-A +A

Bezetting ter bede

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De bezetting ter bede, is een onbenoemde overeenkomst die niet wettelijk geregeld wordt en gegroeid is uit de rechtspraktijk.

Bij deze overeenkomst (van precair bezit) wordt door een eigenaar aan een bepaalde persoon bij wijze van gunst het recht verleend om tot wederopzegging toe een bepaald onroerend goed te gebruiken in afwachting dat aan dit onroerend goed zijn definitieve bestemming kan worden gegeven of tot wederopzegging. Dit tijdelijk recht van gebruik kan gratis zijn of tegen een eerder symbolische vergoeding.

Een bezetting ter bede heeft een precair karakter en biedt geen enkele waarborg inzake duur of stabiliteit, zodat de verleende gunst telkens in vraag kan worden gesteld. Een van de typische kenmerken van een bezetting ter bede is dat het betrekken van de grond, het pand, de woning te allen tijde, eventueel met een opzeggingstermijn van enkele weken of maanden, beëindigd kan worden.

Deze rechtsfiguur wordt vaak gebruikt voor landbouwgronden, woningen en handelspanden in afwachting van een definitieve bestemming.

Indien een huurder na de ontbinding van de huur door de rechter, de huurceel blijft betrekken, dan bezet hij de huurceel (hetgeen gehuurd wordt) ter bede. Hij is dan een bezettingsvergoeding verschuldigd op basis van de vermogensverschuiving zonder oorzaak.

De essentie van een bezetting ter bede is dat degene die dit recht versterkt heeft (meestal de eigenaar) op elk moment, stante pede dit recht kan beëindigen. De Vrederechter te Antwerpen oordeelde in een vonnis van 10/09/2015 dat het buitensporig is om aan iemand die men gedurende meer dan twintig jaar ongemoeid heeft gelaten, een vertrek uit een woning binnen 24 uur op te leggen. In dit geval verleende de Vrederechter een uitstel van vijf maanden.

zie Vred Antwerpen 10 september 2015, RW 2015-2016, 599

P.A. en P.E. t/ L.R.

...

Eisende partijen zijn samen, sedert het overlijden van hun beide ouders, vader op 13 augustus 1990 en moeder op 28 januari 1991, onverdeelde eigenaars geworden van het pand gelegen te 2100 Deurne, (...).

Uit de meegedeelde gegevens blijkt dat eerste eisende partij en verwerende partij gehuwd zijn in 1976, samen drie kinderen hebben die geboren zijn in de periode 1977 tot 1986, feitelijk zijn uiteengegaan in 1993, verwerende partij samen met de kinderen in de gezinswoning gelegen te 2100 Deurne, (...), gebleven is en er bij vonnis van 24 maart 2015 de echtscheiding tussen hen werd uitgesproken.

Per brief van 21 mei 2015 van de raadsman van eisende partijen werd verwerende partij aangemaand, het hierboven vermelde pand binnen korte termijn te ontruimen en te verlaten.

Omdat daarop geen reactie kwam van verwerende partij, werd dagvaarding uitgebracht, betekend op 1 juli 2015, met eis om binnen 24u het pand te verlaten.

Er kan van worden uitgegaan dat sedert december 1993, aanvang van de feitelijke scheiding, er aan verwerende partij, die toen de echtgenote van eerste eisende partij en respectievelijk schoonzus van tweede eisende partij was, bij gebreke van enige actie, er stilzwijgend een gunst verleend werd om het desbetreffende onroerend goed verder te blijven bewonen met de kinderen.

Dit kan met zekerheid worden afgeleid uit het feit dat er toen geen gebruik gemaakt werd van de rechten waarover beide eisende partijen beschikten. Door eerste eisende partij werden er noch voorlopige maatregelen gevorderd, noch een echtscheidingsprocedure gestart. Tweede eisende partij ondernam evenmin stappen om uit onverdeeldheid te treden.

Verwerende partij heeft gedurende al die jaren, met stilzwijgend goedvinden van eisende partijen, gewoond in het pand, samen met de kinderen van eerste eisende partij.

Met een dergelijke voorgeschiedenis verwachten dat verwerende partij er op 24u zou vertrekken, is zoals verwerende partij zelf terecht aanvoert, “onmenselijk”.

Verwerende partij kan worden bijgevallen wanneer zij aanvoert dat er in casu sprake is van een recht dat zij put uit de onbenoemde overeenkomst van bezetting ter bede.

