-A +A

herstelvordering kan niet verjaren voor de strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

In een arrest van 24.12.2010 Heet het Hof van Beroep formeel gesteld dat de herstelvordering met toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet kan verjaren voor de strafvordering 

Wettelijke bron: Artikel 6, 1, 1 van de Vmlaamse codex Ruimtelijke ordering. Herstelvordering. Strafvordering. Artikel 26, voorafgaande titel wetbroek strafrecht. Verjaring. Aflopende misdrijven

Hof van Beroep Brussel 14/12/2010 (2007AR2841) Juridat

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
1e kamer,
A.R. Nr.: 2007/AR/2841
zetelend in burgerlijke zaken,
Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest:

 

INZAKE VAN:

 

1. V. & ZONEN N.V.,
2. V. M., handelaar,

3. A. M.,
4. V. A. MANAGEMENT C.V.,
appellanten,

 

 

TEGEN:

 

DE GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR BEVOEGD VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS BRABANT, met kantoor te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomstenstraat 103-105,

geïntimeerde,

 

 

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 19 juni 2007.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt:

"
De n.v. Ets. V. & Zonen is eigenaar van een onroerend goed gelegen te K., ..., kadastraal gekend sectie B, nrs. 534 Y en Z.

Dit onroerend goed bevindt zich in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse.

Oorspronkelijk was dit goed een landbouwbedrijf. Het werd omgevormd tot een transportbedrijf.

De n.v. Ets V. zou dit goed op 8 mei 1989 hebben gekocht. Er werden een reeks wijzigingen aangebracht zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning.

Bij processen-verbaal van 16 januari 1998 en van 16 januari 2002 werden verscheidene stedenbouwkundige inbreuken vastgesteld en meer bepaald (zie bijlagen stukken 4 en 16):

§ het uitbreiden van een bedrijf met een toegangsweg en een parking;
§ het in stand houden van wederrechtelijk opgerichte loodsen en het wijzigen van het gebruik van deze loodsen (deze loodsen werden vergund als landbouwloodsen);
§ de functie van de bedrijfswoning werd gewijzigd: de woning werd vergund als bedrijfswoning in het kader van een witloofbedrijf. Na de verkoop van de ganse site aan het transportbedrijf zou het gebruik van de woning onwettig zijn geworden (de bouwvergunning voor de oprichting van de eengezinswoning werd aan de vorige eigenaars verleend op 15 mei 1990);
§ de woning werd uitgebreid met een pergola; achter de pergola werd een siervijver aangelegd.

De regularisatieaanvraag van de overtredingen "functiewijzigingen + aanleg van toegangsweg naar achterliggende bedrijfsloodsen + functiewijziging naar bedrijfswoning" werd geweigerd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant bij beslissing van 10 juni 2003 (stuk 29). De aanvraag bleek strijdig te zijn met de planologische voorschriften (de onderneming was een transportbedrijf en geen agrarische of para-agrarische onderneming). Door het ontbreken van een milieuvergunning kon niet worden afgeweken van de gewestplanvoorschriften.

De heer M. V. en mevrouw A. zijn bestuurders van de n.v. Ets. V. & zonen. De cva V. en management heeft haar maatschappelijke zetel gevestigd op het bewust perceel.

"

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Voor de eerste rechter vorderde geïntimeerde de veroordeling van appellanten, hoofdelijk of in solidum tot het herstel van de plaats, meer bepaald:
§ de verwijdering van de toegangsweg en de parking en het herstel van het oorspronkelijk reliëf;
§ de afbraak van de 2 loodsen en de verwijdering van de afbraakmaterialen;
§ de afbraak van de woning en de verwijdering van de afbraakmaterialen van het terrein;
§ de verwijdering van de pergola en de vijver;

dat alles binnen 6 maanden na de uitspraak, op verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per dag vertraging in de uitvoering , "zonder dat een bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, 4" lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegekend".

Appellanten concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

3.2. De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde gegrond en veroordeelde appellanten hoofdelijk tot het herstel zoals gevraagd; alleen bepaalde hij de termijn daarvoor op 15 maanden na de betekening van het vonnis.

3.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijk verweer; geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Ondergeschikt verzoeken partijen het hof elk welbepaalde vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1. De ontvankelijkheid van de vordering

4.1.1. Artikel 6.1.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

Appellanten werpen op dat de herstelvordering niet meer kan ingewilligd, gelet op artikel 6.1.1., laatste lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Dit bepaalt: "een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld". Artikel 6.1.1.derde lid bepaalt: "de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden". Naar luid van artikel 1.1.2., 10° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omvat de definitie van ruimtelijk kwetsbaar gebied niet het landschappelijk waardevol agrarisch gebied.

