-A +A

Familieverlating

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het strafwetboek:

Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig tot vijfhonderd euro of met een van die straffen alleen, onverminderd de toepassing van strengere straffen, indien daartoe grond bestaat, wordt gestraft hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in de omstandigheden omschreven in het eerste lid, niet voldoet aan de verplichtingen bepaald in de artikelen 203bis, 206, 207, 301, 303, 8[...], 3365[en 353-14 van het Burgerlijk Wetboek]5 en in de artikelen 1288, 3° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Dezelfde straffen zijn van toepassing op de echtgenoot die zich vrijwillig geheel of ten dele onttrekt aan de gevolgen van de machtiging door de rechter verleend krachtens de artikelen 203ter, 221 en 8[301, § 11,8van het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer tegen die machtiging geen verzet of hoger beroep meer openstaat.

Hetzelfde geldt voor de echtgenoot die, na te zijn veroordeeld, hetzij tot een van de verplichtingen op de niet-nakoming waarvan door de eerste twee leden van dit artikel straf is gesteld, hetzij ingevolge 3[de artikelen 203ter, 221 en 301, § 11 van het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek zich vrijwillig ervan onthoudt de door de sociale wetgeving voorgeschreven formaliteiten te vervullen en zijn echtgenoot of zijn kinderen aldus berooft van de voordelen waarop zij aanspraak konden maken.

Dezelfde straffen gelden voor eenieder die het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen vrijwillig belemmert, door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen, door valse of onvolledige aangiften te doen, of door de bestemming te wijzigen die de persoon of de overheid, aangewezen overeenkomstig artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, eraan gegeven heeft.

In geval van een tweede veroordeling wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Rechtstreekse dagvaarding

Familieverlating wordt vaak op rechtstreekse dagvaarding vervolgd. De vaststelling van het misdrijf bestaat enkel uit de vaststelling van niet-betaling. De benadeelde hoeft de niet-betaling niet te bewijzen. Het is aan de beklaagde om een beweerde betaling te bewijzen. Mildheid van de rechter kan bekomen worden door afbetalingsvoorstellen die dan ook stipt dienen nagekomen.

Voorafgeende ingebrekestelling is geen voorwaarde

Een voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar die zich er via een voorafgaande overeenkomst strekkende tot echtscheiding bij wederzijdse toestemming, gehomologeerd bij rechterlijke beslissing, uitdrukkelijk toe verbond een maandelijkse onderhoudsbijdrage te betalen, is geen noodzakelijke voorwaarde om hem schuldig te verklaren aan familieverlating, zoals bepaald in art. 391bis Sw., ook al betreft het een haalschuld (Cass. 21/04/2015, RW 2016-2017, 786).

Rechtspraak:

• Cassatie, 2e Kamer – 3 november 2009, R.W. 2009-2010, 1644, met noot Bart De Smet, Bestraffing wegens familieverlating vergt geen voorafgaande ingebrekestelling,

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 april 2009.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 391bis Sw.: het vonnis van de Vrederechter te Hasselt (tweede kanton) van 10 juni 2005 waarop de veroordeling is gebaseerd, is «geen veroordeling tot het betalen van een onderhoudsgeld (...) waarop niet volledig kan worden teruggekomen, en die bijgevolg definitief is»; aldus is eisers schuldigverklaring niet naar recht verantwoord.

2. Art. 391bis, eerste lid, Sw. stelt strafbaar «hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten».

3. De strafrechter dient na te gaan of de beslissing niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep. Het feit dat het bedrag van de onderhoudsuitkering «definitief» dan wel slechts «provisioneel» werd begroot, doet geen afbreuk aan de verplichting tot betaling van de onderhoudsuitkering waartoe de schuldenaar is veroordeeld door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat op het ogenblik van de hem ten laste gelegde feiten.

In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

4. De appelrechters stellen vast dat de eiser bij vonnis van de Vrederechter te Hasselt van 10 juni 2005 dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld werd om «met ingang van de maand januari 2005 een provisionele uitkering na echtscheiding te betalen van» 500 euro per maand.

