-A +A

Inbreng of inkorting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het beschikbaar deel van een nalatenschap is begrensd door de zogenaamde wettelijke reserves die aan de reservataire erfgennamen toekomen. De rest is het vrij beschikbaar deel. Dit vrij beschikbaar deel mag niet door schenkingen of testamenten worden overschreden. Is dit toch het geval dan dient het teveel geschonkene of gelegateerde terug gebracht tot herstel van de wettelijke reserve. Dit is de inkorting, zijnde het recht van de reservataire erfgenaam om teruggave te vorderen van hetgeen is geschonken of geërfd in strijd met zijn legitiem beschemd deel. De gedane schenkingen worden met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt.

Inkorting dient te worden onderscheiden van inbreng. Luidens artikel 843 van het Burgerlijk Wetboek is iedere erfgenaam verplicht om aan zijn mede-erfgenamen inbreng te doen van al hetgeen hij, hetzij als gift, hetzij bij testament van de overledene ontvangen heeft. Terwijl inkorting de wettelijke reserve wil herstellen, beoogt de inbreng de gelijkheid onder erfgenamen te beschermen. In beide gevallen zullen de geschonken goederen echter terugkeren naar de boedel, zodat het lot van de vruchten of de interesten zal moeten worden bepaald. Zie artikel 920 BW : "Beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, kunnen na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte ingekort worden."

Een schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt, is om die reden niet nietig, maar enkel vatbaar voor inkorting. Het is daarbij zonder belang of de overschrijding doelbewust is gebeurd.

De inkorting is niet automatisch zij dient gevorder te worden art. 921.
"Art. 922 BW

Om de inkorting te bepalen, vormt men een massa uit alle goederen die bij het overlijden van de schenker of erflater aanwezig waren.

De goederen waarover hij bij schenking onder de levenden heeft beschikt, worden fictief daarbij gevoegd volgens hun staat ten tijde van de schenkingen en hun waarde ten tijde van het overlijden van de schenker.

Over al die goederen berekent men, na aftrek van de schulden, het gedeelte waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen.
1[In afwijking van het vorige lid wordt de waarde ten tijde van de schenking in aanmerking genomen wanneer het goederen betreft die werden geschonken met toepassing van artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.


Een vordering tot inkorting tussen deelgenoten is een louter rechtmatig incident tussen de betrokken deelgenoten in het raam van de hangende gerechtelijke vereffening-verdeling.

Een vordering tot inkorting tegen een bij schenking onder de levenden begiftigde die geen deelgenoot is vereist daarentegen een afzonderlijke procedure, los van de gerechtelijke vereffening-verdeling.

Krachtens artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek zijn de vruchten en de interesten van aan inbreng onderworpen zaken steeds verschuldigd te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen. Deze regel is strenger dan artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek. Erfgenamen die een voorschot op erfdeel kregen, weten immers, of worden verondersteld te weten, dat dit steeds bij de vereffening en verdeling van de nalatenschap te verrekenen is. De vraag of een schenking aan inkorting toe is, is daarentegen niet meteen duidelijk.

De reservataire erfgenamen moeten de begiftigde daarom binnen het jaar verwittigen dat er een probleem is met zijn schenking. Zo niet kunnen zij de vruchten van hetgeen ingekort moet worden, pas vorderen vanaf het ogenblik van hun vordering tot inkorting(4).

Inkorting zal in beginsel in natura gebeuren: de goederen keren daadwerkelijk terug naar de nalatenschap. Indien de begiftigde het geschonken (onroerend) goed vóór het overlijden vervreemd heeft, zoals bepaald in artikel 930 van het Burgerlijk Wetboek, zal de inkorting echter in waarde plaatsvinden. Ook wanneer geld geschonken werd, zal een geldsom moeten worden ingebracht(5). Wanneer de inkorting in waarde geschiedt is de begiftigde, krachtens artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek, interesten verschuldigd op het bedrag dat het beschikbare gedeelte overschrijdt, dat in de plaats komt van de inkorting in natura.

Wanneer de inkorting in waarde geschiedt, kunnen op het in te korten bedrag, dat in de plaats komt van de inkorting in natura, interesten worden toegekend; de rechter bepaalt daarbij de interestvoet in overeenstemming met de waarde van de vruchten die in geval van inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moeten worden teruggegeven
 

Rechtspraak

Hof van Beroep te Brussel, 1e Kamer – 4 januari 2011, RW 2012-2013, 1543

Y.T. t/ M.T., C.S. en V.S.

...

II. Relevante feitelijke gegevens

Huidig geschil betreft een vordering tot inkorting van de schenkingen, kort vóór zijn dood gedaan door wijlen G.T., overleden op 31 juli 1971.

G.T., broer van Y.T. en van L.T. (moeder van V.S.), was in 1944 gehuwd met mevrouw F.R. In hun huwelijksakte hebben zij M.T. (voorheen M.R., geboren op 8 maart 1943) gewettigd.

De echtgenoten T.-R. zijn in 1948 uit de echt gescheiden. Na de scheiding verbleef M.T. met haar moeder en had zij geen of nauwelijks contact met haar vader.

G.T. hield nog nauwe contacten met zijn zussen en deed, kort vóór zijn dood, schenkingen aan de beide appellanten, namelijk 269.908 fr. aan deposito’s en 150.000 fr. aan kasbons, of een totaal van 419.908 fr. (10.419,25 euro) aan Y.T. en een som van 291.973 fr. (7.237,82 euro) aan L.T.

De bank (agentschap H.) bevestigde bij brief van 12 juni 1973 dat G.T. op 16 juli 1971 zijn depositoboekje volledig leeghaalde. Op die dag werden afhalingen verricht van 5.216 fr., 224.692 fr. en tweemaal 20.000 fr., zijnde een totaal van 369.908 fr. Dezelfde dag heeft de bank 150.000 fr. kasbons G.B. ter beschikking gesteld.

M.T. legde op 2 maart 1973 klacht neer en stelde bij exploot van 3 december 1975 een vordering in tot inkorting van de gedane schenkingen in de mate dat ze haar reserve, in haar hoedanigheid van enige reservataire erfgenaam van G.T., aantastten.

De eerste rechter verklaarde deze vordering gegrond en veroordeelde beide huidige appellanten tot betaling van 334.876 fr., vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 19 december 1975, de gerechtelijke interest en alle gerechtskosten.

III. Bespreking

...

2o De rechtsverwerking en het rechtsmisbruik

9. Appellanten voeren aan dat geïntimeerde met toepassing van de leer van de rechtsverwerking geen rechten meer kan uitoefenen. Zij beklemtonen dat M.T. sedert 1948 geen enkel contact meer had met haar vader, dat zij pas vier jaar en half na diens overlijden een vordering tot inkorting heeft ingesteld en dat zij het normale verloop van de procedure, zowel in eerste aanleg als voor het hof, bijzonder lang heeft laten aanslepen.

10. Rechtsverwerking, die geen algemeen rechtsbeginsel is, onderstelt concrete gedragingen van een partij, die het oordeel rechtvaardigen dat door die partij niet kan worden teruggekomen op het ingenomen standpunt.

Het wordt niet ernstig tegengesproken dat geïntimeerde, na de echtscheiding van haar ouders, geen contacten met haar vader meer had. Zij was echter in deze periode heel jong (nauwelijks vijf jaar oud). Zij blijkt weliswaar geen relatie met hem te hebben aangeknoopt, nadat zij meerderjarig was geworden, tot aan het overlijden, in 1971, van haar vader. De reden hiervoor is echter niet te achterhalen en niets bewijst dat deze toestand aan haar te wijten was.

De verwerping van de nalatenschap is een plechtige rechtshandeling. Zij kan slechts gebeuren met naleving van de wettelijk voorgeschreven vormen. Verwerping kan nooit stilzwijgend gebeuren; zij kan niet vermoed worden (art. 784 BW en art. 1185 Ger.W.).

