-A +A

Correctionalisering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De term "misdrijf" is in het Belgisch strafrecht een overkoepelende term voor alle gedragingen die in strijd zijn met de strafwet. Er zijn, wettelijk vastgelegd, drie soorten misdrijven, ingedeeld op basis van de straffen die op dat misdrijf staan:
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een criminele straf, is een misdaad.
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een correctionele straf, is een wanbedrijf.
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een politiestraf, is een overtreding.
— Artikel 1 Strafwetboek

Overzicht
Om te weten in welke categorie een misdrijf valt, moet er gekeken worden naar de straf die de wet op het misdrijf stelt.
Indeling van de misdrijven en hun straffen in het Belgisch strafrecht

Overtreding Op een overtreding staat een politiestraf uitgesproken door een politierechtbank.

Een politiestraf kan zijn: een geldboete (van 1 tot 25 euro), een gevangenisstraf (van 1 tot 7 dagen), een werkstraf (van 20 tot 45 uren) en/of een bijzondere verbeurdverklaring.

Wanbedrijf Op een wanbedrijf staat een correctionele straf, uitgesproken door een correctionele rechtbank.

De correctionele straf kan zijn: een geldboete van € 26 of meer, een gevangenisstraf (van 8 dagen tot 5 jaar), een werkstraf (van 20 tot 300 uren) een ontzetting van bepaalde politieke en burgerlijke rechten en/of een bijzondere verbeurdverklaring.

Misdaad Op een misdaad staat een criminele straf, uitgesproken door een Hof van assisen.

De criminele straf kan zijn: een geldboete van € 26 of meer, opsluiting of hechtenis van 5 tot 30 jaar of levenslang, een ontzetting van bepaalde politieke en burgerlijke rechten en/of een bijzondere verbeurdverklaring.
Wijziging kwalifificatie:

• Door de wet
Wanneer er sprake is van strafverzwarende omstandigheden (bijvoorbeeld geweld) of strafverminderende omstandigheden (bijvoorbeeld poging).
• Tijdens het onderzoek
Een misdrijf kan van categorie veranderen door correctionalisering (misdaad wordt wanbedrijf) of contraventionalisering (wanbedrijf wordt overtreding) (zie het stuk over verzachtende omstandigheden).
Bijvoorbeeld wanneer in de wet staat dat de schending gestraft kan worden met 10 jaar opsluiting, maar het Openbaar Ministerie besluit over te gaan tot correctionalisering, dan wordt dit een wanbedrijf, waardoor het feit nog met maximaal 5 jaar gevangenisstraf kan bestraft worden.
• Door de rechtbank
De categorie van het misdrijf wordt definitief bepaald door de straf die wordt gevonnist.
Belang
Het onderscheid is van belang voor de procedureregels die gevolgd moeten worden. Een voorbeeld is de duur van de verjaringstermijn waarbinnen de straf gevorderd moet worden: voor overtredingen is dat 6 maand, voor wanbedrijven 5 jaar, voor misdaden 10 of 15 jaar (die termijnen kunnen verlengd worden en maximaal verdubbeld)
Het onderscheid is ook van belang voor een aantal regels van materieel strafrecht: er gelden voor de verschillende categorieën andere regels in verband met deelneming, poging, verjaring van de straf, ...

Bron Wikipedia

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie, België, 29/11/2011, juridat,

samenvatting

Artikel 2, eerste lid en derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden, houdt in dat wanneer een misdaad wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden wordt gecorrectionaliseerd zodat er slechts aanleiding is een correctionele straf uit te spreken, de natuurlijke rechter voor de beoordeling van het misdrijf niet meer het hof van assisen is, maar wel de correctionele rechtbank, bevoegd om correctionele straffen uit te spreken.

Tekst arrest

Nr. P.11.0769.N
1. D. K.,
inverdenkinggestelde,
2. H. I.,
inverdenkinggestelde,
eisers,
met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie te Turnhout,
tegen
1. J. A.,
burgerlijke partij,
2. L. V. B.,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 maart 2011.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede de artikelen 10, 11, 13 en 150 Grondwet: de vordering van het openbaar ministerie tot verwijzing van de eisers naar de correctionele rechtbank is ongrondwettig; de eisers wordt een misdaad ten laste gelegd, die onder de bevoegdheid valt van het hof van assisen; het toepassen van verzachtende omstandigheden om een zaak te onttrekken aan het hof van assisen brengt het gelijkheidsbeginsel en de wapengelijkheid tussen openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde in gevaar en geeft blijk van willekeur; de Wet Verzachtende Omstandigheden is bijgevolg strijdig met de voormelde bepalingen.

Het middel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden artikel 6 EVRM en artikel 13 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 150 Grondwet, in zover dit artikel het mogelijk maakt dat een onderzoeksgerecht in criminele zaken de verwijzing van een verdachte naar de correctionele rechtbank kan bevelen, in geval de verdachte er niet mee instemde de beoordeling van de telastleggingen aan een jury te ontrekken?"

