-A +A

gezag strafrechtelijk gewijsde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het gezag van rechterlijk gewijsde in strafzaken, geldt erga omnes (ten aanzien van eenieder). Dit gezag van gewijsde belet dat de feiten, die het voorwerp van de strafrechtelijke beslissing uitmaakten, opnieuw worden betwist naar aanleiding van een latere procedure voor de burgerlijke rechter. (zie echter hoe deze regel niet steeds wordt aangenomen in onderstaande geciteerde rechtspraak). Een vrijspraak voor een bepaald strafbaar feit impliceert dat dit feit onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kan worden gebracht en dat de burgerlijke rechter niet meer kan oordelen dat dit feit alsnog een misdrijf uitmaakt. Deze regel geldt ongeacht de motieven van de vrijspraak en dus ook bij een vrijspraak op grond van twijfel.

Een vrijspraak van de correctionele rechtbank of de politierechtbank op de strafvordering impliceert dat de burgerlijke rechter niet meer kan oordelen dat het feit ten laste van de vrijgesproken beklaagde alsnog een strafbaar feit zou uitmaken.
 

Een vrijspraak houdt in dat het feit onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kan worden gebracht, aangezien het gezag van gewijsde geldt ongeacht de motieven van de vrijspraak, en dus ook bij een vrijspraak op grond van twijfel, en zulks in strijd met de beweringen van huidig verweerster op hoofdvordering (zie o.a. Cass. 17 december 1987, Arr. Cass. 1987-88, 243; Cass. 14 maart 1989, R.W. 1990-91, 1033; Cass. 18 december 2003, NjW 2004, 308, noot J. Deene, R. Verstraeten, Handboek strafvordering, 2005, 1024 e.v.).

Vereist is dat de burgerlijke vordering berust op hetzelfde feit als de strafvordering, waarover uitspraak werd gedaan, terwijl de identiteit van het feit wordt vastgesteld door de rechter ten gronde en het niet mogelijk is om voor de burgerlijke rechter te ontsnappen aan het gezag van gewijsde door het feit voor te stellen onder een andere kwalificatie (zie o.a. Cass. 15 januari 1987, Arr. Cass. 1986-87, nr. 285; Cass. 14 april 1999, Arr. Cass. 1999, 206). 

zie evenwel Hof van Cassatie, 1e Kamer – 19 juni 2014, RW 2014-2015, 1067:

AR nr. F.13.0070.N

R. en A. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 25 september 2012, na verwijzing bij arrest van het Hof van 11 februari 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dit besloten ligt in art. 4 Voorafgaande Titel Sv., staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden.

Dit geldt ongeacht of art. 6.1 EVRM van toepassing is.

2. Door te oordelen dat de verweerder geen partij was in het geschil voor de strafrechter, zodat het gezag van gewijsde dat verbonden is aan het arrest op strafgebied niet belet dat hij in het raam van de fiscale procedure betwisting kan voeren over een kwestie die in dat arrest is beslecht, met name de betwisting betreffende het tijdstip van belastbaarheid van welbepaalde inkomsten, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Rechtspraak: 

• Politierechtbank te Brugge, 1e Burgerlijke Kamer – 22 oktober 2007, RW 2009-2010 296

tekst het vonnis:

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.065,99 euro in hoofdsom, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Tielt op 23 juni 2003.

De vordering is gebaseerd op de bepalingen van art. 19bis-11, 3o, van de W.A.M.-Wet.

Verweerster betwist haar gehoudenheid tot betaling van de veroorzaakte schade.

Eiseres op hoofdvordering ging over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst van mevrouw R.C., strekkende tot betaling van het hogervermelde bedrag van 3.065,99 euro in hoofdsom als schadevergoeding voor hetzelfde verkeersongeval. De tussenvodering is gebaseerd op een fout van gedaagde in gedwongen tussenkomst in de zin van art. 1382 e.v. B.W., bestaande in een overtreding van de bepalingen van art. 10.1.3. Wegverkeersreglement.

Een afschrift van het strafdossier wordt voorgelegd, evenals een afschrift van het vonnis van de 7e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge van 9 april 2004, dat ter zake werd gewezen.

Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke gegevens en antecedenten

De vordering van eiseres vindt haar oorsprong in een verkeersongeval, dat zich op 23 juni 2003 omstreeks 16.47 u heeft voorgedaan te Tielt, toen een voertuig Suzuki Swift, bestuurd door C. (gedaagde in gedwongen tussenkomst) en verzekerd bij de NV F.A. (niet inzake) van de weg geraakte en te pletter sloeg tegen een kopduiker, eigendom van de stad Tielt, waarbij een kabelverdeelkast, eigendom van de NV B. (huidige eiseres op hoofdvordering en op tussenvordering) beschadigd werd.

Bij de komst van de verbalisanten ter plaatse werd de bestuurster van het voertuig Suzuki Swift, R.C., uit het wrak bevrijd door de brandweer en de medische diensten, en was ze bij bewustzijn, waarna ze werd overgebracht naar het ziekenhuis te Tielt. Ze verklaarde aan de verbalisanten dat ze op weg was van haar werk naar huis.

Later op de avond omstreeks 18.10 u verklaarde bestuurster R.C. aan de verbalisanten dat ze die namiddag haar personenwagen Suzuki Swift had bestuurd te Tielt en dat ze het bewustzijn moet hebben verloren, waardoor ze van de weg was geraakt. Door de aanrijding werd ze gewond.

Door de verbalisanten werden foto‘s van de plaatstoestand bij de strafinformatie gevoegd evenals foto‘s van de beschadigde kopduiker en kabelverdeelkast, eigendom van huidige eiseres op hoofdvordering.

Mevrouw R.C. werd ambtshalve vervolgd door het openbaar ministerie en werd bij exploot van dagvaarding van 20 januari 2004 op verzoek van het openbaar ministerie gedagvaard om bij het verkeersongeval te Tielt van 23 juni 203 een overtreding te hebben begaan op de bepalingen van art. 8.3., tweede lid, Wegverkeersreglement, terwijl tevens in de dagvaarding voor de zitting van 2 april 2004 vermeld werd dat toepassing diende te worden gemaakt van art. 42 van de Wegverkeerswet als beveiligingsmaatregel en met name om naar aanleiding van een veroordeling wegens een overtreding van de Wegverkeerswet of wegens een verkeersongeval te wijten aan zijn persoonlijk toedoen lichamelijk ongeschikt te zijn bevonden tot het besturen van een motorvoertuig.

Ter zitting van 2 april 2004 kwam het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (huidig verweerster op hoofdvordering) vrijwillig tussen, evenals de NV F.A. (verzekeraar van het voertuig bestuurd door mevrouw R.C.), terwijl de NV B. (huidige eiseres) zich burgerlijke partij stelde.

In een uitvoerig gemotiveerd vonnis oordeelde de 7e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge op 9 april 2004 op strafrechtelijk gebied in essentie het volgende:

«Uit de medische attesten die de beklaagde voorlegt blijkt dat er geen medische antecedenten zijn die kunnen verklaren waarom de beklaagde onwel is geworden (dokter D.) en dat er na een spectaculair ongeval na een soort syncope geen verdere afwijkingen werden gevonden (dokter H.).

«De beklaagde beroept zich op overmacht om haar schuld met betrekking tot de tenlastelegging, het niet in staat zijn geweest alle nodige rijbewegingen uit te voeren of niet voortdurend haar voertuig in de hand gehad te hebben, uit te sluiten.

«Deze rechtvaardigingsgrond kan enkel worden aangenomen, wanneer hij loco et tempore delicti totaal onverwacht en onweerstaanbaar de kop opsteekt, m.a.w. dat voorafgaandelijk de malaise, op het ogenblik van het zich inschakelen en het deelnemen aan het verkeer aan de betrokkene geen onvoorzichtigheid of gebrek aan voorzorg kan worden verweten (vergelijk Hof Antwerpen 20 mei 1988, R.W. 1989-90, 751, noot Raf Verstraeten).

«Er dient derhalve te worden onderzocht welke de oorzaak is van de vermeende onpasselijkheid.

