-A +A

Arbeidsongeval vergoeding werkgever en de grenzen van de subrogatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer een werkgever geen eigen verhaalsrecht toekomt, kan dergelijk recht niet door de techniek van de subrogatie op arbeidsongevallenverzekeraar zijn overgegaan. Men kan als gesubrogeerde immers nooit meer rechten laten gelden dan diegene wiens rechtspositie men na de betaling met indeplaatsstelllng heeft ingenomen.

Voor zover men het bestaan van een dergelijk eigen recht op schadevergoeding aan de zijde van de werkgever toch erkent, dan kan dit echter nog steeds niet als onderdeel van een subrogatolr verhaal worden doorgegeven aan de verzekeraar, De subrogatoire vordering van de verzekeraar is immers beperkt tot de rechten en aanspraken van het getroffen personeelslid, waarin de werkgever voordien zelf werd gesubrogeerd en welke duidelijk te onderscheiden zijn van het eigen recht op schadeloosstelling.
Anders gezegd, de subrogatie in het voordeel van de verzekeraar is beperkt tot de subrogatoire vordering die aan de werkgever is toegekend.

Uit het bovenstaande volgt bovendien dat, zelfs indien in het voordeel van de geïntimeerde ais verzekeraar en derde-betaler eveneens het bestaan wordt aanvaard van een dergelijk eigen recht, het voorwerp hiervan nooit kan bestaan uit het nadeel van de weggevallen arbeidsprestaties, gezien de onlosmakelijke verbondenheid met de arbeidsrelatie tussen de werkgever en het getroffen personeelslid, doch integendeel een eigen invulling moet krijgen, binnen de perken van de verzekeringspolis. Bij de zoektocht naar deze invulling botst de geïntimeerde dan op het onvermijdelijke obstakel dat zij geen persoonlijk geleden schade kan aantonen, nu de uitbetaling aan de eigen verzekerde beschouwd moet worden als de tegenhanger van de premies die zij van diezelfde verzekerde heeft ontvangen.

NV Belfius Verzekeringen, voorheen Dexia Verzekeringen België NV,[ .. ] appellante, [ .. .]

tegen

Ethias gemeen recht.] ... j geïntimeerde,

[ ... ]

1. UITEENZETTING VAN DE RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS

Het geschil betreft een verkeersongeval dat zich op 2 maart 2.010 voordeed te Merelbeke en waarbij één der betrokken bestuurders (B.D.M), personeelslid van de Vlaamse Vervoermaatschappij DE LIJN, gekwetst raakte, met een arbeidsongeschiktheid tot gevolg van 2 maart 2010 tot en met 16 april 2010.

Het loon van het bedoelde personeelslid werd tijdens de volledige periode van arbeidsongeschiktheid doorbetaald.

De geïntimeerde is de arbeidsongevallenverzekeraar van DE LIJN en betaalde in deze hoedanigheid een som van 4.095,53 EUR uit aan haar verzekeringsnemer.

De appellante betaalde op baar beurt van dit bedrag een som van 2.869,2.7 EUR terug, overeenstemmend met het netto-loon voor dezelfde periode.

De appellante is aldus in baar hoedanigheid van BA.-verzekeraar motorvoertuigen van de aansprakelijke partij overgegaan tot schadeloosstelling van de geïntimeerde, als gesubrogeerde in de rechten van diens eigen verzekerde.

ll. DE OORSPRONKELIJKE VORDERING

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van l3 februari 2012 is de huidige geïntimeerde overgegaan tot dagvaarding van de huidige appellante tot betaling van het verschil tussen enerzijds het door de geïntimeerde uitgekeerde bruto-inkomstenverlies en anderzijds de reeds door de appellante betaalde schadeloosstelling op basis van het semibrutoloon.

[ ... j

III DE BESTREDEN BESLISSING

1. De politierechter te Gent heeft in zijn op 6 november 2012 op tegenspraak gewezen vonnis de vordering van de huidige geïntimeerde ontvankelijk en integraal gegrond verklaard en de huidige appellante dienvolgens veroordeeld tot het betalen van de gevorderde som van 1.2.26,26 EUR, meer de interesten en de kosten,

2. De politierechter overwoog vooreerst dat de huidige geïntimeerde ais arbeidsongevallenverzekeraar op grond van artikel 41 van de 'Wet op de Landverzekeringsovereenkomst door de betaling aan DE LIJN, haar verzekerde, gesubrogeerd is in diens verhaalsrechten tegen de derde aansprakelijke.