Zij oordelen: «dat de uitkering een provisionele uitkering betreft, belet niet dat het vonnis in kracht van gewijsde trad en dus verbindend was voor de eiser, ongeacht een eventuele latere herziening dan wel andere uitspraak ingevolge de nog hangende tegeneis met betrekking tot de echtscheidingsvordering».

Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van art. 391bis Sw. en art. 1247 B.W., evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de voorafgaande ingebrekestelling: een «pro memorie aanmaning» kan onmogelijk een voldoende ingebrekestelling inhouden waarbij duidelijk wordt gemaakt dat de schuldeiser aandringt op betaling (...);

...

8. De strafrechter dient na te gaan of er nog een gewoon rechtsmiddel openstaat tegen de rechterlijke beslissing. Een voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar is geen noodzakelijke voorwaarde om hem schuldig te verklaren aan het misdrijf van verlating van familie, zoals bepaald in art. 391bis, eerste lid, Sw.

In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.
 

 

Rechtsleer: 

• DE SMET, B., Familieverlating, Bijdragen in boek - In: X., Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 1-49 (56 p.) - januari 2010 (beschikbaaar in Bibliotheek advocatenkantoor Elfri De Neve)
BENTEIN, K., LAUWERS, D., Bijdragen in boek - In: X., Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, 377-398 - 2002
Alimentatie tussen ouders en kinderen: verplichting en bijdrage in de kosten, algemeen
DE SMET, B., Plaatsbepaling van het misdrijf familieverlating, RW 2007-08, afl. 34, 1408-1410 DE SMET, B., Plaats en datum van het misdrijf familieverlating, RW 2009-10, afl. 29, 1230-1232 (beschikbaaar in Bibliotheek advocatenkantoor Elfri De Neve)
VAN DER STRATEN, M., Het voortdurend karakter van het wanbedrijf familieverlating, RW 2005-06, afl. 24, 947 (beschikbaaar in Bibliotheek advocatenkantoor Elfri De Neve).
ARNOU, P., Familieverlating achtereenvolgens gepleegd in België en in het buitenland, RW 1987-88, 509.
• ARNOU, P., Familieverlating en echtscheiding, RW 1984-85, 2149-2150.
• TRAEST, P., WINANTS, A., Strafrecht en Familierecht. Deel I. Familieverlating
• Bijdragen in boek - In: X., Personen en Familierecht. Gezin en Recht in een postmoderne samenleving, 55-73. - 1994
• DUPONT, L., Verlating van familie, MYS, A., Wetboek Echtscheiding en Echtelijke Moeilijkheden
• DELBROUCK, I., Verlating van familie,  Bijdragen in boek - In: X., Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, V 140 / 01 - V 140 / 28 (30 p.) - februari 2009
• MASSET, A., Chronique de jurisprudence de droit pénal (avril 2005 – avril 2008), Act.dr.fam. 2008, afl. 6, 113-115
• DELBROUCK, I., Abandon de famille, Bijdragen in boek - In: X., Postal Mémorialis. Lexique du droit pénal et des lois spéciales, A 10 / 01 - A 10 / 24 (26 p.) - maart 2009
• BALLET, A., Abandon de famille,  Bijdragen in boek - In: X., Répertoire pratique du droit belge. Législation, Doctrine et Jurisprudence. Complément. Tome premier, 1-6 - 2005
• GALLUS, N., Les aliments
• BEERNAERT, M., Droit pénal de la famille. Chronique de jurisprudence 1992-1997, Div. Act. 1998, 98-102.
• MASSET, A., L'abandon de famille, Div. Act. 1995, 34-39.
• X., L'abandon de famille in boek - In: X., Vade-mecum des droits de l'enfant, z.p. - 2002
VANDEPLAS, A., De bevoegdheid ratione loci inzake verlating van familie, RW 1989-90, 194.
• ARNOU, P., Verlating van familie, niet meer eisbare achterstallen en schuldvergelijking, RW 1986-87, 1223-1226.
• VANDEPLAS, A., De verlating van familie bij echtscheiding door onderlinge toestemming, RW 1984-85, 2125-2126.
• VANDEPLAS, A., Betreffende verlating van familie, RW 1984-85, 748-750. Noten bij rechtspraak - mei 1983
VAN GYSEL, A., THOMASSET, C., Du règlement collectif de dettes et d'autres modifications de la possibilité d'exécuter une décision en matière d'aliments, Div. Act. 1999, 18-23.
• VANDEPLAS, A., Verlating van familie en faillissement, RW 1986-87, 967.DUPONT, L., De geldigheidsduur van strafrechterlijke gesanctioneerde onderhoudsverplichtingen, RW 1979-80, 1865. Noten bij rechtspraak
• MASSET, A., BASTIAEN, V., [Divorce et] droit pénal Bijdragen in boek - In: X., Divorce. Commentaire pratique, X.1.-1 - X.Bibl.-2 (66 p.) - september 2008