«Uit de voorliggende gegevens kan niet worden afgeleid dat er voorafgaandelijk aan het ongeval aanwijzingen waren dat de beklaagde onwel zou kunnen worden. Ze kwam van haar werk en verloor plots het bewustzijn. De medische onderzoeken achteraf hebben geen medische pathologie vastgesteld en er zijn geen aanwijzingen dat de beklaagde medicatie nam of moest nemen, noch dat er een andere reden was waarom ze onwel is geworden.

«De stelling van de beklaagde is dan ook niet van alle grond ontbloot en de onjuistheid ervan wordt niet weerlegd.

«Aldus dient de beklaagde te worden vrijgesproken.»

Mevrouw R.C. werd bijgevolg door de strafrechter vrijgesproken zonder kosten en op burgerlijk gebied verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van de burgerlijke partij (NV B.), gelet op de vrijspraak.

De vrijwillige tussenkomende partijen, het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en de NV F.A., werden buiten zaak gesteld en de rechtbank verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over de vordering van de NV B. voor zover deze was gericht tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en de NV F.A., gelet op de buitenzaakstelling van deze partijen.

Blijkbaar werd geen hoger beroep aangetekend tegen bedoeld vonnis, zodat bedoeld vonnis in kracht van gewijsde is getreden.

2. Bespreking

Elke benadeelde kan zich principieel tot het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds wenden, wanneer geen enkele verzekeraar tot diens vergoeding verplicht is, hetzij om reden van een toevallig feit, waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte vrijuit gaat, hetzij omdat de verzekeringsplicht niet werd nageleefd (voorheen art. 80, § 1, 2o, van de Controlewet van 9 juli 1975, thans art. 19bis-11, 3o, W.A.M.-Wet).

Onder toevallig feit wordt begrepen elke omstandigheid of gebeurtenis, die voor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte een geval van overmacht uitmaakt (zie o.a. Cass. 16 juni 1988, Arr. Cass. 1987-88, 1345; Cass. 30 november 1995, Arr. Cass. 1995, 1062; Cass. 13 november 1997, De Verz. 1998, 223; P. Colle, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, 2001, p. 168 e.v., nr. 286).

In geval van overmacht is er geen fout en bijgevolg geen aansprakelijkheid op grond van art. 1382 B.W., zodat de motorrijtuigenverzekeraar in beginsel niet moet vergoeden, tenzij in voorkomend geval een vordering gebaseerd op de bepalingen van art. 1384 B.W., wat in casu niet het geval is.

Bovendien moet de overmacht worden beoordeeld in de persoon van de bestuurder die het ongeval veroorzaakte en impliceert overmacht een van de wil van de bestuurder onafhankelijke, onvoorzienbare en onvermijdelijke gebeurtenis.

Aldus wordt aanvaard dat een plotse, onaangekondigde en onvoorzienbare malaise achter het stuur een geval van overmacht uitmaakt en een in de hierboven vermelde zin begrepen toevallig feit (zie o.a. P. Colle, o.c., 170, met aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer; J.L. Fagnart, «Examen de jurisprudence», R.C.J.B. 1992, 108).

In onderhavig geschil verwijst eiseres op hoofdvordering naar de voorliggende strafinformatie en naar het hierboven vermelde vonnis van de 7e strafrechtelijke kamer van de Politierechtbank te Brugge van 9 april 2004, om tot overmacht te besluiten en vergoeding te verkrijgen van huidig verweerster.

Verweerster betwist haar gehoudenheid tot vergoeding van de schade, aanvoerende dat het beweerde bewustzijnsverlies van mevrouw C. louter en alleen gebaseerd zou zijn op haar eigen versie, zonder enig verder objectief bewijselement en dat integendeel, zelfs indien er een malaise of bewustzijnsverlies zou zijn geweest, uit de voorliggende stukken zou blijken dat de gedaagde in gedwongen tussenkomst zelf gesteld zou hebben dat ze zich reeds duizelig voelde bij het instappen of onwel voelde tijdens het rijden, wat volgens verweerster inhield dat de gedaagde in gedwongen tussenkomst wist of diende te weten dat ze onwel kon worden en dat ze niet voor een onvoorzienbaar feit was komen te staan en als een goed en voorzichtig huisvader de nodige maatregelen had dienen te treffen, wat ze niet heeft gedaan, zodat ze wel degelijk aansprakelijk is voor het ongeval.

