-A +A

Insolvabele advocaten soms gedekt door verzekering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Advocaten die bij sommige balies zijn aangesloten zijn verzekerd tegen insolvente

Burgerlijke Rechtbank te Brussel, 24e Kamer – 24 oktober 2013, RW 2015-2016, 1313

 

K. De M. t/ NV E. en Belgische Staat, minister van Justitie

I. Feiten en voorafgaande procedure

1. Eiseres diende een aanvraag in om toegelaten te worden tot de procedure van collectieve schuldenregeling. Bij beschikking van 12 maart 2002 werd hiervoor toelating verleend door de beslagrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent.

D. (toenmalig advocaat) werd aangesteld als schuldbemiddelaar.

De minnelijke aanzuiveringsregeling voorgesteld door D. werd door de rechtbank uitvoerbaar verklaard.

2. In maart 2008 schreven de raadslieden van de schuldeisers van eiseres de beslagrechter aan.

Deze besliste bij beschikking van 17 juni 2008 dat D. diende te worden vervangen door de heer M. als schuldbemiddelaar.

3. Op 19 november 2008 heeft eiseres klacht neergelegd in handen van de procureur des Konings te Gent.

Uiteindelijk werd D. vervolgd wegens onder meer valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en misbruik van vertrouwen. Hij werd onder meer uit hoofde van de tenlastelegging misbruik van vertrouwen veroordeeld door de Correctionele Rechtbank te Gent tot een hoofdgevangenisstraf van twee jaar, waarvan een jaar effectief en een geldboete van 2.750 euro,

Op burgerrechtelijk vlak werd D. veroordeeld tot betaling aan verweerster van de som van 25.079,04 euro provisioneel.

4. Eiseres gaf aan een gerechtsdeurwaarder de opdracht om na te gaan wat de uitvoeringsmogelijkheden waren tegen de heer D. Deze zou hebben vastgesteld dat deze mogelijkheden er niet waren.

5. Eiseres is van oordeel dat beide verwerende partijen aansprakelijk zijn voor de door haar aldus geleden schade. Op 27 april 2012 ging eiseres over tot dagvaarding van verweerders voor deze rechtbank.

II. Voorwerp van de vorderingen

6. De vordering van eiseres strekt ertoe eerste en tweede verweerster solidair, minstens in solidum of de ene bij gebrek aan de andere of ieder voor zijn aandeel te veroordelen om aan eiseres te betalen het provisioneel bedrag van 25.079,04 euro te vermeerderen met de interesten vanaf de datum van het vonnis van de correctionele rechtbank van 24 november 2010 minstens vanaf de datum van ingebrekestelling. (...).

7. E. besluit tot de ongegrondheid van de vordering. Subsidiair stelt zij een tussenvordering in tegen de Belgische Staat strekkende tot vrijwaring voor alle bedragen, zo in hoofdsom, kosten en interesten waartoe zij zou worden veroordeeld.

8. De Belgische Staat besluit tot de ongegrondheid van de hoofdvordering en van de tussenvordering van E.

III. Beoordeling

...

2. Ten gronde

De hoofdvordering

Ten aanzien van E.

Argumenten van partijen

10. Volgens eiseres kan zij E. aanspreken in haar hoedanigheid van insolventieverzekeraar van de Gentse balie en is E. gehouden tot terugbetaling van de gelden die door D. werden verduisterd. Volgens eiseres zou de dekking van de polis nr. (...) zijn ingegaan op 1 januari 2003. Aan alle voorwaarden van de polis zou zijn voldaan.

11. Volgens E. is de polis waarop eiseres zich beroept een kaderpolis, afgesloten door de Orde van Vlaamse Balies. Hieruit zou evenwel niet volgen dat er enige dekking zou zijn voor de advocaten van de balie Gent. De Orde van Vlaamse Balies liet aan de balies slechts de keuze om bij de polis aan te sluiten. Meteen zou daarvoor ook een premie moeten worden betaald. De balie van Gent zou pas zijn aangesloten per 1 januari 2007.

