-A +A

gebruik van valse stukken is een voortdurend misdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
De kwalificatie van het « gebruik van valse stukken » als een voortdurend misdrijf vindt steun in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het gebruik voortduurt, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaald optreden van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte (zie onder meer Cass. 4 juli 1932, Pas. 1932, I, p. 223; 11 januari 1960, Arr. Cass., 1960, p. 412; 6 februari 1979, Arr. Cass., 1978-79, p. 638; 4 maart 1986, Arr. Cass., 1985-86, nr. 423; 6 maart 2001, Arr. Cass., 2001, nr. 123; 7 februari 2007, P.06.1491.F). « Het strafbaar karakter van een gebruik van valse stukken voor de vervalser, vereist dus niet dat hij de duur ervan kon voorzien, het volstaat dat hij kon voorzien dat het valse stuk de door hem gewenste uitwerking zal hebben of zal kunnen hebben » (Cass., 7 februari 2007, voormeld).
De kwalificatie als voortdurend, dan wel als aflopend misdrijf, heeft op zich geen invloed op het feit dat elke persoon weet dat hij kan worden vervolgd en veroordeeld indien zijn initiële gedraging samenvalt met de constitutieve elementen van het misdrijf dat door de in het geding zijnde bepalingen wordt bestraft.
Die kwalificatie heeft wel gevolgen op het vlak van de verjaring van de strafvordering, die begint te lopen te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd (artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering), wat bij een voortdurend misdrijf pas het geval is wanneer de delictuele toestand is beëindigd.
Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter om uit te maken, op grond van de strafrechtelijke bepalingen, wanneer een misdrijf ophoudt te bestaan en wanneer dienovereenkomstig de verjaringstermijn begint te lopen. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken verzet zich niet ertegen dat de strafrechter, naar gelang van de verwezenlijking of niet van het door de dader « nagestreefde doel » en het « nuttige gevolg » van zijn beginhandeling, het einde van het misdrijf van gebruik van valse stukken in feite bepaalt.
De onvoorspelbaarheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat strafbaar was op het ogenblik dat de initiële strafbare handeling werd gesteld, nog met dezelfde straf zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de door de dader verwachte termijn van verjaring, doordat het misdrijf, in tegenstelling tot wat de dader had gedacht, een voordurend karakter heeft, is niet van die aard dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Grondwettelijk Hof 25 februari 2010, RABG, 2010/13, 835
 


• Hof van Beroep Gent 27 februari 2014, RABG 2014/19, 1336, met noot Van de Wal, Het quasi onverjaarbare karakter van het gebruik van valse stukken:

De datum van de eindvordering wordt in beginsel in aanmerking genomen  voor de aanvang van de verjaring inzake gebruik van valse stukken. Inzake het gebruik van valsheden duurt het gebruik van dergelijke stukken voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten oorspronkelijke handeling, zonder dat hij er zich tegen verzet, het nuttig gevolg blijft hebben die hij ervan verwachtte.

De verwerking en opname van valse documenten (facturen) in een boekhouding, balans en jaarrekening van een onderneming leidt tot een vermomming van de werkelijkheid en de juiste en precieze aard van de transactie en handelsdaden die deze onderneming stelde met medegaande klantenbinding en concurrentievervalsing tot gevolg.

Zolang aan deze toestand geen einde wordt gesteld blijven deze voordelen duren en is er aldus gebruik van valse stukken. 

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 23 maart 2011, RW 2012-2013, 851

[...]

Het middel verwijt het arrest dat het art. 73 en 83 Faillissementswet en art. 198, § 1 W.Venn. schendt, door te beslissen dat de verjaring pas is beginnen te lopen na de ontbinding en de sluiting van de vereffening van de geviseerde vennootschappen, die de onbetaalde belastingen verschuldigd zijn.

Uit geen van de aangevoerde bepalingen volgt dat het gebruik van een vals stuk niet kan blijven duren na de sluiting van de verrichtingen van het faillissement van een rechtspersoon.

Aangezien de wet het gebruik van valse stukken niet heeft gedefinieerd, staat het aan de rechter om in feite te beoordelen wat een dergelijk gebruik uitmaakt en met name na te gaan of dat gebruik een ander blijft misleiden of schaden en aldus de door de vervalser gewenste uitwerking blijft hebben.

