-A +A

Informatieverstrekking door gerecht aan de pers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Gezamenlijke omzendbrief van de minister van Justitie en het College van procureurs-generaal de dato 30 april 1999 betreffende de informatieverstrekking aan de pers door de gerechtelijke overheden en de politiediensten gedurende de fase van het vooronderzoek.

I. RICHTLIJNEN

1. Algemene bepalingen

1.1 Voor de toepassing van deze richtlijnen wordt verstaan onder:
1) vooronderzoek: de onderzoeksfase die zich situeert vóór de rechtszitting van het vonnisgerecht en twee vormen kan aannemen:

  • een opsporingsonderzoek dat onder de leiding van de procureur des Konings wordt gevoerd en het geheel van de handelingen is die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering;
  • een gerechtelijk onderzoek dat onder de leiding van de onderzoeksrechter verloopt en het geheel van de handelingen is die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen;

2) onderzoeksrechter: de gevorderde onderzoeksrechter die overeenkomstig de wet van 12 maart 1998 al dan niet toestemming geeft aan de procureur des Konings om, indien het openbaar belang het vereist, de pers te woord te staan met betrekking tot een gerechtelijk onderzoek;
3) procureur des Konings: de korpsoverste van het openbaar ministerie die, indien het openbaar belang het vereist, de pers te woord staat;
4) perswoordvoerder van het parket: de magistraat van het openbaar ministerie die gemachtigd is om mededelingen te doen aan de pers;
5) politiediensten: de federale politie, de korpsen van de lokale politie en de bijzondere politie- en inspectiediensten;
6) perswoordvoerder van de politie: het personeelslid van de politie, gemachtigd om de pers te woord te staan;
7) pers: de journalisten, het technisch personeel en het redactioneel hulppersoneel van de binnenlandse en buitenlandse gedrukte, audiovisuele en electronische media;
8) delegatie: de specifieke of permanente machtiging verleend door de procureur des Konings aan de politiewoordvoerder bedoeld in 6.


1.2 Deze richtlijnen zijn gericht aan:

  • de leden van het openbaar ministerie en de personeelsleden van de politiediensten bedoeld in 1.1.5;
  • de leden en het personeel van de parketsecretariaten en de leden van de griffies voor zover zij taken uitvoeren onder leiding van het parket.

1.3 Deze richtlijnen zijn van toepassing op onderzoeksdaden in het raam van een vooronderzoek die ertoe strekken misdrijven en hun daders op te sporen, de bewijselementen te verzamelen en strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken .

1.4 De procureur des Konings waakt over de goede uitvoering, ten allen tijde, van deze omzendbrief.
Hij zorgt voor de organisatie van de informatiedoorstroming tussen de perswoordvoerder van het parket, de andere parketmagistraten en de perswoordvoerder van de politie.

1.5 Deze richtlijnen kunnen vanzelfsprekend niet anticiperen op alle mogelijke situaties die zich kunnen voordoen.

2. Doelstellingen van de omzendbrief

2.1 De omzendbrief regelt de informatieverstrekking door de parketten en de bevoegde politiediensten over vooronderzoeken aan de pers.
Hij beoogt een uniforme, praktische invulling te geven aan het wettelijk kader ter zake, zoals neergelegd in de wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek van 12 maart 1998, de wet 'Franchimont'.

2.2 De omzendbrief beoogt een evenwichtige relatie tussen gerechtelijke autoriteiten en pers op het vlak van de informatieverstrekking.
De opportuniteit van het verstrekken van informatie en de inhoud ervan moeten steeds beoordeeld worden in functie van het algemeen belang.
Dit algemeen belang moet de resultante zijn van een afweging, noodzakelijkerwijs door het parket, van de belangen van een behoorlijke rechtsbedeling en de belangen van een goede informatiedoorstroming .

2.2.1 De perswoordvoerder waakt erover dat het belang van het onderzoek niet wordt geschaad. Tevens zal hij bij de informatieverstrekking respect opbrengen voor de particuliere rechten van verdachten, slachtoffers en getuigen.

