-A +A

Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zijn niet vatbaar voor hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep.

Deze bepaling is ook van toepassing in strafzaken.

Dergelijke beslissingen of maatregelen van inwendige aard zijn de beslissingen of de maatregelen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen.

Het stellen van prejudiciële vragen (bv. aan het Hof van Justitie) is een beslissing die geen onmiddellijk nadeel berokkent aan een van de partijen, voor zover niet blijkt dat de rechters daarbij reeds uitspraak hebben gedaan over een geschil van feitelijke of juridische aard of daarover reeds een beslissing hebben gewezen.

Dat de beslissingen van het Hof dat zich dient uit te spreken over de prejudiciële vraag gevolgen kunnen hebben voor de beslechting van het geschil ten gronde en door hun bindende kracht eventueel nadelig kunnen zijn voor een van de partijen, wijzigt niet de aard van de beslissing die de prejudiciële vraag heeft gesteld. Die beslissing zelf schaadt de partijen niet. Het is dus geen beslissing alvorens recht te doen in de zin van de artikelen 19, tweede lid, en 1050 Gerechtelijk Wetboek, maar uitsluitend een beslissing van inwendige aard in de zin van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek.
 

Rechtspraak:

• Cassatie 30 maart 2010 (juridat) en RW 2010-2011, 618.
 

Rechtsleer:

• E. Baeyens en J. Van Doninck, Cassatie verwerpt hoger beroep tegen beslissing om prejudiële vraag te stellen, Juristenkrant 29 september 2010, nr. 214, pagina 1.

Rechtspraak: 

Hof van Beroep te Gent, 7e Kamer – 6 september 2010, RW 2012-2013 1187

L.G. en P.L. t/ B.J.-P.

...

5. Art. 1046 Ger.W. bepaalt: “Beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep”.

Elke beslissing over een feitelijk of juridisch geschil is vatbaar voor hoger beroep. Elke beslissing van de rechter waarmee hij of zij zijn of haar rechtsmacht uitput, maakt in principe een eindbeslissing uit, die voor hoger beroep vatbaar is (Cass. 27 mei 1975, Pas. 1975, I, 922; Cass. 3 oktober 1983, RW 1984-85, 752; Cass. 22 februari 1990, Pas. 1990, I, 733; Cass. 9 januari 1998, AJT 1999-2000, 665, noot P. Taelman, P&B 1998, 220, noot E. Brewaeys; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, 2e ed., Luik, 1987, p. 496, nr. 743, met verwijzing).

Zodra de beslissing voor één van de partijen rechtstreeks grievend is, gaat het niet meer om een maatregel van inwendige aard (B. Maes, Overzicht van gerechtelijk privaatrecht, Brugge, die Keure, 1996, 161).

6. De vraag moet bijgevolg worden beantwoord of de eerste rechter een uitspraak deed over een feitelijk of juridisch geschil en of de beslissing rechtstreeks grievend is voor met name appellanten.

De eerste rechter heeft als volgt geoordeeld in het hier bestreden vonnis: “Voor een goede rechtsbedeling is het raadzaam dat deze rechtbank in kennis zou worden gesteld van het te vellen arrest van het hof van beroep in de oudere zaak. Het past dan ook het debat ambtshalve te heropenen teneinde partijen in staat te stellen het nodige te doen, nadat zij eventueel verder hebben geconcludeerd”.

Voorafgaandelijk aan deze overwegingen beschrijft de eerste rechter de vorderingen van de partijen en zet hij een aantal feiten uiteen. Deze feitelijke uiteenzetting beschrijft enkel de eerste procedure die appellanten en de BVBA O. tegen geïntimeerde voerden en de tweede procedure die hangende was tussen appellanten en de BVBA O. en geïntimeerde en die aanleiding gaf tot een arrest van deze kamer van 29 maart 2010.

Uit het citaat blijkt dat de eerste rechter niet zonder meer een uitstel verleende, in de zin van art. 1046 Ger.W., maar dat er gevraagd werd naar een stuk, waarmee de rechtbank eventueel rekening kon houden in haar uitspraak, nadat de partijen er in voorkomend geval een standpunt over hadden ingenomen.

Door aldus te oordelen heeft de eerste rechter meer dan tot een louter uitstel beslist. De partijen zijn uitgenodigd om niet alleen te wachten op een uitspraak van het hof van beroep, die in principe een weerslag zou kunnen hebben op de zaak die hangende was in eerste aanleg. Daarenboven zijn zij uitgenodigd om een standpunt in te nemen over het arrest dat zal worden geveld.

