-A +A

Geen hoger beroep mogelijk tegen de de uitspraak van politierechter over GAS-boete

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Politierechter oordeelt in laatste aanleg over GAS-boete

 

model verzoekschrift tot hoger beroep inzake Gemeentelijke Administrative Sanctie in pdf - formaat klik hier

Opgelet tegen de uitspraak van de politierechtbank over het beroep tegen de GAS-boete kan geen hoger beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg.

zie Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, AB6 Kamer – 17 november 2014, RW 2015-2016, 553

Vlaams Gewest t/ T.

1. Situering van het geschil – Antecedenten

Het geschil heeft betrekking op de administratieve geldboete die op 21 mei 2013 aan O.T. werd opgelegd door beslissing van het Agentschap van Binnenlands Bestuur.

O.T. heeft op 22 juli 2013 tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Politierechtbank te Antwerpen.

Door vonnis van 17 oktober 2013 werd dit hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard.

2. Procedure

Het Vlaamse Gewest heeft bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 29 november 2013, gericht tegen O.T., hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van oktober 2013. Het hoger beroep beoogt de afwijzing van het oorspronkelijk hoger beroep van O.T.

Een tweede hoger beroep tegen dezelfde beslissing werd ingesteld door het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 augustus 2014. Het verzoekschrift strekt tot voeging van beide zaken en tot de afwijzing van het oorspronkelijk hoger beroep van O.T.

...

4. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen

4.1. O.T. werpt op dat de rechtbank van eerste aanleg geen rechtsmacht heeft om in hoger beroep van het geschil kennis te nemen.

Het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap beroepen zich m.b.t. de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis in kwestie van de politierechtbank op art. 2, art. 1050, art. 577, eerste lid, art. 568, eerste lid en art. 1051 Ger.W.

4.2. Art. 2 en art. 1050 Ger.W. wijzigen niets aan de regels waarbij de beslissingen worden vastgesteld waartegen een hoger beroep kan worden ingesteld (Cass. 25 september 1970, Arr.Cass. 1971, 85). Er bestaat overigens geen algemeen rechtsbeginsel dat een procespartij een dubbele aanleg garandeert (vgl. Cass. 3 oktober 1983, Arr.Cass. 1983-84, 122).

Art. 568, eerste lid Ger.W. dat bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van alle vorderingen behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen, is niet van toepassing in hoger beroep, te dezen uiteraard het geval (Cass. 22 september 2005, Pas. 2005, 1722).

Art. 577 Ger.W., dat wel de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om kennis te nemen van beroepen tegen de vonnissen van de politierechtbank regelt, beperkt die bevoegdheid tot de gevallen bepaald bij art. 601bis Ger.W. Het betreft dus uitsluitend de vorderingen tot vergoeding van schade uit een verkeersongeval of een treinongeval en geenszins de vonnissen die de politierechtbank wijst op een beroep tegen een administratieve beslissing zoals georganiseerd door art. 25, § 2, zevende lid van het decreet van de Vlaamse regering van 12 september 2008.

Aldus kan uit geen van de door het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap aangevoerde wetsbepalingen worden afgeleid dat de wetgever in de mogelijkheid zou hebben voorzien tot het aantekenen van hoger beroep tegen een vonnis dat door de politierechter werd gewezen inzake een beroep tegen een administratieve beslissing, terwijl uit de lezing van art. 577 Ger.W. juist het tegendeel volgt.

De door het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap ingestelde hogere beroepen zijn dus onontvankelijk.


 


VERZOEKSCHRIFT TOT HOGER BEROEP INZAKE GEMEENTELIJKE ADMINISTRATIEVE SANCTIE


Aan de Politierechtbank te (1)


Ondergetekende tekent bij deze hoger beroep aan tegen de beslissing van de


Sanctieambtenaar te .............................................................................................. (2)

gedateerd ..... .!. .. .120 ....... (2), bekend onder de referte ...................................... (2)

Mijn motivering luidt samengevat als volgt (3):

Ik maak voorbehoud deze bij besluiten uit te breiden en nader toe te lichten.