2.2.2 De perswoordvoerder zal binnen de grenzen bedoeld in 2.2.1 respect opbrengen voor het recht op informatie. Bovendien kan het onderzoek gebaat zijn bij een correcte informatievoorziening.

2.2.3 Een adequate informatieverstrekking draagt bij tot het vertrouwen van de bevolking in de gerechtelijke instellingen.

3. Algemeen principe

De informatieverstrekking aan de pers inzake vooronderzoeken behoort tot de bevoegdheid van de procureur des Konings, in voorkomend geval na instemming van de onderzoeksrechter .
Deze basisregel kadert in de voor deze materie relevante krachtlijnen van de wet van 12 maart 1998, met name:

  • het geheim karakter van het gecodificeerde vooronderzoek en de wettelijke uitzonderingen;
  • het versterkte gezag van de procureur des Konings over de politiediensten en de verduidelijking van hun respectieve plichten.

Wanneer de procureur des Konings informatie verstrekt aan de pers moet hij eerst en vooral nagaan of de vraag binnen zijn bevoegdheid valt, en of de feiten zich situeren binnen een vooronderzoek.
Indien hij niet bevoegd is, zal hij in de mate van het mogelijke doorverwijzen.
Zo kan hij doorverwijzen naar de persrechter, de procureur-generaal, de Hoge Raad voor de Justitie, de minister van Justitie, de krijgsauditeur of naar een andere procureur des Konings of bevoegde rechterlijke overheid.

4. De mogelijkheid tot aanwijzing of delegatief

4.1 De perswoordvoerder van het parket
De procureur des Konings kan één of meerdere eerste-substituten of substituten van zijn parket aanwijzen om de functie van perswoordvoerder uit te oefenen. Deze aanwijzing kan specifiek of permanent zijn.

4.2 De perswoordvoerder van de politie
De procureur des Konings kan de uitoefening van deze functie delegeren aan de perswoordvoerder van de politie, die daartoe is aangeduid door de korpschef van de betrokken politiedienst na overleg met de procureur des Konings.
Deze delegatie kan specifiek of permanent zijn.

  • Specifieke delegatie: de beperkte dossierafhankelijke machtiging tot informatieverstrekking aan de pers, die wordt verleend aan de perswoordvoerder van de politie door de procureur des Konings.
  • Permanente delegatie: de aan de perswoordvoerder van de politie verleende machtiging tot informatieverstrekking aan de pers zonder verplichting tot voorafgaand overleg met de procureur des Konings.

De procureur des Konings overlegt met de korpschef over de organisatie van de informatiedoorstroming tussen het parket en de perswoordvoerder van de politie.

4.3. De bevoegdheden van de politiediensten in hun relatie met de pers
Naargelang de categorie waartoe de zaak behoort, kan de perswoordvoerder van de politie al dan niet beschikken over een permanente of een specifieke delegatie om de pers te woord te staan.
Het is slechts in deze context dat hij uit eigen beweging de pers mag waarschuwen.

4.3.1 Categorie 1: zaken die het voorwerp uitmaken van gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie

  • a. de zware criminaliteit of de georganiseerde criminaliteit, in het kader waarvan de volgende feiten worden gepleegd: ontvoering; afpersing; gijzeling; bomaanslag; car- en homejacking; hold-up; moord; brandstichting; valsmunterij en valse betaalmiddelen;
  • b. de ernstige en zwaarwichtige bedreigingen ten aanzien van magistraten, politiemensen, getuigen, ...
  • c. de corruptie en de ernstige en complexe misdaden en wanbedrijven ten nadele van de materiële of morele belangen van de openbare dienst;
  • d. de georganiseerde economische, financiële, sociale en fiscale delinquentie: het witwassen van de opbrengst van ernstige of georganiseerde criminaliteit; de ernstige en/of georganiseerde sociale of fiscale inbreuken; de fraude ten nadele van de doelstellingen of de financiële belangen van de Europese Unie; het misdrijf van voorkennis; het onwettig aantrekken van spaargeld in het openbaar; de beurskoersmanipulatie; de financiële oplichting;
  • e. de computercriminaliteit;
  • f. de grootschalige zwendel: drugs; wapens, munitie en explosieven; milieu; hormonen; voertuigen; kunst/antiek; namaakartikelen;
  • g. de diefstal en de afpersing van nucleair materiaal;
  • h. de mensenhandel;
  • i. het terrorisme;
  • j. de sekten.