Een typisch kenmerk van een “bezetting ter bede” is dat dit “betrekken” te allen tijde, eventueel met een opzeg van enige maanden, kan worden beëindigd.

Op een dergelijke overeenkomst is de Woninghuurwet niet van toepassing.

Aan de gunst van het bezetten ter bede die verwerende partij stilzwijgend verkreeg binnen haar huwelijkse staat, kwam echter een einde zodra de echtscheidingsprocedure door eerste eisende partij ingesteld werd en meer bepaald vanaf het definitief worden van de echtscheiding. Door middel van de uitgesproken echtscheiding werd er expliciet kenbaar gemaakt aan verwerende partij dat er een einde werd gemaakt aan de stilzwijgende gedogende houding van eisende partijen.

Vanaf dan genoot verwerende partij enkel nog de bescherming die er aan de gezinswoning wordt toegekend tijdens het huwelijk. Het tijdelijke, precaire recht waarop verwerende partij kon bogen, nam vanaf het definitief worden van de echtscheiding effectief een einde.

Dat er enerzijds begrip kan worden opgebracht voor de vordering van eisende partijen, maar een vertrek uit een woning binnen 24u opleggen aan iemand die men gedurende meer dan twintig jaar ongemoeid heeft gelaten, lijkt de rechtbank buitensporig.

Van de andere kant weet verwerende partij sedert de dagvaarding in echtscheiding die op 11 februari 2015 aan haar betekend werd, dat zij de voormalige gezinswoning zou moeten verlaten binnen korte tijd en bood zij ter zitting aan binnen zes maanden, te rekenen van de dagvaarding van 1 juli 2015, te vertrekken en eventueel vroeger, mocht zij eerder een geschikte woning gevonden hebben.

Dat ingevolge deze buitengewone omstandigheden er om billijkheidsredenen gedeeltelijk op kan worden ingegaan, zoals hierna bepaald (veroordeling om het pand te verlaten op uiterlijk 30 november 2015).

De vermogensverschuiving zonder oorzaak en de bezettingsvergoeding na ontbinding van de huur

• Cassatie 10/05/2012, C.10.0707.N

Samenvatting

Een vermogensverschuiving is zonder oorzaak wanneer er geen rechtsgrond is voor de verarming van de ene partij en de verrijking van de andere.

Tekst arrest

Nr. C.10.0707.N
S. D. G.,
eiser,
tegen
W. B.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 22 oktober 2009 en 6 mei 2010.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

1. Krachtens het artikel 1131 Burgerlijk Wetboek kan een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg hebben.

2. De nietigverklaring van de overeenkomst houdt in dat de partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd.

3. De appelrechters die oordelen dat de door de eiser betaalde huurwaarborg niet dient te worden terugbetaald daar hem aldus een hogere vergoeding zou worden toegekend dan de voorziene terugbetaling van de huur, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

4. Een vermogensverschuiving is zonder oorzaak wanneer er geen rechtsgrond is voor de verarming van de ene partij en de verrijking van de andere.

5. De nietigheid van een overeenkomst van woninghuur staat niet eraan in de weg dat de eigenaar die tot de restitutie van de huurgelden is gehouden, op grond van ongegronde verrijking aanspraak kan maken op een vergoeding voor de bezetting van het verhuurde goed.

De omstandigheid dat de nietigheid van de overeenkomst het gevolg is van de overtreding van de woonkwaliteitsnormen neergelegd in de Vlaamse Wooncode die de openbare orde raken, sluit niet uit dat de rechter kan oordelen dat de bezetting van het onroerend goed een ongegronde verrijking oplevert.

6. Het onderdeel dat in die omstandigheid iedere vordering tot vergoeding van de bezetting uitsluit, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis van 22 oktober 2009 in zoverre het oordeelt over de huurwaarborg en vernietigt het bestreden vonnis van 6 mei 2010 in zoverre het oordeelt over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en laat de beslissing over de overige kosten aan de feitenrechter over.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde vonnissen van 22 oktober 2009 en 6 mei 2010.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zitting houdende in hoger beroep.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 520,25 euro in debet.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer.

Franse term: 
occupation à titre precaire
Rechtspraak: 

Vredegerecht Westerlo 28/06/2017, RW 2017-2018, 555

samenvatting

Bezit ter bede heeft slechts een precair karakter en biedt geen enkele waarborg inzake duur of stabiliteit, zodat de verleende gunst telkens weer in vraag kan worden gesteld.

