclusies voor partijen.

10. In de beroepsconclusie neergelegd ter griffie op 30 januari 2017 vordert […]

samengevat:

- haar hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren,

- het bestreden vonnis teniet te doen wat betreft 'de beslissing over de gerechtskosten,

- opnieuw rechtdoende, te veroordelen. tot de kosten van het geding· aan de zijde van […]begroot op 311,91 euro dagvaardingskosten en 750 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 210 euro rolrechten en 750 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

11. In de synthese beroepsbesluiten neergelegd ter griffie op 18 . februari 2017 vordert […]

samengevat

- akte te nemen dat zij zich gedraagt naar het oordeel van het hof,

- te zeggen voor recht dat de gerechtskosten hogér beroep niet ten haren laste gelegd worden.

BEOORDELING

4.1 De toelaatbaarheld van het hoger beroep

12. Een betekening van het bestreden vonnis ligt niet voor -. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm. Het hoger beroep is bijgevolg toelaatbaar.

De gegrondheid van het hoger beroep

13. Het hoger beroep door […] is beperkt tot de beslissing van de eerste rechter over de gerechtskosten.

14. Het beschikkingsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 1138, 2· van het Gerechtelijk Wetboek, betreft een algemeen rechtsbeginsel (cf. Cass. 28 oktober 2011, F.11.0004.F, www.juridat.be).Het houdt in dat de partijen de grenzen van het geding bepalen en dat de eiser het voorwerp en de oorzaak van zijn eis bepaalt.

De rechter mag daarom oordelen noch over meer dan de eiser vordert (ultra petita), noch over . minder (infra petita), noch over niet door de eiser gevorderde zaken (extra petita).

De rechter moet, zelfs ambtshalve, de rechtsregels toepassen op de feiten die hem. regelmatig ter beoordeling voorgelegd zijn, ongeacht of die rechtsregels aanvullend, dwingend of van openbare orde zijn (Da mihi factum, dabo tibi ius) (zie C. VAN SEVEREN, Beschikkingsbeginsel vs.' taak van de rechter, noot onder Antwerpen 20 januari 2014, NJW 2015, afl. 314, 18).

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de voor hem gebrachte eisen en hij kan, ongeacht de omschrijving die de partijen eraan gegeven hebben, deze aanvullen, mits hij geen enkel geschil opwerpt waarvan de partijen het bestaan uitgesloten hebben, zijn beslissing uitsluitend grondt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling voorgelegd zijn en het voorwerp van de vordering niet wijzigt: Hij is bovendien verplicht om, met eerbiediglng van het recht van verdediging, ambtshalve alle rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door alle feiten die door de partijen in het bijzonder tot staving van hun eisen aangevoerd .zijn (zie Cass. 2,7 september 2013, C.12.0381.F, www.juridat.be).

15. Op de inleidingszitting voor de eerste rechter bestond een akkoord tussen […] en […]. Het akkoord omvatte de betaling van de kosten van de procedure (inclusief de minimumrechtsplegingsvergoeding). De eerste rechter erkende dit overigens in het bestreden vonnis

-door te onderlijnen da noch de aard, noch de hoegrootheid van de vordering betwistte.

Niettegenstaande dit akkoord wierp de eerste rechter in het bestreden vonnis een geschil op over deze kosten van de procedure waarvan de partijen het bestaan uitgesloten hadden. Op die manier statueerde de eerste rechter extra petita en miskende hij het beschikkingsbeginsel.

16. Noch uit het gerechtsdossier, noch uit het bestreden vonnis blijkt dat partijen de gelegenheid gekregen hebben hun standpunt over het al dan niet volgen van de procedure tot invordering van onbetwiste geldschulden (IOS-procedure) toe te lichten. Evenmin werden de debatten in toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek daartoe heropend, Bijgevolg werden de rechten van verdediging van partijen op dit punt miskend.

17. . Nu de miskenning van het beschikkingsbeginsel de aanleiding .vormde voor het hoger beroep, eerder dan de houding van […],en […].nog niet tot betaling overging, komt het passend voor de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep om te slaan en enkel de rolrechten in. hoger beroep ten laste van […] leggen.

5..

DE BESLISSING_

ÖP DEZE GRONDEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,.

Verklaart het hoger beroep door […] toelaatbaar en gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 15 september 2016 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde met rolnummer […] behalve wat de kosten betreft.

Veroordeelt […] tot de gerechtskosten,. begroot aan de zijde van […]

op:

- 311,91 euro dagvaardingskosten en 750 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg,

- 210 euro rolrechten In hoger beroep.

- Slaat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep om.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 22/06/2016 - 11:18
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.