Geïntimeerde antwoordt hierop met de vraag drie prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

De eerste vraag luidt: "Schendt art. 6.1.1, 4de lid VCRO het door art. 16 GW en art. 1.1 Aanvullend Protocol EVRM gewaarborgde eigendomsrecht van de door de instandhouding van een illegale constructie benadeelde derde, al dan niet in samenhang gelezen met het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, door te verhinderen dat de tijdig bij het vonnisgerecht aanhangig gemaakte publieke vordering tot herstel in de oorspronkelijke staat of tot herstel in een legale staat niet langer kan worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld?". Geïntimeerde stelt dat artikel 16 van de Grondwet en artikel 1.1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM zich verzetten tegen wat hij kwalificeert als een amnestie op burgerlijk vlak, omdat de bepaling, samengevat, het eigendomsrecht van mogelijk benadeelde derden aantast.

Het hof ziet geen reden om de voorgestelde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, omdat het beantwoorden ervan niet onontbeerlijk is voor de beoordeling van huidige vordering. De vordering van geïntimeerde strekt immers niet tot de uitoefening van de eigendomsrechten van een benadeelde derde, maar tot handhaving, in uitvoering van zijn wettelijke opdracht, van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening van het VLAAMSE GEWEST.

Gelet op dat laatste is overigens ook niet duidelijk wat het belang kan zijn voor geïntimeerde om de grondwettigheid te betwisten van diezelfde wetgeving. Dat zelfde geldt uiteraard ook voor de andere twee vragen die geïntimeerde voorstelt.

De tweede door geïntimeerde gesuggereerde vraag luidt : "Schendt art. 6.1.1.4° lid Codex RO het standstill-beginsel vervat in art. 23 Grondwet door - zonder indeplaatsstelling van een alternatief- reeds bestaande en voor de rechter uitgeoefende vorderingsrechten van de overheid tot herstel van de goede ruimtelijke ordening uit te doven naar aanleiding van een depenalisering van het misdrijf van instandhouding, terwijl deze depenalisering de concrete aantasting van de goede ruimtelijke ordening, zowel de facto als de iure, onverlet laat?".

Het hof ziet geen reden om de tweede vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, omdat er klaarblijkelijk geen schending is. Geïntimeerde laat ten onrechte uitschijnen dat artikel 6.1.1.4° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet wordt gesteund op redenen die verband houden met het algemeen belang. De invoering van een regel van uitdoving van de herstelvordering verbonden aan het niet meer strafbaar zijn strekt evident tot het bekomen van rechtszekerheid en dus tot het algemeen belang.

De derde door geïntimeerde gesuggereerde vraag luidt: "Schenden de artikelen 6.1.1.,3de lid, 6.1.1.,4de lid en 6.1.2. Codex RO het standstill-beginsel, vervat in art. 23 Grondwet, doordat ze in onderlinge samenhang het opleggen van een herstelmaatregel op grond van feiten van instandhouding volstrekt onmogelijk maken, en hierdoor de mogelijkheid van de overheid tot het herstellen van illegale situaties de facto laten afhangen van het voorhanden zijn van een dader, aan wie het oprichtingsmisdrijf toerekenbaar is, terwijl deze omstandigheid geen enkel verband houdt met de schade aan de goede ruimtelijke ordening die door de illegale situatie wordt veroorzaakt?"

Ook de derde vraag moet niet gesteld worden. Dit volgt alleen al uit de vaststelling dat ze ten onrechte stelt dat de herstelmaatregel op grond van feiten van instandhouding volstrekt onmogelijk is geworden; hij kan nog steeds ingewilligd worden voor instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Geheel ten overvloede nog dit. Geïntimeerde vermeldt dat de drie door hem gesuggereerde vragen reeds zijn gesteld door het hof van beroep te Gent bij arrest van 27 november 2009, en meent dat het aangeraden is de beoordeling van huidige vordering op te schorten om de uitspraak van het Grondwettelijk Hof af te wachten. Het Grondwettelijk Hof heeft uitspraak gedaan bij arrest van 29 juli 2010, en heeft op de drie vragen geantwoord dat er geen schending is. Het Grondwettelijk Hof ziet (1ste vraag) geen schending van het eigendomsrecht van een benadeelde derde, en meent (2de en 3de vraag) dat er geen aanzienlijke achteruitgang is in het beschermingsniveau van het leefmilieu, noch een aanzienlijke achteruitgang die niet zou kunnen worden verantwoord door de daaraan ten grondslag liggende motieven van algemeen belang . Ook daarom hoeft het hof de vragen dus niet meer te stellen.

Met toepassing van artikel 6.1.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan huidige herstelvordering bijgevolg niet meer worden ingewilligd voor zover ze betrekking heeft op instandhouding van handelingen. De bewoordingen "kan ... niet langer worden ingewilligd indien ... niet meer strafbaar is gesteld" suggereren een beëindiging van de mogelijkheid voor de rechter om de vordering te beoordelen, en dus een vorm van niet-ontvankelijkheid.

