-A +A

Inkorting interest op genoten vruchten vanaf datum overlijden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

In de gevallen waarbij de in waarde geschiedt, kunnen op grond van art. 928 BW op het in te korten bedrag, dat in de plaats komt van de inkorting in natura, interesten worden toegekend. De rechter bepaalt daarbij de interestvoet in overeenstemming met de waarde van de vruchten die in geval van inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moeten worden teruggegeven. De rechter is niet verplicht om de wettelijke interestvoet toe te passen.

UIttreksel uit het burgerlijk wetboek

Art. 856. De vruchten en de interesten van aan inbreng onderworpen zaken zijn eerst verschuldigd te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen.

Art. 928. De begiftigde moet de vruchten van hetgeen het beschikbaar gedeelte overschrijdt, teruggeven, te rekenen van de dag van het overlijden van de schenker, indien de vordering tot inkorting binnen het jaar is ingesteld; anders, te rekenen van de dag van de vordering.

Rechtspraak

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 17 maart 2016, RW 2016-2017, 654, AR nr. C.15.0244.N

K.R. t/ B.R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 8 januari 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Art. 928 BW bepaalt dat de begiftigde de vruchten van hetgeen het beschikbaar gedeelte overschrijdt, moet teruggeven, te rekenen van de dag van het overlijden van de schenker, indien de vordering tot inkorting binnen het jaar is ingesteld, anders, te rekenen van de dag van de vordering.

Wanneer de inkorting in waarde geschiedt, kunnen op grond van deze bepaling op het in te korten bedrag, dat in de plaats komt van de inkorting in natura, interesten worden toegekend.

De rechter bepaalt daarbij de interestvoet in overeenstemming met de waarde van de vruchten die in geval van inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moeten worden teruggegeven.

Geen enkele wetsbepaling verplicht de rechter om de wettelijke interestvoet toe te passen.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– notaris S. in zijn staat van vereffening en verdeling vooropstelde dat de fictieve massa van de nalatenschap van wijlen C. R. bestaat uit rechtstreekse en onrechtstreekse schenkingen aan de eiser die, gelet op de wettelijke reserve, dienden ingekort te worden, dat deze inkorting in waarde diende te geschieden en dat op de in te korten bedragen interest aan de wettelijke interestvoet kon worden toegekend;

– de eiser met betrekking tot de interest bezwaar formuleerde en daarbij onder meer opwierp dat deze interesten niet aan de wettelijke maar aan een lagere marktinterestvoet van 2,5 % per jaar moeten worden gerekend.

3. De appelrechters oordelen dat de op de in te korten bedragen verschuldigde interesten niet aan de gemiddelde marktinterest van 2,5 % per jaar volgens de eiser of 4 % per jaar volgens de eerste rechter, maar aan de wettelijke interestvoet moeten worden toegekend.

Door aldus te oordelen dat in geval van inkorting in waarde op de in te korten bedragen steeds interest aan de wettelijke interestvoet moet worden toegekend, schenden zij art. 928 BW.

Het middel is gegrond.
 

Franse term: 
raccourcissement
Gerelateerd
Nog dit: 

Hof van Beroep te Brussel, 1e Kamer – 24 september 2013, RW 2014-2015;.145

samenvatting

De procedure tot inkorting van legaten en schenkingen kan principeel worden ingesteld middels de procedure tot inkorting. Deze procedure is vergelijkbaar met de gemeenrechtelijke vordering tot inkorting ter bescherming van de erfrechtelijke reserve (art. 921 e.v. BW).

De vordering tegen een derde begiftigde in het raam van de bijzondere rechtspleging van gerechtelijke verdeling van de nalatenschap is ontvankelijk in de mate dat ze ertoe strekt de inkorting in de zin van art. 921 BW te vragen van goederen die als legaat of bij wijze van schenking aan een derde begiftigde zouden zijn vermaakt om niet, omdat in dit geval het beschikbaar deel van de fictieve massa reeds volledig is uitgeput ingevolge de algemene contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract (art. 1083 en 1093 BW). Een vraag tot inkorting is virtueel begrepen in de algemene eis tot vereffening-verdeling.

