-A +A

Geen algemene toezichtverplichting voor internetproviders en website beheerders die content van derden aanbieden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Op grond van artikel 21 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij zouden aan de dienstverleners geen algemene toezichtverplichting op de informatie die doorgegeven wordt, kunnen worden opgelegd.

Krachtens artikel 87 § 1 2° lid van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna afgekort AW), bestaat de mogelijkheid voor de stakingsrechter, nadat hij het bestaan van een inbreuk op het auteursrecht heeft vastgesteld, een bevel uit te spreken tegen tussenpersonen wiens diensten worden gebruikt om deze inbreuk te plegen.

Toch kan verwezen naar artikel 18 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij (wet elektronische handel), waarvan de inhoud luidt als volgt:

“Wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, is de dienstverlener niet aansprakelijk voor de doorgegeven informatie, als aan elk van de volgende voorwaarden voldaan is:

1 ° het initiatief tot de doorgifte niet bij de dienstverlener ligt;
2° de ontvanger van de doorgegeven informatie niet door de dienstverlener wordt geselecteerd;
3 ° de doorgegeven informatie niet door de dienstverlener wordt geselecteerd of gewijzigd. ”

Een internetdienst die zelfs massaal op zijn website illegale werken laat publiceren door derden die dan door de derden zelf wordt verspreid, begaat dus strikt genomen geen inbreuk op deze bepaling.

Maar anderzijds is deze website dan best geplaatst zijn om een einde te stellen aan auteursrechtelijke inbreuken die door hun abonnees worden gepleegd. Overigens precies voor deze situatie voorziet artikel 87 § 1, 2de lid AW, conform de Europese regelgeving (art. 12 § 3 richtlijn 2000/31 betreffende bepaalde aspecten.van de diensten van de informatiemaatschappij met name de elektronische handel, in de interne markt), in de mogelijkheid van een rechterlijk bevel tegen de Internetleveranciers (tussenpersonen).

De wettelijke regels inzake de beperking van aansprakelijkheid van de Internetleveranciers vormt geen obstakel voor de stakingsvordering. Deze vordering strekt er uitsluitend toe een website ontoegankelijk te maken, wat betekent dat geïntimeerden de onrechtmatige informatie die zich bevindt op de website “The Pirate Bay” niet doorgeven. Zij zijn derhalve niet aansprakelijk voor de onrechtmatige inhoud die over hun netwerk wordt doorgegeven.

Maar quid met de stelling dat webproviders en webdiensten niet mogen onderworpen worden aan een algemene toezichtverplichting, zoals voorzien in artikel 21 van voormelde wet elektronische handel:

“Met betrekking tot de levering van de in artikelen 18, 19 en 20 bedoelde diensten hebben de dienstverleners geen algemene verplichting om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die onwettige activiteiten duiden."

Het in 1ste lid genoemde beginsel geldt enkel voor de algemene verplichtingen. Het laat het recht van de bevoegde gerechtelijke instanties onverlet om, in een specifiek geval, een tijdelijke toezichtverplichting op te leggen, indien een wet in deze mogelijkheid voorziet.

Een gevorderd bevel “om in hun hoedanigheid van Internettoegangsleverancier de litigieuze inbreuken te doen staken” veroorzaakt geen toezichtverplichting in hoofde van de internettoegangleverancier over de informatie die zij doorgeven of opslaan. Deze moeten inderdaad geen enkele controle uitoefenen op een onrechtmatige informatie. Een, gevorderd bevel tot DNS blokkering is immers beperkt tot het gewoon ontoegankelijk maken van de websites door toepassing te maken van een specifieke technische maatregel. Nadien moet de internettoeganglevernacier niet verifiëren of bepaalde abonnees de maatregel al dan niet hebben omzeild, toegang hebben gekregen tot deze websites en auteursrechtelijke inbreuken hebben gepleegd.

De omstandigheid dat een stakingsbevel geen eind zal maken aan alle mogelijke illegale activiteiten op het Internet, heeft niet tot gevolg dat dit bevel disproportioneel zou zijn. Het kan bijdragen tot een beperking van de inbreuken die van aard is de belangen van auteurs redelijkerwijze te dienen. 

Een auteur of auteursvereninging is gerechtigd iedere vorm van piraterij aan te pakken met de rechtsmiddelen die door de wetgever worden aangeboden. Zij kan niet worden verplicht eerst tegen de daadwerkelijke inbreukmakers op te treden alvorens een bevel tegen de Internettoegangsleveranciers te eisen (subsidiariteit). Dergelijke verplichting wordt nergens in de wet ingeschreven. Bovendien heeft de Europese wetgever de beslissing genomen om de rechthebbende de mogelijkheid te bieden om rechtstreeks op te treden tegen de tussenpersonen (art. 8.3. van de richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij).