In de mate dat de vordering van geïntimeerde steunt op de niet-uitvoering van de woning volgens de vergunning (in casu een binnenmuur die afwijkt van de plannen bij de vergunning), kan verwezen worden naar het bovenstaande. Appellanten hebben immers niet zelf gebouwd, maar hebben de foute muur alleen behouden.

4.1.2. De verjaring van aflopende misdrijven

Appellanten laten vervolgens gelden dat op het ogenblik van de dagvaarding, 11 en 12 mei 2005, de verjaring was ingetreden van de beweerde (aflopende) misdrijven, te weten de aanleg van de parking en de toegangsweg, de siervijver en de pergola, en de wijzigingen van het gebruik van de loodsen en de woning.

Het bestaan van de parking en de weg werd inderdaad reeds vastgesteld in het proces-verbaal van 16 januari 1998 . Appellanten stellen dat de vijver en de pergola ook worden beschreven in een proces-verbaal van 13 februari 1998, maar een dergelijk proces-verbaal wordt niet neergelegd en wordt verder ook niet vermeld . Het bestaan van de pergola en de siervijver wordt wel vermeld in het proces-verbaal van 16 januari 2002 .

Geïntimeerde werpt terecht op dat de herstelvordering met toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet kan verjaren voor de strafvordering . Hij betoogt daarbij dat de strafrechtelijke verjaringstermijn nog niet loopt omdat het instandhoudingsmisdrijf nog bestaat, al is het zonder straf. Dit laatste is niet ter zake dienend, omdat de wetgever de ontvankelijkheid van de herstelvordering uit een instandhouding ondertussen heeft beperkt, zoals hierboven (onder punt 4.1.1.) vermeld.

Met betrekking tot de parking en de weg stellen appellanten, zonder daarin door geïntimeerde te worden tegengesproken, dat er geen strafvordering is ingesteld. Gelet op artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering was de strafvordering dus verjaard op het ogenblik van het instellen van de herstelvordering. De verjaring kan niet worden vastgesteld voor wat betreft de bouw van de pergola en het graven van de vijver, een voor de wijzigingen van het gebruik van de loodsen en de woning.

4.2. De grond van de vordering

4.2.1. Het gestaakte gebruik

In de mate dat geïntimeerde schijnt te verdedigen dat de wijziging van de functie van de woning en van het gebruik van de loodsen moet beschouwd worden als een voortdurend misdrijf onderscheiden van de instandhouding, moet vastgesteld worden dat de herstelvordering met betrekking tot die wijzigingen zonder voorwerp is geworden. Appellanten verklaren dat zij het gebruik van de woning en de loodsen hebben beëindigd na 30 juni 2006 , en geïntimeerde spreekt dat niet tegen. De herstelvordering die wat dit betreft een vordering tot staken is, is dus zonder voorwerp geworden.

4.2.2. De niet vergunningplichtige opstanden

Met betrekking tot de pergola en de vijver beroepen appellanten zich op het feit dat de aanleg ervan niet vergunningplichtig is gelet op artikel 3, 11° c) en e) van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 april 2000 tot bepaling van de vergunningplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Geïntimeerde antwoordt dat die vrijstelling niet geldt voor het ruimtelijk kwetsbaar gebied. Dat klopt voor wat betreft de siervijver (artikel 3, 11°, laatste lid). Zoals hoger vermeld, kan het landschappelijk waardevol agrarisch gebied echter niet beschouwd worden als ruimtelijk kwetsbaar gebied. Dat dit laatste uitdrukkelijk werd bepaald in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in 2009 betekent niet dat het landschappelijk waardevol agrarisch gebied voordien wel moest gelden als ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Ten onrechte voert geïntimeerde nog aan dat de woning waarbij de pergola en de vijver werden aangelegd niet vergund is (de vrijstelling uit artikel 3, 11° van het Besluit van 1 april 2000 geldt alleen voor de plaatsing in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw). Voor de woning is een vergunning afgeleverd op 15 mei 1990, en de licht afwijkende uitvoering van een binnenmuur is niet ernstig genoeg om de woning als niet vergund te beschouwen .

De plaatsing van de pergola en de vijver kunnen dus niet beschouwd worden als inbreuken. De herstelvordering is wat dat betreft dus ongegrond.

Gelet op het bovenstaande zijn de overige middelen van partijen zonder belang.

5. De kosten

Het hof ziet geen reden om voor de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet-waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR.

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van geïntimeerde niet ontvankelijk met betrekking tot de verwijdering van de toegangsweg en de parking, de 2 loodsen,
Verklaart de vordering zonder voorwerp met betrekking tot strijdig gebruik,
En verklaart ze voor het overige niet gegrond.

Het veroordeelt geïntimeerde tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot op, 186,00 EUR (rolrechten) + 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

 

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 14 december 2010.