Bijgevolg verzoek ik de Politierechtbank de betreffende sanctie : te niet te doen
verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het rol recht, zoals door mij voorgeschoten
(ondergeschikt) de sanctie te reduceren (*), en de tegen mij gevraagde RPV (**)tot het wettelijk minimum te herleiden (art.1022 Ger. W.).

Hierbij gevoegde bijlagen: ( ............ ) (4)

Hoogachtend,

(Handtekening)

(5) ........................................... .

     (1) Bevoegde zetel van de Politierechtbank. U legt dit op de griffie neer (met betaling van het rolrecht) binnen de wettelijke bezwaartermijn, aangegeven op de u gerichte brief. Normaliter is deze Politierechtbank gevestigd in de hoofdplaats van het gerechtelijk arrondissement van de stad of gemeente van de Sanctieambtenaar, maar er zijn uitzonderingen. Raadpleeg daarvoor de zoekfunctie op de FAQ Territoriale bevoegdheid' of neem professioneel advies.
(2) Stad, datum en referentie invullen.
(3) Uw motieven om de sanctie te betwisten (feitelijke en/of juridische gegevens).
(4) Documenten, foto's, getuigenverklaringen die uw uiteenzetting ondersteunen. Voeg ook een kopie
van de door u bestreden beslissing, en uw (eventueel bezwaarschrift aan de Sanctieambtenaar. (5) Uw naam en volledig adres, en uw handtekening.
(*) doorhalen wat niet past, naargelang u de sanctie principieel en volledig betwist, of enkel een beperkte sanctie bepleit. U kunt ook beide opties nemen: u vraagt dan een beperking van de sanctie voor het geval niet ingegaan wordt op uw principieel bezwaar.
(**) Dus minder dan het vaak door de advocaat van de gemeente gevraagde 'basisbedrag' van de rechtsplegingsvergoeding (voor begrip en tarieven: zie FAQ Kosten)
 
Bron website Jan Nolf

 

 

 

 

Rechtsleer: 

Tom Van den Hende, Bewezen inbreuk op politiereglement leidt niet automatisch tot administratieve geldboete, Juristenkrant 25 mei 2011, pagina 3. 

De auteur bespreekt een (nog) niet gepubliceerd vonnis van de politierechter te Dendermonde van 5 mei 2011. In de gemeente Lebbeke bestaat de verplichting om de huisnummers op de gevels van de woningen aan te brengen met door de gemeente geleverde blauwe nummerplaatjes. Een bewoner verkoos voor een eigen wijze van aanbrengen van een huisnummer en kreef zowaar een geldboete van 60 euro. Dit op basis van de overweging dat de verplichting om de blauwe huisnummers aan te brengen werd ingeschreven in het politiereglement van Lebbeke. De bewoner deed een beroep op de rechter en kreeg gelijk op grond van de overwegingen:

- dat de bewoner geen openbare overlast had veroorzaakt
- dat het huisnummer van de bewoner voldoende onderscheidend en opvallend was;
- dat ook de huisnummers van de gemeente hun onderscheidend vermogen kunnen verliezen door vervuiling of veroudering
- dat de beslissing tot het opleggen van een geldboete onvoldoende gemotiveerd was.

Godfried Geudens, De GAS-wet en de rechterlijke toetsing: nood aan uniformiteit, De juristenkrant, 232,13

Dient de rechter die een GAS onderzoekt niet alleen de inbreuk vast te stellen, maar ook het daadwerkelijk karakter van de overlast? De auteur zoekt (tevergeefs) naar praktische antwoorden.

Rechtspraak: 

• Raad van State 20 maart 1996:

Krachtens art. 119 Nieuwe Gem. W. kan de gemeenteraad politiereglementen uitvaardigen, o.m. ter bescherming van de openbare orde (zie art. 135, § 2). In het reglement moet duidelijk en precies worden aangegeven welke maatregelen de beveiliging van de openbare orde noodzakelijk maakt. Een reglement dat in uiterst algemene en dus vage bewoordingen is geformuleerd, laat het in feite aan de burgemeester over om de door de gemeenteraad gelaten onduidelijkheid telkens concreet op te vullen. Aldus heeft de gemeenteraad zijn bevoegdheid afgestaan aan de burgemeester, en daardoor zijn eigen bevoegdheid miskend (R.v.St., 20 maart 1996, b.v.b.a. Golf Practice Club, nr. 58.673).