Ons Belgisch recht kent geen recht toe aan de partij die een eigen woning van de ex-partner bewoont zonder huurrecht, noch zakelijk (genots)recht, ook al werd daarin jarenlang samengewoond.

Wel bestaat er zoiets als een «recht van bezetting ter bede», op grond waarvan de eigenaar (of huurder) aan de partner met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert, een verblijfs- of genotsrecht van onbepaalde duur toekent, gebaseerd op de duurzame samenwoning.

De inroeping van dit recht van bezetting ter bede heeft tot gevolg dat de (gewezen) feitelijk samenwonende partner niet van de ene op de andere dag op straat kan worden gezet, maar enkel mits naleving van een redelijke (opzeggings)termijn, rekening houdend met de duur van de samenleving en de concrete omstandigheden.»

Een van de typische kenmerken van een «bezetting ter bede» is dus dat het betrekken van de woning te allen tijde, eventueel met een termijn van enige maanden, beëindigd kan worden.

tekst vonnis

J.M. t/ T.V.

...

Overwegende dat eisende partij met akte verleden door notaris (...) op 29 juni 2015 de woning aankocht gelegen te (...). Hij verklaart dat mevrouw T.V., verwerende partij, bij hem inwoont maar dat die toestand niet langer houdbaar is omdat hun relatie begin januari 2017 geëindigd is. Hij verzoekt om verwerende partij te veroordelen om de voormelde woning te verlaten, onmiddellijk na de betekening van het tussen te komen vonnis.

Overwegende dat, hoewel de partijen daarover geen informatie verschaffen, toch moet worden aangenomen dat hun relatie (het betrof feitelijke samenwoning) een min of meer duurzaam karakter vertoonde. Op de datum van de aankoop van het onroerend goed was eisende partij namelijk gedomicilieerd te (...), nr. 44/A, kennelijk een hernummering van (...), nr. 44. Op dit laatste adres is mevr. T.V. eveneens gedomicilieerd vanaf 10 september 2009, zodat hun feitelijke samenwoning minstens ongeveer 7,5 jaar duurde. Het betreft in casu dus geen kortstondige relatie maar een partnerschap.

Overwegende dat eisende partij de juridische grond van haar vordering niet aangeeft. Het is echter de taak van de rechter om de rechtsregels te bepalen die op het voorliggende geschil van toepassing zijn, om m.a.w. de hem onderworpen feiten juridisch juist te kwalificeren (cf. Cass. 22 oktober 1982, RW 1984-85, 611, noot).

Overwegende dat het verblijf van mevr. T.V. in de woning eigendom van de h. J.M., eisende partij, niet als een bezetting zonder recht noch titel kan worden gekwalificeerd. Deze rechtsfiguur betreft namelijk de situatie waarbij iemand gebruikmaakt van het goed van een derde, zonder dat deze laatste zich hiermede akkoord verklaard heeft. Eisende partij is wel degelijk akkoord gegaan met het inwonen bij hem, van mevr. T.V. De precieze juridische aard van de in casu voorliggende feitelijke toestand is dan ook dat het een «bezetting ter bede» betreft, door eisende partij aan verwerende partij verleend bij wijze van gunst. Deze laatste heeft slechts een precair karakter en biedt geen enkele waarborg inzake duur of stabiliteit, zodat de verleende gunst telkens weer in vraag kan worden gesteld (cf. D. Meulemans, I. Snick en M. Snick (ed.), Handboek bezetting ter bede, Gent, Story Publishers, 2010, p. 9; B. Louveaux, Le droit du bail. Régime général, Brussel, De Boeck, 1993, p. 36-37, nrs. 61-62; M. Dambre en B. Hubeau, Woninghuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2002, p. 122, nr. 289). In zijn annotatie onder Vred. Halle 23 juli 2008, NJW 2009, 137 omschreef G. Verschelden het aldus: «Het positieve recht biedt inderdaad recht noch titel aan de partij die een eigen woning van de ex-partner bewoont zonder huurrecht, noch zakelijk (genots)recht, ook al werd daarin jarenlang samengewoond. Dit vonnis illustreert dat er – praeter legem – wel zoiets bestaat als een «recht van bezetting ter bede», op grond waarvan de eigenaar (of huurder) aan de partner met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert, een verblijfs- of genotsrecht van onbepaalde duur toekent, gebaseerd op de duurzame samenwoning. De inroeping van dit recht van bezetting ter bede heeft tot gevolg dat de (gewezen) feitelijk samenwonende partner niet van de ene op de andere dag op straat kan worden gezet, maar enkel mits naleving van een redelijke (opzeggings)termijn, rekening houdend met de duur van de samenleving en de concrete omstandigheden.»