Het komt aan de boedelnotaris toe om als “eerste rechter”, overeenkomstig zijn beroepsplichten, de hangende geschilpunten m.b.t. de gerechtelijke vereffening en verdeling, inclusief de overlegging van de stukken door partijen, zelf te beslechten.

tekst arrest


A.C. t/ P.T. e.a.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat (1) de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaart; (2) de vereffening en verdeling beveelt van de nalatenschap van de h. R.G. alsook van de huwgemeenschap van mevr. T. en wijlen de h. R.G.; (3) notaris P. Coppieters ’t Wallant aanstelt om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling, notaris G. Jansen belast met de bevoegdheden overeenkomstig art. 1209, § 3 Ger.W.; (4) de tegenvordering van appellante ongegrond verklaart.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, bijgevolg geïntimeerden te veroordelen tot afgifte van volgende documenten conform art. 877 Ger.W., namelijk (1) het deurwaardersexploot dat begin jaren ’90 op verzoek van P.T. met als toenmalige raadsman, mr. De Ridder te Antwerpen, werd betekend aan wijlen de h. R.G. en (2) alle andere documenten betreffende dringende en voorlopige maatregelen, feitelijke scheiding of echtscheiding tussen P.T. en wijlen R.G.

...

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep, indien het ontvankelijk is.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. P.T., eerste geïntimeerde, huwde met de h. R.G. onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, volgens huwelijkscontract verleden op 4 juni 1955 voor notaris Van Zeebroeck te Antwerpen.

R.G. is overleden te Leuven op 29 april 2008.

P.G., M.J.G., B.G. en G.G., geïntimeerden sub 2 tot 5, zijn de kinderen van de echtgenoten G.-T.

5. Appellante was de vriendin van wijlen de h. R.G. met wie zij tot de datum van zijn overlijden samenwoonde. De feitelijke scheiding van de echtgenoten G.-T. zou teruggaan tot begin van de jaren ’90.

6. Bij exploot van 19 januari 2009 hebben geïntimeerden appellante gedagvaard voor de eerste rechter. Zij vorderden de vereffening en verdeling te bevelen van de nalatenschap van de h. R.G. en de aanstelling van notarissen. Zij vorderden bovendien voor recht te zeggen dat de verschillende transacties, rechtstreeks en onrechtstreeks, ten voordele van appellante voor een totaal bedrag van minstens 917.283,91 euro (onrechtstreekse dan wel vermomde) schenkingen uitmaken, primair voor eerste geïntimeerde de nietigheid te bevelen van deze schenkingen die een schending uitmaken van de regels van het huwelijksvermogensrecht, primair voor geïntimeerden sub 2 tot 5 de inkorting te bevelen tot beloop van het bedrag dat een aantasting vormt van hun erfrechtelijke reserve, subsidiair voor eerste geïntimeerde de inkorting te bevelen tot beloop van het gedeelte dat een aantasting vormt van de contractuele erfstelling voor het grootst beschikbaar deel in volle eigendom, minstens tot beloop van het gedeelte dat een aantasting vormt van haar erfrechtelijke reserve, subsidiair voor geïntimeerden sub 2 tot 5, de inkorting te bevelen tot beloop van het bedrag dat een aantasting vormt van hun erfrechtelijke reserve.

In de loop van de procedure voor de eerste rechter hebben geïntimeerden bij eisuitbreiding tevens de vereffening en verdeling gevorderd van de huwgemeenschap van mevr. T. en wijlen de h. R.G.

Geïntimeerden vorderden bovendien appellante te veroordelen tot voorlegging van een aantal documenten.

III. Bespreking

7. De eerste rechter heeft geoordeeld dat geïntimeerden wel degelijk beschikken over de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang en dat hun vordering ontvankelijk was.

Hij oordeelde dat de vereffening en verdeling diende te worden bevolen, gelet op de ingestelde vordering tot inkorting en de noodzaak om de fictieve massa vast te stellen. De overige vorderingen zouden dan eerst door de boedelnotaris worden onderzocht en behandeld.

