-A +A

Boete voor zwartrijden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De burgerlijke rechter mag de forfaitaire schadevergoeding die de NMBS aanrekent voor zwartrijders marginaal toetsen aan het evenredigheidsprincipe als beginsel van behoorlijk bestuur.

 

Rechtspraak

• Vred. Genk, 13/12/2016, RW 2016-2017, 1154

NMBS t/ N.M.

...

2. De vordering

De NMBS vordert M.N. te veroordelen om haar voor vijf ritten zonder ticket (zwartrijden) de totale ticketprijs te betalen van 15,50 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding op 13 juni 2016.

De NMBS vordert M.N. bovendien te veroordelen om haar voor deze vijf overtredingen op haar vervoersreglement een forfaitaire schadevergoeding te betalen van 5 x 200 euro = 1.000 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding op 13 juni 2016.

...

De vordering is ontvankelijk.

3. De aard van de rechtsverhouding tussen de NMBS en de zwartrijder

M.N. heeft tussen 6 december 2011 en 25 november 2015 driemaal de trein tussen Tongeren en Bilzen en tweemaal de trein tussen Tongeren en Hasselt genomen zonder ticket en zonder nadien ooit de prijs van het ticket te betalen.

M.N. betwist niet dat hij de ticketprijs voor deze vijf ritten is verschuldigd, maar betwist de omvang van de forfaitaire schadevergoeding.

De gerechtsdeurwaarder beantwoordt op zijn website de vraag waarom een zwartrijder een forfaitaire schadevergoeding van 200 euro moet betalen als volgt: “Wanneer een reiziger naar aanleiding van het ontvangen van de vaststelling van onregelmatigheid niet tijdig het verschuldigde bedrag betaalt, verstuurt de directie van NMBS daarop een eerste herinnering. Hij krijgt daarbij nog een bijkomende termijn van veertien dagen om enkel het initiële bedrag te betalen. Omdat hij deze kans niet heeft gegrepen, wordt, overeenkomstig de Vervoersvoorwaarden van de NMBS, de forfaitaire schadevergoeding verhoogd naar 200 euro, bovenop de initiële ritprijs. Dit bedrag vertegenwoordigt de kosten die NMBS heeft moeten doen, omdat men niet spontaan tot betaling is overgegaan. De forfaitaire vergoeding van 200 euro is het eindresultaat van een lang proces waarin de NMBS op geen enkel ogenblik de medewerking van de reiziger heeft gekregen. Dat bedrag wordt de reiziger dus niet meteen opgelegd bij de vaststelling van de onregelmatigheid, maar moet de kosten compenseren voor het verlies aan ontvangsten uit het vervoer en kosten gemaakt voor het invorderen van dat verlies. Bij gebrek aan enige wettelijke grondslag kunnen de administratieve kosten dan ook niet worden geannuleerd. NMBS hoopt dat reizigers in de toekomst dergelijke verhogingen zullen vermijden door steeds in het bezit te zijn van een geldig vervoerbewijs en in voorkomend geval hun verschuldigde bedragen meteen in de trein te regelen” (www.treinbetalen.be).

De vrederechter had ter zitting op 28 juni 2016 de volgende rechtsvragen gesteld:

(a) Is de rechtsverhouding tussen de NMBS en de zwartrijder contractueel dan wel reglementair van aard (A. Van Oevelen, noot onder Vred. Fontaine-l’Evêque 17 maart 2015, “Het contractuele dan wel reglementaire karakter van de rechtsverhouding tussen de NMBS en haar reizigers en de gevolgen van deze kwalificatie op de “geldboete” verschuldigd bij niet-betaling van het genomen vervoer”, T.Vred. 2015, 511-520; R. Steennot, G. Straetmans, E. Terryn, B. Keirsbilck en B. Wyseur, “Overzicht en rechtspraak: Consumentenbescherming (2008-2014) en Marktpraktijken (2011-2014)”, TPR 2015, p. 1525-1526, nr. 165)?