Terecht merkt eiseres op hoofdvordering en de gedaagde in gedwongen tussenkomst op dat een vrijspraak van de correctionele rechtbank of de politierechtbank op de strafvordering impliceert dat de burgerlijke rechter niet meer kan oordelen dat het feit ten laste van de vrijgesproken beklaagde alsnog een strafbaar feit zou uitmaken.

Een vrijspraak houdt in dat het feit onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kan worden gebracht, aangezien het gezag van gewijsde geldt ongeacht de motieven van de vrijspraak, en dus ook bij een vrijspraak op grond van twijfel, en zulks in strijd met de beweringen van huidig verweerster op hoofdvordering (zie o.a. Cass. 17 december 1987, Arr. Cass. 1987-88, 243; Cass. 14 maart 1989, R.W. 1990-91, 1033; Cass. 18 december 2003, NjW 2004, 308, noot J. Deene, R. Verstraeten, Handboek strafvordering, 2005, 1024 e.v.).

Vereist is dat de burgerlijke vordering berust op hetzelfde feit als de strafvordering, waarover uitspraak werd gedaan, terwijl de identiteit van het feit wordt vastgesteld door de rechter ten gronde en het niet mogelijk is om voor de burgerlijke rechter te ontsnappen aan het gezag van gewijsde door het feit voor te stellen onder een andere kwalificatie (zie o.a. Cass. 15 januari 1987, Arr. Cass. 1986-87, nr. 285; Cass. 14 april 1999, Arr. Cass. 1999, 206).

De omstandigheid dat mevrouw R.C. door het openbaar ministerie ambtshalve werd vervolgd wegens een overtreding van art. 8.3., tweede lid, Wegverkeersreglement en huidige eiseres op tussenvordering beweert dat betrokkene bij het veroorzaken van de schade een overtreding zou hebben begaan op de bepalingen van art. 10.1.3. Wegverkeersreglement, doet bijgevolg geen afbreuk aan het gezag van gewijsde erga omnes van de beslissing van de strafrechter.

De verwijzing van huidig verweerster op hoofdvordering naar een arrest van het Hof van Cassatie van 5 januari 2004 (VAV 2004, 330) is naar het oordeel van de rechtbank totaal irrelevant, aangezien de feiten volledig anders waren in bedoeld geval, beoordeeld door het hoogste rechtscollege.

Het recht van verdediging houdt immers in dat de mogelijkheid tot tegenspraak in de loop van het proces daadwerkelijk aanwezig is, hetgeen impliceert dat elke partij over voldoende, gelijkwaardige en adequate middelen moet beschikken om stelling te nemen aangaande de rechtskwesties en de feitelijke gegevens die in het geding zijn en dat daarbij geen partij benadeeld is t.o.v. de andere. Aldus zal het gezag van gewijsde moeten wijken, wanneer na een vrijspraak het slachtoffer, dat niet aan het strafproces heeft deelgenomen, zich met zijn vordering tot de burgerlijke rechter wendt en hier de uitspraak op strafgebied wil betwisten. Deze situatie deed zich voor in het geschil dat aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van Cassatie van 5 januari 2004, dat door verweerster op hoofdvordering ongenuanceerd in conclusies geciteerd wordt.

In casu stelt de rechtbank evenwel vast dat blijkens de voorgelegde stukken mevrouw R.C. uiteraard in de strafrechtelijke procedure was betrokken, maar ook het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (huidig verweerder), de NV F.A. (thans niet inzake, maar verzekeraar van mevrouw R.C.) en zelfs de NV B. (huidige eiseres).

Aangezien alle partijen die in huidig burgerlijk geschil aan bod komen ook partij waren voor de strafrechter, staat niets het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter in de weg.

Hierbij zij opgemerkt dat de beslissing op burgerlijk vlak tevens tegenwerpelijk is aan hen die partij waren bij de burgerlijke vordering voor de strafrechter, zoals huidige eiseres, evenals aan de tussenkomende partijen, zoals in casu verweerster op hoofdvordering (zie o.a. Cass. 15 september 1966, Pas. 1967, I, 59).