8. Appellante blijft de ontvankelijkheid, minstens de toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden betwisten. Zij betwist testamentair erfgenaam te zijn en voert aan dat de h. R.G. testamentloos overleden is. Het document dat geïntimeerden voorleggen zou geen geldig testament zijn. Er zou bijgevolg geen onverdeeldheid tussen partijen bestaan.

Subsidiair laat appellante gelden dat het merendeel van de goederen van de h. R.G. werd ondergebracht in een trust, genaamd “D.”, op 5 januari 1994 opgericht op en beheerd volgens de regels van The Isle of Man. Het hof zou bijgevolg zonder rechtsmacht zijn om kennis te nemen van een geschil m.b.t. de goederen van deze trust.

Voorts betwist appellante de gegrondheid van de vordering van geïntimeerden en blijft zij aandringen op de voorlegging van de hierboven opgesomde documenten.

1o Bevoegdheid

9. Volgens appellante zou de rechtbank, en thans het hof, onbevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering bij gebrek aan internationale rechtsmacht, gelet op de omstandigheid dat de overledene het merendeel van zijn goederen heeft ondergebracht in een trust opgericht volgens de regels van The Isle of Man.

Uit de notariële akte van neerlegging van het testament van 24 november 2010, verleden voor notaris Michiels te Aarschot, en uit de aangifte van nalatenschap blijkt dat de h. G. overleden is te Leuven op 29 april 2008 en dat hij zijn laatste woonplaats, in de zin van art. 110 BW, had te Aarschot, (...).

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, en thans het hof, zijn te dezen bevoegd krachtens art. 627, 3o Ger.W., als zijnde de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, wanneer het gaat om rechtsvorderingen tot verdeling en, tot bij de vereffening, om rechtsvorderingen tot opvordering van nalatenschappen en alle andere rechtsvorderingen tussen mede-erfgenamen of legatarissen.

Met toepassing van art. 77, 1o WIPR zijn de Belgische rechters bovendien bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende erfopvolging indien, zoals te dezen, de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats in België had.

De omstandigheid dat wijlen de heer G. goederen in een buitenlandse trust heeft ondergebracht, brengt geen wijziging aan deze bevoegdheidsregels.

De exceptie van onbevoegdheid wordt afgewezen.

2o Ontvankelijkheid, toelaatbaarheid van de vordering

10. Appellante voert aan dat de vordering van geïntimeerden om de huwelijksgemeenschap tussen de echtgenoten G. en T., enerzijds, en de nalatenschap van de h. G., anderzijds, te doen vereffenen en verdelen, gegrond op art. 815 BW, niet tegen haar kan worden gericht, nu zij noch erfgename noch echtgenote is of was van wijlen de heer G.

11. Vooraf zij beklemtoond dat bij het huwelijkscontract, verleden op 4 juni 1955, de echtgenoten G.-T. het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een vennootschap van aanwinsten hebben aangenomen. Art. 8 van dit huwelijkscontract luidt:

“De aanstaande echtgenoten verklaren zich wederzijds gift te doen, de eerststervende aan de langstlevende, van de volle eigendom van alle roerende en onroerende goederen, die hij op de dag van zijn overlijden zou nalaten, met recht van genot en beschikking vanaf dien dag.

“In geval vermindering zou worden toegepast ten bate van de erfgenamen, in voordeel van wie de wet een voorbehouden deel heeft ingesteld, zal deze schenking alleszins begrijpen de grootste delen zo in volle eigendom als in vruchtgebruik, waarover de wet toelaat te beschikken in voordeel van zijn echtgenoot.

“Voor de uitoefening van elk vruchtgebruik uit deze akte spruitend, wordt de begiftigde vrijgesteld van borg te stellen en van aanleg te doen.

“Deze schenking wordt door beide aanstaande echtgenoten aangenomen”.

Een dergelijke algehele contractuele erfstelling kan in principe niet ongedaan worden gemaakt noch eenzijdig herroepen worden door één echtgenoot. Een geldige wijziging of herroeping vereist immers de toestemming van beide echtgenoten (art. 1083 juncto art. 1093 en 1394 BW). De sanctie hiervan ligt in de vernietigbaarheid van de rechtshandeling gesteld in strijd met art. 1083 BW of in de inkorting in geval van overschrijding van het beschikbaar deel ter bescherming van het voorbehouden erfdeel van reservataire erfgenamen.