Rechtsleer: 

T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», R.W. 2010-2011, 434 randnrs. 10 en 15.
 

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie,2e Kamer – 5 januari 2010, R.W. 2010-2011, 456

R.P.A.J. en BVBA C. t/ Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur provincie Antwerpen

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 februari 2009.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 6.1. EVRM en art. 14.1. IVBPR: op grond van de elementen die zij vermelden, vermochten de appelrechters niet te oordelen dat een termijn van meer dan 23 jaar tussen de eerste vaststelling en de uitspraak, respectievelijk meer dan 18 jaar tussen de kennisgeving van de herstelvordering en deze uitspraak, nog als redelijk kon worden beschouwd; dat de herstelvordering een legitiem doel nastreefde, dat de rechtsvoorgangers van eiseres bij de inkennisstelling van de herstelvordering geen verklaring wensten af te leggen, dat tot tweemaal toe getracht werd een regularisatievergunning te krijgen, vormen geen pertinente feitelijke overwegingen die zouden verantwoorden te besluiten dat de redelijke termijn niet is overschreden.

2. Het staat de rechter in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vaststellingen die hij verricht, geen gevolgtrekking afleidt die deze niet kunnen verantwoorden.

3. De bekritiseerde motivering betreft feitelijke gegevens die niet vreemd zijn aan gedragingen of tussenkomsten van de eisers en die een vertraging bij de afhandeling van de strafzaak en een uitstel van de uitspraak kunnen verantwoorden. Of deze feitelijke gegevens effectief een verlenging van de redelijke termijn verantwoorden, is een feitelijke beoordeling waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Derde middel in zijn geheel

8. Het middel voert schending aan van art. 65 Stedenbouwwet, art. 68 Stedenbouwdecreet 1996, art. 149 Stedenbouwdecreet 1999, art. 6.1. EVRM en art. 14 IVBPR: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de strafrechter niet mag oordelen over de opportuniteit van de gevorderde herstelmaatregel tot afbraak en deze niet mag vervangen door een veroordeling tot betaling van een meerwaarde; dit is in strijd met het intrinsiek strafrechtelijk karakter van de vordering tot afbraak in de zin van art. 6.1. EVRM en art. 14 IVBPR, waarbij de rechter deze maatregel, als intrinsiek strafrechtelijke sanctie, moet kunnen beoordelen of hervormen op alle punten, zowel in rechte als in feite (eerste onderdeel); minstens houdt deze beslissing, in verband met een betwisting omtrent het eigendomsgebruik en een eigendomsbeperking, dit is die het patrimonium van de burger aanbelangt, miskenning in van diens recht op een toetsing met volle rechtsmacht door de rechter (tweede onderdeel).

9. Het middel in zijn beide onderdelen gaat uit van de onderstelling dat de bevoegdheid van het bestuur bij het instellen van de herstelvordering wettelijk niet gebonden is, het bestuur over een keuzemogelijkheid beschikt wat de op te leggen maatregel betreft, welke keuze de strafrechter bijgevolg krachtens zijn «volle rechtsmacht» ook op het vlak van de opportuniteit moet kunnen wijzigen.

10. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/2005 van 19 januari 2005 bepaalt art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: «Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van (...) is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist».

Art. 149 Stedenbouwdecreet 1999 geeft aan het bestuur de bevoegdheid om een herstelbeleid te voeren: het bestuur beslist of het al dan niet een herstelmaatregel zal vorderen; indien het beslist een herstelmaatregel te vorderen, beschikt het over de keuze tussen drie mogelijke herstelmaatregelen, evenwel enkel binnen de grenzen en de modaliteiten die nader bij voormeld art. 149 zijn bepaald.

11. Art. 149, § 1, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: «Voor de misdrijven waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze werden gepleegd vóór 1 mei 2000, kan in principe steeds het middel van de meerwaarde worden aangewend, tenzij in één van de volgende gevallen: (...) 3o indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg».

Uit die bepaling volgt dat bij een dergelijke overtreding het bestuur het herstel in de oorspronkelijke toestand moet vorderen en over geen verdere keuze beschikt.

12. De appelrechters oordelen dat «de uitgevoerde werken en de handelingen (...) een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk op de essentiële bestemmingsvoorschriften van het gewestplan vormen, zodat de herstelvordering niet disproportioneel is ten aanzien van het beoogde doel van de ruimtelijke ordening, met name het vrijwaren van de bufferzone».

Die reden volstaat om het door hen bevolen herstel in de oorspronkelijke staat naar recht te verantwoorden.

Het middel dat in zijn geheel is gericht tegen een overtollig motief, kan niet tot cassatie leiden. Het is niet ontvankelijk.

...

 

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 10/04/2011 - 17:12
Laatst aangepast op: zo, 10/04/2011 - 17:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.