-A +A

Bevoegdheid rechtbank van koophandel burgerlijke vennootschappen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Gezaghebbende auteurs betwijfelen of art. 574, 1° Ger.W. kan worden ingeroepen indien het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek gevorderd wordt ten aanzien van een burgerlijke vennootschap (zie o.a.: H. Braeckmans, “Conflicten in vennootschappen en het wetboek van vennootschappen: de vlag dekt niet de lading”, TPR 2010, (1603), p. 1667, nr. 86; M. Roelants, “De drempel blijft een drempel voor het vorderen van een vennootschapsrechtelijke deskundige”, TRV 2012, (689), p. 691, nr. 7; zie ook, zij het minder uitgesproken: J.L. Nelissen en S. Loosveld, “Het deskundigenonderzoek in geschillen omtrent het bestuur van vennootschappen” in Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Reeks Recht en onderneming, Brugge, die Keure, 2003, (447) 453, voetnoot 13). In dat verband wordt o.a. aangevoerd dat art. 168 W.Venn. een van het gemene recht afwijkende bepaling is, waarin bovendien enkel sprake is van “de rechtbank” en waarin geen expliciete melding wordt gemaakt van de rechtbank van koophandel.

Toch is er ook een meer soepele benadering en ruime interpretatie van art. 574, 1° Ger.W. Van zodra er sprake is van een vennootschapsgeschil waarbij zich vragen stellen nopens de werking van de vennootschap en de wijze waarop deze wordt bestuurd, kan een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek worden gevorderd. Een vennootschapsrechtelijk geschil is een geschil is ontstaan uit rechtsbetrekkingen die niet zouden hebben bestaan indien de vennootschap niet was opgericht.

De stelling is verdedigbaar dat de rechtbank van koophandel, de facto de ondernemingsrechtbank, a.h.w. de “natuurlijke” rechter is voor conflicten in de schoot van de vennootschap, tussen actoren die – in een bepaalde mate – betrokken zijn bij het vennootschapsleven. De wetgevende evolutie (zeker de wetswijzigingen van 1999 en 2009) toont overigens aan dat het de wil van de wetgever is om de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel op grond van art. 574, 1° Ger.W. systematisch te verruimen (zie o.a.: B. Allemeersch en J. Vananroye, “Het optreden in rechte van vennootschappen” in Actuele ontwikkelingen inzake vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, (253), p. 280, nr. 54; J. Laenens, “Ondernemingsrechtbanken”, RW 2004-05, 1597; P. Van Helmont en B. Ponet, “Pleidooi voor een ondernemingsrechtbank. Bedenkingen bij de huidige bevoegdheidsregeling van de rechtbank van koophandel”, Limb.Rechtsl. 2000, 330; D. Van Gerven, “Ook voor vennootschapsgeschillen is het tijd voor één bevoegde rechtbank”, Juristenkrant 15 juni 2011, 11; Wetsvoorstel Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 939/1, p. 3; zie ook: Kh. Dendermonde 25 februari 2008, RW 2011-12, 1305).

Rechtspraak: 

Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 20 februari 2014, R.W. 2014-2015, 988

R.B., V.B. en E.B. t/ CVBA A.G.

...

2. Voorwerp van de vorderingen

Eisers vorderen: 1. De aanstelling van een vennootschapsrechtelijke gerechtsdeskundige, zoals bedoeld in art. 168 W.Venn., om de regelmatigheid van de boeken en de rekeningen van de vennootschap, alsook die van de verrichtingen van haar organen na te zien, onder meer aan de hand van de volgende vragenlijst van 17 april 2013 (...), minstens de deskundige de opdracht te geven om wat verweerster als een afdoend antwoord op de gestelde vragen presenteert aan de hand van haar boeken en andere bescheiden, naar waarheid te schatten (...).

...

3. Samenvatting van de achtergrond van het geschil en van de standpunten van partijen

...