Bovendien zou er volgens eerste verweerster toepassing moeten worden gemaakt van een uitsluiting van dekking overeenkomstig art. 3.2 van de kaderpolis, namelijk voor de feiten die dateren van vóór de aansluiting van de verzekerde. De geldafhalingen verricht door D. zouden gebeurd zijn in de periode tussen 28 augustus 2002 en 30 mei 2008. De geldafhalingen die dateren van vóór 1 januari 2007 zouden aldus niet zijn gedekt en het zou aan eiseres toekomen aan te tonen welke geldafhalingen daadwerkelijk voor dekking in aanmerking komen.

Beoordeling

12. Art. 1315 BW bepaalt, in zijn eerste lid, dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en in zijn tweede lid, dat degene die beweert bevrijd te zijn het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Art. 870 Ger.W. concretiseert die regel voor het geding.

Het komt met toepassing van deze bepalingen aan eiseres toe om aan te tonen dat een schadegeval heeft plaatsgevonden en dat het schadegeval is gedekt door de verzekeringsovereenkomst en onder de omschrijving van het risico valt.

De verzekeraar van zijn kant dient te bewijzen dat aan de voorwaarden van uitsluiting van dekking is voldaan (zie in die zin: Cass. 13 april 2007, www.cass.be; C. Van Schoubroeck, “De verzekeraar moet bewijzen dat aan de voorwaarden van de uitsluiting van dekking is voldaan”, TBH 2007, 802; B. Cattoir, Burgerlijk Bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nrs. 203-205).

13. Eiseres voert aan dat de gebeurtenis in casu gedekt is door de polis nr. (...).

Deze polis werd afgesloten tussen O. (de rechtsvoorganger van E.) en de Orde van Vlaamse Balies. Het verzekerde risico is de “insolvabiliteit van de advocaten”. De premie werd bepaald op 66.890 euro. De aanvangsdatum werd bepaald op 1 januari 2003.

Bij de definities (p. 4 van de polisvoorwaarden) wordt herhaald dat de verzekeringnemer de Orde van Vlaamse Balies is. De verzekerden worden omschreven als volgt: “Alle advocaten die zijn Ingeschreven op het tableau of op de lijst van de advocaten-stagiairs van de Ordes van Advocaten van de Vlaamse balies, of die zijn opgenomen op een EU-lijst. Zijn eveneens verzekerd de advocatenassociaties en vennootschappen waarin de verzekerden-advocaten hun beroepsactiviteit uitoefenen voor schadeverwekkende feiten begaan door de verzekerden of deze vennootschappen of associaties”. De begunstigden zijn “de personen, cliënten of derden die als rechtstreeks gevolg van een insolvabiliteit van verzekerden de sommen die hen toekomen niet kunnen ontvanger”. Insolvabiliteit ten gevolge van een oneerlijkheid wordt gedefinieerd als de toestand waarin betaling door een advocaat ophoudt te bestaan ten gevolge van bedrieglijke of oneerlijke daden van de advocaat die bestaan uit verduistering van fondsen, effecten of waarden die oorspronkelijk bestemd waren voor een derde, en die de advocaat in de onmogelijkheid brengen deze fondsen, effecten of waarden aan deze derde terug te bezorgen of te betalen.

Blijkens Titel I, art. 1 waarborgt de overeenkomst de terugbetaling van fondsen, effecten en waarden die door een verzekerde ontvangen en ontvreemd zijn ten gevolge van een oneerlijkheid begaan in de uitoefening van zijn/haar beroep,

Art. 7 van Titel II van de polis bepaalt dat de overeenkomst ingaat op de datum vermeld in de bijzondere voorwaarden om nul uur.

Overeenkomstig art. 8 van dezelfde titel gaat de verzekering in op 1 januari 2003 voor een duur van één jaar, met stilzwijgende vernieuwing voor opeenvolgende periodes van één jaar.