De aanvaarding van de nalatenschap kan daarentegen uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden; zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten (art. 778 BW). Welnu, aangezien de reservataire erfgename haar reserve opeiste en de inkorting vorderde van de schenkingen gedaan door haar vader in december 1975, wordt zij geacht aanvaardend erfgenaam te zijn vanaf dat ogenblik en kon zij op deze zuivere aanvaarding trouwens niet meer terugkomen.

11. Het verloop van de procedure tussen december 1975 (inleiding voor de eerste rechter) en de pleitzitting voor het hof op 22 november 2010 getuigt duidelijk van een verregaande nalatigheid, maar het aanslepen van de zaak, zowel voor de eerste rechter als voor het hof, is te wijten aan alle partijen, inclusief appellanten. Appellanten, die zelf ook de mogelijkheid hadden om de zaak te activeren, hebben hiertoe niet het minste initiatief genomen en kunnen vandaag niet ernstig beweren dat de houding van geïntimeerde de enige reden is voor de vertraging in de behandeling van het geding.

De nalatigheid van geïntimeerde om de zaak binnen een redelijke termijn in staat te stellen impliceert in geen geval dat zij afstand deed van haar aanspraken of dat zij deze schijn bij appellanten opwekte. Er wordt geen rechtsmisbruik van geïntimeerde bewezen. Deze nalatigheid kan daarentegen gevolgen hebben wat de toekenning van verwijlinterest betreft, zoals hierna zal blijken.

3o De schenkingen

12. Uit de bijzonder slecht leesbare kopie van het strafdossier in de stukken van partij M.T. meent het hof te kunnen afleiden dat op 16 juli 1971 al het geld van G.T. (269.908 fr.) en diens effecten (150.000 kasbons G.B.) op het bankagentschap te H. werden afgehaald en overgedragen op de rekening van zijn zuster Y.T. Deze laatste verklaarde op 25 april 1973 dat G.T. op 16 juli 1971 in het Sint-Janshospitaal te Brussel was opgenomen en dat hij verschillende malen had aangedrongen om haar deze tegoeden te schenken.

13. Y.T. verklaarde toen ook dat haar broer G. een spaarboekje bezat bij de ASLK en dat hij het bedrag dat op dat boekje stond (291.973 fr. of 7.237,82 euro), aan zijn (toen minderjarige) petekind V.S. (geboren op 25 juli 1955) heeft geschonken. Uit de inlichtingen door de rijkswacht ingewonnen bij de ASLK blijkt dat het geld op 19 juli 1971 overgeschreven werd naar een termijnrekening op naam van de minderjarige. Het overschrijvingsformulier werd in het ziekenhuis in aanwezigheid van twee getuigen opgesteld, en een bediende van de ASLK was toen aanwezig om de handtekeningen “te legaliseren”. Een kopie van het document werd aan de rijkswacht bezorgd en werd aan het strafdossier gevoegd.

14. Het betreft duidelijk schenkingen ten gunste van de beide appellanten en geen vergoedingen voor geleverde diensten aan de de cujus, zoals thans wordt beweerd. Niet alleen worden geen bewijzen naar voor gebracht van de beweerde diensten noch van de verschuldigde vergoeding ervoor, maar Y.T. heeft zelf uitdrukkelijk in haar verklaring gewag gemaakt van schenkingen aan haar en aan V.S.

15. Het staat vast dat geïntimeerde M.T. het enige kind en de einge reservataire erfgenaam is van G.T. Zij is principieel gerechtigd om, na het openvallen van de erfenis van haar vader, de inkorting te vorderen van de beschikkingen die het beschikbaar gedeelte overschrijden, en dit krachtens art. 920, 921 en 922 BW.

Het beschikbaar gedeelte is te dezen gelijk aan de helft van de fictieve massa van de goederen van G.T. in de zin van art. 922 BW (art. 913 BW).

16. De inkorting dient te geschieden overeenkomstig de principes vervat in art. 928 tot 930 BW.

Geïntimeerde berekent de massa van de nalatenschap op grond van de gegevens uit de aangifte van nalatenschap opgesteld door notaris V. te H. (activa 9.208 fr. – passiva 9.986 fr.) en voegt fictief aan deze massa de geschonken goederen aan Y.T. (269.908 fr. + 150.000 fr.) en aan V.S. (291.973 fr.), zodat de totale massa 711.881 fr. bedraagt. Het exacte resultaat is 711.103 fr. (= 9.208 fr. plus 269.908 fr. plus 150.000 fr. plus 291.973 fr. minus 9.986 fr.).

De eerste rechter heeft bij het passief de kosten toegevoegd die Y.T. voor de begrafenis en de laatste medische kosten van haar broer heeft gemaakt. In tegenstelling tot wat geïntimeerde beweert, zijn die kosten wel degelijk gestaafd (begrafenisondernemer, grafsteen, kronen, vaas blauwe steen en kliniek Sint-Jan). Deze kosten, voor de totale som van 45.513 fr., inhoudende voornamelijk zeer redelijke begrafeniskosten, maken een onderdeel uit van het passief van de nalatenschap. De massa dient bijgevolg berekend te worden op 662.590 fr. (711.103 fr. – 45.513 fr.).

Het beschikkend gedeelte bedraagt de helft van 662.590 fr. of 331.295 fr.

17. Y.T. stelt terecht dat de inkorting volgens een bepaalde volgorde dient te gebeuren, en niet proportioneel in de persoon van de beide begunstigden. Wanneer de inkorting van schenkingen onder de levenden plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen vanaf de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere (art. 923 BW). Die volgorde volgt uit het onherroepelijk karakter van de schenkingen en beschermt de begiftigde die ervan kan afzien.

Appellante V.S. betwist ten onrechte de toepassing van deze regel, stellende dat de bancaire verrichtingen bij de twee betrokken banken gelijktijdig werden aangevraagd door de de cujus. Uit bovenstaande uiteenzetting en de voorgelegde documenten van de banken moet immers worden afgeleid dat de schenking aan Y.T. op 16 juli 1971 heeft plaatsgehad, terwijl die aan V.S. op 19 juli 1971 werd uitgevoerd. De voorgelegde stukken sluiten een gelijktijdige schenking aan beide begunstigden uit.

Dit betekent dat de inkorting eerst op de schenking aan V.S. moet geschieden en vervolgens, op de schenking aan Y.T.

18. Berekening van de inkorting.

De situatie ziet eruit als volgt:

– fictieve massa van de goederen in de zin van art. 922 BW: 662.590 fr.

– eerste schenking aan Y.T.: 419.908 fr.

– tweede schenking aan V.S.: 291.973 fr.

De schenkingen overschrijden het beschikbaar gedeelte (331.295 fr.) met 380.586 fr. (zijnde 711.881 – 331.295 = 380.586 fr.).

V.S. dient het volledige bedrag van de aan haar gedane schenking terug te brengen en is 291.973 fr. (7.237,82 euro) aan geïntimeerde verschuldigd.

De inkorting ten laste van Y.T. bedraagt dan 88.613 fr. (380.586 – 291.973 fr.). Y.T. heeft echter zelf 45.513 fr. (begrafenis en laatste zorgen) betaald en blijft bijgevolg 43.100 fr. (88.613 – 45.513) of 1.068,42 euro verschuldigd aan geïntimeerde, reservataire erfgenaam.

Er bestaat geen hoofdelijkheid tussen appellanten, noch enige reden om een veroordeling in solidum uit te spreken.

19. Interest. Overeenkomstig art. 928 BW is interest pas verschuldigd vanaf de dag van de vordering (4 december 1975).

Appellanten betwisten de toekenning van verwijlinterest, gelet op de nalatigheid van geïntimeerde in het in gereedheid brengen van de zaak.

20. Hierboven (randnr. 11) werd al geoordeeld dat alle partijen, inclusief geïntimeerde, bijzonder nalatig en passief zijn geweest in de loop van de procedure die meer dan 35 jaar in beslag heeft genomen.

In de mate dat de vertraging in de betaling van de aan de geïntimeerde verschuldigde bedragen deels aan deze partij zelf te wijten is, kan haar inderdaad geen recht op de volledige verwijlinterest worden toegekend. De volledige afwijzing van verwijlinterest zou echter overdreven zijn, omdat appellanten zelf ook aan de oorsprong liggen van het aanslepen van de zaak. Om die reden zullen de aan geïntimeerde tot aan huidig arrest toekomende interesten, berekend aan de wettelijke rentevoet, beperkt worden tot de helft ervan.