Indien, zoals in casu ingevolge het gezag van gewijsde van de strafrechterlijke beslissing, aanvaard moet worden dat de gedaagde in gedwongen tussenkomst zich kan beroepen op overmacht en bijgevolg vrijuit gaat, dan kan noch eiseres (destijds burgerlijke partij), noch het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (destijds vrijwillig tussenkomende partij) zulks betwisten en is het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds gehouden tot vergoeding van de schade, geleden door de foutloze benadeelde, in casu de NV B.

De tussenvordering dient bijgevolg ontvankelijk te worden verklaard, maar als ongegrond te worden afgewezen, terwijl de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond dient te worden verklaard, omdat er cijfermatig geen betwisting wordt aangevoerd.

...

• Politierechtbank te Brugge, 4ebis Burgerlijke Kamer – 6 juni 2008, RW 2010-2011.

Deze rechtbank oordeelde dat een verzekeraar die niet in de strafrechtelijke procedure betrokken was in een navolgende procedure voor de strafrechter niet gebonden dor de beslissing van de strafrechter.

uittreksel uit het vonnis:

V.N. e.a. t/ NV F.

...

2.2. Beoordeling

2.2.1. Voornaamste feitelijke gegevens en procedurele voorgaanden

Op 12 oktober 2001 omstreeks 17 u 55 deed zich een tragisch verkeersongeval voor te Middelkerke in de Nieuwpoortlaan, tussen motorfietser V.N. en fietser Van H.L. (geboren op 2 oktober 1986), de verzekerde van F.

De Nieuwpoortlaan is een rechtlijnige weg gelegen buiten de bebouwde kom, waar de maximaal toegelaten snelheid 90 km per uur bedroeg. De rijbaan bestond uit twee rijstroken, één voor elke rijrichting. Langs weerszijden van de rijbaan was er een fietspad.

Uit de materiële vaststellingen van de verbalisanten en de getuigenverklaring, alsook uit de besluitvorming van de parketdeskundige, is gebleken dat Van H.L. het fietspad volgde, maar plots en zonder enige aankondiging naar links uitweek op de rijbaan. Op dat ogenblik was V.N., die met zijn motorfiets in dezelfde richting de rijbaan volgde, reeds zeer dicht genaderd. Bovendien bedroeg de naderingssnelheid volgens de parketdeskundige 129 à 149 km per uur.

Het kwam tot een zware aanrijding. De plaats van de aanrijding werd door de parketdeskundige bepaald op ongeveer twee meter van de rechterrand van de rijbaan op de rechterrijstrook (in de door de beide bestuurders gevolgde richting). Fietser Van H. werd ongeveer 50 meter en zijn fiets ongeveer 60 meter weggeslingerd. De motorfiets kwam 125 meter voorbij de plaats van de botsing tot stilstand.

Van H.L. overleed ten gevolge van de opgelopen verwondingen en V.N. liep zeer ernstige verwondingen op. Hij werd in half comateuze toestand naar het ziekenhuis overgebracht. Wegens de uitgebreide letsels werd hij nadien gedurende één maand in een kunstmatige coma gehouden.

V.N. werd door het openbaar ministerie gedagvaard wegens het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg onopzettelijk de dood van Van H.L. werd veroorzaakt.

Bij vonnis van de Politierechtbank te Brugge van 6 oktober 2003 werd de bovenvermelde tenlastelegging ten aanzien van V.N. als bewezen beschouwd en werd de betrokkene op strafrechtelijk gebied tot een hoofdgevangenisstraf van drie maanden met uitstel en tot een geldboete van 991,57 euro veroordeeld. Betrokkene werd tevens vervallen verklaard van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een termijn van zes maanden. Op burgerrechtelijk gebied werd de aansprakelijkheid tussen V.N. en Van H.L. verdeeld. De aansprakelijkheid van V.N. werd op 1/4 bepaald. Aan Van H.M. en V.A., de ouders van Van H.L., werd een schadevergoeding van 283,35 euro toegekend.

In hoger beroep heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge (13e kamer) bij vonnis van 16 april 2004 het vonnis van de Politierechtbank hervormd en werd V.N. vrijgesproken voor de bovenvermelde tenlastelegging. De vordering van de burgerlijke partijen werd als ongegrond afgewezen.

