-A +A

Geen vonnis kan verleend worden voor een vordering waarvoor reeds een uitvoerbare titel bestaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer een partij reeds over een titel (dus een uitvoerbaar vonnis/notarieële akte of uitvoerbaar sociaal of fiscaal dwangbevel beschikt, kan dzzij geen tweede titel benaarstigen.

De hervorming van een uitvoerbaar verklaard vonnis doet de rechtsgrond van de voorlopige tenuitvoerlegging vervallen met terugwerkende kracht, zodat de partij tegen wie uitgevoerd is, de reeds door hem geleverde prestaties als onverschuldigd kan terugvorderen, waarbij de hervormende beslissing de juridische grondslag is voor de teruggaveplicht. Op grond van die nieuwe titel kan de appellant de teruggave eisen van wat uitgevoerd werd, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk bepaald in het beschikkend gedeelte van de nieuwe titel.

Cass. 15 februari 1973, Arr. Cass. 1973, 599; Cass. 16 november 1973, Arr. Cass. 1974, 313). De appellant wordt niet gevolgd waar hij in dit verband een tegengesteld standpunt verdedigt.

Een schuldeiser die reeds over een uitvoerbare titel beschikt, heeft geen belang in de zin van de hierboven bedoelde wetsbepalingen bij het instellen van een rechtsvordering die ertoe strekt een tweede uitvoerbare titel met hetzelfde voorwerp te bekomen.
 

Rechtspraak:

Antwerpen {1e k.) 16januari 2017, 2015/ AR/2133, p&B 2017/5-6, 199.

( ... )

1. Defeiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- bij vonnis op 2 februari 2001 verleend door de veertiende B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, wordt de appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 300.000 (oude) BEF (of 7.436,81 EUR), meer intrest en kosten;

- in uitvoering van dat (bij voorraad uitvoerbaar) vonnis betaalt de appellant aan de geïntimeerde een bedrag van 13.069,21 EUR;

- bij arrest van 10 mei 2004 van dit hof, deze kamer, wordt het hierboven bedoelde vonnis van 2 februari 2001 hervormd en wordt de appellant veroordeeld om de geïntimeerde te vrijwaren voor alles wat zij, in uitvoering van het bestreden vonnis, aan K.E. (geen partij meer inzake) dient te voldoen boven de som van 2.423,71 EUR, vermeerderd met intrest en kosten zoals aldaar nader aangeduid;

- bij exploot van 9 mei 2014 vordert de appellant van de geïntimeerde de terugbetaling van wat hij haar, in uitvoering van het vonnis van 2 februari 2001, teveel betaald heeft.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 31 maart 2015 op tegenspraak verleend door kamer AB14 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen:

- wordt de vordering van de appellant niet toelaatbaar verklaard en als dusdanig afgewezen;

- wordt de appellant veroordeeld tot de gedingkosten die aan de zijde van de geïntimeerde worden vereffend op de (maximum) rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.750,00 EUR.

2.2. Bij zijn op 14 september 2015 ter griffie neergelegde "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellant hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 31 maart 2015.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, alinea 3 Ger. W., en behandeld op de terechtzitting van 21 november 2016.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van zijn op 1 augustus 2016 ter griffie neergelegde "syntheseconclusie in hoger beroep" vraagt de appellant:

- zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- bijgevolg het bestreden vonnis van 31 maart 2015 teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens de geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan hem van de bedragen van 18.113,36 EUR en van 466,22 EUR, vermeerderd met de moratoire en de gerechtelijke intrest op het bedrag van 13.069,21 EUR vanaf 1 mei 2014 tot op de datum van de volledige betaling;

- de geïntimeerde daarenboven te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen, welke aan zijn zijde gevallen kosten hij begroot als volgt: dagvaarding + rolrecht: 296,61 EUR, rolrecht hoger beroep: 210,00 EUR en rechtsplegingsvergoeding per aanleg: 1.210,00 EUR;

- ondergeschikt, voor het geval zijn hoger beroep ongegrond mocht worden verklaard, hem hoogstens te veroordelen tot de basisrechtsplegingsvergoeding per aanleg ten bedrage van telkens 1.210,00 EUR.