• GwH, 28 februari 2008, nr. 28/2008.De procedure die kan leiden tot het opleggen van een administratieve geldboete, heeft betrekking op kleinere overtredingen waartegen de wetgever op legitieme wijze snel en doeltreffend wenste op te treden. Die doelstelling zou moeilijker haalbaar zijn wanneer in de administratieve procedure gronden voor schorsing of verjaring zouden gelden die analoog zijn aan die waarin de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering voorziet. Daaruit volgt dat de afwijkende procedureregels door verschillende omstandigheden worden verantwoord 

• GwH, 27 mei 2010, nr. 62/2010

De omstandigheid dat een decreet het de gemeenten mogelijk maakt om administratieve sancties op te leggen teneinde gedragingen te bestraffen die strafrechtelijk worden bestraft, terwijl art. 119bis N. Gem.W. dat in een dergelijk geval niet mogelijk maakt, betekent niet dat inbreuk zou worden gemaakt op de bevoegdheden van de federale wetgever. Deze laatste is, krachtens art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, vierde streepje, Bijz. W. 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd om de organisatie en het beleid inzake de politie, met inbegrip van art. 135, § 2, N. Gem.W., te regelen. Die bevoegdheid betekent niet dat de gewesten de gemeenten enkel onder de bij art. 119bis N. Gem.W. vastgestelde voorwaarden, namelijk teneinde gedragingen te bestraffen die niet strafrechtelijk worden bestraft, ertoe zouden kunnen machtigen administratieve sancties op te leggen 

• R.v.St., 23 oktober 2009

Een administratieve sanctie die niet voorkomt in de opsomming van art. 119bis, § 2, tweede lid, N. Gem.W., is onwettig. Dit is met name het geval met een straatverbod waarmee een gemeente degenen die overlast veroorzaken zelf wil aanpakken, als alternatief voor een strafrechtelijke aanpak (R.v.St., 23 oktober 2009).
 

Wetgeving: 

De wet- en regelgeving 

  • 13 mei 1999 - Wet tot invoering van gemeentelijke administratieve sancties
  • 7 januari 2001 - Koninklijk besluit tot vaststelling van de procedure tot aanwijzing van de ambtenaar en tot inning van de boetes in uitvoering van de wet van 13 mei 1999 betreffende de invoering van gemeentelijke administratieve sancties
  • 7 mei 2004 - Wet tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en de nieuwe gemeentewet
  • 17 juni 2004 - Wet tot wijziging van de nieuwe gemeentewet 
  • 17 juni 2004 - Wet tot wijziging van de gemeentewet Erratum
  • 5 december 2004 - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de minimumvoorwaarden waaraan de gemeenteambtenaren moeten voldoen, zoals bepaald in artikel 119bis, § 6, tweede lid, 1° van de nieuwe gemeentewet
  • 3 januari 2005 - Omzendbrief OOP 30bis aangaande de uitvoering van de wetten van 13 mei 1999 tot invoering van gemeentelijke administratieve sancties, van 7 mei 2004 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en de nieuwe gemeentewet en van 17 juni 2004 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet
  • 17 maart 2005 - Koninklijk Besluit tot vaststelling van de inwerkingtreding van de wet van 17 juni 2004 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet
  • 20 juli 2005 - Wet houdende diverse bepalingen
  • 10 november 2005 - Omzendbrief OOP30ter waarbij uitleg verschaft wordt bij de wijziging van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet krachtens de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen
  • 25 januari 2007 - Wet tot bestraffing van graffiti en van beschadiging van onroerende eigendommen en tot wijziging van de nieuwe gemeentewet.
Gerelateerd
Nog dit: 

Uittreksels uit de nieuwe gemeente wet:

Art. [119] [Federale tekst]
De gemeenteraad maakt de gemeentelijke reglementen van inwendig bestuur en de gemeentelijke politieverordeningen4[, met uitzondering van de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer bedoeld in artikel 130bis]4.
[Deze reglementen en verordeningen mogen niet in strijd zijn met de wetten, de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad.]
De raad zendt hiervan binnen achtenveertig uren een afschrift aan de bestendige deputatie van de provincieraad.
[...]
Een afschrift van die reglementen en politieverordeningen wordt dadelijk toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank, waar zij in een daartoe bestemd register worden ingeschreven.
Van die reglementen en verordeningen wordt melding gemaakt in het Bestuursmemoriaal van de provincie.