Burgerlijke Rechtbank te Gent, 14e Kamer – 15 november 2011, RW 2013-2014, 745
 

B. e.a.

...

II. Relevante elementen

1. Het onderhavige geval behelst de afwikkeling van de nalatenschap van Michel B., laatst wonende te Gent , (...) en overleden te Gent op 21 juli 2003.

Michel B. was uit de echt gescheiden van Maria G. (sinds 1987).

Hij heeft als enige wettige en reservataire erfgenamen nagelaten zijn vier kinderen (samen met Maria G., die in 1989 is vooroverleden): Hans, Dirk, Marc en Myriam B.

Hij heeft bij notarieel testament van 28 januari 1992 de Universiteit Gent als algemene legataris aangesteld met het oog op toebedeling van het grootste beschikbare deel van zijn nalatenschap.

Zijn nalatenschap is zodoende toegevallen:

– aan de Universiteit Gent ten belope van het beschikbare deel van 1/4 in volle eigendom;

– aan de vier kinderen (Hans, Dirk, Marc en Myriam B.) ten belope van 3/4 in volle eigendom in totaal, d.w.z. 3/16 in volle eigendom elk.

...

3. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (met inventaris, afgesloten op 13 augustus 2008, met eedaflegging), redigeren boedelnotarissen C.B. en Van S., bij notariële akte van 20 januari 2009 hun staat van vereffening-verdeling.

Bij notarieel proces-verbaal van 30 maart 2009 nemen zij akte van de tegen de staat van vereffening-verdeling ingebrachte beweringen en zwarigheden.

Bij notariële akte van 15 juni 2009 nemen zij vervolgens stelling aangaande de beweringen en zwarigheden, met aanpassing van de staat van vereffening-verdeling.

4. De fictieve massa, zoals gepreciseerd in de staat van vereffening-verdeling van 20 januari 2009 en voorts in de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 15 juni 2009, daarin begrepen, benevens de ten tijde van het overlijden voorhanden zijnde vermogenselementen, de schenkingen door Michel B. aan de Universiteit Gent ten bedrage van 128.908,47 euro en de schenkingen aan de kleinkinderen Laurence en Fréderic B. ten bedrage van in totaal 24.789,35 euro; de “verdachte afhalingen” door Marc B., hetzij in cash geld hetzij door overschrijving op een eigen rekening van gelden op rekeningen van Michel B. (waarop Marc B. volmacht genoot) in een periode van januari 2000 tot februari 2003 ten bedrage van in totaal 156.556,03 euro, bedraagt netto 306.902,39 euro.

Het beschikbare deel van de nalatenschap bedraagt zodoende 76.725,60 euro, wat maakt dat voormelde schenkingen moeten worden ingekort ten laste van de kleinkinderen Laurence en Fréderic B. ten bedrage van in totaal 24.789,35 euro en ten laste van de Universiteit Gent ten bedrage van 128.908,47 – 76.725,60 euro = 52.182,57 euro (eigenlijk: 52.182,87 euro).

Het na inkorting en terugbetaling van het voormelde bedrag van 156.556,03 euro voorhanden zijnde bedrag is 236.682,40 euro, waarvan, na aftrek van de kosten van de vereffening-verdeling, een netto-bedrag van 231.658,85 euro te verdelen valt (vermeerderd met een begrafenisvergoeding die Marc B. op 14 juli 2004 heeft ontvangen).

Terwijl de Universiteit Gent de aan haar gedane schenkingen ten bedrage van 128.908,47 euro mag behouden ten belope van het beschikbare deel van 76.725,60 euro, verkrijgen Viviane E., Dirk B. en Myriam B. elk 3/16 van het te verdelen netto-bedrag van 231.658,85 euro = 43.436,03 euro (vermeerderd met hun aandeel in de begrafenisvergoeding en met hun aandeel in het bedrag van 43.436,03 euro dat aan Marc B. zou toekomen, maar dat hij wegens heling ontloopt).

5. De rechtbank werpt ter terechtzitting van 18 oktober 2011 op dat een en andere berekening niet klopt, en dit nog los van de hierna bedoelde beweringen en zwarigheden en de beoordeling ervan.

De boedelnotarissen berekenen eerst de fictieve massa en brengen daarbij reeds een aantal passiefelementen in rekening. Deze passiefelementen vinden mede hun neerslag in de op 13 augustus 2008 afgesloten inventaris en (met correctie) in de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 15 juni 2009. Zij komen zodoende (uiteindelijk) tot het voormelde bedrag van 306.902,39 euro.

De Universiteit Gent zou dan het beschikbare deel ten bedrage van 76.725,60 euro zonder meer kunnen behouden, terwijl er verder wordt aangegeven dat zij voor 1/4 dient bij te dragen in de kosten van vereffening-verdeling...

Die kosten van vereffening-verdeling bedragen blijkbaar 5.023,55 euro en worden in mindering gebracht van de zogeheten “te vereffenen massa” (lees: “te verdelen massa”) (van 236.682,40 euro). Het netto te verdelen actief” komt dan neer op het voormelde bedrag van 231.658,85 euro.

Pijnpunt is dan (nog los van voormelde verkeerde wijze van verwerking van de kosten van vereffening-verdeling: eensdeels van de fictieve massa en anderdeels van de te verdelen massa; zie o.m.: W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 1002 e.v., nrs. 1949 e.v.) dat de boedelnotarissen het “netto te verdelen actief” (nadat de Universiteit Gent het beschikbare deel heeft behouden en na inkorting) slechts ten belope van 3/16 en derhalve ten bedrage van 43.436,03 euro aan elk van de reservataire erfgenamen laten toekomen (met dien verstande dat het bedrag van 43.436,03 euro dat aan Marc B. zou toekomen, wegens heling bijkomend aan de andere reservataire erfgenamen toekomt). De boedelnotarissen verdelen het “netto te verdelen actief” (hoewel het, los van de kostenproblematiek, gelijkstaat met de totale reserve) niet integraal onder de reservataire erfgenamen. De Universiteit Gent heeft nochtans het beschikbare deel reeds verkregen, zodat zij niet bijkomend aanspraak kan maken op een deel van de reserve.

De boedelnotarissen dienen derhalve de kostenproblematiek zuiver te verwerken en bovendien de te verdelen massa (integraal) onder de reservataire erfgenamen te verdelen. In de thans voorliggende berekening verdwijnt 4/16 of 1/4 van de te verdelen massa in het niets...

De boedelnotarissen moeten daarbij ook voor ogen houden dat een staat van vereffening-verdeling een duidelijke en zodoende zonder meer uitvoerbare titel zou moeten zijn (J. Verstraete en J. Facq, “De procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling” in W. Pintens (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 181, nr. 46).

Na bespreking ter terechtzitting van 18 oktober 2011 stemmen de partijen ermee in dat de boedelnotarissen een en ander moeten verwerken en zodoende de (aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 15 juni 2009 moeten aanpassen.

III. Vordering/beweringen en zwarigheden mede overeenkomstig het notariële proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 30 maart 2009

Marc B. en Myriam B. vorderen dat de rechtbank zich in de lijn van hun beweringen en zwarigheden zou uitspreken om de zaak dienovereenkomstig terug naar de boedelnotarissen te verwijzen (art. 1223-1224 Ger.W.).

M.B. gaat verder en vordert de nietigverklaring van de staat van vereffening-verdeling van 20 januari 2009, zo ook de vervanging van de boedelnotarissen.

...

Viviane E. en Dirk B. sluiten zich aan bij de notariële beoordeling en beogen zodoende de homologatie van de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 15 juni 2009.

De Universiteit Gent sluit zich aan bij de notariële beoordeling en beoogt zodoende de homologatie van de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 15 juni 2009.

...