Het arrest oordeelt dat de eiser uit het enkele feit dat de geviseerde vennootschappen ontbonden werden, niet kon afleiden dat de belastingadministratie geen slachtoffer meer was van de valsheid en van het gebruik van het valse stuk, aangezien de ontbinding van die vennootschappen ze niet vrijstelt van de verplichting om binnen de wettelijke termijnen een aangifte in de vennootschapsbelasting in te dienen en om de eventueel verschuldigde belasting te betalen, met inbegrip van de voorheffingen.

Met die overwegingen beslissen de appelrechters naar recht dat de verjaring niet verkregen was.

Het middel kan niet worden aangenomen.


• Cassatie, 16/12/2014, A.R. P.14.0430.N

Samenvatting:

Het gebruik van valse stukken duurt voort, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte (1). (1) Zie: Cass. 7 februari 2007, AR P.06.1491.F, AC 2007, nr. 72.

Tekst arrest

Nr. P.14.0430.N
E M,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
1. P M C,
inverdenkinggestelde,
2. G M J M,
inverdenkinggestelde,

3. D E L V G,
inverdenkinggestelde,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 februari 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest oordeelt dat het beweerdelijk gebruik van valse jaarrekeningen na de sluiting van de vereffening van de vennoot-schap geen nuttig effect meer kon sorteren en bijgevolg vanaf dan de verjaringstermijn van de strafvordering begon te lopen;

de bekendmaking van de vereffening in het Belgisch Staatsblad doet een verjaringstermijn van 5 jaar lopen waar-binnen de vennootschap in de persoon van haar vereffenaars door derden kan worden aangesproken; teneinde zich definitief de vruchten van de vennootschap te kunnen toe-eigenen en te voorkomen dat derden alsnog vorderingen zouden in-stellen tegen de vennootschap, onder meer op basis van de vervalste jaarrekeningen die werden gebruikt in het kader van de vereffening, is deze publicatie vereist; het gebruik van de valse stukken duurt aldus voort tot de bekendmaking van de afsluiting van de vereffening in het Belgisch Staatsblad;

pas vanaf dat moment is de verjaring van de strafvordering beginnen te lopen.

2. Het gebruik van valse stukken duurt voort, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zo-lang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten begin-handeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan ver-wachtte.

3. Het afsluiten van de vereffening van een rechtspersoon sluit niet uit dat het gebruik van valse jaarrekeningen nog een nuttig gevolg zou kunnen hebben. Arti-kel 198, §1, derde streepje, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de bekendmaking van de afsluiting van de vereffening zoals voorgeschreven door artikel 195 Wetboek van Vennootschappen de verjaringstermijn van 5 jaar voor alle rechtsvorderingen tegen de vennootschap, in de persoon van haar vereffenaars, een aanvang doet nemen. Op die manier kan de publicatie nog een nuttig gevolg hebben.

4. Het arrest oordeelt dat de valse jaarrekeningen voor de verweerders geen nuttig gevolg meer gehad hebben na 19 juni 2007 daar op dat moment de actieve rechtspersoonlijkheid van de vennootschap is verdwenen en de latere publicatie van de beslissing tot sluiting enkel tot doel heeft om derden op de hoogte te brengen van het verdwijnen van de rechtspersoon en zijn vermogen. Op die grond is de beslissing dat het gebruik van de in de telastleggingen A en C bedoelde stuk-ken na 19 juni 2007 niet heeft voortgeduurd, zodat de verjaring van die telastleggingen is ingetreden, niet naar recht verantwoord.
Het middel is in zoverre gegrond.
Omvang van de cassatie

5. De vernietiging van de beslissing waarbij de buitenvervolging van de eiser voor de telastleggingen A en C bevolen wordt in zoverre de feiten betrekking hebben op de periode van 19 juni 2007 tot 16 juli 2007, brengt de vernietiging mee van de beslissing waarbij de verjaring van de strafvordering wordt verklaard voor de telastleggingen A en C in zoverre ze betrekking hebben op de periode tot 19 juni 2007 en voor de telastlegging B, gelet op het nauwe verband tussen die beslissingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.
Bepaalt de kosten op 138,46 euro waarvan 103,46 euro is verschuldigd en 35 euro door de eiser betaald.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

• Cassatie, 15/12/2015, P.15.1142.N, juridat

Samenvatting

Het gebruik van valse stukken duurt voort, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte, zodat de rechter niet moet vaststellen dat de beklaagde na het plegen van de valsheden nog concrete handelingen van gebruik met betrekking tot de door hem vervalste stukken heeft gesteld (1). (1) Zie: Cass. 7 februari 2007, AR P.06.1491.F, AC 2007, nr. 72; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1642.N, AC 2014, nr. 46; Cass. 16 december 2014, AR P.14.0430.N, AC 2014, nr. 796.