Uit deze bepalingen van de overeenkomst moet worden afgeleid

– dat de verzekerden van de overeenkomst alle advocaten zijn die zijn ingeschreven op het tableau of op de lijst van de advocaten-stagiairs van de Ordes van advocaten van de Vlaamse balies, of die zijn opgenomen op een EU-lijst Er is geen enkele beperking of opschortende voorwaarde bedongen in verband met de noodzaak tot aansluiting van individuele balies, opdat de leden van deze balies als verzekerden zouden kunnen worden aangemerkt.

– wat de verzekeringsovereenkomst in werking is getreden op 1 januari 2003, Hierbij werd geen enkel voorbehoud gemaakt, wat betreft het ogenblik van aansluiting van individuele balies.

In de overeenkomst wordt aldus nergens bepaald dat individuele balies nog dienden aan te sluiten en dat de dekking van de leden van de balies afhankelijk was van een beslissing van de betrokken balie om aan te sluiten bij de polis afgesloten door de Orde van Vlaamse Balies. Derhalve kan niet zonder schending van de bewijskracht van de voorgelegde overeenkomst worden aangenomen dat de verzekeringsovereenkomst op de leden van de balie van Gent pas van toepassing zou zijn vanaf 1 januari 2007.

14. Overeenkomstig art. 10, § 1 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna: “WLVO”) worden, onder voorbehoud van de bekentenis en de eed, en ongeacht het bedrag van de verbintenissen, de verzekeringsovereenkomsten alsook de wijzigingen ervan tussen partijen door geschrift bewezen. Geen enkel bewijs door getuigen of door vermoedens tegen en boven de inhoud van het geschrift is toegelaten. Deze regel lijdt uitzondering wanneer een begin van bewijs door geschrift wordt geleverd. In dat geval is het bewijs door getuigen of vermoedens toegelaten. Die wettelijke bewijsregeling geldt voor de partijen bij de verzekeringsovereenkomst, ook wanneer zij het bestaan of de conventionele wijziging van de verzekeringsovereenkomst aanvoeren tegen een derde, aangezien alleen zij in de mogelijkheid zijn zich een geschrift te verschaffen (in die zin: Cass. 30 mei 2005, www.cass.be; B. Cattoir, Burgerlijk Bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nr. 273).

Wanneer E. derhalve van mening is dat met de verzekeringnemer werd overeengekomen dat de verzekeringsovereenkomst pas in werking zou treden voor leden van een balie vanaf de aansluiting van deze balie bij de verzekeringsovereenkomst, beroept zij zich in essentie op een wijziging van de verzekeringsovereenkomst. Deze wijziging moet worden bewezen door een geschrift, dan wel door een begin van bewijs door geschrift aangevuld met getuigen of vermoedens ten aanzien van eiseres, die een derde is.

E. legt noch een geschrift van de wijziging van de verzekeringsovereenkomst, noch een begin van bewijs door geschrift voor.

De brief van 23 februari 2012 uitgaande van V., de makelaar van de Orde van Vlaamse Balies, kan niet als een begin van bewijs worden beschouwd. Deze brief maakt het beweerde feit van de wijziging niet aannemelijk (art. 1347 BW). In deze brief wordt enkel gesteld, zonder verdere toelichting dienaangaande, dat de polis pas in werking is getreden voor de balie Gent vanaf 1 januari 2007. Bovendien dateert de brief van 23 februari 2012, op een ogenblik dat het geschil tussen eiseres en E. reeds was ontstaan. Het document gaat ook niet uit van diegene tegen wie de vordering is ingesteld of de persoon door hem vertegenwoordigd in de zin van art. 1347 BW. Maar zelfs al zou deze brief als een begin van bewijs door geschrift moeten worden beschouwd, dan nog roept E. geen vermoedens of getuigen in ter vervollediging van het te leveren bewijs.

15. Uit het bovenstaande volgt dat D., van wie niet wordt betwist dat hij ten tijde van de litigieuze feiten lid was van de Gentse balie en ingeschreven was op het tableau, moet worden aangemerkt als verzekerde van de polis insolvabiliteit nr. … en dat mevrouw De M. is aan te merken als begunstigde van dezelfde polis.