IV. Vorderingen tot inkorting tegen Laurence en Fréderic B.

1. Bij dagvaarding van 13 juli 2010 (tot gedwongen tussenkomst) vordert Myriam B. (bij wijze van tussenvordering) ten laste van Laurence en Fréderic B. de inkorting van de schenking (van 31 augustus 1999) door Michel B. ten bedrage van in totaal 24.789,35 euro (vermeerderd met de interesten).

...

2. Bij conclusie vorderen ook Viviane E. en Dirk B. (bij wijze van tussenvordering) ten laste van Laurence en Fréderic B. de inkorting van de schenking (van 31 augustus 1999) door Michel B. ten bedrage van in totaal 24.789,35 euro (vermeerderd met de interesten).

3. Laurence en Fréderic B. nemen conclusie tot afwijzing van deze vorderingen.

Bij wijze van tussenvordering vragen zij een schadevergoeding van tweemaal 750 euro wegens de beweerde tergende en roekeloze dagvaarding van 13 juli 2010.

V. Beoordeling van de beweringen en zwarigheden

A. De beweringen en zwarigheden van Marc B.

1. Marc B. stelt ten onrechte de gevoerde procedure tot vereffening-verdeling in vraag. Het zijn de door de rechtbank aangestelde boedelnotarissen die met toepassing van art. 1207 e.v. Ger.W. als draaischijf bij de gerechtelijke vereffening-verdeling fungeren. Zij voeren de vereffening-verdeling door en maken de rekeningen tussen de partijen op, waarbij zij de knooppunten ontwarren en doorhakken (J. Verstraete en J. Facq, “De procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling” in W. Pintens (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 157-158, nr. 6). En uiteraard nemen zij daarbij, waar betwisting heerst, standpunt in. Blijft de bedoelde betwisting heersen, dan bezorgen zij hun staat van vereffening-verdeling, het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden met hun zienswijze en een gebeurlijk aangepaste staat van vereffening-verdeling aan de rechtbank (art. 1219, § 2 Ger.W.). Het is dan aan de rechtbank om, met het advies van de boedelnotarissen voor ogen, een en ander te beslechten. De boedelnotarissen zijn dan wel de ontmijners, de finale bevoegdheid tot trancheren is en blijft aan de rechtbank toekomen.

De rechtbank ontwaart niet het minste concrete spoor als zouden de boedelnotarissen in casu in hun taak, formeel gezien, op enige wijze zijn tekortgeschoten of als zouden zij, in de loop van de verrichtingen van vereffening-verdeling, zich niet aan het vereiste van strikte onpartijdigheid hebben gehouden.

Enige miskenning van art. 6 EVRM is noch in het algemeen (wat betreft het mechanisme van art. 1207 e.v. Ger.W.) noch in concreto aan de orde.

Het feit dat de boedelnotarissen standpunt hebben ingenomen betreffende de “verdachte afhalingen” door Marc B. hetzij in cash geld hetzij door overschrijving op een eigen rekening van gelden op rekeningen van Michel B. (waarop Marc B. volmacht genoot), doet daaraan geen afbreuk. De boedelnotarissen mogen en moeten oordelen over een subjectief element, zoals de bedrieglijke bedoeling van Marc B. en zodoende besluiten tot heling in de zin van art. 792 BW (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 186, nr. 276 en p. 260-261, nr. 381; J. Verstraete en J. Facq, “De procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling” in W. Pintens (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 177-178, nr. 38).

Voorts mogen en moeten de boedelnotarissen zich actief opstellen en waar nodig externe elementen (buiten de ten tijde van het overlijden voorhanden zijnde vermogenselementen) betrekken.

Anders dan Marc B. aanvoert, kan dan ook bezwaarlijk tot de nietigheid van enige notariële akte worden besloten. Zo ligt evenmin enige grond tot vervanging van de boedelnotarissen voor. De vervanging van een boedelnotaris is enkel aangewezen indien gewichtige en afdoende elementen voorliggen dat de bedoelde notaris zijn opdracht niet verder kan vervullen (M. Puelinckx-Coene, J. Verstraete, N. Geelhand en I. Verhaert, “Overzicht van rechtspraak (1996-2004): Erfenissen”, TPR 2005, p. 656-657, nr. 305; T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 115-116, nr. 167).

...

Het feit dat de boedelnotarissen de rechtbank niet eerder hebben aangesproken door middel van een tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, kan hen evenmin worden verweten, integendeel. Enkel fundamentele geschilpunten die de bewerkingen van vereffening-verdeling volledig blokkeren kunnen aan de rechtbank worden voorgelegd (Ch. Declerck, “Geactualiseerd draaiboek van vereffening-verdeling” in XXXVIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Echtscheiding, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 346-349, nrs. 41-46). En daarbij moeten uitzonderlijke omstandigheden die een voortijdige rechterlijke tussenkomst kunnen rechtvaardigen, worden aangetoond (Gent 5 februari 2009, RABG 2010, 773, noot A. Reniers).

2. De boedelnotarissen besluiten, op basis van de hen overgelegde gegevens/stukken, waaronder een door Marc B. overhandigde nota van 12 augustus 2008 en bijlage (gehecht aan de inventaris, afgesloten op 13 augustus 2008, met eedaflegging), een door Myriam B. overhandigde nota met opgave van “verdachte handelingen” ten bedrage van in totaal 204.924,00 euro en een aantal elementen uit het bedoelde strafonderzoek (het aan de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 15 juni 2009 gehechte proces-verbaal nr. 102/087/2004), tot een aantal in de staat van vereffening-verdeling van 20 januari 2009 gepreciseerde afhalingen ten bedrage van in totaal 156.556,03 euro, hetzij in cash geld hetzij door overschrijving op een eigen rekening van gelden, en dit op basis van volmachten van Marc B. op de zichtrekening van Michel B. (...) en op de spaarrekeningen van Michel B. (...), in een periode van januari 2000 tot februari 2003.

Het gaat daarbij niet om een alomvattend vermogensbeheer.

Maar aangezien Marc B. in de laatste levensjaren van zijn vader Michel B. bepaalde vermogenselementen beheerde en in die context volmachten genoot op diens voormelde zichtrekening en op diens voormelde spaarrekeningen, diende hij, gelet op deze (punctuele) mandaten ten opzichte van de boedelnotarissen rekening en verantwoording af te leggen. Iedere lasthebber is daartoe overeenkomstig zijn mandaat en de uitvoering daarvan gehouden (art. 1993 BW). Het gaat in het bijzonder om een informatie- en (waar nodig) teruggaveverplichting (Rb. Brussel 1 maart 1999, AJT 1999-2000, 124; B. Tilleman, Lastgeving in APR, 1997, p. 125 e.v., nrs. 226 e.v.).

De overige rechthebbenden van Michel B. (als gewezen lastgever) hebben recht op die rekening en verantwoording (Cass. 23 juni 1983, RW 1984-85, 392), aangezien Marc B. wel beweert maar niet afdoende bewijst dat die (ten overstaan van Michel B., tijdens zijn leven) heeft plaatsgevonden.

Noch de boedelnotarissen noch de rechtbank kunnen in de voorliggende omstandigheden (waarbij Marc B. beweert dat zijn vertrouwensband met zijn vader Michel B. mede in het licht van medische omstandigheden gedurende diens laatste levensjaren is hersteld), zonder meer aannemen dat de beweerd herstelde relatie heeft meegebracht dat Michel B. (wiens gezondheidstoestand alsmaar achteruitging en die sinds 2001 in een rusthuis was opgenomen) een permanente controle heeft kunnen uitvoeren (vgl.: Luik 22 november 1993, JLMB 1995, 1469; Luik 7 februari 1994, Rev.trim.dr.fam. 1995, 713; Luik 30 juni 1999, JLMB 1999, 1734; Luik 13 februari 2002, Rev.not.b. 2002, 300, noot). Het gaat voor Marc B. niet op zonder meer te beweren dat alle afgehaalde gelden dienden voor uitgaven ten behoeve van Michel B.

Aangezien Marc B. de benodigde rekening en verantwoording weigerde, terwijl stoffering beter zou passen, hebben de boedelnotarissen naar recht besloten dat Marc B. tot terugbetaling van het bedoelde bedrag van in totaal 156.556,03 euro is gehouden.

