-A +A

Historische bron van ons wetboek van strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Ons Wetboek van Strafvordering dateert nog van 1808 en heeft als rechtsreekse bron de Grande Ordonnance Criminelle van Lodewijk XIV (1670) ( F. Helie, Instruction criminelle, Brussel, Bruylant, 1863, 183-185; A. Esmein, Histoire de la procédure criminelle en France, Parijs, Duchemin, 1882, 490-495).

Het inquisitoire proces van 1670 legde de nadruk op de ondervraging van de verdachte. De onderzoekende magistraat (lieutenant criminel) moest binnen een termijn van 24 uur na arrestatie overgaan tot verhoor van de verdachte (Titel II, art. 12), die de eed moest afleggen, desnoods met tolk (titel XIV, art. 7), en bij onvoldoende bewijs aan de pijnbank (la question) kon worden onderworpen (titel XIX. Zie http://ledroitcriminel.free.fr). De eed voor verdachten is niet helemaal uit het Franse recht verdwenen. Wanneer de Franse onderzoeksrechter ingevolge een rogatoire opdracht, een persoon ondervraagt tegen wie er in Frankrijk geen ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, dient de ondervraagde persoon de eed af te leggen (art. 105, 153 en 154 Code de procédure pénale, www.legifrance.gouv.fr).
Bron: Bart De Smet, De regelmatigheid van bewijs afkomstig uit het buitenland, de eed van de verdachte en te laat neergelegde conclusies, RW 2015-2016, 1101
 

La Grande Ordonnance Criminelle van Lodewijk XIV (1670) is een van de eerste Franse teksten waarin de strafvordering werd uitgewerkt.

Opmerkelijk was dat de ordonantie gevangenschap niet aanzag als sanctie (in tegenstelling tot de schandpaal of de dood), maar een preventieve maatregel totdat een vonnis of straf kon worden geveld.

Vanuit zijn absolute macht behield Louis XIV, het recht te hebben om tot nader order ", onruststokers en tegenstanders gevangen te zetten? Met, als ultieme wapen, de beroemde zegel brief, door hem ondertekend en met het vonnis van verbanning of gevangenisstraf. Persoonlijk getekend door de koning en overhandigd door een officier aan de betrokkenen, was zij de uiting van de persoonlijke justitiële macht van de koning, vaak ingegeven door de enige "reden van de staat" (la raison d'état).

Niettegenstaande zij louter steunde op willekeur, werd er toch een voorafgaand onderzoek gevoerd.
In het vooronderzoek diende ondermeer de oorzaak van de dood van een persoon.worden gezocht.

Het ultieme bewijs was de bekentenis, desnoods middels foltering. Maar zelfs zonder bekentenis kon een veroordeling volgen op basis van sterke vermoedens, weze het dan een lichtere straf.

De ordonantie verdween met de FRanse revolutie, maar leefde inzake bepaalde weze het alhier niet besproken regels voort in het Belgische Wetboek van strafvordering.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 06/03/2016 - 14:50
Laatst aangepast op: zo, 06/03/2016 - 14:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.