In deze zaken en inzake de zedenmisdrijven, in het bijzonder pedofilie, is in principe geen informatieverstrekking aan de pers door de politiedienst toegelaten en is evenmin een permanente delegatie mogelijk. Er moet steeds verwezen worden naar de procureur des Konings of, in voorkomend geval, de krijgsauditeur.
In het raam van een afspraak met de procureur des Konings of de krijgsauditeur kan evenwel een perswoordvoerder van de politie specifiek gedelegeerd worden met het oog op informatieverstrekking aan de pers.

4.3.2 Categorie 2: zaken die niet het voorwerp uitmaken van gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie
Deze categorie omvat onder meer verkeerszaken, kleine diefstallen, het aantreffen van personen zonder wettelijke verblijfsvergunning.
De mededelingen aan de pers kunnen gebeuren overeenkomstig een permanente delegatie aan de perswoordvoerder van de politie waarvan de voorwaarden worden bepaald in overleg tussen de procureur des Konings of de krijgsauditeur en de korpschef van de politiedienst, onverminderd het voorbehoud dat voortvloeit uit de tussenkomst van de onderzoeksrechter.

4.3.3 Categorie 3: informatie betreffende feiten die net gebeurd zijn
De politieambtenaren mogen de pers nooit uit eigen beweging waarschuwen.
De politieambtenaren kunnen evenwel geconfronteerd worden met vragen van de pers omtrent de feiten, hun oorzaak, de eventuele bewijzen, daders of betrokkenen.
Gegevens van gerechtelijk belang die niet algemeen kunnen vastgesteld worden door het publiek, mogen niet medegedeeld worden aan de pers. Deze regel doet geen afbreuk aan de informatieverstrekking over feitelijke gegevens die behoren tot de bestuurlijke politie, zoals plaats, datum, uur van een ongeval of een brand, de uitgestrektheid van de schade zoals zij door het publiek kan vastgesteld worden, de identiteit van de eigenaar van het gebouw.
Manifest foutieve insinuaties kunnen ontkend worden.

5. De instemming van de onderzoeksrechter

De wet voorziet dat tijdens het gerechtelijk onderzoek de persmededelingen niet verstrekt worden door de onderzoeksrechter zelf, maar wel door de procureur des Konings met instemming van de onderzoeksrechter.
De procureur des Konings moet in zijn hoedanigheid van vervolgende instantie evenwel steeds de pers kunnen mededelen of de onderzoeksrechter gelast werd en op basis van welke tenlastelegging.
De onderzoeksrechter heeft de zeggenschap over zijn onderzoek, hetgeen met zich brengt dat elke mededeling hierover slechts met zijn goedkeuring kan plaatsvinden.
Deze goedkeuring strekt zich uit tot de mededeling in het algemeen en niet tot elk afzonderlijk element van de mededeling.
De procureur des Konings kan de mondelinge of schriftelijke toestemming vragen aan de onderzoeksrechter.
Hij zal in de loop van het gerechtelijk onderzoek regelmatige contacten onderhouden met de onderzoeksrechter om een adequate informatieverstrekking te verzekeren.
De procureur des Konings kan in overleg treden met de onderzoeksrechter om de modaliteiten van de overdracht van informatie tussen onderzoeksrechter en parket te organiseren.

6. De wettelijke vereisten

De bevoegde procureur des Konings verstrekt informatie met inachtneming van de wettelijke vereisten terzake.