Een van de typische kenmerken van een «bezetting ter bede» is dus dat het betrekken van de woning te allen tijde, eventueel met een termijn van enige maanden, beëindigd kan worden (cf. Vred. Gent 30 januari 1998, TGR 1999, p. 98-99, nr. 3, met verwijzing naar J. Kokelenberg, «Precaire bezetting: versoepeling of ondermijning van de handelshuurwet?», RW 1970-71, 1.600).

Overwegende dat de einddatum van deze voormelde bezettingstermijn hic et nunc nog niet kan worden bepaald, gelet op hetgeen hierna volgt.

Overwegende dat beide partijen, de h. J.M. en mevr. T.V., bij akte verleden door notaris (...) op 29 juni 2015 bij de NV A.S. een hypothecair krediet hebben aangegaan ter gedeeltelijke betaling van de aankoopprijs van de woning (...) te (...), eigendom van de h. J.M. alleen. Ter zitting van 14 juni 2017 verklaarden de partijen dat zij ieder de helft van de maandelijks aan NV A.S. verschuldigde mensualiteit betaalden.

Dit is een handelswijze die kan worden onderschreven. Meer zelfs: van meet af aan moet duidelijk worden gesteld dat de beëindiging van het partnerschap tussen de gedingvoerende partijen aan mevr. T.V. (die daaromtrent overigens geen vordering stelt) geenszins het recht verschaft om het gedeelte dat zij alleen aan A.S. afbetaalde, van de h. J.M. terug te vorderen, gelet op het voordeel dat zij haalde uit de bewoning van het huis (samen met J.M.). Het betrof hier immers de vrijwillige uitvoering van een natuurlijke verbintenis, als juridische verwoording van de solidariteitsplicht die (ook) bestaat tussen feitelijke partners (cf. Gent 3 maart 2011, nr. 2009/AR/870 onuitg.; Antwerpen 15 maart 2016, T.Not. 2016, 285; Antwerpen 20 mei 2015, RABG 2015, 1.106).

Overwegende dat een en ander echter fundamenteel is veranderd door de beëindiging van de relatie tussen de gedingvoerende partijen. Daardoor zal de bezetting ter bede binnenkort een einde nemen (cf. supra) en komt het voordeel dat mevr. T.V. uit de bewoning haalt, te vervallen. Daardoor komt eveneens een einde aan de hierboven vermelde natuurlijke verbintenis. Die relatiebeëindiging heeft evenwel geen invloed op de verbintenissen en verplichtingen die mevr. T.V. (zowel als de h. J.M.) in het kader van het hypothecair krediet hebben opgenomen ten opzichte van NV A.S. In de praktijk komt dit erop neer dat mevr. T.V. verder dient af te betalen voor de woning die exclusief eigendom is van haar ex-partner en waarin zij niet meer mag verblijven of wonen. Dit is onredelijk. Alvorens derhalve de einddatum van de bezettingstermijn wordt bepaald, dient eisende partij het bewijs voor te leggen dat hij de verbintenissen en verplichtingen, vervat in de akte van hypothecair krediet verleden door notaris (...) op 29 juni 2015, ten opzichte van NV A.S., voor de toekomst op hemzélf alleen neemt. Daartoe wordt het debat ambtshalve heropend.

 

Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
Nog dit: 

Opgelet. Een modelovereenkomst ter bede is maatwerk en laat zich niet vatten in een vast model. Met modellen kan u in specifieke gevallen in moeilijkheden raken, nu contracten ter bede niet wettelijk geregeld zijn en de minste verkeerde clausulering ernstige gevolgen kan hebben op burgerlijk of fiscaal vlak. U kan ons contacteren met melding van uw specifieke behoeften waarna we u een aangepast contract kunnen bezorgen.

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 25/01/2011 - 20:54
Laatst aangepast op: wo, 29/11/2017 - 14:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.