Aan internettoegangleveranciers kan worden gevraagd met het oog op de bestrijding van auteursrechtelijke inbreuken de toegang tot wel bepaalde websites ontoegankelijk te maken voor hun abonnees. Het is aan de stakingsrechter, die een specifieke positieve maatregel kan bepalen om een einde te stellen aan de auteursrechtelijke inbreuk, om de modaliteiten ervan vast te leggen.
 

Rechtspraak: 

• Hof van Beroep Antwerpen, 26 september 2011, RABG 2011/18, 1269

• Hof van Cassatie 22/10/2013, AR P.13.0550.N, juridat

Samenvatting

Passende technische hulpmiddelen in de zin van artikel 39bis, §4, Wetboek van Strafvordering (thans artikel 39quater kunnen bestaan in het bevelen aan de internettoegangleveranciers van het ontoegankelijk maken van de toegang tot de server waarop de gegevens zijn gehost, waarvan het kopiëren om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens niet mogelijk is.

Artikel 39bis, §4, Wetboek van Strafvordering sluit niet uit dat die bevelen worden gericht aan anderen dan zij die gegevens zelf opslaan of laten opslaan en vereist evenmin dat de bevelen tot daadwerkelijk gevolg hebben dat hij die gegevens opslaat of laat opslaan ze niet meer kan consulteren, wijzigen of wissen.

Tekst arrest

P.13.0550.N
1. TELENET nv, met zetel te 2800 Mechelen, Liersesteenweg 4,
verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen,
2. TECTEO cvba, met zetel te 4000 Luik, Louvrexstraat 95,
verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen,
3. BRUTELE cvba, met zetel te 1050 Brussel, Napelsstraat 29B,
verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen,
eiseressen,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest nr. K/378/13 van het hof van be-roep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 februari 2013.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. In het kader van een gerechtelijk onderzoek tegen onbekenden wegens inbreuken op de artikelen 80 en volgende Auteurswet 1994, artikel 8, § 1, Wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, artikel 145, § 3bis, Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en artikel 11 Wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in het Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, heeft de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 6 april 2012 aan onder meer de eiseressen een gemotiveerde vordering gericht, met volgend beschikkend gedeelte:

"VORDERT

Op basis van artikel 39bis en 89 van het Wetboek van Strafvordering, de verant-woordelijke wettelijke vertegenwoordiger van:
ALLE BELGISCHE OPERATOREN EN TOEGANGSVERSTREKKERS TOT HET INTERNET
om de toegang ontoegankelijk te maken tot de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnamen "thepiratebay.org" (gekende IP adressen 194.71.107.50 en 194.71.107.15);

en meer bepaald door aanwending van alle mogelijke technische hulpmiddelen, waaronder minstens het blokkeren van alle domeinnamen die doorverwijzen naar de server die gekoppeld is aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org",

waarbij de lijst van de ontoegankelijk te maken domeinnamen die in onderhavige vordering worden geviseerd wordt bepaald:

1. door het technisch procedé van "reverse IP domain check" (het opzoeken van alle domeinnamen die verwijzen naar een welbepaald IP-adres), en dit toegepast op elk IP-adres waarvan vastgesteld wordt dat het gebruikt wordt door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org" om de internettoegang tot de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org" te verzekeren;

2. door elke andere materiële technische vaststelling dat een welbepaalde domeinnaam doorverwijst naar de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org";

Mijn ambt vordert tevens dat de geblokkeerde domeinnamen dienen door te ver-wijzen naar het IP-adres: 193.191.245.56 (stoppagina van de overheid).

Mijn ambt belast de RCCU Mechelen en de FCCU (Federal Computer Crime Unit) met het vaststellen van deze domeinnamen en met het informeren van de operatoren hiervan.

Mijn ambt vordert tevens de operatoren om de RCCU Mechelen en de FCCU in te lichten van de uitvoering van de maatregel."

2. Op 17 juli 2012 hebben de eiseressen ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen overeenkomstig artikel 61quater Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift neergelegd ertoe strekkende de opheffing van de vordering toe te staan bij gebrek aan wettelijke grondslag, ondergeschikt het bevel te beperken in de tijd, te verduidelijken dat de eiseressen niet zullen instaan voor het opstellen van de lijst van de ontoegankelijk te maken domeinnamen, te preciseren welke de specifieke technische maatregel is die de eiseressen dienen te implementeren en te bepalen dat de eiseressen zullen worden geacht aan de vordering te hebben voldaan van zodra zij deze technische maatregel hebben genomen.

3. De onderzoeksrechter heeft bij beschikking van 19 juli 2012 het verzoek van de eiseressen afgewezen.

4. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bij arrest van 14 februari 2013 het hoger beroep van de eiseressen tegen de beschikking van 19 juli 2012 onge-grond verklaard.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

5. Het arrest oordeelt dat de noodwendigheden van het onderzoek vereisen dat de onderzoeksmaatregel wordt gehandhaafd en de opheffing de rechten van partijen of van derden in het gedrang kan brengen en het bevestigt onder meer op die gronden de beroepen beschikking die het verzoek van de eiseressen tot intrekking van de onderzoeksmaatregel afwees. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het evenmin uitspraak in een van de gevallen bedoeld door artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.