[ ... ]
IV. DE VERDERE PROCEDURE EN DE GRIEVEN

- De appellante stelt bij een op 4 december 2012 neergelegd verzoekschrift hoger beroep in tegen voormeld vonnis en laat daarbij --• samengevat •-• navolgende grieven gelden.

De rechten van de verzekerde van de geïntimeerde als werkgever van bet slachtoffer zijn wat de appellante betreft aan een dubbele begrenzing onderhevig, ingevolge waarvan zij enerzijds niet meer kan vorderen dan wat zij zelf heeft uitbetaald en anderzijds geen vergoeding kan verkrijgen, hoger dan deze die in gemeen recht door het slachtoffer zelf zou kunnen worden gevorderd.

De wetgever zou met de creatie van artikel 14, § 3 van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet voor het overheidspersoneel de intentie hebben gehad om aan het personeel van overheidsdiensten een stelsel te bezorgen dat vergelijkbaar was met datgene van de privésector. Immers, ook in de privésector zou enkel een subrogatoir verhaal gelden.

Indien het de bedoeling was van de wetgever om een mimer terugvorderingsrecht toe te kennen, dan had hij daar volgens de appellante wel het nodige initiatief toe genomen.

Het principe van de zogeheten "loondoorbetalingsarresten" van het Hof van Cassatie, waarvan de eerste rechter toepassing heeft gemaakt, wordt door de appellante met klem verworpen.

Inmiddels zou zich evenwel een kentering hebben voorgedaan, die meer en meer door de lagere rechtbanken wordt gevolgd. Onder invloed van deze rechtspraak zou het Hof van Cassatie zelf na de principe-arresten van februari 2001 het eigen verhaalsrecht van de publiekrechtelijke werkgever wat hebben ingeperkt, volgens de appellante om een wildgroei van eigen verhaalsvorderingen van andere derde-betalers te ver mij den.

[ ... ]

De appellante citeert verder in haar conclusies uitgebreid uit recente vonnissen waarin het gebrek aan wettelijke basis, logica en samenhang van de loondoorbetalingsarresten wordt besproken. De appellante verklaart zich volmondig achter de motieven van deze afwijkende rechtspraak te kunnen scharen.

Samengevat besluit de appellante aldus dat de toekenning van een eigen recht aan de publiekrechtelijke overheid en haar arbeidsongevallenverzekeraar:

Niet berust op een wettelijke basis; Strijdig is met de inhoud van de toepasselijke wetsbepaling, te weten artikel 14, § 3 van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet voor het overheidspersoneel, dat al sinds de creatie anno 196'7 ongewijzigd stand houdt;

Niet verzoenbaar is met het gegeven dat de toekenning van een subrogatoir verhaal enkel uitgelegd kan worden als de bedoeling van de wetgever dat de bedragen, die de aanspraken van het slachtoffer in gemeen recht overtreffen, definitief voor rekening van de overheid-werkgever zouden blijven; Haaks staat op de huidige economische en financiële situatie;

Een louter jurisprudentiële constructie betreft welke niet verzoenbaar is met de beperkingen van de rechterlijke macht en de algemene rechtsbeginselen; Geënt is op een cassatierechtspraak die bol staat van de interne tegenstrijdigheden;

Aanleiding geeft tot diverse niet te rechtvaardigen ongelijkheden;

Nog steeds het bewijs van een eigen schade vereist, daar waar de afwezigheid van een werknemer niet automatisch schade impliceert aan de zijde van de werkgever;

Nog tal van andere onrechtvaardige gevolgen in bet leven roept.

De appellante is aldus van oordeel dat de geïntimeerde slechts over een subrogatierecht beschikt en derhalve slechts recht heeft op de terugbetaling van het uitbetaalde netto-loon, aangezien de lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding duidelijk niet overeenstemmen met deze op de wedde van de getroffene.

De eerste rechter diende de vordering van de geïntimeerde derhalve af te wijzen als ongegrond, aldus de appellante, nu zij door de betaling van het netto-loon niets meer verschuldigd zou zijn aan de geïntimeerde.