3.2. De aan de grondslag van onderhavige betwisting liggende feiten zijn eenvoudig samen te vatten.

Eisers zijn aandeelhouders van verweerster, een burgerlijke vennootschap die zich toelegt op activiteiten van o.a. accountancy en belastingadvies. Eisers, of sommige van hen, waren blijkbaar eertijds ook bestuurder van verweerster. Eisers vragen een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek. Volgens eisers waren zij aanwezig op alle aandeelhoudersvergaderingen en hebben zij vruchteloos gepoogd om informatie te verwerven op basis van hun individueel inzage- en controlerecht. In hun dagvaarding en in hun conclusies vermelden eisers een reeks feitelijkheden en onregelmatigheden die volgens hen de gevorderde onderzoeksmaatregel rechtvaardigen.

Verweerster betwist de vordering en concludeert in dat verband o.a. (...).

...

4. Beoordeling

4.1. Onderzoek van de bevoegdheid

4.1.1. Zelfs bij gebrek aan enige door partijen zelf voorgedragen exceptie van onbevoegdheid, dient de gevatte rechter steeds ambtshalve zijn materiële bevoegdheid – die de openbare orde raakt – na te gaan.

4.1.2. Verweerster is ontegensprekelijk een burgerlijke vennootschap. Het betreft een vennootschap met als maatschappelijk statutair doel de activiteiten van accountants en belastingconsulenten. Dergelijke vennootschappen zijn duidelijk burgerlijke vennootschappen (Kh. Dendermonde 27 januari 2011, RW 2012-13, 836). Boekhouders, fiscalisten e.d.m. worden immers door een vaststaande rechtspraak en rechtsleer – waarbij de rechtbank zich kan aansluiten – gerekend tot de intellectuele dienstverleners of vrije beroepers. De schaarse wetgeving die een definitie van het “vrij beroep” vooropstelt definieert dit door o.m. te refereren aan de daden van koophandel: een vrij beroep is dan elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat die geen daad van koophandel uitmaakt (vergelijk bv. Brussel 21 januari 2003, JT 2004, 204, dat dit criterium vermeldt).

De hoofdzakelijke criteria die rechtspraak en rechtsleer (hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie) in aanmerking nemen om het vrij beroep te karakteriseren zijn: het intellectueel karakter van deze beroepen (als men de lijst van de daden van koophandel in art. 2 en 3 W.Kh. ontleedt, valt het op dat er geen of nagenoeg geen diensten in voorkomen die intellectuele prestaties betreffen: dit vormt dan ook een belangrijk argument om te betogen dat dergelijke diensten burgerlijk van aard zijn), de traditionele opinie over een bepaald beroep (geldt een beroep in de gangbare maatschappelijke perceptie als een “handelaar”?), het bestaan van een specifieke deontologie of een tuchtrechtelijk kader, de aard van de gepresteerde diensten, het universitair karakter van het diploma of de duur van de studie, e.d.m.

Wanneer ten slotte een specifieke wet of een welbepaalde norm een beroep erkent, de toegang tot het beroep regelt, in tuchtrechtelijk toezicht op de uitoefening ervan voorziet en/of de titel ervan beschermt, kan men eveneens spreken van een vrij beroep, dat geen handelsactiviteiten behelst; voor boekhouders is dit zeker het geval (zie het KB van 19 mei 1992 tot bescherming van het beroep van boekhouder). Het BIBF (Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten) verbiedt trouwens tuchtrechtelijk dat zijn leden een handelsstatuut aannemen. De handelsvorm van verweerster doet aan bovenstaande overwegingen geen afbreuk.

Gezaghebbende auteurs betwijfelen of art. 574, 1o Ger.W. kan worden ingeroepen indien het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek gevorderd wordt ten aanzien van een burgerlijke vennootschap (zie o.a.: H. Braeckmans, “Conflicten in vennootschappen en het wetboek van vennootschappen: de vlag dekt niet de lading”, TPR 2010, (1603), p. 1667, nr. 86; M. Roelants, “De drempel blijft een drempel voor het vorderen van een vennootschapsrechtelijke deskundige”, TRV 2012, (689), p. 691, nr. 7; zie ook, zij het minder uitgesproken: J.L. Nelissen en S. Loosveld, “Het deskundigenonderzoek in geschillen omtrent het bestuur van vennootschappen” in Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Reeks Recht en onderneming, Brugge, die Keure, 2003, (447) 453, voetnoot 13). In dat verband wordt o.a. aangevoerd dat art. 168 W.Venn. een van het gemene recht afwijkende bepaling is, waarin bovendien enkel sprake is van “de rechtbank” en waarin geen expliciete melding wordt gemaakt van de rechtbank van koophandel.