6.1 De wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, preciseert dat:

  • de procureur des Konings gegevens aan de pers kan verstrekken indien het openbaar belang het vereist;
  • de procureur des Konings daarbij moet waken over de inachtneming van:
    • het vermoeden van onschuld;
    • de rechten van de verdediging van de verdachte of inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden;
    • het recht op eerbied voor het privé-leven en de waardigheid van personen;
    • voor zover als mogelijk, de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet wordt vrijgegeven.

6.2 De publicatie en verspreiding van teksten, tekeningen, foto's of enigerlei beelden waaruit de identiteit kan blijken van minderjarigen die vervolgd worden of tegen wie een maatregel is genomen, zijn verboden.

6.3 Publicatie en verspreiding van teksten, tekeningen, foto's of enigerlei beelden waaruit de identiteit kan blijken van een slachtoffer van seksueel geweld zijn verboden, tenzij met schriftelijke toestemming van het slachtoffer of met toestemming, ten behoeve van het onderzoek, van de met het onderzoek belaste magistraat.

6.4 Politieambtenaren mogen aangehouden, gevangen of opgehouden personen, buiten noodzaak, niet aan publieke nieuwsgierigheid blootstellen. Zij mogen deze personen zonder hun instemming niet onderwerpen of laten onderwerpen aan vragen van journalisten of derden die vreemd zijn aan de zaak, noch van hen beeldopnamen maken of laten maken behalve die welke bestemd zijn voor hun identificatie of voor andere door de bevoegde gerechtelijke instantie vastgestelde doeleinden. Behalve om hun verwanten te verwittigen, mogen zij de identiteit van de betrokken personen niet bekend maken zonder daartoe de instemming van de bevoegde rechterlijke instantie te hebben gekregen.

7. De aard, de inhoud en de vorm van de informatieverstrekking

7.1 Basisregels
De procureur des Konings en de gemachtigde perswoordvoerder van de politie hebben de taak om objectieve en correcte informatie te verstrekken aan de pers, rekening houdend met de specificiteiten van het medium. Het weigeren van informatie kan tot gevolg hebben dat onjuiste informatie gepubliceerd wordt welke nadien moeilijk te corrigeren valt. Bovendien kan het onderzoek gehypothekeerd worden door een onjuiste publicatie.
Gelet op voormelde wettelijke vereisten (punt 6) moeten discretie en reserve in acht genomen worden bij de informatieverstrekking. Dit veronderstelt een zorgvuldig taalgebruik en het vermijden van een persoonlijk oordeel.
Betreffende het slachtoffer en zijn verwanten mogen geen details worden prijsgegeven die hen secundair kunnen victimiseren.
In dezelfde geest als artikel 35 van de wet op het politieambt (punt 6.4) moet hun recht op eerbied voor het privé-leven verzekerd worden.
Er moet in de mate van het mogelijke over gewaakt worden dat ze hen aanbelangende, gevoelige feiten of elementen niet eerst via de pers dienen te vernemen. Indien de pers kennis blijkt te hebben van de identiteit van het slachtoffer kan gevraagd worden om deze in te houden tot de rechtstreekse familieleden op de hoogte zijn gebracht door de gerechtelijke of administratieve overheid.
Van de in het dossier betrokken personen kunnen enkel het geslacht, de leeftijd en eventueel de woonplaats uit eigen beweging worden medegedeeld (zie punt 7.2), er rekening mee houdend dat het mededelen van gegevens die hen kunnen identificeren, moet vermeden worden.
Persoonsgegevens zoals etnische herkomst, nationaliteit en seksuele geaardheid kunnen slechts vermeld worden indien ze relevant zijn.


7.2 Actieve of passieve informatieverstrekking
De procureur des Konings of de gemachtigde perswoordvoerder van de politie gaat na in welke mate het aangewezen is om actief dan wel passief informatie te verstrekken. Hij doet dit naargelang de aard en de specifieke elementen van elke zaak en het evenwicht van de betrokken belangen.