De huidige procedure voor deze rechtbank is erop gericht de burgerlijke belangen van V.N., V.E., V.G. en V.S. te regelen. De betrokkenen vorderen een vergoeding voor de door hen ingevolge het ongeval opgelopen schade op basis van een exclusieve aansprakelijkheid van Van H.L. Daarnaast vordert de F.V., als arbeidsongevallenverzekeraar van V.N., haar uitgaven terug.

2.2.2. Gezag van het strafrechtelijk gewijsde

F. is van oordeel dat zij niet tot (integrale) schadeloosstelling is gehouden, daar de door V.N. gevoerde hoge snelheid de ernst van de opgelopen letsels in de hand zou hebben gewerkt.

De eisende partijen voeren aan dat de discussie over de invloed van de snelheid in deze burgerlijke procedure niet meer opnieuw gevoerd kan worden, omdat de strafrechter in zijn eindvonnis hierover een standpunt erga omnes heeft ingenomen en heeft bepaald dat er geen fout van V.N. in oorzakelijk verband met het ongeval en de eruit voortvloeiende schadelijke gevolgen kon worden vastgesteld.

Vooraleer ten gronde te oordelen moet dus worden nagegaan in welke mate deze rechtbank als burgerlijke rechter gebonden is door wat de strafrechter heeft beslist.

Als uitgangspunt geldt dat indien de procespartijen in een navolgend burgerlijk geding partij zijn geweest in de strafprocedure en daar hun belangen ten volle hebben kunnen laten gelden, het gezag van het strafrechtelijk gewijsde dan verhindert dat wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist nogmaals in vraag wordt gesteld (Cass. 2 oktober 1997, RDJP 1997, 263-266; Cass. 24 juni 2002, NJW 2002, 353; Cass. 24 april 2006, NJW 2007, 176; I. Boone, «Gezag van strafrechtelijk gewijsde en de burgerlijke rechter», NJW 2002, 336-341).

Allereerst stelt de Rechtbank vast dat F. niet als verzekeraar «burgerrechtelijke aansprakelijkheid» (gezinspolis) in de strafrechtelijke procedure was betrokken. Aangezien haar verzekerde, Van H.L., bij het ongeval om het leven is gekomen en dus niet strafrechtelijk vervolgd kon worden, werd F. niet geconfronteerd met een burgerlijke-partijstelling waartegen verweer moest worden gevoerd.

In de strafprocedure waren enerzijds V.N. (verdachte) en anderzijds Van H.M. en V.A. (burgerlijke partijen als nabestaande van Van H.L.) in het geding. Voor zover een raadsman door F. in de strafprocedure werd aangesteld, dan was dit om de belangen van de nabestaanden te behartigen, namelijk de terugvordering van schade geleden door het overlijden van Van H.L. Er moest geen verweer tegen een vordering wegens aansprakelijkheid van Van H.L. worden gevoerd. F. trad dan ook hoogstens op als rechtsbijstandsverzekeraar, en dit binnen het kader van het wettelijk opgelegde gescheiden beheer (art. 4 van het KB van 12 oktober 1990 betreffende de rechtsbijstandsverzekering).

In conclusies verwijst de raadsman van V.N. dan ook ten onrechte naar art. 89, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst waarin wordt bepaald dat een vonnis aan een verzekeraar kan worden tegengeworpen indien vaststaat dat de verzekeraar in feite de leiding van het geding op zich heeft genomen. Art. 89, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst ressorteert onder hoofdstuk III «aansprakelijkheidsverzekeringen» van de Wet Landverzekeringsovereenkomst en heeft geenszins betrekking op «rechtsbijstandsverzekeringen» (hoofdstuk IV Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Wanneer een rechtsbijstandsverzekeraar een advocaat aanstelt, dan is de advocaat overigens de mandataris van de verzekerde en niet van de rechtsbijstandsverzekeraar (Rb. Brussel 4 juni 1984, RW 1985- 86, 188; Vred. Veurne 15 oktober 1998, A.R., nr. 16.479, onuitgegeven).