Deze rechtbank is echter voorstander van een soepele en ruime interpretatie van art. 574, 1o Ger.W. Er is volgens de bewoordingen van de dagvaarding (die bevoegdheidsbepalend zijn) bovendien wel degelijk sprake van een vennootschapsgeschil, waarbij eisers zich vragen stellen nopens de werking van de vennootschap en de wijze waarop deze wordt bestuurd, om welke reden zij een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek vorderen. Het geschil is ontstaan uit rechtsbetrekkingen die niet zouden hebben bestaan indien de vennootschap niet was opgericht.

De stelling is ten slotte verdedigbaar dat de rechtbank van koophandel, de facto de ondernemingsrechtbank, a.h.w. de “natuurlijke” rechter is voor conflicten in de schoot van de vennootschap, tussen actoren die – in een bepaalde mate – betrokken zijn bij het vennootschapsleven. De wetgevende evolutie (zeker de wetswijzigingen van 1999 en 2009) toont overigens aan dat het de wil van de wetgever is om de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel op grond van art. 574, 1o Ger.W. systematisch te verruimen (zie o.a.: B. Allemeersch en J. Vananroye, “Het optreden in rechte van vennootschappen” in Actuele ontwikkelingen inzake vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, (253), p. 280, nr. 54; J. Laenens, “Ondernemingsrechtbanken”, RW 2004-05, 1597; P. Van Helmont en B. Ponet, “Pleidooi voor een ondernemingsrechtbank. Bedenkingen bij de huidige bevoegdheidsregeling van de rechtbank van koophandel”, Limb.Rechtsl. 2000, 330; D. Van Gerven, “Ook voor vennootschapsgeschillen is het tijd voor één bevoegde rechtbank”, Juristenkrant 15 juni 2011, 11; Wetsvoorstel Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 939/1, p. 3; zie ook: Kh. Dendermonde 25 februari 2008, RW 2011-12, 1305).

4.1.3. De rechtbank neemt, na ambtshalve onderzoek, haar (materiële) bevoegdheid dan ook aan.

4.2. Nopens de grond van de zaak

4.2.1. Het wordt niet betwist dat alle eisers voldoen aan de minimumparticipatie- of drempelvereisten. Uit die vaststelling putten zij hoedanigheid en belang.

4.2.2. Eisers vorderen een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek. Dit kan in een procedure ten gronde als zelfstandige rechtsvordering. Deze op art. 168 W.Venn. gebaseerde onderzoeksmaatregel, die een uitzondering vormt op het gemene recht, is ontegensprekelijk op maat gemaakt van de minderheidsaandeelhouder. Het is een voorbeeld van een expertisemaatregel ad futurum, om welke reden een dergelijk onderzoek ook, zoals trouwens ook het geval in de onderhavige zaak, gevorderd kan worden als zelfstandige (hoofd)vordering. De bedoeling is dat de minderheidsvennoot, die per definitie niet bij het bestuur van de vennootschap betrokken wordt, bewijsmateriaal zou kunnen verzamelen, zonder evenwel reeds een andere agressieve vordering (in de regel een aansprakelijkheidsvordering) te moeten instellen. In de regel is deze vordering een voorbode van een mogelijke actio mandati.

Deze vordering vormt een equivalent van de minderheidsvordering, die voorbereid of gestoffeerd kan worden aan de hand van het (feiten)materiaal dat wordt vergaard in het raam van het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek (zie o.a.: J. Vananroye, “De vordering van een aandeelhouder tot aanstelling van een deskundige” (noot onder Voorz. Kh. Ieper 22 december 2000), TRV 2001, 47 e.v.). Een dergelijke vordering moet in een conflictuele sfeer gesitueerd worden tussen een (minderheids)aandeelhouder en de vennootschap, vertegenwoordigd door haar bestuursorgaan, die in een vertrouwenscrisis verkeert met deze minderheidsaandeelhouder, bv. omdat er geen of onvoldoende informatie vrijgegeven wordt over de (financiële) toestand binnen de vennootschap of omdat het bestuursorgaan er door deze minderheidsaandeelhouder van verdacht wordt de vennootschap slecht te besturen, met miskenning van het vennootschapsbelang of door behartiging van het eigen belang.