(b) Ingeval de rechtsverhouding contractueel van aard is: is de forfaitaire schadevergoeding van 200 euro strijdig met de artikelen VI.83, 17o en 24o WER en met de openbare orde? Een onrechtmatig beding is volgens art. 84, § 1 WER verboden en nietig en de consument kan niet verzaken aan de rechten die hem door de voormelde artikelen worden toegekend (R. Steennot, “Tegenwerpelijkheid en rechtmatigheid van algemene voorwaarden en de bewijskracht van de factuur”, in Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters 2013, Brugge, die Keure 2013, p. 32-35, nrs. 45 en 46)?

(c) Ingeval de rechtsverhouding reglementair van aard is: mag de rechter op grond van art. 1231, § 1 BW dat van openbare orde is, de forfaitaire schadevergoeding verminderen, rekening houdende met de voorzienbare schade of met de werkelijk geleden schade?

Inmiddels heeft het Hof van Justitie (10de kamer, nr. C-261/15) bij arrest van 21 september 2016 (NMBS t/ G.D.) beslist dat “Art. 6, tweede lid in fine, van aanhangsel A bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999, dat is opgenomen in bijlage I bij verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale bepalingen op grond waarvan een persoon die de trein neemt zonder vervoerbewijs en zijn situatie niet binnen de in die bepalingen neergelegde termijnen regulariseert, geen contractuele band heeft met de spoorwegonderneming”, http://curia.europa.eu; W. Verheyen, “Passagiers- en consumentenrecht bieden geen bescherming tegen treinboetes”, Juristenkrant 12 oktober 2016, p. 2).

De vrederechter oordeelt dat een zwartrijder niet kan worden beschouwd als een reiziger die zijn verbintenis om een ticket te kopen niet tijdig heeft uitgevoerd. Een winkeldief wordt ook niet beschouwd als een koper die de prijs niet heeft betaald.

De vraag is dan of de rechter de geldboete mag verminderen op grond van art. 1231, § 1 BW, dat van openbare orde is (S. Mosselmans, “Taak van de rechter bij verstek”, RW 2016-17, p. 17, nr. 53). Ook een strafbeding (art. 1226 BW) kan enkel leiden tot vergoeding van de schade (E. Dirix, “Zwartrijden in het verbintenissenrecht”, RW 2015-16, 1482).

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 3 juni 2010 beslist: “Art. 1231, § 1, eerste lid BW, dat de rechter de mogelijkheid biedt het beding te matigen waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van een overeenkomst tot de betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade heeft verbonden, is niet van toepassing op een rechtsverhouding die niet van contractuele, maar van reglementaire aard is” (nr. C.08.0581N, Gemeentelijk Autonoom Parkeerbedrijf Antwerpen t/ P.A., http://jure.juridat.just.fgov.be; RW 2012-13, 698, www.rw.be, Pas. 2010, I, 1709).

4. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

De NMBS bepaalt autonoom in haar vervoersreglement de opportuniteit en de omvang van de forfaitaire geldboete voor de zwartrijder die het bedrag niet heeft betaald binnen een periode van veertien kalenderdagen, de dag van de vaststelling van de overtreding inbegrepen (art. 157 Vervoersreglement). Maar de burgerlijke rechter blijft bevoegd om deze geldboete niet toe te passen wanneer zij niet overeenstemt met de wet (art. 159 Gw.; Arbitragehof 26 oktober 2005, nr. 159/2005, punt A.2.2., inzake NMBS Holding, Burger Bestuur & Beleid 2005, 341, RW 2006-07, 442, www.rw.be).

De burgerlijke rechter mag de forfaitaire schadevergoeding marginaal toetsen aan het evenredigheidsprincipe als beginsel van behoorlijk bestuur. De Raad van State formuleert de evenredigheidstoets als evenredigheid tussen de sanctie en het doel van openbaar nut dat de sanctie beoogt. De Raad van State beklemtoont tevens het marginale karakter van de toetsing (RvS, pvba Star-Taxi, nr. 25.379, 29 mei 1985, vermeld in C. Billiet, “Beginselen van behoorlijk bestuur en bestuurlijke handhaving. Evenredigheid en zuinigheid in het sanctioneringsproces”, TMR 2008, p. 305-306, nr. 13).