De beslissing van de eerste rechter maakt het mogelijk dat de betwisting een andere wending krijgt. Dit vormt een impliciete juridische beslissing, zij het dat zij vooralsnog slechts een geringe weerslag heeft. Ook al wordt er nog niet bepaald welke de implicaties van het af te wachten arrest zijn, het feit dat erop gewacht wordt en dat de mogelijkheid tot argumentatie erover gegeven wordt, vormt een beslissing die de toestand van de partijen in het geding beïnvloedt en derhalve rechtstreeks grievend kan zijn.

Bijgevolg is de beslissing van de eerste rechter geen maatregel of beslissing van inwendige aard en is zij vatbaar voor hoger beroep (zie ook: Cass. 18 maart 2003, www.cass.be; contra: Cass. 29 november 2007, www.cass.be – zij het dat in dit laatste arrest het Hof over een andere feitelijke situatie oordeelde dan de voorliggende. In die zaak ging het om het afwachten van de beslissing inzake de bevrijding van een kosteloze borg van zijn verbintenissen (art. 80 Faill.W.) en de beslissing ten gronde over het al dan niet gegrond zijn van de vordering tot betaling door de borg. In de voorliggende zaak zijn voorwerp en oorzaak in de beide procedures gelijk. Enkel één partij is niet betrokken in de zaak waartegen het huidige beroep is ingesteld).


Cassatie 26/05/2003 juridat

Samenvatting 

Art. 1046, Ger.W. bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals uitstel, niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep; die regel is echter alleen van toepassing op de beslissingen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen zie ook: Cass., 3 okt. 1983, AR 6764, nr 59.

Tekst arrest

Nr. S.02.0118.F.-
D. G.,
tegen
CREDIMATIC.
I. Bestreden beslissing

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddelen
Eiser voert twee middelen aan :

1. Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 616, 1044, 1045, 1050 en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen en redenen
Op het hoofdberoep dat eiser heeft ingesteld tegen het vonnis alvorens recht te doen van 18 april 1994 waarbij ambtshalve de heropening van de debatten werd bevolen, beslist het arrest "dat genoemd hoger beroep, in de bewoordingen waarin het thans is gesteld, niet ontvankelijk is". Het beslist aldus op de volgende gronden :"uit het onderling verband tussen de artikelen 1050 en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat tegen het vonnis alvorens recht te doen, na de tenuitvoerlegging ervan, niettemin hoger beroep mogelijk is, voor zover dat rechtsmiddel samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis wordt ingesteld ;
dat is te dezen niet het geval, aangezien geen enkel eindvonnis is uitgesproken en het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 18 april 1994, dat door de partijen en te dezen door (eiser) ten uitvoer is gelegd, samen met het hoger beroep tegen een tweede vonnis alvorens recht te doen is ingesteld".

Grieven

1.1. Eerste onderdeel

Daar artikel 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis", kan tegen een beslissing alvorens recht te doen hoger beroep worden ingesteld zodra die beslissing is uitgesproken.

Buiten de in de artikelen 1043 tot 1046 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde wettelijke beletselen, bestaat de mogelijkheid van hoger beroep tegen zodanige beslissing in beginsel gedurende dertig jaar zolang de in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde appèltermijn niet verstreken is.

Buiten het in artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde geval van beslissingen inzake bevoegdheid, bestaat er geen enkele wettelijke verplichting om het eindvonnis af te wachten alvorens hoger beroep te kunnen instellen tegen een vonnis alvorens recht te doen.

Opdat het geschil in zijn geheel aan de appèlrechter zou kunnen worden voorgelegd, heeft de wetgever in artikel 1055 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald dat, zodra het eindvonnis is uitgesproken, enerzijds, het recht om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis alvorens recht te doen dat nog altijd kan worden ingesteld

- ofwel omdat het vonnis niet is betekend, ofwel omdat er niet is in berust - moet worden uitgeoefend ten laatste op het ogenblik waarop het hoger beroep tegen het eindvonnis wordt ingesteld, en, anderzijds, dat het recht om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis alvorens recht te doen, dat om de een of de andere reden niet langer bestaat, herleeft naar aanleiding van de uitspraak van het eindvonnis en blijft bestaan uiterlijk tot tegen laatstgenoemde vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

Uit het geheel van die regels volgt dat het hoger beroep van een partij tegen een vonnis alvorens recht te doen, dat zij onder alle voorbehoud ten uitvoer gelegd heeft, kan worden ingesteld vanaf de uitspraak van dat vonnis, zonder dat zij moet wachten op het eindvonnis, dat voor die partij alleen de verplichting met zich brengt om dat hoger beroep ten laatste samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis in te stellen.

