-A +A

Derdenverzet tegen de beslissing die de verschoonbaarheid van de gefailleerde uitspreekt.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsmiddel van de gefailleerde:

Waar voorheen de gefailleerde derdenverzet kon aantekenen tegen de beslissing die de verschoonbaarheid afwees, is dit sinds de reparatiewet van 20 juli 2005 niet meer het aangewezen rechtsmiddel voor de gefailleerde die niet op de zitting die over de verschoning oordeelde aanwezig was of vertegenwoordigd.

Op heden dient er verzet of hoger beroep aangetekend te worden door de gefailleerde.

Rechtsmiddel van de schuldeiser:

Een individuele schuldeiser echter kan derdenverzet aantekenen tegen het vonnis waarin de gefailleerde verschoonbaar werd verklaard. De termijn om dit rechtsmiddel in te stellen bedraagt 1 maand te rekenen vanaf de dag van publicatie van het vonnis in het Belgisch Staatsblad.

Let wel, deze termijn is verschillend van de termijn die voor de gefailleerde openstaat om verzet of hoger beroep aan te tekenen. De termijn waarbinnen de gefailleerde het rechtsmiddel van verzet of hoger beroep dient aan te tekenen bedraagt 1 maand vanaf de dag van de kennisgeving van het vonnis.

Wanneer een schuldeiser derdenverzet instelt tegen het vonnis waarbij de verschoonbaarheid van de gefailleerde werd toegestaan, dient dit te gebeuren middels dagvaarding van de gefailleerde en de curator.

De curator en de beslissing met betrekking tot de verschoonbaarheid:

De Rechtbank van Koophandel beslist over de verschoonbaarheid van de gefailleerde bij de afsluiting van het faillissement, dan wel op vordering van de gefailleerde in de loop van het faillissement. Een dergelijke vordering kan door de gefailleerde worden ingesteld voor zover er een termijn van 6 maanden is verstreken na de opening van het faillissement. In de praktijk is het aangewezen om minstens één jaar te wachten alvorens een dergelijke vordering in te stellen.

Bij de behandeling van deze vordering brengt de rechter-commissaris verslag uit. De curator wordt bij de behandeling gehoord, maar dit eerder als een soort getuige. De curator is inderdaad een bevoorrechte waarnemer in de afhandeling van het faillissement. Meer zelfs, hij is één van de belangrijkste actoren waardoor de curator beschikt over de meeste informatie aan de hand waarvan de rechtbank een beslissing kan nemen.

Bij de opstart van het faillissement kan het contact tussen de curator en de gefailleerde nogal stroef verlopen. Maar in heel wat gevallen wijkt deze stroefheid voor een constructieve samenwerking tussen gefailleerde en curator.

Meer dan eens laat de curator bij de afhandeling van het faillissement aan de gefailleerde weten dat hij zich positief zal opstellen ten aanzien van de verschoning. De gefailleerde dient te beseffen dat dit geen absolute garantie is.

Aldus kan het gebeuren dat de curator aan de gefailleerde meldt dat hij op de zitting van de rechtbank van koophandel, die over de afsluiting van het faillissement en de verschoning zal oordelen, niet dient aanwezig te zijn, omdat de curator laat weten dat hij positief zal adviseren met betrekking tot de verschoning.

Er kan evenwel niet genoeg benadrukt worden dat de visie van de curator kan verschillen van deze van de rechtbank en deze van de rechter-commissaris en dat de curator enkel “ter informatie” gehoord wordt.

Ondanks de positieve bewoordingen van de curator gebeurt het dan ook meer dan eens dat de verschoning toch wordt afgewezen.

Meer zelfs de loutere afwezigheid van de gefailleerde op deze zitting werd reeds aangehaald als reden om de verschoning te weigeren, op grond van de overweging dat deze afwezigheid zou wijzen op een totaal gebrek aan interesse van de gefailleerde voor de verschoning. Meer dan één rechter waardeert het respect van de rechtsonderhorigen in zijn rechtsmacht.

Het is daarom in alle gevallen aangewezen dat de gefailleerde op de zitting waarin geoordeeld wordt over de verschoning aanwezig is en ook best wordt bijgestaan door een advocaat. De beslissing over de verschoning, zal namelijk de verdere toekomst van de gefailleerde bepalen. Zal de gefailleerde voor de rest van zijn leven bevrijd zijn van de resterende schulden, of zal de gefailleerde voor een lange, zeer lange of zelfs levenslange periode onder de schulden gebukt blijven?

Men kan zich procedureel de vraag stellen of de curator een partij is bij de beslissing inzake de verschoning. Deze vraag is eigenlijk niet eenduidig te beantwoorden.

