-A +A

De regelmatigheid van de onteigening en het onderzoek door de rechtbank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het behoort tot de taak van de rechtbank om te onderzoeken of de vordering tot onteigening regelmatig is ingesteld en of de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn.

Dit onderzoek behelst zowel de externe als de interne wettigheid van het onteigeningsbesluit en behelst namelijk zowel het onderzoek van de vormvereisten en de bevoegdheid van het bestuur (externe legaliteit) als het nagaan of het bestuur de oorzaak, het voorwerp en het doel van zijn overheidstaak niet te buiten is gegaan, waarbij de rechter aldus bevoegd is – en zelfs hiertoe de verplichting heeft (artikel 159 Gw) – na te gaan ofwel ten behoeve van het openbaar nut onteigend wordt en in geval de procedure volgens de wet van 26.07.1962 gevolgd wordt, of de aangevoerde dringende noodzakelijkheid overeenstemt met de werkelijkheid (Cass. 03.03.1972, Pas., 1972, I, 601; Cass., 07.10.1977, Rechtskundig weekblad, 1977 – 1978, 1753; Cass. 30.04.1981, RW, 1981-1982, 1557 en Arbitragehof 14.07.1992, arrest nr. 57/92).

In artikel 1 van de onteigeningswet van 26.07.1962 wordt bepaald: “Wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitstelling van één of meer goederen een algemene nutte onontbeerlijk is, geschiedt de onteigening van die goederen overeenkomstig de volgende regels …”.

Het feit dat de bevoegdheid toegekend aan de Koning bij dit artikel, nu geïnterpreteerd mag worden als toebehorende tot, eerst de executieven van de gewesten of gemeenschappen, en nu, ter zake, de Vlaamse regering wordt niet betwist. (Arbitragehof 16.05.1995, arrest nr. 38/95, RW, 1995-1996, 390).

Artikel 79 § 1 van de bijzondere wet van 08.08.1980 bepaalt dat de gewest- en gemeenschapsregeringen tot onteigening ten algemene nutte kunnen overgaan in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet met inachtneming van de bij wet vastgestelde procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

Bij artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13.04.1988 (waarnaar het ministerieel besluit van 22.04.2010 ook verwijst) werd de Vlaamse regering gemachtigd “over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid in zake de gewestelijke aangelegenheden zoals bedoeld in de bijzondere wet van 08.08.1980 tot hervorming van de instellingen”.

Volgens artikel 82 wordt de gemeenschap of het gewest in rechte vertegenwoordigd door de Vlaamse regering.

In het ministerieel besluit van 22.04.2010 wordt verwezen naar ondermeer het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering in zonderheid op artikel 2, paragraaf 6 en artikel 6, 7de.

In artikel 2, § 6 van dit besluit van 13.07.2009 werd bepaald: “Mevrouw Hilde Crevits is bevoegd voor het beleidsdomein mobiliteit en openbare werken vermeld in artikel 14 van het organisatiebesluit.” Terwijl zij verder volgens artikel 3, ten zesde van ditzelfde besluit bevoegd is voor het agentschap wegen en verkeer, terwijl in artikel 4 ook bepaald wordt dat de “aangelegenheden die bij artikel 2 zijn toegewezen aan de leden van de Vlaamse regering omvatten eveneens de middelen en instrumenten waarmee deze aangelegenheden effectief gerealiseerd kunnen worden waaronder onder meer het middelenbeheer.

In artikel 5 van dit besluit van 13.07.2009 wordt bepaald: “Elk lid van de Vlaamse regering oefent de in dit hoofdstuk gelegeerde beslissingsbevoegdheid uit in de aangelegenheden die hem of haar zijn toegewezen in hoofdstuk 1 van dit besluit. De delegaties toegestaan in dit hoofdstuk gelden dan ook voor beslissingen die betrekking hebben tot aangelegenheden die tot de bevoegdheid behoren van meerdere leden van de Vlaamse regering en gezamenlijk moeten worden genomen…”

Artikel 6 bepaalt: “De leden van de Vlaamse regering hebben delegaties voor: … ten 7de de verwerving kosteloos of onder bezwarende titel, van onroerende domeingoederen ten bate van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest.”

Met het begrip “verwerving van onroerende domeingoederen” bedoelt men de verwerving van de goederen opdat deze dat tot de domeingoederen zouden gaan behoren. Met andere woorden worden domeingoederen als domeingoederen aanzien vanuit het standpunt van de toekomstige inleiding ervan en niet op basis van het eventuele privatief statuut van deze goederen vooraleer deze werden onteigend of op een andere wijze werden verworven.

Een andere interpretatie zou er op neerkomen dat een onteigening de facto onmogelijk is, ten ware de onteigening van een onroerend goed behorende tot een overheid door een andere overheid.

Aldus dient het begrip verwerving van de domeingoederen begrepen te worden als het verwerven van goederen met het oog op de inlijving ervan tot de domeingoederen, waarbij het finaal statuut van de onteigende overheid bedoeld werd en niet het statuut van de goederen vooraleer deze onteigend worden of op een andere wijze verworven worden.

DE ONTEIGENING BIJ HOOGDRINGENDHEID

In zake de onteigening bij hoogdringende omstandigheden (wet van 26.07.1962) gelden bijzondere regels.