Tekst arrest

Nr. P.15.1142.N

I D R H D, beklaagde,
eiser,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de BBI, die woonplaats kiest te 8460 Oudenburg, Westkerkse-straat 9,
burgerlijke partij,
2. V bvba,
burgerlijke partij,
3. J V,
burgerlijke partij,
4. H D,
burgerlijke partij,
verweerders.
II
K R S F,
beklaagde,
eiser,

1. V bvba, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
2. J V, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
3. H D, reeds vermeld,
burgerlijke partij,
verweerders.
III
J M D,
beklaagde,
eiser,

IV

R nv,
persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde zaken,
eiseres,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 juni 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de memorie van de eiser ter kennis is gebracht aan de verweerders I.
In zoverre gericht tegen de beslissingen op de door die verweerders ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, is de memorie niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

2. Het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder I.1 niet ontvankelijk. De eiser I heeft geen belang tegen die beslissing op te komen.

3. Het arrest veroordeelt de eiser I tot betaling van een voorschot aan de ver-weerster I.2. Aldus bevat het geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het te-gen die beslissing ingestelde cassatieberoep is voorbarig.

4. In zoverre is het cassatieberoep I niet ontvankelijk.

5. Het arrest verklaart de strafvordering tegen de eiseres IV vervallen door verjaring.
In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep IV bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser I

6. Het middel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte wegens de witwasmisdrijven bedoeld in de te-lastleggingen F.25 en G.25 en beveelt lastens hem de verbeurdverklaring van vijf onroerende goederen als voorwerp van die misdrijven, te weten de onroerende goederen gelegen te M, waarvan de akte is verleden op 8 juni 1999, V, waarvan de akte is verleden op 25 augustus 1999, G, waarvan de akte is verleden op 23 de-cember 1999, G, waarvan de akte is verleden op 23 december 2009, en F, waarvan de akte is verleden op 4 mei 2001; het arrest oordeelt eenzijdig dat de eiser de feitelijke leiding had over de eiseres IV, die eigenaar is van deze goederen; op basis van de gegevens van het strafdossier kan het arrest niet elke legale oorsprong of herkomst uitsluiten van de gelden waarmee de eiseres IV die goederen heeft aan-gekocht of gefinancierd; de aankoop van de woning E dateert immers van vóór de eerste Btw-inbreuk op 30 juli 1999; de aankoop van de woningen V, G en G da-teert van vóór het gros van de Btw-inbreuken en de illegale gelden kunnen niet op zo een korte tijdsspanne zijn gebruikt; bovendien blijkt uit het strafdossier dat de eiseres IV, die vroeger ook al op legale wijze woningen had aangekocht, bankleningen heeft aangegaan voor de aankopen en verbouwingen; aldus werden de aankopen gefinancierd met legale gelden.

7. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan onder meer de volgende Btw-valsheid, vermeld in de telastleggingen B.4.a en B.4.b:
"4a. door in de BTW aangiften van de firma N.V. A van de maanden augustus 1999 tot en met november 2000 melding te hebben gemaakt van fictieve aankopen ten bedrage van 4.425.304,43 euro en dit om de verschuldigde BTW weg te werken in mei 1999 tot december 2000 (...).
4b. En met identiek oogmerk, van zodanig vals geschrift gebruik te hebben ge-maakt, namelijk sedert de vermelde data in mei 1999 tot en met december 2000."

Hierdoor oordeelt het arrest dat er vanaf mei 1999 BTW niet werd voldaan en dat die Btw-schuld vervolgens bedrieglijk werd verdoezeld.

In zoverre het middel aanvoert dat de woning E te M niet kan verworven zijn met wederrechtelijke vermogensvoordelen omdat het werd aangekocht vóór het plegen van enig Btw-misdrijf waaraan de eiser schuldig is verklaard, kan het niet worden aangenomen.

8. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door het arrest van de illegale oorsprong van de gelden waarmee de bedoelde on-roerende goederen werden gekocht of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser I

9. Het middel voert schending aan van artikel 182 Wetboek van Strafvorde-ring: met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest (ro 69) betreffende de schuld van de eiser aan de telastleggingen F.25 en G.25: "zelfs in de mate de onroerende goederen met legale gelden werden aangekocht, lieten deze aankopen de organisatie toe om de renovatie te bekostigen en/of de lening af te betalen met wederrechtelijk verkregen gelden (benevens eventuele huurop-brengsten), waardoor de wederrechtelijke herkomst van deze gelden werd verbor-gen"; de eiser is evenwel door de raadkamer enkel verwezen voor witwassen we-gens de "aankoop" van de respectieve woningen op de in het eerste middel ver-melde data; aldus breiden de appelrechters ten onrechte hun saisine uit buiten de feiten die bij hen aanhangig zijn gemaakt.

10. De in het middel aangehaalde reden van het beroepen vonnis heeft geen be-trekking op de eiser. Evenmin betrekt het arrest die reden bij de motivering van eisers schuld aan de telastleggingen F.25 en G.25.

Het middel dat uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag.

Eerste middel van de eiser II
Beide onderdelen

11. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 324bis en 324ter, § 1, Strafwetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door te oordelen, enerzijds, dat de eiser door zijn rol bij de valsheden en het ge-bruik van valse stukken heeft deelgenomen aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie en, ander-zijds, dat de eiser een stroman was van de eiser I en de directieven opvolgde die hij van de organisatie en van de eiser I kreeg (eerste onderdeel); uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet afleiden dat de eiser heeft deelgenomen aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een cri-minele organisatie (tweede onderdeel).

12. Het arrest verklaart de eiser bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering eenvoudig schuldig aan de vermengde feiten van de telastleggingen A (deelneming aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie), B.5.a (185 tot 232) en B.5.b (Btw-valsheid en gebruik). Die eenvoudige schuldigverklaring is naar recht verantwoord door de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen B.5.a (185 tot 232) en B.5.b.

Het middel dat in zijn beide onderdelen uitsluitend betrekking heeft op de telast-legging A, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Tweede middel van de eiser II

13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 73bis Btw-wetboek en de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het gebruik van de valse stukken, vermeld in de telastleggingen B.5.a (185 tot 232) en B.5.b, heeft voortgeduurd tot 10 maart 2008, dit is de datum van de eind-vordering van het openbaar ministerie; het steunt dat oordeel op de enkele vast-stelling dat de verschuldigde belastingen op die datum niet zijn betaald, zonder opgave van enige daad van gebruik in de periode tussen het opstellen van de valse stukken en 10 maart 2008 of daarna; weliswaar kan de rechter onaantastbaar oordelen dat in bepaalde gevallen de strafvordering nog niet is verjaard en het doel van de valsheid en het gebruik van valse stukken nog niet is verwezenlijkt omdat de ontdoken belasting nog niet werd betaald, maar daaruit kan nog niet als algemene regel worden besloten dat het gebruik van valse stukken slechts ophoudt bij de betaling van de verschuldigde belasting, zonder dat het bewijs wordt geleverd dat de beklaagde gebruiksdaden heeft gesteld; de niet-betaling van die belasting op zich is immers geen gebruik van een vals stuk; bijgevolg moet de rechter uitdrukkelijk de positieve daden van gebruik aangeven die de dader heeft gesteld of waarvoor hij verantwoordelijk is, opdat het Hof zijn wettigheidstoezicht kan uit-oefenen door na te gaan waaruit dat gebruik zou hebben bestaan en welk mogelijk gevolg dat gebruik beoogde en kon bereiken; door die gebruiksdaden niet op te geven, verantwoordt het arrest de beslissing dat de verjaring van de strafvordering betreffende de telastleggingen B.5.a (185 tot 232) en B.5.b en dienvolgens ook betreffende de telastlegging A pas ingaat op 10 maart 2008, niet naar recht.

14. Het gebruik van valse stukken duurt voort, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zo-lang het door hem beoogde doel niet is bereikt en de hem verweten beginhande-ling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte.