Beperking Waals gewest:
Gecodificeerd, voor het Waalse Gewest, bij art. 2, 8° B. W. Reg. 22 april 2004 (B.S., 12 augustus 2004 (eerste uitg.)), behalve in zoverre het betrekking heeft op de politieverordeningen.

Art. [119] [Brussels Hoofdstedelijk Gewest]
De gemeenteraad maakt de gemeentelijke reglementen van inwendig bestuur en de gemeentelijke politieverordeningen5[, met uitzondering van de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer bedoeld in artikel 130bis]5.
Deze reglementen en verordeningen mogen niet in strijd zijn met de wetten, de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies 4[...].]2
[...]

[...]
Een afschrift van die reglementen en politieverordeningen wordt dadelijk toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank, waar zij in een daartoe bestemd register worden ingeschreven.
[Die reglementen en verordeningen worden bekendgemaakt op de website van het Gewest.]
[...]

Art. 119bis

§ 1
De gemeenteraad kan straffen of administratieve sancties bepalen voor overtredingen van zijn reglementen of verordeningen, tenzij voor dezelfde overtredingen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie straffen of administratieve sancties worden bepaald.

§ 2
De straffen die de gemeenteraad bepaalt, mogen de politiestraffen niet te boven gaan.
De gemeenteraad kan de volgende administratieve sancties bepalen:
1°de administratieve geldboete, met een maximum van 250 euro;
2°de administratieve schorsing van een door de gemeente afgegeven toestemming of vergunning;
3°de administratieve intrekking van een door de gemeente afgegeven toestemming of vergunning;
4°de tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.
[In afwijking van § 1 kan de gemeenteraad in zijn reglementen en verordeningen voorzien in de administratieve sanctie als bedoeld in het tweede lid, 1°, voor een strafbaar feit genoemd in boek II, titel X van het Strafwetboek en in de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, 7[534bis, 534ter,]7 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, en 563, 2° en 3°, van het Strafwetboek.]
De administratieve geldboete wordt opgelegd door de ambtenaar behorend tot één van de categorieën vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die daartoe door de gemeenteraad wordt aangewezen, hierna te noemen “de ambtenaar”. Deze ambtenaar mag niet dezelfde zijn als degene die op grond van § 6 de inbreuken vaststelt.
De in het tweede lid bedoelde schorsing, intrekking of sluiting worden opgelegd door het college van burgemeester en schepenen.
Onverminderd § 10, tweede lid, legt de gemeenteraad de wijze vast van kennisgeving van de sanctie aan de dader van de inbreuk.
Minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten5[, zelfs wanneer deze persoon op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden,] kunnen gestraft worden met een administratieve geldboete bedoeld in het tweede lid, 1° In dat geval is het maximum evenwel vastgesteld op 125 euro.]

§ 3
De raad kan op dezelfde inbreuken van zijn reglementen en verordeningen niet tezelfdertijd in een strafsanctie én een administratieve sanctie voorzien, maar slechts in één van beide.

§ 4
De in paragraaf 2, [tweede lid]4, 2° tot en met 4°, gestelde sancties kunnen eerst worden opgelegd nadat de overtreder voorafgaand een waarschuwing heeft ontvangen. Deze waarschuwing bevat een uittreksel van het overtreden reglement of de overtreden verordening.

§ 5
De administratieve sanctie is proportioneel in functie van de zwaarte van de feiten die haar verantwoorden, en in functie van eventuele herhaling.
De vaststelling van meerdere samenlopende inbreuken op hetzelfde reglement of dezelfde verordening zal het voorwerp uitmaken van één enkele administratieve sanctie, in verhouding tot de ernst van het geheel van de feiten.