 

Rechtspraak: 

• Cass. (2e k.) AR P.04.0511.F, 22 september 2004 (D.F. / B.M.)

Overwegende dat het wanbedrijf verlating van familie, dat strafbaar is gesteld door artikel 391bis, eerste lid, van het Strafwetboek, een voortdurend misdrijf is, en, bijgevolg, één enkel strafrechtelijk feit is dat in zijn geheel moet worden beoordeeld;
Overwegende dat dit misdrijf ophoudt te bestaan wanneer de dader, in overeenstemming met de rechterlijke beslissing die hem daartoe veroordeelt, het onderhoudsgeld betaalt waarvan hij verzuimde de termijnen te kwijten;
Overwegende dat strafbare herhaling vereist dat, op het ogenblik dat het nieuwe misdrijf wordt gepleegd, de reeds opgelopen veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan;
Overwegende dat het bestreden arrest eiser, wegens verlating van familie, tot twee gevangenisstraffen van zes maanden veroordeelt; dat de eerste een straf is voor het verzuim dat heeft voortgeduurd van 22 juni 2001 tot 15 februari 2002, terwijl de tweede een straf is voor hetzelfde verzuim, omschreven als herhaling, gepleegd van 15 maart 2002 tot 9 december 2002;
Overwegende dat de appèlrechters, om hun beslissing te verantwoorden, volgens welke eiser twee in plaats van één wanbedrijf heeft gepleegd, enkel erop wijzen “dat de feiten in zaak I verschillen van die in zaak II” en dat de tijdvakken waarbinnen de misdrijven zijn gepleegd “elkaar niet overlappen”;
Overwegende dat het arrest niet vaststelt dat eiser, tussen 15 februari 2002, einde van het eerste tijdvak, en 15 maart 2002, begin van het tweede tijdvak, zich aldus van zijn verplichting tot levensonderhoud zou hebben gekweten dat het wanbedrijf zou hebben opgehouden te bestaan; dat, bijgevolg, de feiten van familieverlating die eiser in beide zaken worden ten laste gelegd en die slaan op de niet-naleving van éénzelfde burgerrechtelijke beslissing, samen slechts één enkel voortdurend misdrijf vormen;
Dat het arrest evenmin vaststelt dat op het ogenblik waarop de feiten van het tweede tijdvak zijn gepleegd, eiser reeds voor hetzelfde misdrijf, bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, was veroordeeld;
Dat de appèlrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden;
Dat het middel, wat dat betreft, gegrond is;

• Cass. (2e k.) AR P.07.0462.N, 5 juni 2007 (A.W.M.V.D.A. / J.D.), RW 2007-08, afl. 34, 1407 noot DE SMET, B; Tijdschrift@ipr.be 2007, afl. 2, 36 en http://www.ipr.be/ (19 november 2007); TJK 2008 (samenvatting), afl. 5, 358; T.Strafr. 2007, afl. 6, 386, noot

 

 

 

 