15. Met het geheel van de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en die het zelf bevat, oordeelt het arrest eensdeels dat het doel van de eiser bij het plegen van de in de telastleggingen B.5.a (185 tot 232) en B.5.b vermelde valshe-den erin bestond de eiser I toe te laten op grootschalige wijze BTW te ontduiken in het kader van een BTW carrousel. Anderdeels stelt het arrest niet vast dat de ei-ser zich op enige wijze heeft verzet tegen de niet-betaling van de verschuldigde BTW. Bijgevolg kan het arrest oordelen dat de door de eiser gepleegde valsheden het door hem verwachte nuttige gevolg hebben zolang de ontdoken BTW niet is betaald, zodat de verjaring van die valsheden en de feiten van de telastlegging A, die volgens het arrest voortspruiten uit hetzelfde misdadig opzet, pas begint te lo-pen vanaf de betaling van de Btw-schuld. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

16. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters bovendien moesten vaststellen dat de eiser na het plegen van de valsheden nog concrete handelingen van gebruik met betrekking tot de door hem vervalste stukken heeft gesteld, faalt het naar recht.

Middel van de eiseres IV

Eerste onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, en artikel 2268 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de tegen de eiseres ingestelde strafvordering vervallen is door verjaring; het vernietigt dienvolgens het beroepen vonnis waar dat lastens de eiseres de verbeurdverklaring uitsprak van de onroe-rende goederen gelegen te M, V, G, G en F, als voorwerp van de haar ten laste ge-legde witwasmisdrijven E.11, F.25 (2 tot 5) en G.25 (2 tot 5); anders dan het be-roepen vonnis verklaart het arrest evenwel deze onroerende goederen, die eigen-dom zijn van de eiseres, verbeurd lastens de eiser I als voorwerp van de hem eveneens ten laste gelegde witwasmisdrijven F.25 (2 tot 5) en G.25 (2 tot 5); krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek kan geen verbeurdverklaring wor-den bevolen van een goed dat eigendom is van een derde te goeder trouw; over-eenkomstig artikel 2268 Burgerlijk Wetboek wordt goede trouw vermoed en moet kwade trouw worden bewezen; bijgevolg moet de rechter die een onroerend goed als voorwerp van het misdrijf witwassen wil verbeurdverklaren, uitgaan van de goede trouw van de derde-eigenaar en moet hij onderzoeken of er bewijzen zijn om aan te nemen dat deze goede trouw niet voorhanden is; door de voormelde on-roerende goederen verbeurd te verklaren zonder acht te slaan op het eigendoms-recht en de goede trouw van de eiseres, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.

18. Het arrest stelt niet vast dat de eiseres eigenaar is van de bedoelde onroeren-de goederen.
In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

19. Krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, wordt het voorwerp van het misdrijf witwassen verbeurdverklaard, zelfs als het geen ei-gendom van de veroordeelde is, zonder dat die verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de ver-beurdverklaring, schaadt.

Die bepaling vereist niet dat de aldus verbeurd te verklaren goederen tot het ver-mogen van de veroordeelde behoren, maar laat enkel toe dat derden, dit zijn per-sonen die niet werden veroordeeld voor het witwasmisdrijf of een eraan ten grondslag liggend misdrijf, krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken op die goederen doen gelden. Dat rechtmatig bezit kan onder meer voortspruiten uit de goede trouw van deze derden, wanneer zij kunnen geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen.

20. Om zijn aanspraken te doen gelden op goederen die in aanmerking komen voor verbeurdverklaring en de rechtmatigheid van zijn bezit op die goederen aan te tonen, kan een derde tussenkomen in elke stand van de procedure en kan hij, ongeacht of hij reeds procespartij is, rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslis-sing die een goed verbeurdverklaart waarop hij aanspraak maakt. Is een derde reeds in een andere hoedanigheid procespartij in de procedure waarin het hier be-doelde goed dreigt te worden verbeurdverklaard, dan volstaat het dat hij de rechter kennis geeft van het feit dat hij aanspraken op dat goed doet gelden. Uit de hoedanigheid of bijkomende hoedanigheid die de derde ingevolge die tussenkomst, dat rechtsmiddel of die kennisgeving verkrijgt, volgt de verplichting voor de vonnisrechter om de aanspraken van die derde in feite en in rechte te onderzoeken en voor het Hof om de wettigheid van de verbeurdverklaring na te gaan.