2. Artikel 150 Grondwet bepaalt dat de jury wordt ingesteld voor, onder meer, alle criminele zaken.
Hieruit volgt dat elk misdrijf dat gestraft is met een criminele straf, onder de bevoegdheid valt van het hof van assisen.

3. De criminele straffen zijn deze bepaald in de artikelen 8 tot 19 Strafwetboek.

4. Artikel 2, eerste lid, van de Wet Verzachtende Omstandigheden bepaalt: "In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beschikking de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen." Het derde lid van datzelfde artikel bepaalt de gevallen waarin de raadkamer wegens verzachtende omstandigheden de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank kan verwijzen.

Dit houdt in dat wanneer een misdaad wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden wordt gecorrectionaliseerd, zodat er slechts aanleiding is een correctionele straf uit te spreken, de natuurlijke rechter voor de beoordeling van het misdrijf niet meer het hof van assisen is, maar wel de correctionele rechtbank, bevoegd om correctionele straffen uit te spreken.

5. Dergelijke correctionalisering vloeit voort uit de wet die op eenieder die zich in dezelfde rechtstoestand bevindt op gelijke wijze van toepassing is, en wordt toegepast in het belang van de inverdenkinggestelde vermits deze daardoor niet meer kan veroordeeld worden tot een criminele straf.

Daarenboven beoordeelt de raadkamer onaantastbaar en met opgave van redenen of er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. De inverdenkinggestelde kan desbetreffende al zijn verweermiddelen laten gelden. Het feit dat het openbaar ministerie de correctionalisering vordert, doet hieraan geen afbreuk.

6. Hieruit volgt dat wanneer een inverdenkinggestelde aan wie een misdaad ten laste gelegd wordt, naar de correctionele rechtbank wordt verwezen wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, dit geenszins willekeurig is en het gelijkheidsbeginsel noch de wapengelijkheid tussen de partijen in het proces in het gedrang brengt. Dergelijke correctionalisering onttrekt de inverdenkinggestelde niet aan zijn natuurlijke rechter.
Het middel faalt naar recht.

7. De voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en wordt bijgevolg niet gesteld.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum

Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten op 82,20 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

• Hof van Cassatie 15/11/2016, AR P.16.0773.N, juridat

samenvatting

Wanneer het onderzoeksgerecht met aanneming van verzachtende omstandigheden een beklaagde wegens een gecorrectionaliseerde misdaad heeft verwezen naar de correctionele rechtbank, kan de correctionele rechtbank en in hoger beroep het hof van beroep die misdaad heromschrijven naar een zwaardere misdaad, ook als het onderzoeksgerecht die zwaardere omschrijving uitdrukkelijk heeft uitgesloten, zonder dat vereist is dat het vonnisgerecht na die heromschrijving naar een zwaardere misdaad zelf verzachtende omstandigheden aanneemt; de door het onderzoeksgerecht aangenomen verzachtende omstandigheden gelden immers ook voor het door de vonnisrechter heromschreven feit

tekst arrest

P.16.0773.N
E G D L,
beklaagde,
eiseres,
tegen
1. H S,
burgerlijke partij,
2. N D W,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 13 juni 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 150 Grondwet, de arti-kelen 179 en 231 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1, 2 en 3 Wet Ver-zachtende Omstandigheden (vóór de wetswijziging van 5 februari 2016) en de ar-tikelen 52, 80 (vóór de wetswijziging van 5 februari 2016), 394 en 400 Strafwetboek: de appelrechters, die de feiten welke door het onderzoeksgerecht werden omschreven als de gecorrectionaliseerde misdaad van het met voorbedachte rade opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen met de verzwarende omstan-digheid bedoeld door artikel 400 Strafwetboek, herkwalificeren in de zwaardere kwalificatie van poging moord, terwijl het onderzoeksgerecht die kwalificatie uit-drukkelijk had uitgesloten, laten na zich onbevoegd te verklaren; de mogelijkheid die artikel 3 Wet Verzachtende Omstandigheden biedt aan de vonnisrechter om zich bevoegd te verklaren door het aannemen van verzachtende omstandigheden of een verschoningsgrond wordt immers begrensd door de regel dat het vonnisge-recht niet optreedt als appelrechter tegenover het onderzoeksgerecht.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 150 Grondwet, de artikelen 179 en 231 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1, 2 en 3 Wet Verzachtende Omstandigheden (vóór de wetswijziging van 5 februari 2016) en de artikelen 52, 80 (vóór de wetswijziging van 5 februari 2016), 394 en 400 Strafwetboek: de appelrechters die de feiten welke door het onderzoeksgerecht werden omschreven als de gecorrectionaliseerde misdaad van het met voorbedachte rade opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen met de verzwarende omstandigheid be-doeld door artikel 400 Strafwetboek, herkwalificeren in de zwaardere kwalificatie van poging moord, laten na eerst zelf verzachtende omstandigheden of een ver-schoningsgrond aan te nemen voor het zwaardere gekwalificeerde feit.