Eerste middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 35 tot en met 39bis, 55, 56 en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er een wettelijke grondslag bestaat voor het door de onderzoeksrechter gegeven bevel; de bevolen beslagmaatregel kan enkel de waarheidsvinding en het verzamelen van bewijs tot doel hebben of betrekking hebben op goederen die door de artikelen 42 en 43quater Strafwetboek bedoelde zaken schijnen uit te maken, maar kan niet als doel hebben het voorkomen van het verder plegen van dergelijke inbreuken of van verdere schade aan de burgerlijke partij; een beslagmaatregel kan niet worden opgelegd als preventieve maatregel, ter voorkoming van inbreuken of van schade aan de burgerlijke partij, maar hoogstens met die doelstelling worden gehandhaafd; het arrest dat anders oordeelt, is dan ook niet naar recht verantwoord.

7. Overeenkomstig artikel 35, § 1, Wetboek van Strafvordering neemt de pro-cureur des Konings alles in beslag wat een van de in de artikelen 42 en 43quater Strafwetboek bedoelde zaken schijnt uit te maken en alles wat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen.
Artikel 39bis, § 1 tot en met § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"§ 1. Onverminderd de specifieke bepalingen van dit artikel, zijn de regels van dit wetboek inzake inbeslagneming, met inbegrip van artikel 28sexies, van toepassing op het kopiëren, ontoegankelijk maken en verwijderen van in een informaticasys-teem opgeslagen gegevens.

§ 2. Wanneer de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in een informatica-systeem gegevens aantreft die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbe-slagneming, maar de inbeslagneming van de drager evenwel niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van drin-gendheid of om technische redenen, kan gebruikgemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.

§ 3. Hij wendt bovendien de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van de personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

Indien de gegevens het voorwerp van het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit het misdrijf en indien de gegevens strijdig zijn met de openbare orde of de goede zeden, of een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of ge-gevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wendt de procureur des Konings of de arbeidsauditeur alle passende technische middelen aan om deze gegevens ontoegankelijk te maken.

Hij kan evenwel, behoudens in het geval bedoeld in het vorige lid, het verdere ge-bruik van het geheel of een deel van deze gegevens toestaan, wanneer dit geen gevaar voor de strafvordering oplevert.

§ 4. Wanneer de in § 2 vermelde maatregel niet mogelijk is om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens, wendt hij de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

Volgens artikel 89, eerste lid, Wetboek van Strafvordering gelden deze bepalingen ook voor de onderzoeksrechter.

8. Uit de tekst van de artikelen 35 en 39bis Wetboek van Strafvordering, hun wetsgeschiedenis en het karakter van voorlopige dwangmaatregel volgt dat een op artikel 39bis Wetboek van Strafvordering gegrond bevel kan worden gegeven met het oog op de waarheidsvinding, de verbeurdverklaring, de teruggave, het doen ophouden van handelingen die een misdrijf lijken uit te maken of ter beveiliging van civielrechtelijke belangen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Het arrest oordeelt onder meer dat:
- de onderzoeksrechter voorlopige dwangmaatregelen kan nemen, onder meer een strafrechtelijk beslag naar aanleiding van een misdrijf met het oog op de waarheidsvinding, de verbeurdverklaring, de teruggave of ter beveiliging van civielrechtelijke belangen;
- de onderzoeksrechter in de tot de eiseressen gerichte vordering van 6 april 2012 volkomen terecht heeft verwezen naar de noodzaak om de schade voor de burgerlijke partij te doen ophouden.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de vordering van 6 april 2012 is gesteund op de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvorde-ring en conform de wet is genomen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering en artikel 21, § 1, tweede lid, Wet van 11 maart 2003 betref-fende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij (hierna Wet Elektronische Handel): het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 39bis Wetboek van Strafvordering toelaat om aan de toegangsleveranciers, zoals de eiseressen, te bevelen de toegang tot alle domeinen van "The Pirate Bay" te blokkeren; het oordeelt eveneens ten onrechte dat dergelijke maatregel steun vindt in de uit artikel 21 Wet Elektronische Handel voortvloeiende tijdelijke toezichts-verplichting; de door artikel 39bis Wetboek van Strafvordering bedoelde beslag-maatregel richt zich tot hij die de gegevens opslaat of laat opslaan en niet tot zij die, zoals de eiseressen, slechts toegang verstrekken tot het communicatienetwerk en die geen beschikkings- of beheersmacht hebben over de gegevens; artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel laat niet toe dat aan een internettoeleve-rancier een tijdelijke toezichtsverplichting wordt opgelegd, zodat die bepaling evenmin een verantwoording kan bieden voor de beslagmaatregel.