Deze maatregel is in beginsel dan ook geënt op een situatie waarin een zittend bestuur gewantrouwd wordt door de (minderheids)aandeelhouder. Meer in het bijzonder moet er minstens sprake zijn van dreigend gevaar voor de belangen van de vennootschap en moeten aanwijzingen hiervan worden aangedragen door de partij die het vennootschapsrechtelijk onderzoek vordert. De bedoeling van een dergelijke onderzoeksmaatregel is de gevolgen te beperken van een slecht of oneerlijk bestuur, door de fouten aan het licht te laten komen op een ogenblik dat er nog kan worden bijgestuurd of ingegrepen.

Ook de symboolwaarde en de signaalfunctie van de eis strekkende tot het bevelen van vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek spelen in bepaalde gevallen mee. De (minderheids)aandeelhouder geeft hiermee concrete juridische gestalte aan zijn ongenoegen, zodat het instellen van deze eis de facto een motie van wantrouwen oplevert ten aanzien van het gevoerde bestuur.

Bij dit alles speelt de centrale overweging dat niet om het even welke onrechtmatigheid de aanstelling van een deskundige op grond van art. 168 W.Venn. rechtvaardigt: het normaal functioneren van de vennootschap moet in het gedrang zijn.

4.2.3. In dat verband dient te worden opgemerkt dat eisers ten aanzien van het bestuur als zodanig geen afdwingbaar subjectief recht op antwoord op de door hen ingediende (en initieel aan de toenmalige commissaris overhandigde) vragenlijst kunnen laten gelden.

Alleszins kunnen eisers geen rechtens relevante middelen putten uit de beweerde miskenning van hun vraagrecht buiten het raam van de algemene vergadering(en) van aandeelhouders. Bestuurders zijn immers niet verplicht om te antwoorden op vragen buiten de algemene vergadering (H. Braeckmans, “Het vraagrecht van de aandeelhouder in de algemene vergadering” in Liber amicorum Lucien Simont, Brussel, Bruylant, 2002, p. 534, nr. 15). In dat verband zij opgemerkt dat het vraagrecht moet worden uitgeoefend op de algemene vergadering zelf, d.w.z. dat de vragen moeten worden gesteld tijdens deze vergadering, gedurende het debat dat wordt gehouden in de loop van de algemene vergadering (Kh. Dendermonde 18 april 2012, RW 2013-14, 714). De finaliteit van het vraagrecht, dat kadert in de ruimere controlerechten die aan elke aandeelhouder toekomen, bestaat immers in de informatieverschaffing van de aandeelhouder, die in staat moet worden gesteld met kennis van zaken deel te nemen aan de beraadslaging en de stemming over de agendapunten van de bewuste algemene vergadering. De uitoefening van het vraagrecht kan bepalend zijn voor het stemgedrag van de betrokken aandeelhouder, maar kan daarnaast ook een dynamiek op gang brengen tijdens de bewuste algemene vergadering, waardoor eventueel ook het (stem)gedrag van andere aandeelhouders wordt beïnvloed. Het vraagrecht geldt overigens als accessorium van het vergaderings- en deelnamerecht van de algemene vergadering (A. Francois, K. Byttebier, J. Fastenaekels, T. Van De Gehuchte en L. Vandenbempt, “Omgaan met conflicten in vennootschappen: regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling” in Omgaan met conflicten in de vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009, 20).

Uit de stukken blijkt dat de vragen(lijst) pas op de algemene vergadering van aandeelhouders gehouden op 10 juni 2013 voorgelegd werd(en) aan de raad van bestuur, waarbij de bewuste lijst ook aangehecht werd aan de notulen van de betreffende algemene vergadering.