Daaruit volgt eveneens dat de uitsluiting van dekking waarop E. zich beroept, slechts toepassing kan vinden in zoverre de door eiseres ingeroepen feiten dateren van vóór 1 januari 2003. Blijkens de tenlastelegging C werden de feiten door D. ten nadele van mevrouw De M. gepleegd in de periode 28 augustus 2002 tot 30 mei 2008.

16. E. betwist niet dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de waarborg (art. 2 van de polis).

E. voert evenwel het bestaan aan van een grond van uitsluiting en verval van de dekking. E. dient bijgevolg het aangevoerde feit te bewijzen (in die zin: Cass. 13 april 2007, www.cass.be; B. Cattoir, o.c., nr. 204; C. Van Schoubroeck, “De verzekeraar moet bewijzen dat aan de voorwaarden van de uitsluiting van dekking is voldaan”, TBH 2007, 802). In casu toont E. evenwel niet aan dat feiten waarvoor eiseres vergoeding vordert zouden dateren van vóór 1 januari 2003.

17. De vordering van mevrouw De M. tegen E. is bijgevolg gegrond.

Ten aanzien van de Belgische Staat

18. Eiseres stelt dat ook de Belgische Staat of één van zijn organen een fout heeft begaan.

De vordering van eiseres is gebaseerd op art. 1382 BW. Bijgevolg dient eiseres te bewijzen dat de Belgische Staat een fout heeft begaan in oorzakelijk verband met de door haar geleden schade.

Fout

Argumenten van partijen

19. Eiseres voert aan dat zij zich niet baseert op het feit dat D. onvermogend is, maar wel op fouten begaan door de beslagrechter in zijn toezicht op de procedure. De beslagrechter zou niet hebben gehandeld op de wijze die verwacht wordt van een normaal, zorgvuldig en omzichtig magistraat, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, De beslagrechter zou de hem door de wet opgelegde toezichtsopdracht niet naar behoren hebben uitgevoerd.

Eiseres verwijst naar art. 1675/17, § 3 Ger.W. Volgens eiseres volgt uit deze bepaling dat de rechter in elk stadium van het procedureverloop van de collectieve schuldenregeling diende tussen te komen. Hij zou tevens zijn belast met de bijzondere opdracht om de geldelijke rekeningen van de schuldenaar te verifiëren. Het zou vaststaan dat sinds februari 2006 geen enkel bericht of jaarverslag van de schuldbemiddelaar meer werd toegevoegd aan het gerechtsdossier. Dit werd pas vastgesteld in 2008. De fiscale aangiften en bezwaarschriften werden bovendien niet ingediend, zodat de aanslagen van ambtswege zijn gebeurd. De beslagrechter heeft nooit enige opmerking geformuleerd ten aanzien van het wanbeheer van de gelden van eiseres of het te laat indienen of ontbreken van verslagen en aangiften.

De beslagrechter had volgens eiseres vroeger kunnen ingrijpen op grond van art. 1675/17, § 4 Ger.W. De beslagrechter zou aldus zijn tekortgeschoten aan zijn wettelijke verplichtingen die mede voor een groot deel het misbruik door D. hebben vergemakkelijkt, de schuldbemiddelaar niet hebben doen afzien van zijn oneerlijke handelwijze en/of in staat te hebben gesteld de wanpraktijken niet eerder te ontdekken.

20. Volgens de Belgische Staat is niet aangetoond dat de beslagrechter een fout zou hebben begaan. De fout zou bij D. liggen en eiseres zou haar rechten al hebben kunnen laten gelden jegens D. Het niet opmerken van de afwezigheid van de jaarverslagen zou geen fout uitmaken van de beslagrechter of de Belgische Staat. Indien eiseres onregelmatigheden vaststelde, had zij de beslagrechter hiervan op de hoogte kunnen stellen.