11. Uit de opbouw van artikel 39bis Wetboek van Strafvordering, de tekst van paragraaf 4 en de samenhang tussen de verschillende paragrafen volgt dat de procureur des Konings en op grond van artikel 89 Wetboek van Strafvordering ook de onderzoeksrechter, zo blijkt dat het om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens niet mogelijk is de gegevens op dragers te kopiëren, de pas-sende technische middelen kan nemen om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van de personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

12. Passende technische hulpmiddelen in de zin van artikel 39bis, § 4, Wetboek van Strafvordering kunnen bestaan in het bevelen aan de internettoegangleveranciers van het ontoegankelijk maken van de toegang tot de server waarop de gege-vens zijn gehost, waarvan het kopiëren om technische redenen of wegens de om-vang van de gegevens niet mogelijk is.

Artikel 39bis, § 4, Wetboek van Strafvordering sluit niet uit dat die bevelen wor-den gericht aan anderen dan zij die gegevens zelf opslaan of laten opslaan en ver-eist evenmin dat de bevelen tot daadwerkelijk gevolg hebben dat hij die gegevens opslaat of laat opslaan ze niet meer kan consulteren, wijzigen of wissen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Door overname van de redenen van de beroepen beschikking stelt het arrest vast, zonder op dit punt door het onderdeel te worden bekritiseerd, dat het materialiter onmogelijk is om een digitale en forensische kopie te nemen van alle door "The Pirate Bay" aangeboden digitale bestanden.

14. Het arrest kon dan ook wettig oordelen dat de onderzoeksrechter op grond van artikel 39bis aan de eiseressen als internettoegangleveranciers het bevel mocht geven om "de toegang ontoegankelijk te maken tot de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam ‘thepiratebay.org' (gekende IP-adressen 194.71.107.50 en 194.71.107.15), en meer bepaald door aanwending van alle mogelijke technische middelen, waaronder minstens het blokkeren van alle domeinnamen die doorverwijzen naar de server die gekoppeld is aan de hoofddomeinnaam ‘thepiratebay.org', waarbij de ontoegankelijk te maken domeinnamen door de RCCU Mechelen en de FCCU (Federal Computer Crime Unit) worden vastgesteld.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

15. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest in de door artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel bedoelde tijdelijke toezichtsverplichting ten onrechte een rechtsgrond vindt voor het door de onderzoeksrechter gegeven bevel, is het gericht tegen overtollige motieven.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt ten onrechte aan dat artikel 39bis Wetboek van Strafvordering een wettige grondslag uitmaakt voor het bevelen van het on-toegankelijk maken van de op de server van "The Pirate Bay" opgeslagen gege-vens; de beslagmaatregel van artikel 39bis Wetboek van Strafvordering heeft tot doel de integriteit van de in het informaticasysteem opgeslagen gegevens te be-schermen; de door de onderzoeksrechter bevolen maatregel kan die doelstelling niet realiseren omdat het blokkeren door de internettoegangleverancier van alle domeinnamen die verwijzen naar de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org" niet verhindert dat de exploitanten van de websites van "The Pirate Bay" nog toegang hebben tot hun website; een maatregel die enkel tot ge-volg heeft dat de internetgebruikers geen toegang meer hebben tot de gegevens terwijl de beheerder van de gegevens hierover verder kan beschikken, is geen be-slagmaatregel als bedoeld in artikel 39bis Wetboek van Strafvordering; de bevolen ontoegankelijkmaking neemt immers de beschikkings- of beheersmacht van "The Pirate Bay" niet weg.

17. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de tevergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde wetsschending.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde en vierde onderdeel

18. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis, § 3, tweede lid, en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de bevolen maatregel van ontoegankelijkmaking van de door "The Pirate Bay" opgeslagen gegevens ten onrechte op grond van een gevaar voor de integriteit van het informaticasysteem en van de daarin opgeslagen legale bestanden; de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kunnen worden genomen zijn bijkomend aan het kopiëren van de gegevens waarvan sprake in artikel 39bis, § 2, en zij vormen een uitzonderingsmaatregel op het ontoegankelijk maken van de gegevens waarvan sprake in artikel 39bis, § 3, eerste lid; die maatregelen veronderstellen dat de gegevens uit het informaticasysteem worden verwijderd, zodat zo de openbare orde of het informaticasysteem worden beschermd; het enkele gevaar voor de integriteit van het informaticasysteem, waarmee bovendien alleen de materiële integriteit wordt bedoeld, vormt geen zelfstandige grondslag voor een overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, bevolen maatregel; de aan de eiseressen opgelegde maatregel van blokkering van de toegang tot de inhoud die is opgeslagen op de aan de hoofddomeinnaam "the piratebay.org" gekoppelde server, houdt geen verwijdering van die inhoud in, zodat het gevaar voor de integriteit van het informaticasysteem die maatregel niet kan rechtvaardigen; evenmin stelt het arrest vast dat de betrokken server of andere servers en de daarin opgeslagen legale bestanden worden aangetast.