§ 6
[De inbreuken die bestraft kunnen worden met administratieve sancties, worden door een politieambtenaar of door een hulpagent van politie vastgesteld bij proces-verbaal.
De inbreuken die uitsluitend bestraft kunnen worden met administratieve sancties, kunnen eveneens het voorwerp uitmaken van een vaststelling door de hiernavolgende personen:
1°de gemeenteambtenaren die beantwoorden aan de minimumvoorwaarden die door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn bepaald inzake selectie, rekrutering, opleiding en bevoegdheid, en die daartoe door de gemeenteraad zijn aangewezen.
5[In geval van een meergemeenten-politiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, nadat daartoe voorafgaandelijk een overeenkomst werd gesloten tussen de betrokken gemeenten.]
8[De vaststellende gemeenteambtenaar kan het identiteitsbewijs of een ander identificatiedocument van de overtreder opvragen, zodat hij zich kan vergewissen van de juiste identiteit van deze persoon.
De identiteitscontrole is alleen maar toegelaten ten opzichte van personen waarvan de ambtenaar heeft vastgesteld dat zij feiten hebben gepleegd die aanleiding kunnen geven tot een gemeentelijke administratieve sanctie;]
2°ambtenaren van de vervoersmaatschappijen behorend tot één van de categorieën bepaald door de Koning.
De bewakingsagenten, daartoe aangesteld door de gemeenteraad, kunnen eveneens aangifte doen van de inbreuken die uitsluitend bestraft kunnen worden met administratieve sancties, bij de politieambtenaar of hulpagent van politie bedoeld in het eerste lid en dit enkel in het kader van de activiteiten bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 6°, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten.]4

§ 7
[1°Indien de feiten zowel een inbreuk vormen op de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, 7[534bis, 534ter,]7 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, of 563, 2° en 3° van het Strafwetboek, als gesanctioneerd worden met een administratieve sanctie, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling toegestuurd aan de procureur des Konings. Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd.
De politieambtenaar of hulpagent vermeldt op het proces-verbaal uitdrukkelijk de datum waarop het werd toegestuurd of ter hand gesteld aan de procureur des Konings. Er wordt tezelfdertijd een afschrift opgestuurd aan de ambtenaar;
2°indien de inbreuk enkel met een administratieve sanctie bestraft kan worden, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling aan de ambtenaar toegestuurd. Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd;
3°van de vaststellingen lastens minderjarigen voor feiten die enkel kunnen worden bestraft met een administratieve sanctie, wordt door de politiediensten of gemeenteambtenaren steeds een afschrift overgemaakt aan de procureur des Konings;
4°indien de vaststelling wordt opgesteld door een ambtenaar van een vervoersmaatschappij, wordt zij door deze toegestuurd aan de ambtenaar bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.]

§ 8
[Indien de inbreuk bestraft kan worden met een administratieve sanctie, bedoeld in § 2, tweede lid, 1°, of met een straf bepaald door de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461 en 463 van het Strafwetboek, kan de ambtenaar enkel een administratieve geldboete opleggen indien de procureur des Konings binnen een termijn van twee maanden heeft laten weten dat dit volgens hem aangewezen is en dat hijzelf geen gevolg aan de feiten zal geven.
Indien de inbreuk bestraft kan worden met een administratieve sanctie bedoeld in § 2, tweede lid, 1, of met een straf bepaald 5[door de artikelen 526,  [534bis, 534ter,]7 537, 545, 559, 1°, 561, 1° en 563, 2° en 3° van het Strafwetboek], beschikt de procureur des Konings over een termijn van 5[twee maanden]5, te rekenen van de dag van de ontvangst van het origineel van het proces-verbaal, om de ambtenaar in te lichten dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, vervolging werd ingesteld, dan wel dat hij oordeelt het dossier te moeten seponeren bij gebrek aan toereikende bezwaren. Deze mededeling doet de mogelijkheid vervallen voor de ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen. Vóór het verstrijken van deze termijn kan de ambtenaar geen administratieve geldboete opleggen. Na het verstrijken ervan kunnen de feiten enkel nog administratiefrechtelijk worden bestraft. De ambtenaar kan evenwel een administratieve geldboete opleggen vooraleer deze termijn is verstreken indien de procureur des Konings heeft laten weten dat, zonder het materieel element van de overtreding in twijfel te trekken, hij geen gevolg aan de feiten zal geven.]4