Hier is de redelijkheid zoek tussen de sanctie voor het niet betalen van het treinticket binnen de gestelde termijn enerzijds en het dubbele maatschappelijke doel anderzijds, namelijk het vergoeden van de kosten van de vaststelling en van de aanmaning én het afschrikken van potentiële zwartrijders.

Ter vergelijking: de stad Genk die het toezicht op haar parkeerbeleid heeft uitbesteed aan een handelsonderneming, heeft in art. 17 van het besluit van de gemeenteraad van 24 juni 2014 de forfaitaire schadevergoeding als volgt bepaald: “Bij gebrek aan betaling in der minne wordt één herinneringbrief verstuurd zonder kosten ten laste van de wanbetaler, gevolgd door een aanmaning per aangetekende brief, met een forfaitaire invordering van 15 euro, waarbij eveneens de wettelijke interesten een aanvang nemen. Bij niet betaling binnen een gestelde termijn van dertig kalenderdagen (na de aanmaning per aangetekende brief) zal een rechtsvordering voor de vrederechter van het kanton Genk worden ingeleid met een dagvaarding door de gerechtsdeurwaarder”.

De forfaitaire schadevergoeding bepaald in art. 157 van het vervoersreglement van de NMBS wordt dan ook niet toegepast.

Mocht de forfaitaire schadevergoeding bedoeld zijn als een straf, dan was hiertoe een wet vereist (art. 14 Gw.). Ter vergelijking: art. 4, § 1 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties bepaalt de maximale administratieve geldboete die de gemeenteraad in zijn reglementen of verordeningen als sanctie voor welomschreven feiten kan opleggen.

5. De schade veroorzaakt door de onrechtmatige daad

Een zwartrijder pleegt alleszins een onrechtmatige daad die de NMBS schade berokkent (art. 1382 en 1383 BW).

De omvang van deze schade voor de NMBS kan worden bepaald naar analogie met de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Art. 6, eerste lid, van deze wet kent aan de schuldeiser van rechtswege en zonder ingebrekestelling een forfaitaire vergoeding toe van 40 euro voor de eigen invorderingskosten.

De schade van de NMBS wordt dan ook forfaitair bepaald op 40 euro per wetsovertreding, d.w.z. op 5 x 40 euro = 200 euro.

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 6 december 2016, RW 2016-2017, 1500

Samenvatting

De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of het vastgestelde schadevergoedingsbedrag duidelijk niet evenredig is aan het nadeel dat de verkoper of de onderneming kan lijden in de zin van (huidig) art. VI.83,24o WER. Het Hof is niettemin bevoegd om na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten al dan niet wettig heeft kunnen afleiden dat het vastgestelde schadevergoedingsbedrag duidelijk niet evenredig is.

Tekst arrest

AR nr. P.15.1090.N

NMBS t/ A.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 19 juni 2015, gewezen op verwijzing ingevolge arrest van het Hof van 6 mei 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Derde onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 32, 21o Wet Handelspraktijken en art. 74, 24o Wet Marktpraktijken: het bestreden vonnis beslist dat het beding m.b.t. de niet-betaling van het vervoerbewijs onrechtmatig is in de zin van voormelde bepalingen; uit het feit dat geen bewijs voorligt van het precieze bedrag van het uiteindelijk concreet geleden nadeel, noch uit de finale bestemming die wordt gegeven aan dat vastgestelde schadevergoedingsbedrag, kan worden afgeleid dat er een duidelijke onevenredigheid bestaat tussen het vastgestelde bedrag en de schade die de eiseres kan lijden.

2. Krachtens art. 32, 21o Wet Handelspraktijken zijn onrechtmatig de bedingen of voorwaarden die ertoe strekken in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de koper schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de verkoper kan worden geleden.