Beoordeling

21. De fout van een magistraat waarvoor de Staat op basis van art. 1382 en 1383 BW aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behalve in geval van een onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, bovendien het rechtstreekse voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Hiermede moet de toestand worden gelijkgesteld waarin de benadeelde buiten zijn toedoen tegen de litigieuze handeling geen rechtsmiddel kan aanwenden omdat de beslissing zelf is ingetrokken en de gelaedeerde juridisch geen aantoonbaar belang meer heeft om nog te vragen dat de litigieuze beslissing zou worden opzijgeschoven (in die zin: Cass. 5 juni 2008, RW 2008-09, 800, noot A. Van Oevelen).

Art. 1675/17, § 3 en § 4 Ger.W. luidde op het ogenblik van de feiten als volgt:

“§ 3. De rechter ziet toe op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. Stelt hij een verzuim vast in hoofde van de schuldbemiddelaar, dan geeft hij hiervan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks kan meebrengen of aan de in § 1, tweede streepje van dit artikel bedoelde bevoegde overheid.

“Ieder jaar, telkens de rechter het verzoekt en op het einde van de aanzuiveringsregeling maakt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over omtrent de stand van de procedure en haar verloop.

“De staat van kosten, ereloon of emolumenten bedoeld in artikel 1675/19 wordt opgenomen op het einde van het verslag.

“De schuldenaar en de schuldeisers kunnen kennisnemen van dit verslag ter griffie en zonder verplaatsing.

“§ 4. In geval van verhindering van de schuldbemiddelaar voorziet de rechter ambtshalve in diens vervanging. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van iedere belanghebbende, te allen tijde en zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt, de schuldbemiddelaar vervangen. De schuldbemiddelaar wordt vooraf opgeroepen om in raadkamer te worden gehoord”.

Uit deze bepalingen volgt dat de beslagrechter toezicht houdt op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. Hij kan meer bepaald de volgende maatregelen nemen in het kader van zijn toezicht:

– hij geeft kennis van een vastgesteld verzuim van de schuldbemiddelaar aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen dit kan meebrengen;

– hij kan verzoeken dat de schuldbemiddelaar een verslag opstelt over de stand van de procedure en haar verloop;

– hij kan ambtshalve overgaan tot vervanging van de schuldbemiddelaar “zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt”.

De beslagrechter is, gelet op de schaarse beschikbare middelen en de hoeveelheid lopende dossiers, evenwel noodzakelijkerwijze aangewezen op informatie van de schuldenaar, van de schuldeisers of van derden, om een ambtshalve optreden ten aanzien van de schuldbemiddelaar te verantwoorden. Van een normaal zorgvuldig en omzichtig beslagrechter kan geen dagelijkse opvolging van alle lopende dossiers worden verwacht.

De beoordeling van de vraag of de beslagrechter een fout heeft begaan door niet op te treden jegens D., moet worden beoordeeld op grond van de informatie en inlichtingen waarover hij beschikte op dat ogenblik, zonder rekening te houden met de feiten die pas later aan het licht zijn gekomen.

Over welke informatie de beslagrechter precies kon beschikken, blijkt niet uit de voorgelegde stukken. Met name wordt het rechtsplegingsdossier van de collectieve schuldenregeling niet voorgelegd.

Het staat evenwel vast dat de beslagrechter werd aangeschreven op 20 en 28 maart 2008 door schuldeisers van eiseres en dat sinds februari 2006 geen bericht of jaarverslag meer werd toegevoegd aan het gerechtsdossier. Op 20 maart 2008 deelde de raadsman van de Belgische Staat aan de beslagrechter mee dat er een aanzienlijke belastingschuld was ontstaan, dat de herziening van de minnelijke aanzuiveringsregeling na de weigering tot goedkeuring door de FOD Financiën niet werd aangepast en dat er evenmin een gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd aangevraagd. Op 28 maart 2008 schreef de raadsman van NV U. dat zijn cliënt geen teken van leven meer mocht ontvangen van de schuldbemiddelaar. Na ontvangst van deze brieven heeft de beslagrechter ambtshalve de schuldbemiddelaar vervangen.