Bovendien heeft de strafrechter enkel zeker en noodzakelijk beslist dat V.N. geen fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met de aanrijding en het overlijden van Van H.L., dat een constitutief element was van het ten laste gelegde misdrijf «onopzettelijke doding». De strafrechter diende zich geenszins uit te spreken over de kwestie of de door V.N. gevoerde snelheid enige invloed heeft gehad op de ernst van de letsels van V.N. zelf.

Aldus is F., als verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van Van H.L., die niet in de strafprocedure was betrokken en er bijgevolg zijn belangen niet heeft kunnen doen gelden, niet gebonden door de beslissing van de strafrechter. Zij heeft het recht de voor haar nadelige gegevens afgeleid uit de strafrechterlijke beslissing te weerleggen en kan dus in de huidige procedure nog betwisting voeren over het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de fout van V.N. en de door hem opgelopen letsels.

...

• Cass. 13/12/2016, AR P.15.1489.N, juridat,

Samenvatting

Het gezag van gewijsde van een vrijspraak op strafgebied strekt zich niet uit tot de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die is gesteund op de feiten waarvoor vrijspraak werd verleend en waartegen de burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld (1). (1) Cass. 17 september 2013, AR P.12.1724.N, AC 2013, nr. 455.

Tekst arrest

Nr. P.15.1489.N
S. I. P.,
beklaagde en burgerlijke partij,
eiser,
tegen
1. S. R.,
beklaagde,
2. I. D. W.,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 14 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiser heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing over de tegen de verweerder 1 ingestelde strafvordering.
In zoverre het cassatieberoep ook tegen die beslissing is gericht, is het niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 202 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechtelijk gewijsde: het bestreden vonnis miskent het strafrechtelijk gewijsde van het beroepen vonnis door ten aanzien van de eiser een fout vast te stellen om hem af te wijzen van zijn burgerlijke rechtsvordering; het bestreden vonnis verantwoordt bijgevolg niet naar recht het oordeel dat de eiser verantwoordelijk is voor het ongeval doordat hij op een onvoorzichtige wijze en in strijd met het Wegverkeersreglement de rijbaan is opgereden.

3. Artikel 23 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken.
In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

4. Het gezag van gewijsde van een vrijspraak op strafgebied strekt zich niet uit tot de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die is gesteund op de feiten waarvoor vrijspraak werd verleend en waartegen de burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het bestreden vonnis beoordeelt de bewijswaarde van de plannen niet, terwijl de eiser in conclusie en op de rechtszitting hierover opmerkingen had gemaakt; het antwoordt evenmin op de door de eiser aangehaalde argumenten over de alcoholintoxicatie; aan de plannen wordt een bijzondere bewijswaarde gehecht; het bestreden vonnis had duidelijk moeten aangeven waarom de bewezen verklaarde telastlegging B niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

6. Anders dan waarvan het middel uitgaat, hecht het bestreden vonnis geen bijzondere bewijswaarde aan de plannen.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.

7. Met de redenen die het vermeldt, beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op de argumenten die ter ondersteuning van dit verweer worden aangevoerd maar geen zelfstandig middel vormen en is de beslissing bijgevolg naar recht verantwoord.
In zoverre kan middel niet worden aangenomen.

8. Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van de artikelen 29, § 1, derde lid, en 38, § 1, 3°, Wegverkeerswet en artikel 12.4 Wegverkeersreglement: ingevolge de in kracht van gewijsde getreden vrijspraak van de eiser moet worden aangenomen dat het door hem uitgevoerde manoeuvre volledig was beëindigd en hij dus niet meer voorrangsplichtig was, maar volledig ingeschakeld in het verkeer; het bestreden vonnis oordeelt dan ook onterecht dat de eiser voorrang moest verlenen aan het verkeer aan zijn linkerzijde; de verweerder 1 bevond zich achter eisers voertuig, zodat het ongeval zich niet anders kan hebben voorgedaan dan door de onaangepaste snelheid van de verweerder 1.

10. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangehaalde wetsschending, is het niet ontvankelijk.

11. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 120,51 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,  en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 14/10/2009 - 18:38
Laatst aangepast op: vr, 27/10/2017 - 17:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.