Uitspraak
A. W. M. V. D. A.,
verdachte,
eiser,
met als raadsman mr. Inez Van Loock, advocaat bij de balie te Antwerpen,
tegen
J. D.,
burgerlijke partij,
verweerster.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstellig, van 8 maart 2007.
De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Voorafgaande rechtspleging
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
de eiser bij arrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch (Nederland) van 12 juli 2000 is veroordeeld tot betaling aan de verweerster van een maandelijkse onderhoudsuitkering van 3176,46 euro.
het vermelde arrest ten verzoeke van de verweerster, met toepassing van de artikelen 31 en volgende van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968, bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 11 juni 2001, in België uitvoerbaar is verklaard.
de verweerster zich bij de onderzoeksrechter te Hasselt burgerlijke partij heeft gesteld tegen de eiser wegens feiten omschreven als verlating van familie zoals bedoeld in artikel 391bis Strafwetboek, gepleegd te Hamont-Achel.
het onderzoeksgerecht de eiser op grond van die telastlegging naar de Correctionele Rechtbank te Hasselt verwijst.
Eerste middel
1. Het middel voert aan dat het in artikel 391bis Strafwetboek bedoelde misdrijf verlating van familie, wordt gepleegd op de plaats waar, bij uitvoering van de onderhoudsbijdrage, de betaling dient te geschieden.
Daaruit leidt de eiser af dat, vermits hij veroordeeld is tot het betalen van een onderhoudsuitkering ingevolge een Nederlandse rechterlijke beslissing die uitvoerbaar is op het adres van de verweerster in Nederland, in België lastens hem geen wettige strafvervolging wegens verlating van familie mogelijk is, ongeacht de uitvoerbaarverklaring in België van die in Nederland gegeven beslissing.
2. Artikel 3 Strafwetboek bepaalt dat het misdrijf, op het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten.
Krachtens artikel 23 Wetboek van Strafvordering zijn, territoriaal gezien, bevoegd de rechtbanken van de plaats waar:
het misdrijf wordt gepleegd;
de beklaagde zijn verblijfplaats heeft;
de verdachte werd gevonden.
Het misdrijf verlating van familie wordt gepleegd op de plaats waar de onderhoudsplichtige meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de uitkering tot onderhoud waartoe hij verplicht is, uit te voeren.
3. Artikel 31, eerste lid, van het Verdrag van 27 september 1968 tussen de Staten-Leden van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het protocol en van de gemeenschappelijke verklaring ondertekend te Brussel, goedgekeurd bij wet van 13 januari 1971 zegt: “de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard”.
Hieruit volgt dat de veroordeling tot betaling van een onderhoudsbijdrage ingevolge een Nederlandse rechterlijke beslissing, na uitvoerbaarverklaring in België met toepassing van het vermelde Verdrag, ten uitvoer kan worden gelegd door de uitkeringsgerechtigde partij die daarom verzoekt, te dezen in de verblijfplaats in België van de onderhoudsplichtige.
In geval van schuldige niet-uitvoering is dit derhalve de plaats waar het misdrijf wordt gepleegd.
Het middel faalt naar recht.
Tweede middel
4. Het middel dat geheel uitgaat van de gegrondheid van het in het eerste middel vergeefs door de eiser aangevoerde grief, is niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
 
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Begroot de kosten op 79,07 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 5 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

 

 