19. Het vierde onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis, § 3, twee-de lid, en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de bevolen maatregel van ontoegankelijkmaking van de door "The Pirate Bay" opgeslagen gegevens ten onrechte op grond van de openbare orde; de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kunnen worden genomen zijn bijkomend aan het kopiëren van de gegevens waar-van sprake in artikel 39bis, § 2, en zij vormen een uitzonderingsmaatregel op het ontoegankelijk maken van de gegevens waarvan sprake in artikel 39bis, § 3, eerste lid; die maatregelen veronderstellen dat de gegevens uit het informaticasysteem worden verwijderd, zodat zo de openbare orde of het informaticasysteem worden beschermd; de enkele strijdigheid met de openbare orde vormt geen zelfstandige grondslag voor een overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, bevolen maatregel; de aan de eiseressen opgelegde maatregel van blokkering van de toegang tot de inhoud die is opgeslagen op de aan de hoofddomeinnaam "the piratebay.org" gekoppelde server, houdt geen verwijdering van die inhoud in, zodat de strijdig-heid met de openbare orde die maatregel niet kan rechtvaardigen; bovendien is niet elk probleem dat de openbare orde raakt een reden voor de toepassing van artikel 39bis, § 3, tweede lid, maar enkel de strijdigheid van de ontoegankelijk ge-maakte gegevens met de openbare orde; het arrest verwijst voor de strijdigheid met de openbare orde niet naar de door de maatregel geviseerde bestanden, maar wel naar het gedrag van "The Pirate Bay" erin bestaande het bevel van de stakingsrechter te omzeilen.

20. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat artikel 39bis, § 4, Wetboek van Strafvordering een afdoende wettelijke grondslag vormt voor de vorde-ring van de onderzoeksrechter van 6 april 2012.

De onderdelen die aanvoeren dat in artikel 39bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geen wettelijke grondslag kan worden gevonden voor die vorde-ring zijn gericht tegen overtollige motieven.

De onderdelen zijn niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste en tweede onderdeel

21. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel en de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest koppelt aan het aan de eiseressen gegeven bevel van ontoeganke-lijkmaking ten onrechte geen concrete geldingsduur; de internettoegangleverancier heeft op grond van artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel het recht te weten wanneer zijn verplichting ophoudt; de omstandigheid dat de maatregel noodzakelijk een einde neemt bij de beslissing ten gronde houdt geen dergelijke concrete geldingsduur in.

De eiseressen verzoeken aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Staan considerans 47 en artikel 15 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel, omgezet in artikel 21 Wet Elektronische Handel, toe dat een nationale bepaling in het kader van een gerechtelijk onderzoek toelaat de internettoegangleveranciers te verplichten tot het ontoegankelijk maken van bepaalde inhoud op het internet zonder enige geldingsduur van de maatregel op te geven om de reden dat die maatregel hoe dan ook een einde zal kennen op het einde van de strafprocedure ten gronde?"

22. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 52.1 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel en de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest preciseert ten onrechte niet de middelen die de eiseressen moeten aanwenden ten-einde de hen opgelegde verplichting na te komen en het duidt evenmin op exhaus-tieve wijze de domeinnamen aan die moeten worden geblokkeerd; een wet die aan internettoegangleveranciers een tijdelijke toezichtsverplichting oplegt moet vol-doende duidelijk en voorzienbaar zijn; aan die voorwaarde is niet voldaan indien de wet de gerechtelijke overheden toestaat om van zodra wordt vastgesteld dat het internet toegang verschaft tot bestanden die inbreuk plegen op auteursrecht, de internettoegangleveranciers te verplichten met alle mogelijke middelen de toegang te verhinderen tot alle domeinnamen die gekoppeld zijn aan de server waarop de onwettige informatie is opgeslagen, zonder die middelen te preciseren en zonder de te blokkeren domeinnamen op exhaustieve wijze te preciseren; de betwiste maatregel preciseert niet de door de eiseressen aan te wenden middelen en duidt evenmin de te blokkeren domeinnamen aan.

De eiseressen vragen aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Staan considerans 47 en artikel 15 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel, omgezet in artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel, toe dat een nationale bepaling in het kader van een gerechtelijk onderzoek toelaat een informatiemaatschappij te verplichten illegale bestanden op het internet ontoe-gankelijk te maken zonder dat wordt gepreciseerd met welke middelen dit moet gebeuren en zonder dat op exhaustieve wijze wordt aangeduid welke domeinnamen hiertoe moeten worden geblokkeerd?"