  • Actieve informatieverstrekking: de procureur des Konings of de perswoordvoerder van de politie neemt zelf het initiatief om informatie te verstrekken aan de pers.
  • Passieve informatieverstrekking: er wordt slechts informatie verstrekt op vraag van de pers.

Zo kan de procureur des Konings:

  • beslissen regelmatig een persbriefing te organiseren;
  • actief naar buiten treden wanneer een bepaald strafrechtelijk feit sterke beroering heeft teweeggebracht in de publieke opinie en/of wanneer het aangewezen is het publiek te informeren over het beleid in dergelijke zaken;
  • het initiatief nemen om foutieve gegevens die zijn verspreid over een vooronderzoek in het openbaar belang en eventueel in het belang van de betrokkenen recht te zetten;
  • de niet-vervolging of buitenvervolgingstelling door het onderzoeksgerecht meedelen aan de pers wanneer over de zaak uitvoerig werd bericht.

De procureur des Konings of de perswoordvoerder van de politie behandelt de journalisten op gelijke voet, behoudens uitzonderlijke omstandigheden waarbij een journalist over exclusieve informatie beschikt, doch steeds zonder afbreuk te doen aan het algemene recht op informatie.


7.3 Communicatietechnieken
De procureur des Konings of de gemachtigde perswoordvoerder van de politie gaat na in welke mate het aangewezen is om gebruik te maken van aangepaste communicatietechnieken. Hij doet dit naargelang de aard en de specifieke elementen van elke zaak en het evenwicht van de betrokken belangen.
De procureur des Konings of de perswoordvoerder van de politie kan uitzonderlijk en op gemotiveerde wijze de voorwaarden van een embargo bedingen, zijnde de afspraak om tijdelijk geen gebruik te maken van bepaalde informatie. Dit kan zowel individueel ten aanzien van een journalist die over bepaalde exclusieve informatie blijkt te beschikken, als collectief ten aanzien van de beroepsgroep.
In hoogst uitzonderlijke omstandigheden kan hij tijdelijk een volledige informatiestop afkondigen.
Wanneer een journalist de afspraak betreffende de gehanteerde techniek niet respecteert, kan de procureur des Konings of de perswoordvoerder van de politie deze houding melden bij de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB), dit met het oog op behandeling door haar deontologische instanties, alsmede aan de hoofdredacteur van het betrokken medium.

Communicatietechnieken

Informatieverstrekking on the record: de procureur des Konings of de perswoordvoerder van de politie mag officieel worden geciteerd.

Informatieverstrekking off the record: de informatie mag worden gebruikt maar de woordvoerder mag niet geciteerd worden. Het betreft inlichtingen die het de journalist mogelijk maken on the record verstrekte informatie correct weer te geven.

Background-informatie betreft inlichtingen die geenszins door de journalist mogen worden gepubliceerd, en slechts tot doel hebben diens referentiekader en begrip te vergroten.

Een embargo is de afspraak om een tijdelijke stilte in acht te nemen, een uitstel van berichtgeving.

Een informatiestop of black-out is het tijdelijk niet mededelen van enige informatie aan de pers.



7.4 Mondeling, schriftelijk of electronisch
De informatieverstrekking kan mondeling, schriftelijk of electronisch verlopen, rekening houdend met de specificiteiten van het medium.
De procureur des Konings, eventueel in overleg met de onderzoeksrechter, of de perswoordvoerder van de politie kan voor de ene of de andere vorm kiezen naargelang de aard en de specifieke elementen van de zaak.
Hij kan zich ook richten tot een persagentschap.

8. De bestemmelingen van de informatie

De informatie wordt in principe uitsluitend verstrekt aan beroepsjournalisten erkend door de bevoegde Erkenningscommissie krachtens de voorwaarden opgenomen in de wet van 30 december 1963, alsmede aan journalisten-stagiairs erkend door de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB), de erkende beroepsunie.
Alleen voor de zaken die niet het voorwerp uitmaken van gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie bedoeld in 4.3.1, kan de informatieverstrekking ook gebeuren aan niet-beroepsjournalisten die verbonden zijn aan een medium.
Ook buitenlandse journalisten moeten in het bezit zijn van een officiële perskaart.