Anders dan Marc B. aanvoert, hebben de boedelnotarissen:

– voldoende onderzoek gevoerd (J. Verstraeten en J. Facq, “De procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling” in W. Pintens (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 185-186. nr. 276);

– geenszins de bewijskracht van de notariële inventaris, afgesloten op 13 augustus 2008 (waarbij de consoorten B. verklaren tijdens het leven van hun vader Michel B. geen giften te hebben gekregen), met eedaflegging, miskend;

– geen acht geslagen op stukken die hangende de (notariële) procedure van vereffening-verdeling niet afdoende aan tegenspraak door Marc B. zijn onderworpen, terwijl geen wettelijke bepaling in een vervaltermijn voorziet om stukken hangende de (notariële) procedure van vereffening-verdeling aan de boedelnotarissen mee te delen (Ch. Declerck, “Geactualiseerd draaiboek van vereffening-verdeling” in XXXVIe Cyclus Willy Delva, Echtscheiding, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 343-346, nr. 40; vgl. bv. het nieuwe art. 1220, § 1 Ger.W.);

– acht geslagen op de hen regelmatig bezorgde stukken uit het strafdossier, terwijl het Marc B. vrij stond te gepasten tijde bijkomende stukken te bezorgen.

3. In de lijn van voormelde redengeving verwerpt de rechtbank de (tot op heden gehandhaafde) beweringen en zwarigheden van Marc B. De rechtbank beaamt de verantwoording die de boedelnotarissen dienaangaande geven in hun notariële akte van 15 juni 2009. De rechtbank beaamt voorts de verantwoording die de boedelnotarissen geven (in hun notariële akte van 15 juni 2009) om te besluiten tot heling in de zin van art. 792 BW (J. Verstraete, “Art. 792 BW” in Comm.Erf., 1994, p. 13-14, nrs. 22-23).

B. De beweringen en zwarigheden van Myriam B., Viviane E. en Dirk B.

De bij brieven van respectievelijk 17 oktober 2008 en 5 december 2008 gedane vragen tot inkorting behelzen een rechtmatig incident tussen de betrokken deelgenoten in het raam van de hangende gerechtelijke vereffening-verdeling (H. De Page, Traité élementaire de droit civil belge, VIII2, Les testaments, Brussel, Bruylant, 1947, p. 1619, nr. 1514; H. Du Faux, “Art. 921 BW” in Comm.Erf. 1992, p. 11-12, nr. 18).

...

VI. Beoordeling van de vorderingen tot inkorting tegen Laurence en Fréderic B.

Zoals aangegeven, vorderen zowel Myriam B. (bij dagvaarding tot gedwongen tussenkomst van 13 juli 2010) als Viviane E. en Dirk B. (bij conclusie van 31 augustus 2010 en verder bij conclusies van 31 maart 2011 en 29 augustus 2011) de inkorting ten laste van Laurence en Fréderic B.

Zij doen dit evenwel bij wijze van tussenvordering in het raam van de hangende procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling. Daar, ten tijde van de conclusie van 31 augustus 2010 van Viviane E. en Dirk B. de bij dagvaarding tot gedwongen tussenkomst van 13 juli 2010 ingestelde tussenvordering nog niet op de rol zou hebben gestaan, volgt hoe dan ook de tussenvordering bij conclusies van 31 maart 2011 en 29 augustus 2011.

Laurence en Fréderic B. hebben niet de hoedanigheid van deelgenoot om in het raam van de hangende procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling te kunnen worden betrokken (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 36, nr. 53). Vandaar het vereiste van een afzonderlijke procedure voor een vordering tot inkorting tegen een bij schenking onder de levenden begiftigde niet-deelgenoot (H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, VIII2, Les testaments, Brussel, Bruylant, 1947, p. 1619, nr. 1514; H. Du Faux, “Art. 921 BW” in Comm. Erf. 1992, p. 11-12, nr. 18).

Vorderingen, zij het tussenvorderingen, gericht tegen een verweerder die niet de vereiste hoedanigheid heeft, zijn niet ontvankelijk (P. Vanlersberge, “Art. 17 Ger.W.” in Comm.Ger. 2002, p. 43-44, nr. 43).

...

De tussenvordering van Myriam B. geeft bovendien blijk van een proceshouding waarvan elke normaal zorgvuldige procespartij zich zou hebben onthouden (zie o.m.: Cass. 31 oktober 2003, JT 2004, 135, noot J.-F. Van Drooghenbroeck; Antwerpen 11 april 2000, AJT 2000-01, 696).

Nu Laurence en Fréderic B. schade lijden, maar deze niet met meer precisie kan worden bepaald, begroot de rechtbank de schade op heden in globo en ex aequo et bono op 250 euro.

De schadevergoeding ten bedrage van 250 euro is ten laste van Myriam B., die met haar dagvaarding van 13 juli 2010 de procedure die behandeling zou vinden op de terechtzitting van 7 december 2010 blokkeerde (waarop door een door de rechtbank ambtshalve te bepalen conclusietermijnagenda uitstel plaatshad naar de terechtzitting van 18 oktober 2011).

...


Cassatie 16/05/2002, AR C990497N, juridat.

Samenvatting

De bepaling dat de toerekening op het beschikbaar gedeelte en de inkorting niet kunnen worden gevorderd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die hebben toegestemd in een schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik aan een van de erfgerechtigden in rechte lijn, geldt enkel in zoverre de schenking met toepassing van de eerste regel van art. 918 B.W. moet worden aangerekend op het beschikbaar gedeelte, en niet in zoverre de schenking moet worden aangerekend op de reserve van de erfgenamen wegens een uitdrukkelijk beding in de schenkingsakte dat de schenking geschiedt als voorschot op de nalatenschap.

Een schenking met voorbehoud van het vruchtgebruik aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn betreft de waarde in volle eigendom van het geschonken goed; zij kan geheel of gedeeltelijk geschieden als voorschot op de nalatenschap en dient dan te worden aangerekend op de reserve van de erfgenamen en niet op het beschikbaar gedeelte

 

Tekst arrest

Nr. C.99.0497.N
V.F., wonende te
eiser,
tegen
1. V.J., wonende te ,
2. V.R. wonende te ,
3. V.R., wonende te
verweerders,

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 juni 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift één middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals uitgelegd bij wet van 4 januari 1960 en gewijzigd bij wet van 14 mei 1981.

Aangevochten beslissingen

Het Hof van Beroep te Antwerpen, rechtdoende bij het bestreden arrest op verweerders' hoger beroep, ontvangt dit hoger beroep, vernietigt het vonnis van de eerste rechter in de mate dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders met betrekking tot het bepalen van de gerechtigheden van partijen in de te vereffenen en te verdelen onroerende goederen werd afgewezen en, opnieuw erover rechtdoende, verklaart deze vordering gegrond en zegt voor recht dat, rekening houdend met het definitief door eiser in de nalatenschap van vader ontvangen aandeel van 1,25/32sten, de verweerders recht hebben op elk 7,6875/32 deel en eiser op 8,9375/32 deel in de in onverdeeldheid zijnde onroerende goederen behorende tot de huwelijksgemeenschap en de nalatenschappen van hun beide ouders en bevestigt het vonnis voor het overige, op grond :

"dat blijkens akte van schenking van 12 mei 1986, verleden voor notaris P. S. te Antwerpen met tussenkomst van notaris J. V.C. te Lier wijlen J. V., vader van partijen, aan (eiser) heeft geschonken 5/32sten onverdeelde paarten naakte eigendom in de onroerende goederen waarvan thans de vereffening-verdeling wordt gevorderd;

dat voormeld aandeel werd geschonken als volgt :
- 3,75/32sten als voorschot op erfdeel
- 1,25/32sten bij vooruitgift met vrijstelling van inbreng; dat (de verweerders) in deze akte van schenking zijn tussengekomen om goed te keuren en hun akkoord ermede te geven;

