-A +A

Begin van Bewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

(uittreksel uit het artikel 1347 tweede lid burgerlijk Wetboek).

Rechtspraak: 

• Cassatie 5 januari 2007, RW 2010-2011, 60:

De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze of de hem voorgelegde akte het beweerde feit waarschijnlijk maakt en derhalve als een begin van bewijs door geschrift moet worden beschouwd. Het Hof is bevoegd na te gaan of de rechter dat wettelijk begrip niet heeft miskend.

Het arrest stelt vast dat de eiser «de fotokopie van 72 wisselbrieven – waarvan de meeste dagtekenen van vóór het jaar 1983 en die bijgevolg geen betrekking hebben op het onderhavige geschil – overlegt. Die wisselbrieven zijn onvolledig (ze bevatten geen enkele vermelding betreffende de trekker, de datum en de plaats van uitgifte van de wissel) en zijn niet aangeboden».

Door te vermelden dat «de aanvaarding van die titels niet bewijst dat de (eisers) de beweerde betalingen hebben verricht», beslist het arrest op grond van een feitelijke beoordeling van de door het hof van beroep vastgestelde elementen dat de litigieuze stukken de beweerde betalingen niet waarschijnlijk maken.

Het arrest heeft dus wettig kunnen beslissen, enerzijds, dat die stukken geen begin van bewijs door geschrift vormden, en heeft daaruit, anderzijds, kunnen afleiden dat het grafologisch onderzoek en de persoonlijke verschijning van de partijen waarom de eisers hadden verzocht «volkomen irrelevant waren».

Het middel kan niet worden aangenomen.

• Cassatie 18/09/2015, RW 2016-2017, 1059

samenvatting

Art. 1347, tweede lid BW beschouwt als begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Om als een waarschijnlijk feit in aanmerking te worden genomen, is het niet voldoende dat het feit mogelijk lijkt; het moet een schijn van waarheid bevatten.

Tekst arrest

AR nr. C.14.0488.F

M.-J. S. t/ M.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 11 februari 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Art. 1347, tweede lid BW beschouwt als begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Hoewel de rechter in feite beoordeelt of de hem voorgelegde akte het aangevoerde feit waarschijnlijk maakt en derhalve een begin van bewijs door geschrift vormt, is het Hof bevoegd om na te gaan of de rechter het wettelijk begrip waarschijnlijkheid niet heeft miskend.

Om als een waarschijnlijk feit in aanmerking te worden genomen, is het niet voldoende dat het feit mogelijk lijkt; het moet een schijn van waarheid bevatten.

Het arrest stelt vast dat de verweerster een stuk overlegt volgens welk de eiseres verklaart “ik, ondergetekende [...] zie af van de koop van het terrein gelegen te ... , straat ... te M., eigendom van [de verweerster]” en vermeldt dat de eiseres aldus heeft gepreciseerd dat zij van de litigieuze koop afzag “zonder de minste verwijzing naar de terugbetaling van het voorschot van 23.000 euro”.

Het arrest oordeelt op grond van die vermeldingen dat het voormelde stuk “kan worden uitgelegd als een begin van bewijs door geschrift van het standpunt van [de verweerster] volgens welk zij dat bedrag wel degelijk heeft terugbetaald”.

Het arrest, dat de waarschijnlijkheid van de terugbetaling van het voorschot van 23.000 euro door de verweerster afleidt uit het feit dat die terugbetaling niet in voornoemd geschrift wordt vermeld, miskent het begrip waarschijnlijkheid in de zin van art. 1347, tweede lid BW en schendt bijgevolg die bepaling.

Het onderdeel is gegrond.

...
 

Wetgeving: 

overige relevante wetegving met betrekking tot het begin van bewijs:

uittreksels uit het burgerlijk wetboek:

Art. 1320. De akte, zij het een authentieke of een onderhandse, levert tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin slechts bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking. Vermeldingen buiten verband met de beschikking kunnen alleen dienen tot begin van bewijs.
 

Art. 1335. _ Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer bestaat, leveren de afschriften bewijs op naar de volgende onderscheidingen :
1° De grossen of eerste uitgiften hebben dezelfde bewijskracht als het origineel; hetzelfde geldt voor afschriften die gemaakt zijn op rechterlijk gezag, in tegenwoordigheid van de partijen of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, of voor afschriften die gemaakt zijn in tegenwoordigheid van de partijen en met hun wederzijdse toestemming;
2° De afschriften die niet op rechterlijk gezag, of zonder toestemming van de partijen, en sinds het afgeven van de grossen of eerste uitgiften, volgens de minuut van de akte gemaakt zijn door de notaris voor wie de akte is verleden, of door een van zijn opvolgers, of door openbare ambtenaren die, als zodanig, de minuten in bewaring hebben, kunnen, ingeval het origineel is verloren gegaan, bewijs opleveren, wanneer het oude afschriften zijn;
Zij worden als oude afschriften beschouwd, wanneer zij meer dan dertig jaar oud zijn;
Indien zij minder dan dertig jaar oud zijn, kunnen zij slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;
3° Wanneer de afschriften van de minuut van een akte gemaakt zijn door anderen dan de notaris voor wie de akte is verleden, of een van zijn opvolgers, of openbare ambtenaren die, als zodanig, de minuten in bewaring hebben, kunnen die afschriften, hoe oud zij ook zijn, slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;
4° Afschriften van afschriften kunnen, naar gelang van de omstandigheden worden beschouwd als eenvoudige inlichtingen.