9. Opheffingsbepaling

De ministeriële omzendbrieven van 27 juli 1953, 9 april 1965 en 15 juni 1984 worden slechts opgeheven voor wat betreft de punten die geregeld worden in huidige omzendbrief.

10. Evaluatie

Voormelde richtlijnen en hun toepassing zullen ten laatste twee jaar na de inwerkingtreding, bepaald op 15 mei 1999, geëvalueerd worden.



II. COMMENTAAR

1. Algemene bepalingen

1.3
Het toepassingsgebied beperkt zich tot informatieverstrekking over onderzoeksdaden gedurende de fase van het vooronderzoek.
Daden van bestuurlijke politie en disciplinaire aangelegenheden vallen dus niet onder het toepassingsgebied.
Ook de informatieverstrekking gedurende de fase van behandeling in openbare rechtszitting door een vonnisgerecht, en de achtergrondinformatie over het gerechtelijk en politioneel functioneren, vallen buiten het toepassingsgebied.

4. De mogelijkheid tot aanwijzing of delegatie

4.1
Een eerste-substituut of substituut kan permanent worden aangewezen om mededelingen te doen aan de pers.
Daarnaast kan de procureur des Konings één of meerdere eerste-substituten of substituten aanwijzen om specifiek en tijdelijk de functie van perswoordvoerder uit te oefenen.
Dit kan het geval zijn voor de parketmagistraat die nacht- of weekenddienst heeft, in het kader van deze dienst. Dit kan ook het geval zijn voor een parketmagistraat gelast met een complex dossier, wanneer het voor een correcte informatievoorziening aangewezen is dat deze magistraat, samen met de perswoordvoerder van het parket, rechtstreeks inlichtingen verstrekt aan de pers.

4.2
Wat de delegatie aan de perswoordvoerder van de politie betreft, zal gelet op de wet van 7 december 1998 in praktijk een onderscheid moeten gemaakt worden tussen de politiewoordvoerders:

  • bij de politiediensten op lokaal niveau;
  • op federaal niveau, met betrekking tot gespecialiseerde onderzoeken of onderzoeken die de grenzen van het gerechtelijk arrondissement overschrijden.

5. De instemming van de onderzoeksrechter

Door de taak van de persmededelingen aan het parket toe te bedelen, was het de bedoeling van de wetgever om direct contact tussen de onderzoeksrechter en de pers te vermijden, omdat dit de noodzakelijke sereniteit van het gerechtelijk onderzoek zou kunnen in het gedrang brengen.

7. De aard, de inhoud en de vorm van de informatieverstrekking

7.1
Gelet op het vermoeden van onschuld, is het aangewezen steeds te vermelden dat de betrokkene slechts verdacht wordt van bepaalde feiten. Er kan ook vermeld worden dat een verdachte de feiten ontkent of een verschonings- of rechtvaardigingsgrond inroept.
Artikel 3bis voorafgaande titel Sv. legt aan de gerechtelijke overheden de verplichting op "slachtoffers en hun verwanten zorgvuldig en correct te bejegenen, in het bijzonder door terbeschikkingstelling van de nodige informatie". Wanneer ze belangrijke hen persoonlijk aanbelangende gegevens eerst via de pers moeten vernemen (gegevens die dus niet onder het geheim van het onderzoek vallen), kan dit bijkomend leed berokkenen en een moeilijk te herstellen vertrouwensbreuk veroorzaken. Een embargo of een informatiestop kunnen uitstekende instrumenten zijn om dit te voorkomen.
De anonimiteit van de in het dossier betrokken personen kan niet altijd gegarandeerd worden, zeker niet wanneer ze een belangrijke maatschappelijk functie hebben of gekend zijn bij een breder publiek. De identiteit moet dan ook in de mate van het mogelijke geheim worden gehouden.