23. Artikel 15.1 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel (hierna Richtlijn Elektronische Handel) bepaalt: "Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 12, 13 en 14 bedoelde diensten leggen de lidstaten de dienstverleners geen algemene verplichting op om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden."

Artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel, dat artikel 15.1. Richtlijn Elektronische Handel omzet in het Belgische recht, bepaalt :

"Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 18, 19 en 20 bedoelde dien-sten hebben de dienstverleners geen algemene verplichting om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief op zoek te gaan naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

Het in het eerste lid bedoelde beginsel geldt enkel voor de algemene verplichtingen. Het laat het recht van de bevoegde gerechtelijke instanties onverlet om, in een specifiek geval, een tijdelijke toezichtsverplichting op te leggen, indien een wet in deze mogelijkheid voorziet."

24. Het bevel dat aan een internettoegangleverancier wordt gegeven om met alle mogelijke technische middelen de toegang te blokkeren tot de inhoud die wordt gehost door een server welke is gekoppeld aan een welbepaalde hoofddomein-naam door minstens alle domeinnamen te blokkeren die doorverwijzen naar die aan de wel bepaalde hoofddomeinnaam gekoppelde server, met bovendien de spe-cificatie welk technisch procedé daartoe moet worden aangewend, houdt geen toezichtsverplichting in als bedoeld door artikel 15.1 Richtlijn Elektronische Han-del en artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel. Van de internettoegangleveran-cier wordt immers niet gevraagd toe te zien op de informatie die hij doorgeeft of opslaat of om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

De onderdelen die volledig uitgaan van de onjuiste rechtsopvatting dat een toe-zichtsverplichting als bedoeld in artikel 15.1 Richtlijn Elektronische Handel en artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel wordt opgelegd, falen naar recht.

De prejudiciële vragen die uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting worden niet gesteld.

Derde onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel en de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig en dus niet regelmatig gemotiveerd; enerzijds neemt het aan dat de opgelegde maatregel van ontoegankelijkmaking geen algemene toezichtsverplichting inhoudt omdat de te blokkeren domeinnamen door de RCCU Mechelen en de FCCU aan de eiseressen zullen worden meege-deeld; anderzijds neemt het aan dat het blokkeren van domeinnamen slechts een minimale verplichting is binnen een ruimer bevel; door niet alleen die minimale verplichting maar het volledige bevel als een wettig bevel te beschouwen dat een algemene toezichtsverplichting inhoudt, schendt het arrest bovendien de voormel-de bepalingen.

De eiseressen vragen aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Staan considerans 47 en artikel 15 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel, omgezet in artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel, toe dat een nationale bepaling in het kader van een gerechtelijk onderzoek toelaat een maatregel te bevelen erin bestaande door de aanwending van alle mogelijke tech-nische middelen de toegang tot de inhoud die wordt gehost door de server gekop-peld aan een welbepaalde hoofddomeinnaam verbonden aan wel bepaalde IP-adressen, ontoegankelijk te maken en dit ongeacht via welke domeinnamen die toegang wordt verschaft?"

26. De in het onderdeel vermelde oordelen zijn niet tegenstrijdig.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

27. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de met het eerste en het twee-de onderdeel tevergeefs aangevoerde onwettigheden.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

28. De prejudiciële vraag die, eensdeels, berust op een onjuiste lezing van het arrest, anderdeels, op een onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing

29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 662,96 euro waarvan 71,01 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 22 oktober 2013 uitgesproken

Wetgeving: 

uittreksel uit het wetboek van strafvordering:

Art. 39quater. [1 § 1. Onverminderd de mogelijkheden tot rechtstreekse samenwerking met buitenlandse operatoren van elektronische communicatienetwerken en verstrekkers van elektronische communicatiediensten, kan de procureur des Konings, via de door de Koning aangewezen politiedienst, een buitenlandse bevoegde autoriteit verzoeken de snelle bewaring te bevelen of op andere wijze op te leggen van gegevens die opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden door middel van een informaticasysteem dat zich bevindt op het grondgebied van die bevoegde autoriteit en ten aanzien waarvan een Belgische bevoegde gerechtelijke autoriteit voornemens is een verzoek om rechtshulp in te dienen.

Het verzoek om bewaring is schriftelijk en vermeldt:
- de naam en hoedanigheid van de autoriteit die om de bewaring verzoekt;
- het strafbare feit waarop het verzoek betrekking heeft en een korte uiteenzetting van de daarop betrekking hebbende feiten;
- de gegevens die bewaard moeten worden en het verband met het strafbare feit;
- alle beschikbare informatie met betrekking tot de bewaarder van de gegevens of de locatie van het informaticasysteem;
- de noodzaak van de bewaring;
- het feit dat een verzoek om rechtshulp ingediend zal worden met betrekking tot de bewaarde gegevens;
- in voorkomend geval, het feit dat de gegevens die bewaard moeten worden verwijzen naar een andere staat dan de staat van de bevoegde buitenlandse autoriteit.