Volgens art. 74, 24o Wet Marktpraktijken zijn onrechtmatig de bedingen of voorwaarden die ertoe strekken in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de consument schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.

3. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of het vastgestelde schadevergoedingsbedrag duidelijk niet evenredig is aan het nadeel dat de verkoper of de onderneming kan lijden. Het Hof is niettemin bevoegd om na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten al dan niet wettig heeft kunnen afleiden dat het vastgestelde schadevergoedingsbedrag duidelijk niet evenredig is aan het nadeel dat de verkoper of de onderneming kan lijden.

4. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

– de eiseres per overtreding een forfaitaire vergoeding vordert van 200 euro;

– de eiseres niet aantoont dat gemiddeld 270 minuten aan een dossier wordt besteed, noch dat dit zou uitmonden in een kost van 218 euro per dossier per overtreding;

– de eiseres de forfaitaire vergoeding aanwendt om te investeren in een betere dienstverlening.

Uit die vaststellingen kan het bestreden vonnis niet wettig afleiden dat het schadevergoedingsbedrag duidelijk onevenredig is in de zin van art. 32, 21o Wet Handelspraktijken en art. 74, 24o Wet Marktpraktijken.

Het onderdeel is gegrond.

...

Zie ook:

• Cass. 6 mei 2014, Arr.Cass. 2014, 1083 Pas. 2014, conclusie advocaat-generaal T. Werquin.

• GwH 26 oktober 2005, arrest nr. 159/2005, TBH 2006, 208, noot A. Puttemans.


Vredegerecht te Genk, 13 december 2016, RW 2017-2018, 395

NV NMBS t/ M.N.

...

2. De vordering

De NMBS vordert M.N. te veroordelen om haar voor vijf ritten zonder ticket (zwartrijden) de totale ticketprijs te betalen van 15,50 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding op 13 juni 2016.

De NMBS vordert M.N. bovendien te veroordelen om haar voor deze vijf overtredingen van haar vervoersreglement een forfaitaire schadevergoeding te betalen van 5 × 200 euro = 1.000 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding op 13 juni 2016.

...

De vordering is ontvankelijk.

3. De aard van de rechtsverhouding tussen de NMBS en de zwartrijder

M.N. heeft tussen 6 december 2011 en 25 november 2015 driemaal de trein tussen Tongeren en Bilzen en tweemaal de trein tussen Tongeren en Hasselt genomen zonder ticket en zonder nadien ooit de prijs van het ticket te betalen.

M.N. betwist niet dat hij de ticketprijs voor deze vijf ritten is verschuldigd, maar betwist de omvang van de forfaitaire schadevergoeding.

De gerechtsdeurwaarder beantwoordt op zijn website de vraag waarom een zwartrijder een forfaitaire schadevergoeding van 200 euro moet betalen als volgt: «Wanneer een reiziger naar aanleiding van het ontvangen van de vaststelling van onregelmatigheid niet tijdig het verschuldigde bedrag betaalt, verstuurt de directie van NMBS daarop een eerste herinnering. Hij krijgt daarbij nog een bijkomende termijn van veertien dagen om enkel het initiële bedrag te betalen. Omdat hij deze kans niet heeft gegrepen, wordt, overeenkomstig de Vervoersvoorwaarden van de NMBS, de forfaitaire schadevergoeding verhoogd naar 200 euro, bovenop de initiële ritprijs. Dit bedrag vertegenwoordigt de kosten die NMBS heeft moeten doen, omdat men niet spontaan tot betaling is overgegaan. De forfaitaire vergoeding van 200 euro is het eindresultaat van een lang proces waarin de NMBS op geen enkel ogenblik de medewerking van de reiziger heeft gekregen. Dat bedrag wordt de reiziger dus niet meteen opgelegd bij de vaststelling van de onregelmatigheid, maar moet de kosten compenseren voor het verlies aan ontvangsten uit het vervoer en kosten gemaakt voor het invorderen van dat verlies. Bij gebrek aan enige wettelijke grondslag kunnen de administratieve kosten dan ook niet worden geannuleerd. NMBS hoopt dat reizigers in de toekomst dergelijke verhogingen zullen vermijden door steeds in het bezit te zijn van een geldig vervoerbewijs, en desgevallend hun verschuldigde bedragen meteen in de trein te regelen (www.treinbetalen.be).»