7.4
Voor de vorm van de berichtgeving over vermiste personen, moet verwezen worden naar de ministeriële richtlijn met betrekking tot de opsporing van vermiste personen van 22 juli 1997.

8. Bestemmelingen van de informatie

De hoedanigheid van beroepsjournalist kan worden aangetoond door de voorlegging van een officiële perskaart afgeleverd door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Stagiairs beschikken over een stagiairkaart afgeleverd door de AVBB.
De perswoordvoerders kunnen zich steeds bij de AVBB bevragen over het al dan niet erkend zijn van een journalist die zich tot hen wendt.
Bij telefonisch contact kan het volstaan dat een kopie van de officiële kaart wordt overgemaakt per fax.
Buitenlandse journalisten die in België beroepsactief zijn, beschikken over en moeten dan ook voorlegging kunnen doen van dezelfde persdocumenten als de Belgische beroepsjournalisten.
Als uitzondering op het principe moet voor de zaken bedoeld in afdelingen 4.3.2 en 4.3.3 van de omzendbrief, informatieverstrekking aan niet-beroepsjournalisten mogelijk blijven.
Er mag immers niet uit het oog verloren worden dat deze lokale correspondenten op het terrein vaak zeer goede contacten onderhouden met de politieambtenaren. Deze reële vertrouwensband, gegroeid in het raam van hun respectieve werkzaamheden, mag niet verloren gaan.

9. Opheffingsbepaling

De ministeriële omzendbrieven van 27 juli 1953, 9 april 1965 en 15 juni 1984 hebben een ruimere draagwijdte dan huidige gezamenlijke omzendbrief die enerzijds, naast de politiediensten, slechts betrekking heeft op de parketmagistraten en anderzijds enkel de fase van het vooronderzoek beoogt.
Bijgevolg blijven ze van toepassing voor hetgeen niet geregeld is in huidige omzendbrief.

Nuttige tips: 

 

Officiële bronnen

Persvrijheid komt niet louter neer op de vrijheid om informatie mee te delen aan anderen; ze vooronderstelt dat de pers zelf zonder te veel hindernissen aan informatie kan geraken. De vele crisissen die het gerecht in het recente verleden heeft doorgemaakt, hebben alvast duidelijk gemaakt dat het meer en beter moet communiceren met pers en publiek. In dat opzicht zijn de voorbije jaren enkele belangrijke stappen gezet.

Een journalist kan voor officiële gerechtelijke informatie terecht op verschillende niveaus:

Bron vademecum voor journalisten Pers en gerecht

 

Gerechtelijke Verslaggeving

Deel 3 ging over de vraag hoe journalisten aan informatie kunnen geraken in de gerechtelijke sfeer. In deel 4 wordt nagegaan welke mogelijkheden en beperkingen er bestaan voor de eigenlijke gerechtelijke berichtgeving.

In beginsel geldt de vrijheid van meningsuiting en van informatie even goed voor gerechtelijke als voor welke andere berichtgeving ook. Toch moet de gerechtelijke verslaggeving in balans worden gebracht met enkele andere fundamentele rechten en belangen. Zeker voor verslaggeving over nog lopende strafonderzoeken, dringt dat evenwicht zich op.

Vijf basisprincipes van de gerechtsverslaggeving komen hierna aan bod:

  • het recht van het publiek op informatie (hoofdstuk 1);
  • het respect voor de feiten (hoofdstuk 2);
  • het respect voor het individu of het recht op privacy (hoofdstuk 3);
  • het respect voor het vermoeden van onschuld en het recht op vergetelheid (hoofdstuk 4);
  • het respect voor het openbaar belang, of de opdrachten van politie, magistratuur en de staat in het algemeen (hoofdstuk 5).

Bron: vademecum voor journalisten Pers en gerecht www.pers-gerecht.be

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 14/12/2011 - 11:36
Laatst aangepast op: wo, 14/12/2011 - 13:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.