(...) dat het in deze gaat om een formele openlijke schenking van naakte eigendom; dat het vermoeden van schenking theoretisch enkel nog het voorbehoud van het vruchtgebruik kan betreffen; dat evenwel indien het vruchtgebruik in feite niet werd voorbehouden dit voor de reservatairen geen verschil uitmaakt; hun rechten worden pas vastgesteld bij het openvallen van de nalatenschap en dan heeft het vruchtgebruik opgehouden te bestaan;

(...) dat nu (de verweerders) met de schenking hebben ingestemd in principe de mogelijkheid wordt ontnomen nog reservataire aanspraken op het geschonkene te laten gelden (Cass. 8 oktober 1992, Rev. Not. B., 1992, 579); dat bovendien in deze de door de vader gedane schenking het beschikbaar deel niet overtreft : gelet op zijn gerechtigheden in de kwestieuze onroerende goederen na het overlijden van moeder, 20/32sten (1/2 volle eigendom in het gemeenschappelijk vermogen, dit is 16/32sten en 1/4 volle eigendom in de nalatenschap van moeder, dit is 4/32sten) kon 5/32sten worden geschonken;

(...) dat schenking met voorbehoud van vruchtgebruik kan worden gedaan als voorschot op erfenis; dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek wel een vermoeden van schenking buiten erfdeel schept doch slechts geldt voor zover er geen andere duidelijke wil werd uitgedrukt; dat dit in deze wel het geval is althans wat betreft het aandeel van 3,75/32sten; dat (eiser) geldig heeft erkend dat de schenking van 3,75/32sten als voorschot van erfenis werd gedaan; dat derhalve dit geschonken aandeel moet worden ingebracht;

(...) dat alle partijen in de nalatenschap van hun moeder ten belope van 3/32sten (1/4 van 12/32sten) gerechtigd zijn; dat de nalatenschap van vader omvat : 16/32sten (de helft huwelijksgemeenschap en 4/32sten uit de nalatenschap van moeder) dit is 20/32sten; dat (eiser) daarvan 1,25/32sten definitief heeft gekregen;
dat derhalve het saldo nalatenschap vader, met name 18,75/32sten onder alle partijen ten belope van 1/4 dient te worden verdeeld (elk 4,6875/32sten);

(...) dat samenvattend dient gesteld dat partijen in de onroerende goederen, waarvan de vereffening-verdeling wordt gevorderd, niet tot beloop van  volle eigendom elk gerechtigd zijn; dat (eiser) alleszins 1,25/32sten reeds definitief heeft gekregen en de ongelijke behandeling van de kinderen dus vaststaat; dat (eiser) terecht stelt dat hij in de in de nalatenschap van vader in te brengen 3,75/32sten mede-gerechtigd is zodat (de verweerders) dit niet enkel onder hun drie kunnen verdelen; dat de door (de verweerders) in hoofdorde gemaakte rekening dan ook onjuist is; dat de gerechtigheden van partijen in de betreffende onroerende goederen dienen te worden bepaald, zoals door (de verweerders) in uiterst ondergeschikte orde gevorderd".

Grieven

Luidens artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek wordt de waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn vervreemd zijn, hetzij met last van een lijfrente, hetzij met afstand van het kapitaal, of met voorbehoud van het vruchtgebruik, toegerekend op het beschikbaar gedeelte, en wordt het overschot, indien er een is, in de massa gebracht.

Deze toerekening en deze inbreng kunnen blijkens het tweede lid niet gevorderd worden door degenen onder de overige erfgerechtigden in de rechte lijn die in deze vervreemding hebben toegestemd.

Uit deze bepaling volgt zodoende, enerzijds, een onweerlegbaar vermoeden dat de vervreemding gedaan onder hoger vermelde voorwaarden zonder meer moet worden geacht een schenking in volle eigendom te zijn, die wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte, anderzijds, een onweerlegbaar vermoeden, ingesteld in het voordeel van de verkrijger, dat de schenking ten aanzien van de overige erfgerechtigden die in de akte instemden werd gedaan met vrijstelling van toerekening op het beschikbaar gedeelte en van inbreng, zodat deze erfgenamen noch de toerekening van de kwestieuze schending op het beschikbaar gedeelte noch de inbreng zullen kunnen vorderen.

De wet van 4 januari 1960 tot interpretatie van dat artikel 918 bepaalt uitdrukkelijk dat de uitdrukking "goederen die (...) vervreemd werden" van toepassing is "op elke vervreemding, hetzij om niet of onder bezwarende titel".

De wet viseert zodoende iedere schenking met voorbehoud van vruchtgebruik zonder enige andere, bijkomende vereiste te stellen, onder meer wat betreft het bedingen door de schenker van een inbreng of van een vrijstelling van inbreng.

Er bestaat bijgevolg aanleiding tot toepassing van voornoemde regeling, vervat in artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zodra er sprake is van een vervreemding in de zin van het eerste lid van voornoemd artikel, en dit ongeacht de kwalificatie die hieraan door partijen werd gegeven.

Het bestreden arrest stelt te dezen uitdrukkelijk vast dat er sprake was van een schenking van naakte eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik en dat de verweerders instemden met de schenking.

Hieruit volgt dat het hof van beroep, gelet op de in het bestreden arrest gedane vaststellingen, niet wettig kon beslissen dat eiser zich met betrekking tot de schenking van 3,75/32sten in de onroerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik niet kon beroepen op het bij artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vermoeden van schenking buiten erfdeel en bijgevolg evenmin op het in het voordeel van de verkrijger der goederen ingestelde vermoeden van vrijstelling van toerekening op het beschikbaar gedeelte en van inbreng opzichtens de erfgenamen die met de vervreemding hebben ingestemd en derhalve zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek), in ieder geval door aan te nemen dat in de akte geen andere duidelijke wil, afwijkend van het in dat artikel vastgelegde onweerlegbare vermoeden van schenking buiten erfdeel, mag zijn uitgedrukt aan artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek een voorwaarde toevoegt die dit niet bevat (schending van diezelfde wetsbepaling) en bijgevolg niet wettig kon beslissen dat de schenking moest worden aangerekend op eisers voorbehouden erfdeel (schending van diezelfde bepaling).

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat, krachtens artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, de waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn zijn vervreemd, met voorbehoud van het vruchtgebruik, wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte, en het overschot, indien er een is, wordt ingekort;

Dat de wet van 4 januari 1960 tot interpretatie van dat artikel 918 bepaalt dat de uitdrukking "goederen die (...) vervreemd zijn" toepasselijk is op elke vervreemding, hetzij om niet of onder bezwarende titel;

Dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek aldus voor de schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik aan erfgerechtigden in de rechte lijn een dubbel vermoeden instelt, eensdeels, in het voordeel van de reservataire erfgenamen en ter bescherming van hun voorbehouden deel, dat die schenking de waarde in volle eigendom van het geschonken goed betreft en, anderdeels, in het voordeel van de begiftigde reservataire erfgenaam, dat die schenking met vrijstelling van inbreng is gedaan en moet worden toegerekend op het beschikbaar gedeelte;

Dat dit laatste vermoeden niet strekt tot bescherming van het voorbehouden erfdeel en aan de schenker geen verplichting oplegt ongelijkheid tussen de toekomstige reservataire erfgenamen tot stand te brengen; dat aldus een schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik kan geschieden, geheel of gedeeltelijk, als voorschot op nalatenschap;

Dat dergelijke schenking zal dienen te worden aangerekend op de reserve van de erfgenamen en niet op het beschikbaar gedeelte;

Overwegende dat het voormelde artikel 918 verder bepaalt dat de toerekening op het beschikbaar gedeelte en de inkorting niet kunnen worden gevorderd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in deze vervreemdingen hebben toegestemd;

Dat dit enkel het geval is in zoverre de schenking met toepassing van de eerste regel van artikel 918 moet worden aangerekend op het beschikbaar gedeelte en niet in zoverre de schenking moet worden aangerekend op de reserve van de erfgenamen wegens een uitdrukkelijk beding in de schenkingsakte dat de schenking geschiedt als voorschot op de nalatenschap;

Dat het middel faalt naar recht;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfhonderd negenennegentig euro drie cent jegens de eisende partij en op de som van honderd een euro zesenzeventig cent jegens de verwerende partijen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Franse term: 
raccourcissement
Wetgeving: 