• Cass. AR P.94.0331.N, 3 mei 1994 (C.),

HET HOF; ― Gelet op het bestreden arrest, op 1 februari 1994 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Over het tweede middel voor zover het betrekking heeft op de veroordeling wegens de telastlegging B :
Overwegende dat de appelrechters met de motieven vermeld op de zevende en de achtste bladzijde van het arrest uiteenzetten waarom zij van oordeel zijn dat eiser van 13 mei 1987 tot 23 juli 1987 voldoende inkomsten had om zijn onderhoudsverplichtingen na te komen; dat zij wat de periode vanaf 24 juli 1987 betreft zeggen : "er (is) in weerwil van wat (eiser) in conclusie voorhoudt geen tegenstrijdigheid in de gelijktijdige vervolging en/of veroordeling voor de tenlasteleggingen A en B, evenmin betekent deze gelijktijdige vervolging een schending van zijn rechten van verdediging nu zoals hiervoor uiteengezet werd (eiser) uit vrije wil en met bedrieglijk oogmerk geweigerd heeft inkomsten te verwerven en derhalve uit vrije wil insolvabel is geworden en gebleven. Dit impliceert uiteraard dat hij ook vrijwillig in gebreke is gebleven het onderhoudsgeld te betalen. Daarenboven zelfs wanneer hij in deze periode over geld beschikte zoals vb. zijn tegoed op rekening courant bij de CV Maryves heeft hij dit niet aangewend om zijn achterstallige betalingen aan onderhoudsgeld aan te zuiveren. Ook dit wijst op de manifeste onwil van (eiser) om aan zijn meest essentiële verplichtingen te voldoen";
Dat de appelrechters met deze motivering, enerzijds, de feitelijke gegevens die ze in aanmerking nemen bij de beoordeling van eisers opzet bij het plegen van de feiten van de telastlegging A hernemen bij de beoordeling van zijn opzet bij het plegen van de feiten van de telastlegging B; dat de omstandigheid dat de strafvordering wegens de telastlegging A vervallen zou zijn door verjaring hieraan niet in de weg staat; dat ze ermee, anderzijds, ook latere feiten in aanmerking nemen bij de beoordeling van eisers opzet bij het plegen van de feiten der telastlegging B;
Overwegende dat de appelrechters aldus eisers verweer verwerpen, daardoor zijn conclusie beantwoorden, en hun beslissing regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;

• Cass. AR 3807, 14 mei 1991 (B. / B.)

• Cass. AR 942, 27 januari 1987 (J. / V.) RW 1987-88, 465;

Samenvatting
De termijn van 2 maand waarna het het vrijwillig in gebreke blijven de uitkering tot onderhoud te betalen strafbaar wordt, gaat in ongeacht of de rechterlijke beslissing waardoor de schuldenaar werd veroordeeld, aan hem ook werd betekend werd. Het volstaat dat tegen die beslissing geen verzet of hoger beroep meer openstaat.

Tekst van het arrest:

HET HOF;
Gelet op het bestreden arrest, op 9 september 1986 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
I. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen verweerder
Overwegende dat eiseres, burgerlijke partij die niet in kosten van die vordering is veroordeeld, geen hoedanigheid heeft om tegen zodanige beslissing cassatieberoep in te stellen;
Dat de voorziening niet ontvankelijk is;
II. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de civielrechtelijke vordering van eiseres
Over het middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 391bis van het Strafwetboek en 97 van de Grondwet, en gesteld als volgt: Ten onrechte heeft het hof van beroep geoordeeld dat de strafbare periode pas een aanvang zou genomen hebben op 19 februari 1986, namelijk twee maanden na betekening van het arrest van het Hof van Beroep te Gent op 18 december 1985. Vermits immers deze rechterlijke beslissing op tegenspraak en in laatste aanleg werd gewezen, was ze niet meer vatbaar voor verzet of hoger beroep, zodat de termijn van twee maanden inging op de dag van de rechterlijke beslissing zelf, zonder dat daartoe vereist was dat de uitspraak betekend werd. Vermits het arrest van de elfde kamer van het Hof van Beroep te Gent (ARK 5301), waarbij P... V... werd veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage aan zijn echtgenote, dateerde van 8 november 1985, nam de strafbare periode een aanvang op 9 januari 1986, en niet op 19 februari 1986. Hierbij dient vermeld dat V... sinds het arrest van 8 november 1985 tot na 11 maart 1986 op geen enkel ogenblik zijn onderhoudsverplichting is nagekomen:
Overwegende dat verweerder bij arrest van 8 november 1985 door het Hof van Beroep te Gent op tegenspraak werd veroordeeld om aan eiseres een uitkering tot onderhoud te betalen vanaf 15 december 1981;
Overwegende dat, opdat de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 391bis van het Strafwetboek een aanvang zou nemen, niet is vereist dat de rechterlijke beslissing die tot betaling van een uitkering tot onderhoud veroordeelt, aan de schuldenaar is betekend; dat het volstaat dat geen verzet of hoger beroep ertegen meer openstaat;
Overwegende dat het bestreden arrest, door te beslissen dat ten deze de strafbare periode een aanvang neemt op 19 februari 1986, dit is twee maanden na de betekening, op 18 december 1985, van het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 8 november 1985, artikel 391bis van het Strafwetboek schendt;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
OM DIE REDENEN,
vernietigt het bestreden arrest in zoverre het hof van beroep zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de civielrechtelijke vordering van eiseres en uitspraak doet over de kosten van die vordering; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; laat de kosten van de betekening van de voorziening aan het openbaar ministerie ten laste van eiseres; veroordeelt eiseres en verweerder ieder in de helft van de overige kosten; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