Daaruit volgt dat het arrest, door het hoger beroep van eiser tegen het vonnis alvorens recht te doen van 18 april 1994 niet ontvankelijk te verklaren op grond dat eiser tegen het door hem ten uitvoer gelegde vonnis geen hoger beroep kan instellen tenzij voor zover hij dit hoger beroep tegelijkertijd instelt met dit tegen het eindvonnis, niet naar recht verantwoord is, aangezien het vonnis alvorens recht te doen te dezen geen beslissing inzake bevoegdheid was en dus vatbaar was voor hoger beroep vanaf de uitspraak, zulks niettegenstaande het feit dat het onder alle voorbehoud ten uitvoer gelegd is (schending van de artikelen 616, 1050 en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek).

1.2. Tweede onderdeel

Zelfs in de veronderstelling dat het arrest uit de tenuitvoerlegging van het vonnis alvorens recht te doen door eiser impliciet zou hebben afgeleid dat laatstgenoemde in dat vonnis heeft berust quod non dan nog moet worden vastgesteld dat hij te dezen tegen het vonnis alvorens recht te doen nog altijd hoger beroep kon instellen v&§972;&§972;r de uitspraak van het eindvonnis.

Artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers dat berusting in een beslissing, die gelijkstaat met de afstand die een partij doet van de rechtsmiddelen waarover zij beschikt, alleen kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing. De berusting door een partij kan derhalve niet worden afgeleid uit het enkele feit dat die partij de beslissing ten uitvoer heeft gelegd en zodanige berusting is in elk geval uitgesloten wanneer die partij, toen ze de beslissing onder alle voorbehoud ten uitvoer legde, zich uitdrukkelijk het recht voorbehield de rechtsmiddelen aan te wenden waarover zij beschikt.

Te dezen heeft eiser, na de beslissing alvorens recht te doen van 18 april 1994 waarbij de heropening van de debatten werd bevolen, "onder alle voorbehoud" een zittingsnota neergelegd waardoor hij zich uitdrukkelijk het recht van hoger beroep tegen die beslissing voorbehield ; althans heeft (hij), door in die nota op te merken "dat de toelichting die hij had verstrekt in zijn hoofd- en aanvullende conclusie antwoordt op de door de rechtbank gestelde vragen", niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze zijn instemming betuigd met de beslissing van de Arbeidsrechtbank te Bergen om de debatten te heropenen.

Daaruit volgt dat het arrest, aangezien het beslist dat eiser geen hoger beroep meer kan instellen tegen het vonnis alvorens recht te doen nadat hij het ten uitvoer gelegd heeft, tenzij hij, met toepassing van artikel 1055 van het Gerechtelijk Wetboek, dat hoger beroep samen instelt met het hoger beroep tegen het eindvonnis, en, aangezien het, na te hebben vastgesteld dat geen dergelijk vonnis was uitgesproken, het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 18 april 1994, in de bewoordingen waarin het thans is gesteld, niet ontvankelijk verklaart, niet naar recht is verantwoord omdat de bodemrechter uit de omstandigheid dat eiser het vonnis onder uitdrukkelijk voorbehoud ten uitvoer gelegd heeft, niet kan afleiden dat hij in dat vonnis heeft berust (schending van de artikelen 1044, 1045, 1050 en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek).

2. Tweede middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen en redenen

Op het hoofdberoep van eiser tegen het vonnis van 25 (lees : 20) februari 1995 verklaart het arrest dat hoger beroep eveneens niet ontvankelijk op grond dat "dit (het vonnis) kennelijk een beslissing of maatregel van inwendige aard is in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek ; de door (eiser) aangevoerde rechtspraak van het Hof van Cassatie is geenszins in strijd met de in die bepaling vervatte regel, aangezien de betwiste beslissing in de aan het toezicht van het Hof onderworpen zaak, in tegenstelling tot onderhavige zaak, een beslissing inhield, daar zij verklaarde dat een van de partijen het bewijs niet had geleverd van de gegrondheid van haar eis ; dat is te dezen niet het geval, daar het vonnis a quo zich ertoe beperkt heeft de uitspraak aan te houden om redenen waarvan geen enkele een beslissing inhield, zodat het wel degelijk een maatregel van inwendige aard betreft".

Grieven

De beslissing waarbij een zaak sine die wordt verdaagd is vatbaar voor hoger beroep als zij een geschil van feitelijke of juridische aard beslecht.