 Artikel 140bis Wetboek registratierechten

§ 1. In afwijking van artikel 131 wordt van het registratierecht vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker, zijn echtgenoot of de met hem samenwonende beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming.
Deze vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de schenking van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van de schenking voor ten minste 50 % in volle eigendom toebehoren aan de schenker en/of zijn familie.
In afwijking van het vorige lid, dienen de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van de schenking minstens voor 30 % in volle eigendom toe te behoren aan de schenker en/of zijn familie indien hij :
- hetzij gezamenlijk met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar is van minstens 70 % van de aandelen van de vennootschap;
- hetzij gezamenlijk met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar is van minstens 90 % van de aandelen van de vennootschap.
§ 2. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de schenker of zijn echtgenoot of samenwonende, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel heeft.
Indien de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan deze voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wordt zij tevens beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben indien uit de balansposten van ofwel de jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van schenking cumulatief blijkt :
- dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
en
- de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totaal actief.
De begiftigde kan het tegenbewijs hiervan leveren;
3° aandelen :
- elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
4° samenwonende :
1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont;
2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° familie van de schenker of de aandeelhouder, waarvan sprake in paragraaf 1, punt 2° :
1° de echtgenoot of samenwonende van de schenker of aandeelhouder;
2° de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder alsook hun echtgenoten of samenwonenden;
3° zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun echtgenoten of samenwonenden;
4° kinderen van vooroverleden broers en zusters van de schenker of aandeelhouder.
§ 3. Ingeval een vennootschap overeenkomstig paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte hebben.
--------------------
- ingevoegd bij art. 68 van de wet van 22 dec. 1998 (B.S., 15.01.1999);
- vervangen bij art. 34 van het decreet van 27 jun. 2003 (B.S., 12.09.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.07.2003;
-§ 1, enig lid:

- 2°, lid 1 gewijzigd bij art. 54 van het decreet van 19 dec. 2003 (B.S., 31.12.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2004;
- 2°, lid 2 vervangen bij art. 55 van het decreet van 19 dec. 2003 (B.S., 31.12.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2004;
- 2°, lid 3, b) vervangen bij art. 56 van het decreet van 19 dec. 2003 (B.S., 31.12.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2004;
- 3°, lid 1 gewijzigd bij art. 54 van het decreet van 19 dec. 2003 (B.S., 31.12.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2004;
- 3°, lid 2 vervangen bij art. 57 van het decreet van 19 dec. 2003 (B.S., 31.12.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2004;

- § 2 gewijzigd bij art. 58 van het decreet van 19 dec. 2003 (B.S., 31.12.2003). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2004;
- gewijzigd bij art. 10 van het decreet van 9 jul. 2010 (B.S., 28.07.2010). Tekst van toepassing vanaf 28.07.2010 (art. 75);
- gewijzigd bij art. 73 van het decreet van 23 dec. 2011 (B.S., 30.12.2011 - Ed. 4). Tekst van toepassing vanaf 01.01.2012 (art. 87).

Gerelateerd
Nog dit: 

Hof van Beroep te Brussel, 1e Kamer – 24 september 2013, RW 2014-2015;.145

samenvatting

De procedure tot inkorting van legaten en schenkingen kan principeel worden ingesteld middels de procedure tot inkorting. Deze procedure is vergelijkbaar met de gemeenrechtelijke vordering tot inkorting ter bescherming van de erfrechtelijke reserve (art. 921 e.v. BW).

De vordering tegen een derde begiftigde in het raam van de bijzondere rechtspleging van gerechtelijke verdeling van de nalatenschap is ontvankelijk in de mate dat ze ertoe strekt de inkorting in de zin van art. 921 BW te vragen van goederen die als legaat of bij wijze van schenking aan een derde begiftigde zouden zijn vermaakt om niet, omdat in dit geval het beschikbaar deel van de fictieve massa reeds volledig is uitgeput ingevolge de algemene contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract (art. 1083 en 1093 BW). Een vraag tot inkorting is virtueel begrepen in de algemene eis tot vereffening-verdeling.

Het komt aan de boedelnotaris toe om als “eerste rechter”, overeenkomstig zijn beroepsplichten, de hangende geschilpunten m.b.t. de gerechtelijke vereffening en verdeling, inclusief de overlegging van de stukken door partijen, zelf te beslechten.

tekst arrest


A.C. t/ P.T. e.a.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat (1) de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaart; (2) de vereffening en verdeling beveelt van de nalatenschap van de h. R.G. alsook van de huwgemeenschap van mevr. T. en wijlen de h. R.G.; (3) notaris P. Coppieters ’t Wallant aanstelt om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling, notaris G. Jansen belast met de bevoegdheden overeenkomstig art. 1209, § 3 Ger.W.; (4) de tegenvordering van appellante ongegrond verklaart.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, bijgevolg geïntimeerden te veroordelen tot afgifte van volgende documenten conform art. 877 Ger.W., namelijk (1) het deurwaardersexploot dat begin jaren ’90 op verzoek van P.T. met als toenmalige raadsman, mr. De Ridder te Antwerpen, werd betekend aan wijlen de h. R.G. en (2) alle andere documenten betreffende dringende en voorlopige maatregelen, feitelijke scheiding of echtscheiding tussen P.T. en wijlen R.G.

...

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep, indien het ontvankelijk is.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. P.T., eerste geïntimeerde, huwde met de h. R.G. onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, volgens huwelijkscontract verleden op 4 juni 1955 voor notaris Van Zeebroeck te Antwerpen.

R.G. is overleden te Leuven op 29 april 2008.

P.G., M.J.G., B.G. en G.G., geïntimeerden sub 2 tot 5, zijn de kinderen van de echtgenoten G.-T.

5. Appellante was de vriendin van wijlen de h. R.G. met wie zij tot de datum van zijn overlijden samenwoonde. De feitelijke scheiding van de echtgenoten G.-T. zou teruggaan tot begin van de jaren ’90.

6. Bij exploot van 19 januari 2009 hebben geïntimeerden appellante gedagvaard voor de eerste rechter. Zij vorderden de vereffening en verdeling te bevelen van de nalatenschap van de h. R.G. en de aanstelling van notarissen. Zij vorderden bovendien voor recht te zeggen dat de verschillende transacties, rechtstreeks en onrechtstreeks, ten voordele van appellante voor een totaal bedrag van minstens 917.283,91 euro (onrechtstreekse dan wel vermomde) schenkingen uitmaken, primair voor eerste geïntimeerde de nietigheid te bevelen van deze schenkingen die een schending uitmaken van de regels van het huwelijksvermogensrecht, primair voor geïntimeerden sub 2 tot 5 de inkorting te bevelen tot beloop van het bedrag dat een aantasting vormt van hun erfrechtelijke reserve, subsidiair voor eerste geïntimeerde de inkorting te bevelen tot beloop van het gedeelte dat een aantasting vormt van de contractuele erfstelling voor het grootst beschikbaar deel in volle eigendom, minstens tot beloop van het gedeelte dat een aantasting vormt van haar erfrechtelijke reserve, subsidiair voor geïntimeerden sub 2 tot 5, de inkorting te bevelen tot beloop van het bedrag dat een aantasting vormt van hun erfrechtelijke reserve.

In de loop van de procedure voor de eerste rechter hebben geïntimeerden bij eisuitbreiding tevens de vereffening en verdeling gevorderd van de huwgemeenschap van mevr. T. en wijlen de h. R.G.

Geïntimeerden vorderden bovendien appellante te veroordelen tot voorlegging van een aantal documenten.

III. Bespreking

7. De eerste rechter heeft geoordeeld dat geïntimeerden wel degelijk beschikken over de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang en dat hun vordering ontvankelijk was.

Hij oordeelde dat de vereffening en verdeling diende te worden bevolen, gelet op de ingestelde vordering tot inkorting en de noodzaak om de fictieve massa vast te stellen. De overige vorderingen zouden dan eerst door de boedelnotaris worden onderzocht en behandeld.