2. In correctionele zaken maakt de door het onderzoeksgerecht gewezen be-schikking tot verwijzing niet de daarin vermelde kwalificatie bij de vonnisrechter aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking ten grondslag liggen.

De in de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht gehanteerde kwalificatie is voorlopig en de vonnisrechter heeft de plicht, nadat hij op zicht van die ver-wijzingsbeslissing heeft geoordeeld bevoegd te zijn, aan de aanhangig gemaakte feiten hun juiste omschrijving te geven.

3. Volgens artikel 2, eerste lid, Wet Verzachtende Omstandigheden kan het onderzoeksgerecht in de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een cor-rectionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden de verdachte bij een met redenen omklede beschikking naar de correctionele rechtbank verwijzen.

Artikel 2, derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden, in de versie tot de opheffing met ingang vanaf 29 februari 2016 door artikel 121 van de wet van 5 februari 2016 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, bepaalde de gevallen waarin het onderzoeksgerecht kon verwijzen wegens verzachtende omstandigheden. Door de opheffing vanaf 29 februari 2016 van dit derde lid, kan het onderzoeksgerecht elke misdaad correctionaliseren.

4. Volgens artikel 3, eerste lid, Wet Verzachtende Omstandigheden kan de correctionele rechtbank waarnaar de verdachte is verwezen, zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van de door het onderzoeksgerecht aangenomen verzach-tende omstandigheden.

5. Volgens artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden, zoals in-gevoegd bij artikel 9 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (II), kan de correctionele rechtbank zich bevoegd verklaren door verzachtende omstandigheden aan te nemen wanneer zij vaststelt dat de bij haar aanhangige gemaakte misdaad niet is gecorrectionaliseerd en daarvoor in aanmerking komt op grond van artikel 2, derde lid. Ingevolge de wijziging door artikel 122 van de voormelde wet van 5 februari 2016 met inwerkingtreding op 29 februari 2016 be-staat de beperking tot de in artikel 2, derde lid, bedoelde gevallen niet langer.

6. Met de wijziging van artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende Omstandighe-den door de voormelde wet van 8 juni 2008 beoogde de wetgever een totale ver-soepeling van het mechanisme van de misdrijfdenaturatie, waarbij de correctionele rechtbank zich bevoegd kon verklaren door aanneming van verzachtende omstandigheden met toen als enige uitzondering het geval waarin het feit een niet-correctionaliseerbare misdaad betrof en vanaf 29 februari 2016 zonder enige uitzondering.

7. Bijgevolg kan zo het onderzoeksgerecht met aanneming van verzachtende omstandigheden een beklaagde wegens een aldus gecorrectionaliseerde misdaad heeft verwezen naar de correctionele rechtbank, de correctionele rechtbank en in hoger beroep het hof van beroep die misdaad heromschrijven naar een zwaardere misdaad, ook als het onderzoeksgerecht die zwaardere omschrijving uitdrukkelijk heeft uitgesloten.

8. Niet is vereist dat het vonnisgerecht na die heromschrijving naar een zwaar-dere misdaad zelf verzachtende omstandigheden aanneemt. De door het onderzoeksgerecht aangenomen verzachtende omstandigheden gelden immers ook voor het door de vonnisrechter heromschreven feit.

In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de eiseres bij niet-bestreden beschikking van de raadkamer met aanneming van verzachtende omstandigheden werd verwezen wegens opzettelijke slagen of verwondingen aan de verweerder 1 met de verzwarende omstandigheid als be-doeld door artikel 400 Strafwetboek en dit met voorbedachte rade;
- de raadkamer daarbij de vordering van de verweerder 1 om die feiten te herom-schrijven als poging moord heeft verworpen;
- het beroepen vonnis die feiten heeft heromschreven naar poging moord;
- het arrest die feiten ook heeft heromschreven als een poging moord, met de vaststelling dat de heromschreven telastlegging betrekking had op dezelfde fei-ten als die van de telastlegging in de verwijzingsbeschikking van de raadkamer.

Bijgevolg dienden de appelrechters zich niet onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de aldus heromschreven feiten.

In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verleent de eiseres akte van de afstand van haar cassatieberoep zoals voormeld.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 236,01 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 15 november 2016 uitgesproken

Commentaar: 

Het verschil in behandeling van veroordeelde personen wat de strafmaat betreft van dezelfde misdaad is discriminerend wanneer er verschillen bestaan in de strafmaat tussen zelfde misdaden die niet het voorwerp zijn geweest van correctionalisering en misdaden die wel werden gecorrectionaliseerd.van dezelfde misdaad, discriminerend was (arresten Grondwettelijk Hofnrs. 193/2011 en 199/2011 van 15 en 22 december 2011)

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: za, 06/07/2013 - 17:49
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 14:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.