3.2. Bij haar op 29 september 2016 ter griffie neergelegde "syntheseberoepsbesluiten" vraagt de geïntimeerde:

- in hoofdorde, het hoger beroep van de appellant niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren omdat de appellant reeds in het bezit is van een uitvoerbare titel en het bestreden vonnis te bevestigen; minstens te zeggen voor recht dat het verzoekschrift tot hoger beroep (gedeeltelijk) nietig is en de vordering van de appellant niet ontvankelijk te verklaren;

- in ondergeschikte orde, de vordering van de appellant niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren wegens rechtsverwerking;

- in uiterst ondergeschikte orde, de vordering van de appellant te beperken tot een bedrag van 8.351,40 EUR in hoofdsom op basis van de correcte afrekening en de vordering tot veroordeling tot betaling van negatieve intrest ten bedrage van 8.692,18 EUR af te wijzen omdat de appellant noch de redelijke termijn noch de schadebeperkingsplicht in acht heeft genomen, minstens de intrest te beperken tot de periode vanaf de betaling van de bedragen in hoofdsom tot de datum van het hervormende arrest (10 mei 2014);

- haar verder voorbehoud te verlenen voor de ontwikkeling van de middelen in functie van een loutere executieprocedure;

- de appellant te veroordelen tot betaling van de gedingkosten, welke kosten zij aan haar zijde begroot als volgt: (maximum) rechtsplegingsvergoeding per aanleg: 2.750,00 EUR en kosten betekening bestreden vonnis: 183,93 EUR;

- haar voorbehoud te verlenen voor de verdere ontwikkeling van haar middelen als naar recht.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

4.1.1. Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 31 maart 2015, waarvan de akte van betekening van 6 juli 2015 (niet) wordt voorgelegd (maar waarover tussen de partijen geen betwisting bestaat), en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.1.2. De geïntimeerde wordt niet gevolgd waar zij laat gelden dat het op 14 september 2015 door de appellant neergelegde verzoekschrift tot hoger beroep nietig zou zijn wegens het ontbreken daarin van een uiteenzetting van de grieven tegen het bestreden vonnis (miskenning van artikel 1057, 7° Ger. W.). Door in zijn verzoekschrift tot hoger beroep aan te duiden dat hij niet akkoord kan gaan met het bestreden vonnis, voor zover zijn oorspronkelijke vordering daarbij niet toelaatbaar wordt verklaard (voornamelijk omdat het arrest van 10 mei 2004 geen duidelijke uitvoerbare titel zou zijn, omdat wel degelijk relevant zou zijn dat de inleidende dagvaarding zou uitgebracht zijn op advies van de gerechtsdeurwaarder, omdat door de eerste rechter niet of onvoldoende zou geantwoord zijn op de door hem aangewende stukken en omdat vaststaat dat de geïntimeerde zelf heeft nagelaten de tegen haar uitgesproken uitvoerbare titel vrijwillig uit te voeren) en hij wordt verwezen in de gedingkosten en veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van de maximum rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.750,00 EUR, heeft de appellant wel degelijk aangeduid welke zijn grieven zijn tegen dat vonnis (vgl. Cass. 2 mei 2005, Arr. Cass. 2005, 984).

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. Bij artikel 17 Ger. W. wordt voorgeschreven:

"De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen".

Artikel 18 Ger. W. voegt daaraan toe:

"Het belang moet een reeds verkregen en dadelijk belang zijn.

De rechtsvordering kan worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen".

4.2.2. In zijn hierboven bedoelde syntheseconclusie in hoger beroep vordert de appellant:

De oorspronkelijke vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan concluant krachtens het arrest van de Eerste Kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10 mei 2004 inzake 2001/ AR/2412 van een bedrag van€ 18.113,36 en een bedrag van € 466,22 te vermeerderen met de moratoire en de gerechtelijke intresten op€ 13.069,21 vanaf 01.05.2014 tot op datum van volledige betaling;

Geïntimeerde daarenboven te veroordelen tot de kosten in beide aanleggen, ... ".