Art. 1336. De overschrijving van een akte in de openbare registers kan slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift; en daartoe is zelfs vereist :
1° Dat het vaststaat dat alle minuten van de notaris uit het jaar waarin de akte schijnt te zijn opgemaakt, verloren zijn, of dat men bewijst dat de minuut van die akte door een bijzonder voorval is verloren gegaan;
2° Dat er een behoorlijk gehouden repertorium van de notaris bestaat, waaruit blijkt dat de akte op dezelfde datum is opgemaakt.
Wanneer, ten gevolge van de samenloop van deze beide omstandigheden, het bewijs door getuigen wordt toegelaten, moeten de personen die bij de akte getuige zijn geweest, indien zij nog in leven zijn, gehoord worden.
 

Art. 1341. (Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van (375 EUR) te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan (375 EUR).) <W 10-12-1990, art. 1> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel.

Art. 1342. De hiervoren bepaalde regel is van toepassing ingeval een vordering, benevens de eis van het kapitaal, ook de eis omvat van interest die, samen met het kapitaal, meer dan ((375 EUR)) bedraagt. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1343. Hij die een vordering heeft ingesteld die meer dan ((375 EUR)) bedraagt, kan tot het bewijs door getuigen niet meer toegelaten worden, zelfs al verminderde hij zijn oorspronkelijke vordering. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1344. Zelfs indien de gevorderde som minder bedraagt dan ((375 EUR)), kan het bewijs door getuigen niet toegelaten worden, wanneer blijkt dat die som het overschot of een gedeelte is van een grotere schuldvordering die niet door geschrift bewezen is. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1345. Indien een partij in een zelfde geding verscheidene eisen instelt, waarvoor geen schriftelijke titel bestaat, en die eisen, samen genomen, meer dan ((375 EUR)) bedragen, kan het bewijs door getuigen niet toegelaten worden, zelfs indien de partij beweert dat die schuldvorderingen voortkomen uit verschillende oorzaken, en dat zij ontstaan zijn op verschillende tijdstippen, behalve wanneer die rechten door erfenis, door schenking of op andere wijze, van verschillende personen afkomstig zijn. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; ED : 01-01-2002>

Art. 1346. Alle eisen, uit welken hoofde ook, die niet volledig door geschrift bewezen zijn, worden bij één en hetzelfde exploot ingesteld; na dit exploot zijn de overige eisen, waarvoor geen schriftelijk bewijs aanwezig is, niet meer ontvankelijk.

Art. 1347. De hiervoor bepaalde regels lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.
Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Art. 1348. Die regels lijden eveneens uitzondering in alle gevallen waarin het de schuldeiser niet mogelijk geweest is zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem is aangegaan.
Deze tweede uitzondering is van toepassing :
1° Op verbintenissen die ontstaan uit oneigenlijke contracten en uit misdrijven of oneigenlijke misdrijven;
2° Op bewaargevingen uit noodzaak in geval van brand, instorting, wanordelijkheden of schipbreuk, en op bewaargevingen door reizigers die hun intrek nemen in een hotel, alles naar gelang van de hoedanigheid van de personen en de omstandigheden van het feit;
3° Op verbintenissen die aangegaan worden bij onvoorziene voorvallen, waarbij men geen schriftelijke akten heeft kunnen opmaken;
4° Ingeval de schuldeiser de titel die hem tot schriftelijk bewijs diende, verloren heeft ten gevolge van een onvoorzien en door overmacht veroorzaakt toeval.

Art. 1358. De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle geschillen, van welke aard ook.

Art. 1359. Hij kan alleen worden opgedragen omtrent een feit waarbij de partij, aan wie men hem opdraagt, persoonlijk betrokken is.

Art. 1360. Hij kan opgedragen worden in elke stand van het geding, zelfs wanneer van de eis of van de exceptie waaromtrent hij gevorderd wordt, geen begin van bewijs aanwezig is.

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 12/09/2010 - 15:48
Laatst aangepast op: wo, 22/03/2017 - 16:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.