Dat het zittend bestuur van verweerster de door eisers voorgelegde vragen(lijst) tot op heden nog niet zou hebben beantwoord (zie evenwel infra, gelet op de algemene vergadering van 15 januari 2014), vormt bovendien ook geen reden om ipso facto te besluiten tot de gegrondheid van de vordering van eisers, de vraag buiten beschouwing latend in welke mate het betreffende bestuur onzorgvuldig of foutief handelt door geen tijdig antwoord te verschaffen op de alsdan gestelde vragen of ingediende vragenlijst.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, net als in het gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek, het subsidiariteitsbeginsel niet genegeerd of veronachtzaamd worden. Dit houdt in dat een vennoot vooraf zijn rechten moet geldend maken langs andere (minder ingrijpende) weg, bv. door minnelijke verzoeken tot het verkrijgen van bepaalde informatie of stukken te richten aan de vennootschap of door zijn individuele onderzoeksrechten als vennoot uit te oefenen en zijn prerogatieven als aandeelhouder vooraf uit te putten.

Het is evenwel duidelijk dat de vordering van de eisers op gespannen voet staat met het voornoemde beginsel, aangezien – gelet op het feit dat geen commissaris meer is aangesteld – eisers zelf hun individueel controle- en onderzoeksrecht kunnen uitoefenen (zie in dat verband ook: Kh. Luik 21 januari 2005, JDSC 2006, 170). Deze controle- en onderzoeksbevoegdheid, waarvan de reële uitoefening een voorbeeld is van aandeelhoudersactivisme en die in de regel zonder enige rechterlijke tussenkomst mogelijk is, is evenzeer een adequate (in essentie bewijsvergarende) maatregel, ter voorbereiding van eventuele andere – meer verregaande – actiemiddelen, zoals de geschillenregeling, de eis tot nietigverklaring, de eis tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, de actio mandati of minderheidsvorderig e.d.m. (zie voorts ook: A. Francois, K. Byttebier, J. Fastenaekels, T. Van De Gehuchte en L. Vandenbempt, “Omgaan met conflicten in vennootschappen: regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling” in Omgaan met conflicten in de vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009, 52).

In weerwil van wat eisers in hun conclusies beweren, is de rechtbank niet overtuigd van de – volgens hen – reeds ondernomen pogingen om hun individueel controle- en onderzoeksrecht te laten honoreren. De enige mogelijke conclusie luidt dan ook dat – tot nader order – door eisers geen noemenswaardige pogingen werden ondernomen om hun individueel controle- en onderzoeksrecht daadwerkelijk uit te oefenen. Alleszins volstaat het niet om een louter passieve of afwachtende houding aan te nemen, waarbij enkel en alleen een serie vragen wordt gesteld aan het bestuur. De vennoten moeten zelf “op het terrein” de volgens hen vereiste onderzoeksdaden stellen. Pas als er nadien onduidelijkheden rijzen, kunnen zij opheldering en toelichting vragen aan het bestuur. Het gaat alleszins niet op dat de aandeelhouders nauwelijks inspanningen leveren en de praktische uitoefening van hun onderzoeks- en controlerechten zomaar op het bestuur afwentelen. Bij het laten gelden van het onderzoeks- en controlerecht dient ook toepassing te worden gemaakt van het proportionaliteitscriterium: de concrete uitoefening van voornoemde rechten mag het goed functioneren van de vennootschap immers niet verstoren of hinderen en mag voorts ook geen onevenredige last meebrengen voor de vennootschap.

Zelfs niet in eerste instantie op schadevergoeding gerichte vorderingen, zoals de onderzoeksmaatregel die eisers beogen, kunnen de werking van de vennootschap ernstig verstoren en wakkeren niet zelden nog meer het conflict aan. Hier zij nog aan toegevoegd dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat de daadwerkelijke uitoefening van het onderzoeks- en controlerecht van de aandeelhouders/eisers onmogelijk zou worden gemaakt door verweerster of haar zittende bestuurders, c.q. de leden van het orgaan van bestuur en vertegenwoordiging van verweerster.

Aanwijzingen, laat staan bewijzen van obstructie, verhindering of het boycotten van het onderzoeks- en controlerecht van eisers als aandeelhouders ontbreken. Het dossier van verweerster bevat een schrijven, ondertekend door de voltallige (actuele) raad van bestuur van verweerster, waarin een nadrukkelijk aanbod wordt gedaan aan de huidige eisers, om het controlerecht ter plaatse op de zetel te komen uitoefenen.