Vanuit die optiek zijn te dezen de betwistingen nopens het bestaan of de draagwijdte van testamentaire beschikkingen (legaten) of schenkingen ten gunste van appellante nogal relatief, omdat alle schenkingen of legaten vatbaar voor inkorting zijn.

12. Een vordering tot inkorting tegen een derde begiftigde vereist in principe dat de fictieve massa wordt gevormd, zodat de reserve en het beschikbaar deel cijfermatig en precies worden bepaald (art. 922 BW).

Overigens worden bij de gerechtelijke verdeling en vereffening in principe slechts de erfopvolgers/deelgenoten in de nalatenschap betrokken als partij. Appellante is geen deelgenoot; zij heeft geen breukdeel of onverdeeld aandeel in de nalatenschap van de heer G.; zij deed ook geen verzet in de zin van art. 882 BW.

De inkorting van eventuele legaten en eventuele schenkingen kan in principe ingesteld worden bij een specifieke procedure van inkorting, vergelijkbaar met de gemeenrechtelijke vordering tot inkorting ter bescherming van de erfrechtelijke reserve geregeld in art. 921 e.v. BW.

In het bestreden vonnis beklemtoonde de eerste rechter dat de vordering in vereffening en verdeling ingesteld werd, “gelet op de betwistingen tussen partijen inzake de vordering tot nietigheid dan wel inkorting ten laste van mevrouw C. ...”.

En verder: “daar mevrouw C. echter niet betwist dat zij deze goederen heeft ontvangen bij handgift van wijlen de heer Roger G., dient te worden overgegaan tot het vaststellen van de fictieve massa. Art. 922 BW is immers van toepassing op legaten als op schenkingen. De vordering tot vereffening-verdeling is dan ook gegrond en kan worden toegekend”.

Het hof bevestigt op dit punt het bestreden vonnis. De principes inzake proceseconomie, goede rechtsbedeling en verband tussen beide vorderingen ingevolge art. 922 BW betreffende de samenstelling van de fictieve massa (ook met schenkingen of legaten ten voordele van derden) wettigen dat de vordering tot inkorting tegen dergelijke begunstigde derden, en uitgaande van reservataire erfgenamen van de overledene, in voorkomend geval beslecht wordt in het raam van dezelfde bijzondere rechtspleging van de vereffening en verdeling van diens nalatenschap. Dit geldt mutatis mutandis ook voor een vordering tot inkorting naar aanleiding van het bestaan van een algemene contractuele erfstelling tussen aanstaande echtgenoten gedaan bij huwelijkscontract, ten voordele van de langstlevende van hen.

De vordering tegen appellante in het raam van de bijzondere rechtspleging van gerechtelijke verdeling van de nalatenschap van R.G. tussen diens weduwe en de kinderen, dus de deelgenoten, is dus ontvankelijk of toelaatbaar in de mate dat ze ertoe strekt de inkorting (in de zin van art. 921 e.v. BW) te vragen van goederen die als legaat of bij wijze van schenking aan appellante, oorspronkelijke verweerster, zouden zijn vermaakt om niet, omdat in huidig geval het beschikbaar deel van de fictieve massa reeds volledig is uitgeput ingevolge de algemene contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract (art. 1083 en 1093 BW). Overigens, een vraag tot inkorting is virtueel begrepen in de algemene eis tot vereffening-verdeling.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid wordt dan ook afgewezen.

3o Ten gronde

13. De betwistingen ten gronde van appellante zijn kennelijk voorbarig.

Het zal immers de boedelnotaris behoren om als “eerste rechter”, overeenkomstig zijn beroepsplichten, de hangende geschilpunten m.b.t. de gerechtelijke vereffening en verdeling, inclusief de overlegging van stukken door partijen, zelf te beslechten.

Het hoger beroep is ongegrond.

...

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 05/02/2017 - 12:40
Laatst aangepast op: zo, 05/02/2017 - 12:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.