Na eraan te hebben herinnerd dat het eiser heeft verzocht om nauwkeurige rekeningen op te maken en na te hebben vastgesteld dat de door eiser te dien einde neergelegde zittingsnota de rechtbank daaromtrent niet méér informatie verschafte, zodat hij moest worden uitgenodigd om zijn eis nauwkeuriger te omschrijven waardoor de zaak nog altijd niet in staat van wijzen was, beslist het beroepen vonnis van 25 (lees : 20) februari 1995 de uitspraak aan te houden en de zaak naar de bijzondere rol te verwijzen "na alle andere, meer omstandige of andersluidende conclusies als niet gegrond te hebben verworpen". Aldus beslecht dat vonnis het geschil betreffende de stand van de zaak en beveelt het een verdaging waartegen eiser zich verzette met het in zijn zittingsnota voor de rechtbank aangevoerde argument "dat de toelichting die hij had verstrekt in zijn hoofd- en aanvullende conclusie antwoordt op de door de rechtbank gestelde vragen" waardoor hij aangaf alle gegevens te hebben verstrekt die de rechtbank nodig had om hem de bedragen, zoals hij ze in zijn conclusie had begroot, toe te kennen en de beslissing van de rechtbank van 18 april 1994 om de debatten te heropenen althans betwistte.

Bijgevolg is het arrest, door het hoger beroep van eiser tegen het vonnis van 25 (lees : 20) februari 1995 niet ontvankelijk te verklaren op grond dat het hier een maatregel van inwendige aard betreft waarbij de zaak alleen maar wordt verdaagd zonder dat een geschil wordt beslecht, niet naar recht verantwoord, daar de rechtbank, door (voornoemd) vonnis van 25 (lees : 20) februari 1995, haar rechtsmacht over het geschil betreffende de stand van de bij haar aanhangige zaak volledig heeft uitgeoefend (schending van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek).

IV. Beslissing van het Hof

Het eerste middel :

Beide onderdelen samen :

Overwegende dat, enerzijds, krachtens artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de stilzwijgende berusting in de rechterlijke beslissing alleen kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing ;

Dat eiser, na het bestreden vonnis van 18 april 1994 waarbij de heropening van de debatten is bevolen, "onder alle voorbehoud" een nota heeft neergelegd waarin hij aanvoerde dat "de toelichting die hij had verstrekt in zijn hoofd- en aanvullende conclusie", namelijk die welke hij v&§972;&§972;r de uitspraak van dat vonnis had genomen "antwoordt (antwoordde) op de door de rechtbank gestelde vragen" en dat uit "het onderzoek van het dossier", dat hij eveneens v&§972;&§972;r die uitspraak had overgelegd, "bleek dat de eindejaarspremies (waren) gestort" ;

Dat het arrest, uit het feit dat eiser voornoemd vonnis onder voorbehoud ten uitvoer gelegd had en daarbij impliciet het nut van de bevolen heropening van de debatten had betwist, niet wettig heeft kunnen afleiden dat eiser in dat vonnis had berust en dat derhalve zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet ontvankelijk was ;

Overwegende dat, anderzijds, het arrest niet zonder de artikelen 1050 en 1055 van het Gerechtelijk Wetboek te schenden, krachtens welke artikelen tegen een beslissing alvorens recht te doen in de regel hoger beroep mogelijk is, ofwel onmiddellijk, ofwel samen met het eindvonnis, heeft kunnen beslissen dat het hoger beroep van eiser tegen hetzelfde vonnis van 18 april 1994 niet ontvankelijk was op grond van het feit dat de eerste rechter niet definitief over het geschil had beslist ;
Dat het middel gegrond is ;

Over het tweede middel :

Overwegende dat, volgens artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, beslissingen of maatregelen van inwendige aard niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep ; dat die bepaling alleen van toepassing is op de beslissingen waarbij de rechter geen geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen ;

Overwegende dat uit de motivering van het bestreden vonnis van 20 februari 1995 blijkt dat de eerste rechter heeft beslist dat, in strijd met wat eiser aanvoerde, de door hem overgelegde gegevens geen voldoende bewijs opleverden van de gegrondheid van zijn eis en dat hij moest worden uitgenodigd om er andere voor te leggen, zodat, daar de zaak niet in staat van wijzen was, de rechter de uitspraak diende aan te houden en de zaak naar de bijzondere rol diende te verwijzen ;

Dat de eerste rechter aldus zijn mening te kennen heeft gegeven over het geschil met betrekking tot de bewijswaarde van de door eiser reeds overgelegde gegevens ; dat die mening nadeel kon berokkenen aan laatstgenoemde ;

Dat het arrest, derhalve, de beslissing waarbij het hoger beroep van eiser tegen dat vonnis niet ontvankelijk wordt verklaard, niet naar recht verantwoordt ;

Dat het middel gegrond is ;

En overwegende dat de vernietiging van de beslissing over de ontvankelijkheid van het hoofdberoep zich uitstrekt tot die betreffende de ontvankelijkheid van het tegenberoep en zulks ingevolge het door het arrest tussen beide beslissingen gelegde verband ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 01/10/2010 - 15:58
Laatst aangepast op: do, 21/04/2016 - 11:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.