Het enige element dat de beslagrechter ertoe had kunnen aanzetten om eerder in te grijpen dan 17 juni 2008, was het ontbreken van een jaarlijks verslag. Wanneer het laatste verslag van D. werd neergelegd, wordt door eiseres niet verduidelijkt. Aangenomen dat het laatste verslag dateert van 20 februari 2006 (de laatste dag waarop er een bericht of een jaarverslag werd toegevoegd), diende aldus uiterlijk op 20 februari 2007 en 20 februari 2008 een nieuw jaarverslag te worden neergelegd. Het gebeurlijk niet opmerken van de afwezigheid van één of meer jaarverslagen die door de wet zijn voorgeschreven, kan niet als een fout worden aangemerkt, omdat van een normaal en omzichtig beslagrechter niet kan worden verwacht dat hij alle lopende dossiers dagelijks opvolgt. Uit de enkele afwezigheid of laattijdigheid van deze verslagen, die door eiseres overigens zelf had kunnen worden vastgesteld en medegedeeld aan de beslagrechter, diende de beslagrechter evenmin af te leiden dat de schuldbemiddelaar zich schuldig maakte aan enig verzuim of onregelmatigheid in de uitvoering van zijn opdracht, laat staan dat het duidelijk moest zijn dat de schuldbemiddelaar bezig was met het plegen van misdrijven. Eiseres toont niet aan dat elk normaal zorgvuldig en omzichtig beslagrechter onmiddellijk bij het opmerken van de afwezigheid van één of meer jaarverslagen het nodige zou hebben gedaan om de schuldbemiddelaar ertoe aan te zetten zijn jaarverslag of een ad hoc-verslag neer te leggen. De wet legt aan de beslagrechter immers geen verplichting op om in dat geval op te treden, zodat hij dienaangaande over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. Uit niets blijkt dat de beslagrechter over elementen beschikte om aan te nemen dat de schuldbemiddelaar tekortkwam aan de hem toevertrouwde opdracht. Evenmin blijkt dat de beslagrechter hiervan op de hoogte zou zijn gesteld door eiseres of schuldeisers, zodat hij redelijkerwijze mocht aannemen dat er geen problemen waren. Ten slotte kon het verzuim een jaarlijks verslag neer te leggen ook niet worden beschouwd als een omstandigheid die de vervanging van de schuldbemiddelaar “volstrekt noodzakelijk” maakte.

Uit de conclusie van eiseres kan worden afgeleid dat de aan de beslagrechter verweten fout te situeren is in de periode tussen februari 2006 en juni 2008. Bij gebrek aan voorlegging van het rechtsplegingsdossier van de collectieve schuldenregeling, is niet aangetoond dat de beslagrechter reeds vóór 20 februari 2006 had moeten optreden, niettegenstaande op dat ogenblik wel degelijk nog verslagen en berichten werden toegevoegd aan het dossier.

Weliswaar had de beslagrechter de schuldbemiddelaar kunnen aansporen om tijdig zijn verslag in te dienen aangaande de stand en het verloop van de procedure. Het is echter hoogst onzeker dat, indien D. zijn verslagen tijdig had neergelegd, hieruit zou zijn gebleken dat hij zich schuldig maakte aan onregelmatigheden. Uit de tenlasteleggingen waarvoor D. werd veroordeeld, blijkt afdoende dat hij er niet voor terugschrok om valsheid in geschrifte te plegen om de ontdekking van zijn misdrijven te verbergen of verborgen te houden.

Het is niet aangetoond dat de beslagrechter beschikte over andere inlichtingen of gegevens die een ambtshalve optreden konden verantwoorden. Met name blijkt niet dat de beslagrechter wist of moest weten dat de aangiften in de personenbelasting laattijdig zouden zijn geschied of dat de bezwaarschriften laattijdig werden ingediend of dat aanslagen van ambtswege werden gevestigd ten laste van eiseres.

In elk geval is niet aangetoond dat er op basis van de beschikbare gegevens een volstrekte noodzaak bestond om over te gaan tot vervanging van D.