8. Appellante blijft de ontvankelijkheid, minstens de toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden betwisten. Zij betwist testamentair erfgenaam te zijn en voert aan dat de h. R.G. testamentloos overleden is. Het document dat geïntimeerden voorleggen zou geen geldig testament zijn. Er zou bijgevolg geen onverdeeldheid tussen partijen bestaan.

Subsidiair laat appellante gelden dat het merendeel van de goederen van de h. R.G. werd ondergebracht in een trust, genaamd “D.”, op 5 januari 1994 opgericht op en beheerd volgens de regels van The Isle of Man. Het hof zou bijgevolg zonder rechtsmacht zijn om kennis te nemen van een geschil m.b.t. de goederen van deze trust.

Voorts betwist appellante de gegrondheid van de vordering van geïntimeerden en blijft zij aandringen op de voorlegging van de hierboven opgesomde documenten.

1o Bevoegdheid

9. Volgens appellante zou de rechtbank, en thans het hof, onbevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering bij gebrek aan internationale rechtsmacht, gelet op de omstandigheid dat de overledene het merendeel van zijn goederen heeft ondergebracht in een trust opgericht volgens de regels van The Isle of Man.

Uit de notariële akte van neerlegging van het testament van 24 november 2010, verleden voor notaris Michiels te Aarschot, en uit de aangifte van nalatenschap blijkt dat de h. G. overleden is te Leuven op 29 april 2008 en dat hij zijn laatste woonplaats, in de zin van art. 110 BW, had te Aarschot, (...).

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, en thans het hof, zijn te dezen bevoegd krachtens art. 627, 3o Ger.W., als zijnde de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, wanneer het gaat om rechtsvorderingen tot verdeling en, tot bij de vereffening, om rechtsvorderingen tot opvordering van nalatenschappen en alle andere rechtsvorderingen tussen mede-erfgenamen of legatarissen.

Met toepassing van art. 77, 1o WIPR zijn de Belgische rechters bovendien bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende erfopvolging indien, zoals te dezen, de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats in België had.

De omstandigheid dat wijlen de heer G. goederen in een buitenlandse trust heeft ondergebracht, brengt geen wijziging aan deze bevoegdheidsregels.

De exceptie van onbevoegdheid wordt afgewezen.

2o Ontvankelijkheid, toelaatbaarheid van de vordering

10. Appellante voert aan dat de vordering van geïntimeerden om de huwelijksgemeenschap tussen de echtgenoten G. en T., enerzijds, en de nalatenschap van de h. G., anderzijds, te doen vereffenen en verdelen, gegrond op art. 815 BW, niet tegen haar kan worden gericht, nu zij noch erfgename noch echtgenote is of was van wijlen de heer G.

11. Vooraf zij beklemtoond dat bij het huwelijkscontract, verleden op 4 juni 1955, de echtgenoten G.-T. het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een vennootschap van aanwinsten hebben aangenomen. Art. 8 van dit huwelijkscontract luidt:

“De aanstaande echtgenoten verklaren zich wederzijds gift te doen, de eerststervende aan de langstlevende, van de volle eigendom van alle roerende en onroerende goederen, die hij op de dag van zijn overlijden zou nalaten, met recht van genot en beschikking vanaf dien dag.

“In geval vermindering zou worden toegepast ten bate van de erfgenamen, in voordeel van wie de wet een voorbehouden deel heeft ingesteld, zal deze schenking alleszins begrijpen de grootste delen zo in volle eigendom als in vruchtgebruik, waarover de wet toelaat te beschikken in voordeel van zijn echtgenoot.

“Voor de uitoefening van elk vruchtgebruik uit deze akte spruitend, wordt de begiftigde vrijgesteld van borg te stellen en van aanleg te doen.

“Deze schenking wordt door beide aanstaande echtgenoten aangenomen”.

Een dergelijke algehele contractuele erfstelling kan in principe niet ongedaan worden gemaakt noch eenzijdig herroepen worden door één echtgenoot. Een geldige wijziging of herroeping vereist immers de toestemming van beide echtgenoten (art. 1083 juncto art. 1093 en 1394 BW). De sanctie hiervan ligt in de vernietigbaarheid van de rechtshandeling gesteld in strijd met art. 1083 BW of in de inkorting in geval van overschrijding van het beschikbaar deel ter bescherming van het voorbehouden erfdeel van reservataire erfgenamen.

Vanuit die optiek zijn te dezen de betwistingen nopens het bestaan of de draagwijdte van testamentaire beschikkingen (legaten) of schenkingen ten gunste van appellante nogal relatief, omdat alle schenkingen of legaten vatbaar voor inkorting zijn.

12. Een vordering tot inkorting tegen een derde begiftigde vereist in principe dat de fictieve massa wordt gevormd, zodat de reserve en het beschikbaar deel cijfermatig en precies worden bepaald (art. 922 BW).

Overigens worden bij de gerechtelijke verdeling en vereffening in principe slechts de erfopvolgers/deelgenoten in de nalatenschap betrokken als partij. Appellante is geen deelgenoot; zij heeft geen breukdeel of onverdeeld aandeel in de nalatenschap van de heer G.; zij deed ook geen verzet in de zin van art. 882 BW.

De inkorting van eventuele legaten en eventuele schenkingen kan in principe ingesteld worden bij een specifieke procedure van inkorting, vergelijkbaar met de gemeenrechtelijke vordering tot inkorting ter bescherming van de erfrechtelijke reserve geregeld in art. 921 e.v. BW.

In het bestreden vonnis beklemtoonde de eerste rechter dat de vordering in vereffening en verdeling ingesteld werd, “gelet op de betwistingen tussen partijen inzake de vordering tot nietigheid dan wel inkorting ten laste van mevrouw C. ...”.

En verder: “daar mevrouw C. echter niet betwist dat zij deze goederen heeft ontvangen bij handgift van wijlen de heer Roger G., dient te worden overgegaan tot het vaststellen van de fictieve massa. Art. 922 BW is immers van toepassing op legaten als op schenkingen. De vordering tot vereffening-verdeling is dan ook gegrond en kan worden toegekend”.

Het hof bevestigt op dit punt het bestreden vonnis. De principes inzake proceseconomie, goede rechtsbedeling en verband tussen beide vorderingen ingevolge art. 922 BW betreffende de samenstelling van de fictieve massa (ook met schenkingen of legaten ten voordele van derden) wettigen dat de vordering tot inkorting tegen dergelijke begunstigde derden, en uitgaande van reservataire erfgenamen van de overledene, in voorkomend geval beslecht wordt in het raam van dezelfde bijzondere rechtspleging van de vereffening en verdeling van diens nalatenschap. Dit geldt mutatis mutandis ook voor een vordering tot inkorting naar aanleiding van het bestaan van een algemene contractuele erfstelling tussen aanstaande echtgenoten gedaan bij huwelijkscontract, ten voordele van de langstlevende van hen.

De vordering tegen appellante in het raam van de bijzondere rechtspleging van gerechtelijke verdeling van de nalatenschap van R.G. tussen diens weduwe en de kinderen, dus de deelgenoten, is dus ontvankelijk of toelaatbaar in de mate dat ze ertoe strekt de inkorting (in de zin van art. 921 e.v. BW) te vragen van goederen die als legaat of bij wijze van schenking aan appellante, oorspronkelijke verweerster, zouden zijn vermaakt om niet, omdat in huidig geval het beschikbaar deel van de fictieve massa reeds volledig is uitgeput ingevolge de algemene contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract (art. 1083 en 1093 BW). Overigens, een vraag tot inkorting is virtueel begrepen in de algemene eis tot vereffening-verdeling.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid wordt dan ook afgewezen.

3o Ten gronde

13. De betwistingen ten gronde van appellante zijn kennelijk voorbarig.

Het zal immers de boedelnotaris behoren om als “eerste rechter”, overeenkomstig zijn beroepsplichten, de hangende geschilpunten m.b.t. de gerechtelijke vereffening en verdeling, inclusief de overlegging van stukken door partijen, zelf te beslechten.

Het hoger beroep is ongegrond.

...

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 19/08/2016 - 13:08
Laatst aangepast op: vr, 19/08/2016 - 13:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.