Er kan geargumenteerd worden dat de curator geen partij is, aangezien de curator niet beschikt over enig rechtsmiddel tegen de beslissing met betrekking tot de verschoonbaarheid. De curator kan dus anders dan de gefailleerde geen hoger beroep of verzet aantekenen. Dit betekent daarom niet dat de curator geen echte partij is, maar wel dat de curator niet beschikt over het vereiste rechtmatige belang met betrekking tot de verschoonbaarheid van de gefailleerde. Zie terzake het arrest van het Hof van Beroep te Gent 19.03.1999, Rechtskundig Weekblad 1998-99,1456.

Maar anderzijds dient het verzet of het hoger beroep van de gefailleerde tegen een beschikking die de verschoonbaarheid afwijst gericht te worden tegen de curator en dient het derdenverzet of het hoger beroep van een schuldeiser tegen een beslissing die de verschoonbaarheid toestaat, gericht te worden tegen de gefailleerde en de curator.

Rechtsleer:

Praktische gids voor faillissementscuratoren pagina 635.

J. DAUWE, <<Verschoonbaarheid en de rechten van de schuldeisers>>, in Commentaar bij de nieuwe wet op het faillissement van 8 augustus 1997,Diegem, Ced.Samsom, 1998, p. 193;
M. DEBUCQUOY, <<De Wet van 20 juli 2005: Koppel verschoonbaarheid en bevrijding uit elkaar>>, T.R.V. 2006, 443;
A. DE WILDE, <<Verschoonbaarheid en bevrijding in de Faillissementswet: een schone lei voor de wetgever?>>, R.W. 2005-06, 601;
A. MOMBAERTS, <<Sluiting van het faillissement. De Verschoonbaarheid>>, in Gerechtelijk akkoord en faillissement, II.I.20;
I. VEROUGSTRAETE, o.c., p. 537-539, nrs. 974-979;
J. WINDEY, <<L’excusabilité du failli>>, T.B.H. 1999, p. 168-178;
B. WINDEY, << De (on)zekerheden in het faillissementsrecht. Een praktische benadering van de wetswijziging van 20 juli 2005, Limb. Rechtsl., 2006, 223-246;
J.WOESTYN, << Gevolgen van het faillissement ten aanzien van de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft verschaft>> in Vlaamse conferentie der balie van Gent, Bijzondere Overeenkomsten, Antwepren , Maklu, 2006 p. 7;
A. ZENNER, o.c., p. 385, nr. 536-537 en p. 418-422, nr. 567-571;
A. ZENNER, << Faillites et concordats, Chronique de doctrine et de jurisprudence 1998-1999>>, in Les dossiers du Journal de tribunaux, Brussel, Larcier, 2000, p. 49-61, nr. 56-77.

Rechtsmiddelen voor de gefailleerde tegen een beslissing die de verschoning afwijst:

Een gefailleerde die niet verschoonbaar werd verklaard kan verzet aantekenen tegen het vonnis waarin de verschoonbaarheid niet werd verleend, wanneer hij bij de behandeling van de zaak niet aanwezig was. In dit geval kan hij ook hoger beroep aantekenen.

Door het verzet wordt de zaak opnieuw behandeld voor de Rechtbank van Koophandel, in aanwezigheid van de gefailleerde die alsdan zijn middelen kan laten gelden. In geval van hoger beroep wordt de zaak behandeld voor het Hof van Beroep.

Over het rechtsmiddel zoals aan te wenden door de gefailleerde bestaat enige verwarring. Voorheen, dit wil zeggen vóór de reparatiewet van 20 juli 2005 , diende er derdenverzet aangetekend te worden. Vandaar dat nog heel wat advocaten in de overtuiging verkeren dat ook vandaag nog derdenverzet dient aangetekend te worden. Een en ander is een absolute misvatting sinds de voormelde reparatiewet. Derdenverzet is dus niet meer het correcte rechtsmiddel zoals aan te wenden door de gefailleerde.

Het verzet of het hoger beroep dient ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het vonnis. De wet voorziet dat de gefailleerde kennis krijgt van de beslissing middels een gerechtsbrief.

Verder stelt zich de vraag ten aanzien van welke “tegenpartij” het rechtsmiddel dient gericht te worden. Het verzet of het hoger beroep dient gericht te worden tegen de curator.

Relevante rechtspraak:

Rechtbank Koophandel Kortrijk 23.06.2000, TBH, 2000,818
Hof van Beroep Gent 24.05.2000, TBH, 2000,802 en 426 met noot.

Rechtsleer:

Praktische gids voor faillissementscuratoren pagina 634 en 635.
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: za, 28/08/2010 - 10:58
Laatst aangepast op: za, 28/08/2010 - 10:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.