[§ 8bis
Indien buiten de gevallen van samenloop vermeld in § 7, een feit zowel een strafrechtelijke als een administratiefrechtelijke inbreuk vormt, dient te worden gehandeld volgens de procedures die gelden voor inbreuken bedoeld in de artikelen van boek II, titel X van het Strafwetboek en de artikelen 526, 7[534bis, 534ter,] 537 en 545 van het Strafwetboek.]

§ 9
Wanneer de ambtenaar beslist dat er reden is om de administratieve procedure aan te vatten, deelt hij de overtreder door middel van een ter post aangetekend schrijven mee:
1°de feiten met betrekking tot dewelke de procedure is opgestart;
2°dat de overtreder de gelegenheid heeft, om, binnen de vijftien dagen te rekenen van de datum van kennisgeving van het aangetekend schrijven, zijn verweermiddelen uiteen te zetten bij een ter post aangetekend schrijven, en dat hij het recht heeft om bij deze gelegenheid de ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken;
3°dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4°dat de overtreder het recht heeft zijn dossier te consulteren;
5°een afschrift van het in § 6 bedoelde proces-verbaal, gevoegd als bijlage.
De ambtenaar bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de overtreder uitgenodigd wordt de mondelinge verdediging van zijn zaak voor te dragen.
Indien de ambtenaar van oordeel is dat er een geldboete moet worden opgelegd die niet hoger is dan [62,5 euro], heeft de overtreder niet het recht om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken.

4[§ 9bis
Wanneer een persoon beneden de achttien jaar ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd dat wordt bestraft met een administratieve geldboete, geeft de ambtenaar daarvan kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten, zodat ervoor gezorgd wordt dat betrokkene kan worden bijgestaan door een advocaat.
De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand gaat over tot de toewijzing van een advocaat, uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen van dit bericht.
Afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging.
Indien er een belangenconflict is, ziet de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand erop toe, dat de betrokkene verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader en moeder, voogd of personen die hem onder hun bewaring hebben of die bekleed zijn met een vorderingsrecht, een beroep gedaan hebben.]
[In afwijking van § 9, wordt het in § 9, eerste lid, bedoelde aangetekend schrijven aan de minderjarige en aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen, gestuurd. Deze partijen hebben dezelfde rechten als de overtreders zelf.]

§ 10
Na verloop van de termijn, vermeld in § 9, 2°, of vóór het verstrijken van deze termijn, wanneer de overtreder te kennen geeft de feiten niet te betwisten of in voorkomend geval na de mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, kan de ambtenaar de door de politieverordening voorziene administratieve geldboete opleggen.
[Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en in het geval van een minderjarige overtreder, aan de minderjarige, evenals aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen.
De vader en de moeder, de voogden of de personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboete.
De beslissing bedoeld in het tweede lid dient binnen een termijn van zes maanden ter kennis te worden gebracht aan de betrokkenen. Deze termijn gaat in op de dag van de ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal of van de ontvangst van de vaststelling door de personen zoals bedoeld in § 6, tweede lid.
De ambtenaar kan geen administratieve geldboete meer opleggen na het verstrijken van deze termijn. Hij kan een afschrift van het proces-verbaal of van de vaststellingen van de personen bedoeld in § 6, tweede lid, en een afschrift van zijn beslissing overzenden aan elke belanghebbende partij die voorafgaandelijk hiertoe een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richt aan hem.]

§ 11
De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf haar kennisgeving, behoudens wanneer hoger beroep wordt aangetekend overeenkomstig § 12.