22. Het was overigens in de eerste plaats aan eiseres om, wanneer zij kennis heeft genomen van verzuimen of onregelmatigheden van de schuldbemiddelaar, haar rechten te vrijwaren, de beslagrechter op de hoogte te brengen van deze feitelijkheden en in voorkomend geval de vervanging van de schuldbemiddelaar overeenkomstig art. 1675/17, § 4 Ger.W. te benaarstigen. Zo kan eiseres niet onwetend zijn geweest van de aanslagen van ambtswege die ten laste van haar werden gevestigd of van de verkoop van een onroerend goed waarin zij deelgerechtigd was.

De Belgische Staat verwijst voorts nog terecht naar de verklaring van eiseres in het kader van het strafonderzoek ten laste van D. dat zij “van in het begin” geen zicht kreeg op een stand van zaken, dat zij van D. geen overzicht van de betalingen en de inkomsten kon krijgen en dat zij “al heel snel” had moeten vaststellen dat D. haar schuldeisers niet betaalde. Toch ondernam eiseres niets. Zij liet de zaken op hun beloop. Ook de vervanging van de schuldbemiddelaar in juni 2008 is er niet gekomen op verzoek van eiseres.

Voorts blijkt uit de beschikking van de beslagrechter van 17 juni 2008 dat eiseres zelf met medeweten van de schuldbemiddelaar haar inkomsten ontving en instond voor het beheer binnen de collectieve schuldenregeling. Eiseres heeft hiervan kennelijk op geen enkel ogenblik kennis gegeven aan de beslagrechter, hoewel zij niet ernstig kan beweren niet op de hoogte te zijn geweest van de precieze draagwijdte van de collectieve schuldenregeling, onder meer de onbeschikbaarheid van haar vermogen (art. 1675/7, § 1 Ger.W.).

23. Aldus is niet aangetoond dat de beslagrechter in casu niet zou hebben gehandeld als een normaal en omzichtig magistraat geplaatst in dezelfde omstandigheden.

De tussenvordering

29. Subsidiair vordert E. dat de Belgische Staat zou worden veroordeeld tot vrijwaring van E.

Volgens E. zou de Belgische Staat niet aantonen dat aan toezichtsplicht werd tegemoetgekomen. Indien op zorgvuldige en gepaste wijze zou zijn toegezien op de handelingen van de schuldbemiddelaar, zouden de wanpraktijken van D. zeker vanaf 1 januari 2007 voorkomen zijn geweest en zou zij nooit gehouden zijn geweest tot het verlenen van een waarborg bij insolvabiliteit.

30. Uit het bovenstaande volgt dat aan de Belgische Staat geen fout kan verweten worden (…).

Bijgevolg moet de tussenvordering worden afgewezen als ongegrond.

Rechtspraak: 

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 24 september 2008, RW 201-2011, 870

Samenvatting:

De partijen bij een verzekeringscontract dienen het schriftelijk bewijs te leveren van het bestaan van of de wijzigingen in een verzekeringsovereenkomst, dit zowel tegenover elkaar als tegenover derden.

Maar deze regel is niet van toepasselijk op de derde zelf die, wanneer hij een verzekeringsovereenkomst aanvoert die de schade dekt die hij heeft geleden, en de hoofdelijke veroordeling vordert van de aansprakelijke en diens verzekeraar, tegen hen het bestaan van de overeenkomst mag bewijzen met alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens.

Tekst van het arrest:

NV F.I.B. t/ d.B.d.W.P. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Namen van 15 april 2008.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eiseres

Eerste middel

Het middel voert de schending aan van art. 10 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in zoverre de appelrechters, om de waarborg bewezen te verklaren die de eiseres verschuldigd is, zich baseren op een verklaring van een politieman betreffende het bestaan van de overeenkomst, hoewel het vonnis voor het overige toegeeft dat het verzekeringscertificaat niet werd voorgelegd.

Krachtens de wettelijke bepaling waarvan de schending wordt aangevoerd, wordt de verzekeringsovereenkomst tussen partijen door geschrift bewezen, omdat geen enkel bewijs door een getuige of door een vermoeden tegen en boven de inhoud van het geschrift is toegelaten, behalve wanneer een begin van bewijs door geschrift wordt geleverd.