• Cassatie 2 maart 2004, RW 2004-2005,827

samenvatting

Het begrip 'uitkering tot onderhoud' bedoeld in artikel 391bis Strafwetboek, dat, onder meer, naar artikel 203bis B.W. verwijst, heeft betrekking op alle in artikel 203, Burgerlijk Wetboek, bedoelde bijdrageplichten van de ouders, zoals de betaling van het schoolgeld, dat moet gekweten worden telkens het verschuldigd is.

tekst arrest

Nr. P.03.1313.N
I.
W. P.,
eiser, beklaagde,
tegen
B. N.,
verweerster, burgerlijke partij.
II.
B. N., reeds vermeld,
eiseres, burgerlijke partij,

tegen
W. P., reeds vermeld,
verweerder, beklaagde.

I. Bestreden beslissing

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 2 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.

II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

III. Cassatiemiddelen
De eiseres N. B. stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

IV. Beslissing van het Hof

A. Afstand

Overwegende dat P. W. afstand doet van zijn cassatieberoep;

B. Onderzoek van het middel

Overwegende dat artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek, in straf voorziet voor hem die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen ver-zet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten;

Dat het tweede lid van voormeld artikel in dezelfde straf voorziet voor hem die, in de omstandigheden omschreven in het eerste lid, niet voldoet aan de verplichtingen bepaald in, onder meer, artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek;

Overwegende dat, krachtens artikel 203bis Burgerlijk Wetboek, elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage kan vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203;

Dat artikel 203 Burgerlijk Wetboek bepaalt, onder meer, dat de ouders naar evenredigheid van hun middelen dienen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen;

Overwegende dat deze bepalingen aldus moeten worden begrepen dat "een uitkering tot onderhoud", bedoeld in artikel 391bis, eerste lid, Strafwet-boek, betrekking heeft op alle in artikel 203, Burgerlijk Wetboek, bedoelde bij-drageplichten van de ouders; dat daaronder ook het betalen van schoolgeld be-hoort;

Overwegende dat uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat verweer-der bij arrest van 30 november 1999 werd veroordeeld tot het betalen van het inschrijvingsgeld van de school van de twee kinderen;

Overwegende dat het inschrijvingsgeld van de school een uitkering tot onderhoud is die moet worden gekweten telkens wanneer het verschuldigd is;

Overwegende dat het arrest dat oordeelt dat het betalen van schoolgeld waartoe verweerder veroordeeld is geen uitkering tot onderhoud is en dat er geen sprake is van het kwijten van termijnen, de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt;

Dat het middel gegrond is;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van eiser;
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de ci-vielrechtelijke vordering van eiseres ingesteld bij rechtstreekse dagvaarding;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt verweerder in de kosten;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van vierhonderd en vijf euro negen cent, waarvan I. op het P. W.: honderd zevenenveertig euro vierendertig cent verschuldigd en II. op het cassatieberoep van N. B.: vijfentwintig euro acht cent verschuldigd en tweehonderd tweeëndertig euro zevenenzestig cent door eiseres betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel

Gerelateerd
5
Uw beoordeling Geen Average: 5 (1 vote)
Aangemaakt op: vr, 21/05/2010 - 23:55
Laatst aangepast op: wo, 15/02/2017 - 15:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.