§ 12
De gemeente, in geval van beslissing tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete genomen door een aangewezen provincieambtenaar, of de overtreder kan binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift een beroep instellen bij de politierechtbank volgens de burgerlijke procedure.
Indien de beslissing evenwel betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten, wordt hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dit geval kan het hoger beroep ook worden ingesteld door de vader en de moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is op het moment dat de rechtbank zich uitspreekt.
De politierechtbank of de jeugdrechtbank doet, in het kader van een openbaar debat met uiteenzetting door alle partijen, uitspraak over het beroep dat werd ingesteld tegen de administratieve sancties als bedoeld in § 2, tweede lid, 1°. Zij oordeelt over de wettigheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete.]
Hij kan de beslissing van de ambtenaar hetzij bevestigen, hetzij herzien.
Wanneer een beroep tegen een administratieve sanctie aanhangig wordt gemaakt bij de jeugdrechtbank, kan deze de sanctie vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding zoals die wordt bepaald in artikel 37 van 6[de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade] [In dit geval is artikel 60 van 6[de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]6 van toepassing.]
[Geen hoger beroep staat open tegen de beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank.
Wanneer echter de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding bedoeld in artikel 37 van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]6, staat er wel hoger beroep open. In dit geval wordt er gehandeld volgens de procedures van 6[de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]6 die gelden voor de als misdrijf omschreven feiten.]
Onverminderd de voorgaande leden en [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]6, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank.]

§ 13
De Koning regelt bij een in ministerraad overlegd besluit de procedure tot aanwijzing door de gemeente van de ambtenaar gelast met het opleggen van de administratieve geldboete, alsmede de wijze van inning van de administratieve geldboete.
De administratieve geldboeten worden geïnd ten bate van de gemeente.]

Het Hof vernietigt artikel 119bis, § 12, zesde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, in de bij artikel 4 van de wet van 7 mei 2004 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en de Nieuwe Gemeentewet eraan gegeven formulering, en vernietigt, voor de periode van 1 april 2005 tot en met 7 augustus 2005, artikel 119bis, § 9bis, van de Nieuwe Gemeentewet, in de bij artikel 2 van de wet van 17 juni 2004 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet eraan gegeven formulering (Arbitragehof nr. 6/2006, 18 januari 2006 (B.S., 30 januari 2006)).
Beperking toepassing
Gecodificeerd, voor het Waalse Gewest, bij art. 2, 8° B. W. Reg. 22 april 2004 (B.S., 12 augustus 2004 (eerste uitg.)), behalve in zoverre het betrekking heeft op de politieverordeningen.
Verwerping van beroep
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 1. en 2, 3. van de wet van 17 juni 2004 inzoverre die de paragrafen 1, 2 en 8 van artikel 119bisvan de Nieuwe Gemeentewet vervangen (Arbitragehof nr. 6/2006, 18 januari 2006 (B.S., 30 januari 2006)).
Uitvoeringsbesluiten
–Koninklijk besluit van 7 januari 2001 tot vaststelling van de procedure tot aanwijzing van de ambtenaar en tot inning van de boetes in uitvoering van de wet van 13 mei 1999 betreffende de invoering van gemeentelijke administratieve sancties (B.S., 2 februari 2001)
–Koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende vaststelling van de minimumvoorwaarden waaraan de gemeenteambtenaren moeten voldoen, zoals bepaald in artikel 119bis, § 6, tweede lid, 1° van de nieuwe gemeentewet (B.S., 29 december 2004)

[Art. 119ter
De gemeenteraad kan in een bemiddelingsprocedure voorzien in het kader van de door artikel 119bis toegekende bevoegdheden. Deze is verplicht indien zij betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.
De bemiddeling, bedoeld in het eerste lid, heeft uitsluitend tot doel de dader van de inbreuk de mogelijkheid te bieden de schade die hij heeft aangebracht, te vergoeden of te herstellen.]

Art. [134 [Federale tekst]

§ 1
In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven [...], met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden [...]. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.

§ 2
[Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren geeft de burgemeester de provinciegouverneur onmiddellijk kennis van de in § 1 bedoelde verordeningen, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden.
De gouverneur kan de uitvoering ervan schorsen.]

Art. [134 [Vlaams Gewest]

§ 1
In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven [...], met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden [...]. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.