Aangezien de partijen bij een verzekeringsovereenkomst de enigen zijn die zich een geschrift van de overeenkomst kunnen verschaffen, zijn zij onderworpen aan de wettelijke voorwaarde van het schriftelijk bewijs, dat zij dienen te leveren wanneer zij het bestaan aanvoeren van een verzekeringsovereenkomst of van wijzigingen in de overeenkomst, zowel tegenover elkaar als tegenover derden.

Deze regel is niet van toepassing op de derde zelf die, wanneer hij een verzekeringsovereenkomst aanvoert die de schade dekt die hij heeft geleden, en de hoofdelijke veroordeling vordert van de aansprakelijke en diens verzekeraar, tegen hen het bestaan van de overeenkomst met alle middelen van recht mag bewijzen, met inbegrip van getuigen en vermoedens.

Het middel faalt naar recht.

...

• Hof van Cassatie 1e Kamer – 24 april 2014, RW 2014-2015, 1188

AR nr. C.13.0271.N

Vennootschap naar Duits recht A.G.C. & S. t/ NV A.B. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 16 november 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

...

Tweede onderdeel

Eerste subonderdeel

7. Krachtens art. 87, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar voor de niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst tegenwerpen aan de benadeelde voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat.

Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat de verzekeraar in de niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekering de verweermiddelen die betrekking hebben op het bestaan en de draagwijdte van de verzekeringsovereenkomst kan tegenwerpen aan de benadeelde.

8. Het subonderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

...

Vierde subonderdeel

13. Krachtens art. 2247 BW wordt de stuiting van de verjaring voor niet bestaande gehouden indien de eiser afstand doet van zijn eis.

14. In zoverre het subonderdeel ervan uitgaat dat art. 2247 BW enkel doelt op een afstand van recht in de zin van art. 821 Ger.W., faalt het naar recht.

15. Krachtens art. 826, tweede lid Ger.W. maakt de afstand van geding de stuiting van de verjaring niet ongedaan wanneer hij gegrond is op de onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is en dezelfde akte dagvaarding voor de bevoegde rechter inhoudt.

16. De appelrechters die oordelen dat niet blijkt dat de verjaring van de vordering op rechtsgeldige wijze werd gestuit omdat de brief van de raadsman van de eiseres van 13 november 2001 niet vermeldt dat de procedure voor een welbepaalde rechtbank zal worden hervat, zelfs niet dat ze voor de Belgische rechtbank zal worden hervat, en dit evenmin blijkt uit de beslissing van het Landgericht Darmstadt van 27 maart 2002, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het subonderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

17. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de appelrechters art. 1 en 826 Ger.W. schenden door deze bepalingen toe te passen op een procedure voor de Duitse rechtbank, zonder op te komen tegen hun oordeel dat de verjaring van de vordering van de eiseres beheerst wordt door het Belgisch recht, kan het niet tot cassatie leiden en is het mitsdien niet ontvankelijk.

18. Krachtens art. 1 regelt het Gerechtelijk Wetboek de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.

19. Deze bepaling regelt niet de toepassing van de afstand naar Duits procesrecht.

In zoverre het subonderdeel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

20. Voor het overige gaat het subonderdeel ervan uit dat de appelrechters art. § 269 ZPO (Zivilprozessordnung) verkeerd hebben geïnterpreteerd.

21. Uit het arrest blijkt niet dat de appelrechters toepassing hebben gemaakt van voormeld artikel.

Het subonderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

22. Krachtens art. 28 Verzekeringswet 11 juni 1874 kan de verzekering geen gevolg hebben wanneer de verzekerde zaak niet aan het risico blootgesteld is geweest of wanneer de schade reeds bestond ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

Hieruit volgt dat de verzekering geen gevolg kan hebben wanneer het risico zich reeds heeft gerealiseerd ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. In de aansprakelijkheidsverzekering is voor de realisering van het risico niet vereist dat de aansprakelijkheid reeds vaststaat op het ogenblik van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

...
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 14/04/2016 - 15:00
Laatst aangepast op: za, 16/04/2016 - 16:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.