In artikel 1 van de onteigeningswet van 26.07.1962 wordt bepaald: “Wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitstelling van één of meer onroerende goederen ten algemene nutte onontbeerlijk is, geschiedt de onteigening van de goederen overeenkomstig de volgende regels …”

Gelet op de wet van 29.07.1991 op de motivering van bestuurshandelingen moet ook het onteigeningsbesluit expliciet vermelden waarom we deze onmiddellijke inbezitstelling noodzakelijk is voor het algemeen belang (zie arrest van de Raad van State van 28.01.1993, nr. 41. 810, RW, 1993-1994, kolom 48 en het arrest van de Raad van State van 24.06.1993, nr. 43, 456 in zake Lelkebos).

In een arrest van 14.07.1992 (nr. 57/92) van het Arbitragehof (RW 1992-1993, 120) werd door het Arbitragehof nog beslist: het Hof herinnert eraan dat de aanwending van de afwijkende procedure van de wet van 26.07.1962 uitsluitend wordt verantwoord door redenen van algemeen belang en slechts is toegestaan wanneer de onmiddellijke inbezitneming van het goed door de onteigenende overheid onontbeerlijk is.

De Vrederechter dient dus na te gaan of de overheid geen machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridische begrip “dringende noodzakelijkheid” niet in acht te nemen.

De Vrederechter zal de bij hem aanhangig gemaakte vordering van de onteigenende overheid verwerpen indien de in het onteigeningsbesluit aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet of niet meer bestaat.

Er dient niet alleen nagegaan te worden of er sprake is van dringende noodzakelijkheid op het ogenblik van het instellen van de procedure maar ook of er reeds sprake kon zijn van dringende noodzakelijkheid op het ogenblik van het nemen van het onteigeningsbesluit. (G. Benoit, L’expropriation, Brugge, Die Keure, 1993, 69).

Zo nodig zal desnoods een nieuw onteigeningsbesluit genomen worden om in geval van huidige dringende noodzakelijkheid andermaal de procedure van de onteigeningswet van 1962 toe te passen.

Bij gebreke aan een wetwijziging blijven de wetten van 17.04.1835 en van 27.05.1870 nog steeds toepasselijk.

Weze er aan herinnerd dat bij besluit van de Vlaamse executieve van 19.12.1991 doch steeds wordt verwezen naar de wet van 27.05.1870.

Een ministeriële omzendbrief zoals deze van 23.02.1999 kan voormelde wetgeving niet ongedaan maken.

De wet van 1962 op de aanleg van autosnelwegen vormt principieel een uitzonderingsprocedure op de gewone onteigeningsprocedure van de wet van 17.04.1835.

Elke onteigenende overheid dient te beseffen dat een lange onderhandelingsprocedure het hoogdringend karakter van de onteigening kan ontkrachten.

Het feit dat de Raad van State bij 2 arresten van 23.02.1999 (JLMP 1999, 212 en 846) beslist dat de uitzonderingswet van 26.07.1962 in de praktijk de andere onteigeningswetten heeft vervangen en de gebruikelijke onteigeningswet is geworden, doet niets af aan het feit dat de wet van 26.07.1962 nog niet gewijzigd werd door de wetgever die andere onteigeningswetten ook niet heeft afgeschaft, terwijl het grondwettelijk hof ook herhaalde dat de wet van 26.07.1962 een uitzonderingswet uitmaakt, zowel gelet op artikel 1 ervan, de overheid dan wel omstandig dient te rechtvaardigen waarom een beroep wordt gedaan op de uitzonderlijke rechtspleging.

Men kan bezwaarlijk spreken over hoogdringendheid wanneer een project reeds jaren oud is, waarbij er verschillende openbare onderzoeken plaats vonden, zonder de eerste stappen te zetten tot onteigening.

Toch is ook de beoordelingsbevoegdheid van de rechtbank beperkt.

Zij kan perfect beoordelen dat er een gebrek is aan hoogdringendheid maar kan zich niet in de plaats stellen van de overheid met betrekking tot een beleidsbeslissing over de versmalling of het breder maken van een baan, de behoefte van 1 of 2 fietspaden, de breedte van de fietspaden, de noodzaak van een voetpad al dan niet buiten de bebouwde kom, de noodzaak van een bijkomende gracht naast een open viool.

Maar dit alles neemt niet weg dat men bijvoorbeeld kan praten over een noodzakelijke onmiddellijke inbezitstelling van onroerend goed om een fietspad aan te leggen wanneer er reeds een fietspad ligt, zeker wanneer dit fietspad ligt naast een strook grond/gras tussen de rijbaan en het bestaande fietspad met nogmaals daartussen het fietspad en de private voortuinen, hetzij een breder greppel met nogmaals een parkeerruimte, hetzij een openbrede gracht en er desnoods reeds ruimte voor handen was om een thans slecht onderhouden fietspad beter uit te werken.

Niet genoeg kan benadrukt worden dat de rechter vooral naziet of de beslissing van de overheid voldoende gemotiveerd is om tot onteigening voor het algemeen belang of openbaar nut nuttig gevolg te geven, zeker in het kader van de aanwending van de uitzonderingswet van 26.07.1962.

Voor een toepassingsgeval zie Burgerlijke Rechtbank Brussel, 21ste Kamer, 03.05.2012, RW. 2013-2014, pagina 426.

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 25/12/2013 - 14:05
Laatst aangepast op: wo, 25/12/2013 - 14:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.