De vrederechter had ter zitting op 28 juni 2016 de volgende rechtsvragen gesteld:

(a) Is de rechtsverhouding tussen de NMBS en de zwartrijder contractueel dan wel reglementair van aard (A. Van Oevelen, «Het contractuele dan wel reglementaire karakter van de rechtsverhouding tussen de NMBS en haar reizigers en de gevolgen van deze kwalificatie op de «geldboete» verschuldigd bij niet-betaling van het genomen vervoer» (noot onder Vred. Fontaine l’Evêque 17 maart 2015), T. Vred. 2015, 511-520; R. Steennot, G. Straetmans, E. Terryn, B. Keirsbilck en B. Wyseur, «Overzichten van rechtspraak: Consumentenbescherming (2008-2014) en Marktpraktijken (2011-2014)», TPR 2015, p. 1525-1526, nr. 165)?

(b) Indien de rechtsverhouding contractueel van aard is: is de forfaitaire schadevergoeding van 200 euro strijdig met artt. VI.83, 17o en 24o Wetboek Economisch Recht en met de openbare orde? Een onrechtmatig beding is volgens art. 84, § 1 Wetboek Economisch Recht verboden en nietig en de consument kan geen afstand doen van de rechten die hem door de voormelde artikelen worden toegekend (R. Steennot, «Tegenwerpelijkheid en rechtmatigheid van algemene voorwaarden en de bewijskracht van de factuur» in Rechtskroniek voor Vrede- en Politierechters 2013, Brugge, die Keure 2013, p. 32-35, nrs. 45 en 46).

(c) Indien de rechtsverhouding reglementair van aard is: mag de rechter op grond van art. 1231, § 1 BW, dat van openbare orde is, de forfaitaire schadevergoeding verminderen, rekening houdende met de voorzienbare schade of met de werkelijk geleden schade?

Inmiddels heeft het Hof van Justitie (10e Kamer, nr. C-261/15) bij arrest van 21 september 2016 (NMBS t/ G.D.) beslist dat «art. 6, tweede lid in fine, van aanhangsel A bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999, dat is opgenomen in bijlage I bij verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale bepalingen op grond waarvan een persoon die de trein neemt zonder vervoerbewijs en zijn situatie niet binnen de in die bepalingen neergelegde termijnen regulariseert, geen contractuele band heeft met de spoorwegonderneming» http://curia.europa.eu; W. Verheyen, «Passagiers- en consumentenrecht bieden geen bescherming tegen treinboetes», Juristenkrant 12 oktober 2016, afl. 335, 2).

De vrederechter oordeelt dat een zwartrijder niet kan worden beschouwd als een reiziger die zijn verbintenis om een ticket te kopen niet tijdig heeft uitgevoerd. Een winkeldief wordt ook niet beschouwd als een koper die de prijs niet heeft betaald.

De vraag is dan of de rechter de geldboete mag verminderen op grond van art. 1231, § 1 BW, dat van openbare orde is (S. Mosselmans, «Taak van de rechter bij verstek», RW 2016-17, p. 17, nr. 53). Ook een strafbeding (art. 1226 BW) kan enkel leiden tot vergoeding van de schade (E. Dirix, «Zwartrijden in het verbintenissenrecht», RW 2015-16, 1482).

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 3 juni 2010 beslist: «Het art. 1231, § 1, eerste lid BW, dat de rechter de mogelijkheid biedt het beding te matigen waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van een overeenkomst tot de betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade heeft verbonden, is niet van toepassing op een rechtsverhouding die niet van contractuele, maar van reglementaire aard is» (nr. C.08.0581N, RW 2012-13, 698 en www.rw.be; Pas. 2010, I, 1709).

4. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

De NMBS bepaalt autonoom in haar vervoersreglement de opportuniteit en de omvang van de forfaitaire geldboete voor de zwartrijder die het bedrag niet heeft betaald binnen een periode van veertien kalenderdagen, de dag van de vaststelling van de wetsovertreding inbegrepen (art. 157 Vervoersreglement). Maar de burgerlijke rechter blijft bevoegd om deze geldboete niet toe te passen wanneer zij niet overeenstemt met de wet (art. 159 Gw.; Arbitragehof 26 oktober 2005, nr. 159/2005, punt A.2.2, Burger Bestuur & Beleid 2005, 341, RW 2006-07, 442 en www.rw.be).

De burgerlijke rechter mag de forfaitaire schadevergoeding marginaal toetsen aan het evenredigheidsprincipe als beginsel van behoorlijk bestuur. De Raad van State formuleert de evenredigheidstoets als evenredigheid tussen de sanctie en het doel van openbaar nut dat de sanctie beoogt. De Raad van State beklemtoont ook het marginale karakter van de toetsing (RVS, PVBA Star-Taxi, nr. 25.379, 29 mei 1985, vermeld in C. Billiet, «Beginselen van behoorlijk bestuur en bestuurlijke handhaving. Evenredigheid en zuinigheid in het sanctioneringsproces», TMR 2008, p. 305-306, nr. 13).

Hier is de redelijkheid zoek tussen de sanctie voor het niet betalen van het treinticket binnen de gestelde termijn enerzijds en het dubbele maatschappelijke doel anderzijds, namelijk het vergoeden van de kosten van de vaststelling en de aanmaning én het afschrikken van potentiële zwartrijders.

Ter vergelijking: de stad Genk die het toezicht op haar parkeerbeleid heeft uitbesteed aan een handelsonderneming, heeft in art. 17 van het besluit van de gemeenteraad van 24 juni 2014 de forfaitaire schadevergoeding als volgt bepaald: «Bij gebrek aan betaling in der minne wordt één herinneringsbrief verstuurd zonder kosten ten laste van de wanbetaler gevolgd door een aanmaning per aangetekende brief met een forfaitaire invordering van 15 euro, waarbij eveneens de wettelijke intresten een aanvang nemen. Bij niet-betaling binnen een gestelde termijn van dertig kalenderdagen (na de aanmaning per aangetekende brief) zal een rechtsvordering voor de vrederechter van het kanton Genk worden ingeleid met een dagvaarding door de gerechtsdeurwaarder.»

De forfaitaire schadevergoeding bepaald in art. 157 van het vervoersreglement van de NMBS wordt dan ook niet toegepast.

Mocht de forfaitaire schadevergoeding bedoeld zijn als een straf, dan was hiertoe een wet vereist (art. 14 Gw.). Ter vergelijking: art. 4, § 1 van de wet van 24 juni 2013 «betreffende de gemeentelijke administratieve sancties» bepaalt de maximale administratieve geldboete die de gemeenteraad in zijn reglementen of verordeningen als sanctie voor welomschreven feiten kan opleggen.

5. De schade veroorzaakt door de onrechtmatige daad

Een zwartrijder pleegt alleszins een onrechtmatige daad die de NMBS schade berokkent (artt. 1382 en 1383 BW). De omvang van deze schade voor de NMBS kan worden bepaald naar analogie met de wet van 2 augustus 2002 «betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand in handelstransacties». Art. 6, eerste lid van deze wet kent aan de schuldeiser van rechtswege en zonder ingebrekestelling een forfaitaire vergoeding toe van 40 euro voor de eigen invorderingskosten. De schade van de NMBS wordt dan ook forfaitair bepaald op 40 euro per overtreding van haar reglement, d.w.z. 5 × 40 euro = 200 euro (tweehonderd euro).

...

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 24/03/2017 - 15:10
Laatst aangepast op: wo, 01/11/2017 - 16:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.