Bijkomend dient door de rechtbank te worden vastgesteld dat het gros van de vragen die eisers hebben, boekhoudkundige bewerkingen en operaties betreffen (omzetcijfers, details van boekingen, omvang van de schuld, stand rekening-courant, detail afrekeningen, ...), die per definitie vrij eenvoudig kunnen worden vastgesteld bij inzage van de boekhouding. Ook de (bewijs- en verantwoordings)stukken waarvan eisers melding maken in hun vragenlijst, kunnen per definitie worden aangetroffen op de zetel van de vennootschap en kunnen door de eisers ook effectief ingezien worden ter gelegenheid van de uitoefening van hun controlerechten. De vennoot kan in het raam van deze rechten – in beginsel – immers op elk ogenblik ter plaatse inzage nemen van de boeken, brieven, notulen en in het algemeen van alle documenten en geschriften van de vennootschap. Bovendien kan hij van het bestuursorgaan (dan wel van de gemachtigden en van de aangestelden van de vennootschap) alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hij nodig acht.

Een en ander geldt a fortiori voor eisers, die niet (kunnen) betwisten dat zij, vanuit hun professionele hoedanigheid (zij zijn elk IAB-lid, zo blijkt ook uit de stukken die verweerster in dat verband heeft neergelegd), meer dan voldoende technische bagage en expertise hebben om zelf met kennis van zaken de boekhouding en andere nuttige bescheiden van de vennootschap te onderzoeken. Bijkomend gegeven is dat eisers voordien bestuursmandaten hebben uitgeoefend in verweerster, zodat zij vermoedelijk zelf actief mee betrokken werden bij een aantal beslissingen, waaromtrent zij thans vragen stellen.

Op de zitting van 23 januari 2014 heeft verweerster, in de persoon van haar raadsman, trouwens een aanvullend stuk neergelegd. Het betreft de notulen van de bijzondere algemene vergadering van verweerster, gehouden op 15 januari 2014. Uit de inhoud van deze notulen blijkt dat verweerster in de persoon van de leden van haar actuele raad van bestuur, een – zij het eerder summier – antwoord heeft verschaft op de bewuste onderscheiden vragen van eisers. Aan deze antwoorden is ook een bijlage gehecht met een groot aantal (weliswaar niet afzonderlijk geïnventariseerde) verantwoordings- en stavingstukken.

Onverminderd wat hierboven is overwogen, blijkt dus dat verweerster – wellicht ingevolge de procedurele initiatieven genomen door eisers – minstens tot op zekere hoogte gevolg heeft gegeven aan het verzoek van eisers. Ook dit gegeven neemt de rechtbank mee in overweging.

4.2.4. Ten slotte stelt de rechtbank bij studie van de onderscheiden stavingsstukken ook vast dat de vennootschap (huidige verweerster) geen enkele activiteit meer ontplooit (zie de notulen van de algemene vergadering van 10 juni 2013, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat geen activiteit meer wordt geambieerd en de cijfers in discontinuïteit opgesteld worden), zodat per definitie ook geen toekomstige exploitatieverliezen meer te vrezen vallen.

Het staat vast dat het vereffeningsscenario zich in feite opdringt, zij het dat blijkbaar geen van de aandeelhouders aanstalten maakt om ook daadwerkelijk tot vereffening over te gaan. Bij de rechtbank is ook geen eis tot ontbinding en vereffening van de vennootschap aanhangig.

Voorts nemen eisers evenmin het initiatief om zichzelf als kandidaat voor het bestuur voor te stellen (zie de betreffende notulen van de algemene vergaderingen van aandeelhouders die zich in het dossier van verweerster bevinden), teneinde een koerswijziging teweeg te brengen of een – spreekwoordelijke – nieuwe wind in het beleid en bestuur van de vennootschap te laten waaien.

De vraag buiten beschouwing latend of eisers met hun vordering hun eigen financieel belang laten doorwegen op het vennootschapsbelang (zoals geopperd wordt door verweerster in conclusies), is de ratio legis voor het toekennen van een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek kennelijk niet voorhanden.