§ 2. Indien een internationaal rechtsinstrument tussen België en een andere Staat hierin voorziet, kan een bevoegde autoriteit van die Staat de door de Koning aangewezen politiedienst verzoeken de snelle bewaring te bevelen of op andere wijze op te leggen van gegevens die opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden door middel van een informaticasysteem dat zich bevindt op het Belgische grondgebied en ten aanzien waarvan deze buitenlandse autoriteit voornemens is een verzoek om rechtshulp in te dienen.

Het verzoek om bewaring is schriftelijk en vermeldt:
- de naam en hoedanigheid van de autoriteit die om de bewaring verzoekt;
- het strafbare feit waarop het verzoek betrekking heeft en een korte uiteenzetting van de daarop betrekking hebbende feiten;
- de gegevens die bewaard moeten worden en het verband met het strafbare feit;
- alle beschikbare informatie met betrekking tot de bewaarder van de gegevens of de locatie van het informaticasysteem;
- de noodzaak van de bewaring;
- het feit dat een verzoek om rechtshulp ingediend zal worden met betrekking tot de bewaarde gegevens;
- in voorkomend geval, het feit dat de gegevens die bewaard moeten worden verwijzen naar een andere staat dan de staat van de bevoegde buitenlandse autoriteit.

Na ontvangst van het verzoek bedoeld in het tweede lid, brengt de in het eerste lid bedoelde politiedienst de bevoegde procureur des Konings of onderzoeksrechter daarvan op de hoogte, en neemt zij alle passende maatregelen om onverwijld over te gaan tot de snelle bewaring van de nader omschreven gegevens, overeenkomstig artikel 39ter.

Onverminderd de internationale rechtsinstrumenten met betrekking tot rechtshulp waardoor België gebonden is en die ertoe strekken deze samenwerking te bevorderen, kan een verzoek om bewaring door de bevoegde procureur des Konings of onderzoeksrechter alleen worden geweigerd indien:
- het verzoek betrekking heeft op een misdrijf dat door België wordt beschouwd als politiek misdrijf of als een met een politiek misdrijf samenhangend feit, of
- de uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot aantasting van de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen van België.

Wanneer de in het eerste lid bedoelde politiedienst van mening is dat de gewone bewaring de toekomstige beschikbaarheid van de gegevens niet waarborgt of de vertrouwelijkheid van het onderzoek van de bevoegde buitenlandse autoriteit in gevaar brengt of dit anderszins schaadt, brengt zij de bevoegde buitenlandse autoriteit hiervan onverwijld op de hoogte, die vervolgens bepaalt of het verzoek niettemin moet worden uitgevoerd.

Een bewaring verricht in antwoord op het in het eerste lid bedoelde verzoek is geldig voor een periode van ten minste zestig dagen, teneinde de bevoegde buitenlandse autoriteit de mogelijkheid te bieden een verzoek om rechtshulp in te dienen. Na de ontvangst van een dergelijk verzoek blijven de gegevens bewaard in afwachting van een beslissing inzake het verzoek.

Indien de gegevens die opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden door middel van een informaticasysteem verwijzen naar een andere staat dan de staat van de verzoekende bevoegde buitenlandse autoriteit, brengt de in het eerste lid bedoelde politiedienst de bevoegde procureur des Konings of onderzoeksrechter daarvan op de hoogte. Deze gaat zo snel mogelijk over tot de onthulling aan de bevoegde buitenlandse autoriteit van een hoeveelheid identificatiegegevens of oproepgegevens voldoende om te achterhalen wie die operator van het elektronische communicatienetwerk of de verstrekker van de elektronische communicatiedienst is en langs welke weg de communicatie was verzonden.]1

Art. 39bis.<ingevoegd bij W 2000-11-28/34, art. 7; Inwerkingtreding : 13-02-2001>

§ 1. Onverminderd de specifieke bepalingen van dit artikel, zijn de regels van dit wetboek inzake inbeslagneming, met inbegrip van artikel 28sexies, van toepassing op het kopiëren, ontoegankelijk maken en verwijderen van in een informaticasysteem [2 of een deel ervan]2 opgeslagen gegevens.

§ 2. [2 Tot de zoeking in een informaticasysteem of een deel ervan dat in beslag genomen is, kan beslist worden door een officier van gerechtelijke politie.

Onverminderd het eerste lid, kan de procureur des Konings een zoeking bevelen in een informaticasysteem of een deel ervan dat door hem in beslag kan worden genomen.