§ 2
[Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren geeft de burgemeester de provinciegouverneur onmiddellijk kennis van de in § 1 bedoelde verordeningen, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden.
De gouverneur kan de uitvoering ervan schorsen.]

Art. 1[134 [Duitstalige Gemeenschap]

§ 1
In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven [...], met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden [...]. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.

[Art. 134bis
Op gemotiveerd verzoek van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn beschikt de burgemeester, vanaf de aanmaning van de eigenaar, over het recht om elk gebouw, dat sedert meer dan zes maanden verlaten is, op te eisen ten einde het ter beschikking te stellen van dakloze personen. Het opeisingsrecht kan slechts uitgeoefend worden binnen een termijn van 6 maand te rekenen vanaf de dag waarop de burgemeester de eigenaar op de hoogte heeft gesteld, en mits een billijke vergoeding.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de grenzen, de voorwaarden en de modaliteiten, volgens dewelke het opeisingsrecht kan uitgeoefend worden. Dit besluit bepaalt ook de procedure, de gebruiksduur, de modaliteiten inzake het op de hoogte stellen van de eigenaar en de mogelijkheden van laatstgenoemde tot verzet tegen de opeising, alsook de berekeningswijzen inzake de vergoedingen.

Art. 134ter
Behoudens wanneer de bevoegdheid om in geval van hoogdringendheid een voorlopige sluiting van een instelling of de tijdelijke schorsing van een vergunning uit te spreken door een bijzondere regelgeving is toevertrouwd aan een andere overheid, kan de burgemeester wanneer elke verdere vertraging een ernstig nadeel zou kunnen berokkenen, die maatregelen nemen wanneer de voorwaarden van de uitbating van de instelling of van de vergunning niet worden nageleefd en nadat de overtreder de mogelijkheid werd geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen.
Die maatregelen vervallen dadelijk indien zij door het college van burgemeester en schepenen in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
Zowel de sluiting als de schorsing kunnen een termijn van drie maanden niet overschrijden. Na verloop van deze termijn wordt de beslissing van de burgemeester van rechtswege geheven.

Art. 134quater
Indien de openbare orde rond een voor het publiek toegankelijke inrichting wordt verstoord door gedragingen in die inrichting, kan de burgemeester besluiten deze te sluiten, voor de duur die hij bepaalt.
Die maatregelen zullen onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen worden bevestigd.
De sluiting mag een termijn van drie maanden niet overschrijden. De beslissing van de burgemeester wordt opgeheven bij het verstrijken van die termijn.

Art. 135 [Brussels Hoofdstedelijk Gewest]

§ 1
Tot de bevoegdheden van de gemeenten behoren inzonderheid: het beheer van de goederen en inkomsten van de gemeente; de vaststelling en de verrichting van de plaatselijke uitgaven die met de gelden van de gemeente dienen te worden betaald; het ontwerpen en het doen uitvoeren van de openbare werken die ten laste van de gemeente vallen; het beheer van de inrichtingen die aan de gemeente toebehoren, die op haar kosten worden onderhouden of die in het bijzonder bestemd zijn voor het gebruik van haar inwoners.

§ 2
De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:
1°alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;
2°het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;
3°het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en openbare plaatsen;
4°het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;
5°het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;
6°het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven;]1
7°[het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast.]

[§ 3
De gemeenten zijn ertoe gehouden hun inwoners een bestuur te bieden met een aangepaste toegangswijze en beschikbaarheid door meer uitgebreide openingsuren, minstens één dag per week, en door een dienstverlening via het internet.]

[Art. 135 [Vlaams Gewest]

§ 1
[...]

§ 2
De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:
1°alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;
2°het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;
3°het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en openbare plaatsen;
4°het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;
5°het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;
6°het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven;]
7°[het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast.]

[Art. 135 [Waals Gewest]

§ 1
[...]

§ 2
De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:
1°alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;
2°het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;
3°het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en openbare plaatsen;
4°het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;
5°het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;
6°het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven;]
7°het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast.


 

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 11/12/2015 - 13:13
Laatst aangepast op: vr, 11/12/2015 - 13:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.