4.2.5. Niet alleen (of niet zozeer) het subsidiariteitsbeginsel inzake vennootschapsrechtelijke actiemiddelen, maar ook het subsidiariteitsbeginsel dat in het proces- en bewijsrecht geldt, staat op gespannen voet met de vordering van eisers. Met gerechtelijke procedures dient zorgvuldig te worden omgesprongen. Dit geldt a fortiori voor procedures waarin (enkel en alleen) expertises gevorderd worden. Een expertise brengt immers aanzienlijke kosten mee, vertraagt de procedure en draagt bij tot de gerechtelijke achterstand (M. Castermans, De hervorming van het deskundigenonderzoek, Gent, Story Publishers, 2007, 12-13).

Dat het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek de rechtsgrond put uit het Wetboek van Vennootschappen en niet uit het Gerechtelijk Wetboek (dat het gemene recht inzake deskundigenonderzoeken bevat), doet aan het voorgaande geen afbreuk.

Enkel indien aannemelijk gemaakt wordt dat het volstrekt onmogelijk is om bepaalde bewijzen te vergaren, d.w.z. indien het bestaan van daadwerkelijke “bewijsnood” is aangetoond, kan de rechter een helpende hand uitsteken door onderzoeksmaatregelen te bevelen, die vervolgens onder zijn toezicht worden uitgeoefend.

De loutere wens van eisers dat een onafhankelijke instantie (namelijk een door de rechtbank aangestelde deskundige) de financiële toestand van de vennootschap zou onderzoeken, levert geen voldoende verantwoording op voor de gevorderde maatregel in rechte, die onmiskenbaar in een conflictuele sfeer baadt. In het burgerlijk proces- en bewijsrecht geldt immers het beginsel van de zgn. partijwerkzaamheid. Dit houdt in dat partijen het nodige moeten doen om onderzoeksmaatregelen zoveel als mogelijk overbodig te maken. Partijen moeten zelf de nodige inspanningen leveren om de bewijslevering te faciliteren (B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 426, nr. 118). Dit impliceert ook dat de partij die een expertise vordert (zij het, zoals thans het geval is, een specifiek vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek), in eerste instantie zelf haar bewijslast moet vervullen en niet blindelings haar toevlucht kan nemen tot een procedure strekkende tot het bevelen van een gerechtelijke expertise. Een dergelijke expertise heeft trouwens niet als finaliteit het dossier van een partij te stofferen en zo te remediëren aan een falende of niet diligent uitgevoerde bewijsopdracht van een partij, zeker indien blijkt dat deze partij in staat geacht mag worden haar beweringen of aanspraken op een andere wijze te staven (zie o.a.: Pol. Brugge 16 september 2011, RW 2011-12, 1310).

Bovenstaande beschouwingen sporen volledig met de uitoefening van het individueel controle- en onderzoeksrecht van de aandeelhouders, die ook een eigen actieve inspanning van de geïnteresseerde aandeelhouders vergt.

4.2.6. De vordering van eisers wordt dan ook als ongegrond afgewezen.

Commentaar: 

Opsomming van de vrije beroepen

Agenten en makelaars in bankdiensten
Verzekeringsagenten en verzekeringsmakelaars
Risico-analysten en schadetaxateurs
Bemiddeling in onroerend goed
Schatten en evalueren van onroerend goed
Vertalers en tolkenAgenten en makelaars in bankdiensten
Verzekeringsagenten en verzekeringsmakelaars
Risico-analysten en schadetaxateurs
Bemiddeling in onroerend goed
Schatten en evalueren van onroerend goed
Vertalers en tolkeneroepen:
Advocaten
Notarissen
Gerechtsdeurwaarders
Apotheken
Huisartsen
Medische specialisten
Tandartsen
Geestelijke gezondheidsverzorgers zoals psychologen
Ambulante revalidatieactiviteiten
Verpleegkundige activiteiten
Activiteiten van vroedvrouwen
Overige menselijke gezondheidszorg, n.e.g.
Veterinaire diensten
 

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 15/02/2015 - 16:12
Laatst aangepast op: do, 03/09/2015 - 11:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.