De zoekingen bedoeld in het eerste en het tweede lid kunnen zich enkel uitstrekken tot de gegevens die opgeslagen zijn op het informaticasysteem dat, respectievelijk, in beslag genomen is of in beslag kan worden genomen. Met het oog daarop wordt elke externe verbinding van dit informaticasysteem verhinderd, alvorens de zoeking wordt aangevat.]2

§ 3. [2 De procureur des Konings kan de zoeking in een informaticasysteem of een deel ervan, aangevat op grond van paragraaf 2, uitbreiden naar een informaticasysteem of een deel ervan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt:
- indien deze uitbreiding noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen ten aanzien van het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking; en
- indien andere maatregelen disproportioneel zouden zijn, of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding bewijselementen verloren gaan.

De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen ervan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.

Inzake de door uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem aangetroffen gegevens, die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming, wordt gehandeld zoals bepaald in paragraaf 6.

Wanneer blijkt dat deze gegevens zich niet op het grondgebied van het Rijk bevinden, worden ze enkel gekopieerd. In dat geval deelt de procureur des Konings dit onverwijld mee aan de Federale Overheidsdienst Justitie, dat de bevoegde overheid van de betrokken Staat hiervan op de hoogte brengt, indien deze redelijkerwijze kan worden bepaald.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de procureur des Konings de uitbreiding van de zoeking bedoeld in het eerste lid mondeling bevelen. Dit bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd, met vermelding van de redenen van de uiterst dringende noodzakelijkheid.]2

§ 4. [2 Enkel de onderzoeksrechter kan een andere zoeking bevelen in een informaticasysteem of een deel ervan dan de zoekingen voorzien in de paragrafen 2 en 3:

- indien deze zoeking noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen ten aanzien van het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking; en
- indien andere maatregelen disproportioneel zouden zijn, of indien er een risico bestaat dat zonder deze zoeking bewijselementen verloren gaan.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de onderzoeksrechter de uitbreiding van de zoeking bedoeld in het eerste lid mondeling bevelen. Dit bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd, met vermelding van de redenen van de uiterst dringende noodzakelijkheid.]2

§ 5. [2 Teneinde de maatregelen bedoeld in dit artikel mogelijk te maken, kan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter bevelen om, te allen tijde, ook zonder de toestemming van hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, hetzij de gebruiker:
- elke beveiliging van de betrokken informaticasystemen tijdelijk op te heffen, desgevallend met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden;
- technische middelen in de betrokken informaticasystemen aan te brengen teneinde de door dat systeem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen en te decoderen.

Evenwel kan enkel de onderzoeksrechter deze tijdelijke opheffing van de beveiliging of deze aanbrenging van technische middelen bevelen wanneer dit in het bijzonder noodzakelijk is voor de toepassing van paragraaf 3.]2

§ 6. [2 Indien in de betrokken informaticasystemen opgeslagen gegevens aangetroffen worden die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming, maar de inbeslagneming van de drager daarvan evenwel niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen, kan gebruik gemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.

Bovendien worden passende technische middelen aangewend om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

Wanneer de in het eerste lid vermelde maatregel niet mogelijk is om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens, wendt de procureur des Konings de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

Indien de gegevens het voorwerp van het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit het misdrijf en indien de gegevens strijdig zijn met de openbare orde of de goede zeden, of een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wendt de procureur des Konings alle passende technische middelen aan om deze gegevens ontoegankelijk te maken of, na hiervan kopie te hebben genomen, te verwijderen.

Hij kan evenwel, behoudens in het geval bedoeld in het vierde lid, het verdere gebruik van het geheel of een deel van deze gegevens toestaan, wanneer dit geen gevaar voor de strafvordering oplevert.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid en wanneer het kennelijk gaat om een strafbaar feit bedoeld in de artikelen 137, § 3, 6°, 140bis of 383bis, § 1, van het Strafwetboek, kan de procureur des Konings mondeling bevelen dat alle passende technische middelen worden aangewend om de gegevens, die het voorwerp van het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit het misdrijf en die strijdig zijn met de openbare orde of de goede zeden, ontoegankelijk te maken. Dit bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd, met vermelding van de redenen van de uiterst dringende noodzakelijkheid.]2

[2 § 7. Tenzij diens identiteit of woonplaats redelijkerwijze niet achterhaald kan worden, brengt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter de verantwoordelijke van het informaticasysteem zo spoedig mogelijk op de hoogte van de zoeking in het informaticasysteem of van de uitbreiding ervan. Hij deelt hem in voorkomend geval een samenvatting mee van de gegevens die zijn gekopieerd, ontoegankelijk gemaakt of verwijderd.

§ 8. De procureur des Konings wendt de passende technische middelen aan om de integriteit en de vertrouwelijkheid van deze gegevens te waarborgen.

Gepaste technische middelen worden aangewend voor de bewaring hiervan op de griffie.

Hetzelfde geldt, wanneer gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen in een informaticasysteem, samen met hun drager in beslag worden genomen, overeenkomstig de vorige artikelen.]2

Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: za, 17/12/2011 - 12:08
Laatst aangepast op: vr, 12/01/2018 - 15:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.