4.2.3. Het hof kan niets anders of niets meer dan vaststellen dat de appellant aldus, voor dezelfde bedragen in hoofdsom, intrest en kosten, via het onderhavige geding een tweede titel poogt te bekomen, dit naast het arrest van 10 mei 2004 dat de eerste titel vormt voor deze bedragen (arrest waarvan de appellant, bij monde van zijn raadsman, ter terechtzitting van 21 november 2016, in afwijking van de inhoud van zijn conclusies, uitdrukkelijk heeft verklaard dat het wel degelijk een duidelijke uitvoerbare titel vormt). De hervorming van een uitvoerbaar verklaard vonnis doet de rechtsgrond van de voorlopige tenuitvoerlegging immers vervallen met terugwerkende kracht, zodat de partij tegen wie uitgevoerd is (hier de appellant), de reeds door hem geleverde prestaties als onverschuldigd kan terugvorderen, waarbij de hervormende beslissing (hier het arrest van 10 mei 2004) de juridische grondslag is voor de teruggaveplicht. Op grond van die nieuwe titel kan de appellant de teruggave eisen van wat uitgevoerd werd, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk bepaald in het beschikkend gedeelte van de nieuwe titel (vgl. o.a. Cass. 15 februari 1973, Arr. Cass. 1973, 599; Cass. 16 november 1973, Arr. Cass. 1974, 313). De appellant wordt niet gevolgd waar hij in dit verband een tegengesteld standpunt verdedigt.

4.2.4. Een schuldeiser die reeds over een uitvoerbare titel beschikt, heeft geen belang in de zin van de hierboven bedoelde wetsbepalingen bij het instellen van een rechtsvordering die ertoe strekt een tweede uitvoerbare titel met hetzelfde voorwerp te bekomen.

4.2.5. Slotsom is dat de vordering van de appellant die ertoe strekt een tweede titel te bekomen, terwijl hij reeds beschikt over een eerste titel met hetzelfde voorwerp, niet toelaatbaar was, is en blijft. Alle andere middelen en argumenten van de appellant, kunnen daaraan niets veranderen. Het hoger beroep van de appellant wordt op dit punt ongegrond verklaard.

4.2.6. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellant verwezen in de kosten van de beide aanleggen (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

Anders dan de eerste rechter is het hof evenwel van oordeel dat hier geen sprake is van een kennelijk onredelijke situatie die de toekenning ten laste van de appellant van de maximale rechtsplegingsvergoeding zou rechtvaardigen. Van (proces)rechtsmisbruik door de appellant is geen sprake. Dat de appellant nagenoeg tien jaar na het arrest van 10 mei 2004 heeft gewacht alvorens zijn vordering te formuleren en dat de inleidende dagvaarding op 9 mei 2014 op verzoek van de appellant werd uitgebracht na een stilzwijgen van meer dan drie jaar, doet daaraan geen afbreuk. Al evenmin blijkt dat hier aan één van de andere criteria van artikel 1022, derde lid Ger. W. zou zijn voldaan. De rechtsplegingsvergoeding wordt bijgevolg per aanleg vereffend op het basistarief, zijnde respectievelijk 1.210,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 1.320,00 EUR (geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding hoger beroep), aangezien het hier gaat om een in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 10.000,01 EUR tot 20.000,00 EUR.

De geïntimeerde vordert ook de terugbetaling als gedingkosten van de kosten verbonden aan de expeditie en aan de betekening van het bestreden vonnis. Op die vordering kan niet worden ingegaan. Kosten van expeditie en betekening zijn te bestempelen als kosten van tenuitvoerlegging waarvan de terugbetaling niet rechtstreeks voor dit hof kan worden gevorderd (artikel 1395, eerste lid Ger. W.).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

- hervormt het bestreden vonnis enkel voor zover de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg daarbij wordt vereffend op het maximale bedrag van 2.750,00 EUR en de appellant wordt veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van dat bedrag;

- oordeelt in die mate opnieuw, vereffent de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op het basisbedrag van 1.210,00 EUR en veroordeelt de appellant tot betaling aan de geïntimeerde van dat bedrag;

- bevestigt het bestreden vonnis voor het overige;

- veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger be-

roep en vereffent die aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep:

1.320,00 EUR

( ... )
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 15:57
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 15:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.