Wanneer evenwel geen enkele partij optreedt in een hoedanigheid waarbij hij aan-spraak maakt op voor verbeurdverklaring in aanmerking komende goederen, ver-plicht geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een witwasmisdrijf, ambtshalve na te gaan of de goede trouw van een derde zich verzet tegen de verbeurdverklaring van goederen die het voorwerp van dat misdrijf uitmaken.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede onderdeel
21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest onderzoekt noch beantwoordt het verweer van de eiseres dat weliswaar aanvoerde dat de haar ten laste gelegde feiten niet bewezen waren, maar waaruit ook bleek dat zij kan geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen die haar eigendom zijn en dat zij derhalve te goeder trouw is; alvorens over te gaan tot de verbeurdverklaring van de onroerende goe-deren van de eiseres ten laste van de eiser I, dienden de appelrechters die wisten dat de eiseres als derde-eigenaar aanwezig was in de procedure, na te gaan of haar goede trouw al dan niet uit haar verweer kon worden afgeleid, waarbij zij dienden te onderzoeken of de feiten op zich tegen haar al dan niet bewezen waren; tevens dienden de appelrechters het regelmatig in het debat gebrachte verweer van de eiseres over de rechtmatigheid van haar eigendomsrecht en haar goede trouw te be-antwoorden; de appelrechters wisten immers dat de eiseres benadeeld dreigde te worden door een verbeurdverklaring van haar onroerende goederen.

22. Voor de appelrechters heeft de eiseres haar schuld aan de haar ten laste ge-legde witwasmisdrijven betwist, in wezen omdat zij enkel werd vervolgd voor de respectieve aankopen van de hier bedoelde onroerende goederen en die aankopen niet met illegale vermogensvoordelen werden gefinancierd, zij alleszins geen kennis had van de eventueel illegale oorsprong van de betrokken gelden en het niet is aangetoond dat de goederen werden aangekocht met het voorwerp zelf van de witwasmisdrijven, terwijl destijds een verbeurdverklaring per equivalent bij wit-wassen niet mogelijk was. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt evenwel niet dat de eiseres voor de appelrechters aanspraken heeft doen gelden op goederen die lastens de eiser I konden worden verbeurdverklaard als voorwerp van de hem verweten witwasmisdrijven. Bijgevolg dienden de appel-rechters die betreffende de eiseres de strafvordering vervallen hebben verklaard door verjaring, haar verweer dat niet werd aangevoerd ter ondersteuning van haar aanspraken op de voormelde goederen, niet te onderzoeken of te beantwoorden.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

23. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste on-derdeel van dit middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen.

Derde onderdeel

24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest onderzoekt noch beantwoordt het verweer van de eiseres waarvan de juridische grondslagen ook relevant waren om de eiser I vrij te spreken voor de telastleggingen F.25 (2-5) en G.25 (2-5), zodat er op grond van die te-lastleggingen geen verbeurdverklaring kon worden uitgesproken van de onroeren-de goederen van de eiseres; de appelrechters wisten dat de eiseres eigenaar is van de bedoelde goederen en dat zij bijgevolg in haar patrimoniale belangen wordt ge-raakt door de verbeurdverklaring ervan, zodat zij dat verweer dienden te onder-zoeken en te beantwoorden bij de beoordeling van de schuld van de eiser I.

25. Uit het antwoord op het tweede onderdeel van dit middel blijkt dat in de daar vastgestelde omstandigheden, de appelrechters het verweer van de eiseres niet dienden te beantwoorden. De omstandigheid dat dit verweer dienstig kon zijn voor de beoordeling van de schuld van de eiser I, doet daaraan geen afbreuk.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel
26. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en ar-tikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters die betreffende de eiseres het verval van de straf-vordering door verjaring hebben vastgesteld, hebben ten onrechte het debat niet heropend om de eiseres toe te laten zich te verdedigen over de dreigende aantas-ting van haar patrimoniale belangen ingevolge de verbeurdverklaring van vier on-roerende goederen die haar eigendom waren; de heropening van het debat was des te meer aan de orde omdat die goederen voor het eerst in hoger beroep lastens de eiser I zijn verbeurdverklaard; het feit dat de eiseres cassatieberoep kon instellen, verleent haar geen rechtsherstel omdat voor het Hof geen debat ten gronde over de rechtmatigheid van de aanspraken van de eiseres kan worden gevoerd.

27. Uit het antwoord op het eerste en tweede onderdeel van dit middel blijkt dat de eiseres geen aanspraak op de bedoelde onroerende goederen voor de appelrechters heeft laten gelden, alhoewel die mogelijkheid openstond. De appelrechters hoefden bijgevolg het debat niet te heropenen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand aan de eiser II.
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 642,96 euro waarvan op elk cassatieberoep 160,74 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 21/09/2010 - 16:07
Laatst aangepast op: do, 09/02/2017 - 15:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.