De geïntimeerde besluit in een op 7 juni 2.013 neergelegde syntheseconclusie tot de ongegrondheid van het hoger beroep en laat daartoe navolgende argumenten gelden.

Sinds de loondoorbetalingsarresten kan er volgens de geïntimeerde geen twijfel meer over bestaan dat de tewerkstellende overheid ook een zelfstandig vorderingsrecht put uit artikel 1382 B.W., dat haar toelaat bet volledige loon, bestaande uit het brutobedrag en de werkgeversbijdragen, terug te vorderen van de aansprakelijke voor het gebeurde.

Als gesubrogeerde in de rechten van de overheid op basis van artikel 41 van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet voor het overheidspersoneel meent de geïntimeerde dus eveneens gerechtigd te zijn op het uitbetaalde bruto- loon.

Artikel 1382 B.W. is een wetsartikel waarop eenieder zich kan beroepen, dus ook de overheid-werkgever. De geïntimeerde verklaart in deze omstandigheden niet in te zien waar de appellante zich op baseert om te besluiten dat de overheid-werkgever niet over een eigen verhaalsrecht zou kunnen beschikken. De toepassing van artikel 14 van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet voor het overheidspersoneel zou de toepassing van artikel 1382.B.W. derhalve niet uitsluiten.

Het eigen verhaalsrecht zou dus wel degelijk een wettelijke basis hebben, met name artikel 1382 B.W. en deze bepaling zou niet tegenstrijdig zijn met het aangehaalde artikel 14. De geïntimeerde legt uit dat het gaat om twee verschillende systemen, die naast elkaar bestaan en elk door hun eigen principes beheerst worden.

De toepassing van artikel 1382 B.\'li'. vereist volgens de geïntimeerde een toetsing van de vraag of de verrichte uitgave al dan niet definitief voor rekening van de overheidwerkgever dient te blijven, In dit verband zou men naar artikel 14 van de Arbeidsongevallen- en beroepszlektenwet voor bet overheidspersoneel moeten verwijzen als een zogenaamd interpretatie-artikel en dus niet als een toepassings-ar tikel, aldus de geïntirneerde.

De geïntimeerde analyseert de voorbereidende werkzaamheden van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet voor het overheidspersoneel verder precies in die zin dat de wetgever steeds voor ogen heeft gehad dat het bruto-loon verhaald zou kunnen worden. Artikel 14 van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet voor het overheidspersoneel zou dus zelf ook geenszins voorzien dat de wettelijke subrogatie beperkt moet blijven tot het netto-loon,

In ons huidig rechtsbestel speelt artikel 1382 B.W. ten volle, aldus de appellante. Het zou dus ook vanuit een brede maatschappelijke context perfect te verantwoorden zijn dat de schade integraal gedragen wordt door de aansprakelijke.

De geïntimeerde vervolgt dat de rechterlijke macht gehouden is tot de toepassing van artikel 1382 B.W. en niet gemachtigd is dit in enig opzicht aan banden te leggen.

De geïntimeerde wijst erop dat het Hof van Cassatie zijn visie reeds meermaals heeft herhaald en het Grondwettelijk Hof in dezelfde zin heeft geoordeeld. Deze rechtspraak zou geenszins op tegenstrijdigheden berusten, aldus de geïntimeerde. Het oordeel van het Grondwettelijk Hof illustreert in de visie van de geïntimeerde tevens dat ook de vermeende ongelijkheden in werkelijkheid nergens op berusten.

De appellante zou niet overtuigen in haar pogingen om deze rechtspraak onderuit te halen aangezien de meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer zich nog steeds zou scharen achter de leer van de loondoorbetalingsarresten. Aan de hand van enkele citaten uit recente vonnissen en arresten evenals een aantal commentaren uit de doctrine tracht de geïntimeerde dit standpunt kracht bij te zetten.

Samengevat besluit de geïntimeerde dat de eerste rechter haar vordering terecht heeft ingewilligd en zodoende een correcte toepassing heeft gemaakt van de hierboven toegelichte leer van het Hof van Cassatie.

De geïntimeerde vordert derhalve de bevestiging van bet eerste vonnis.

V. BEOORDELING

[ ... ]

3. Ten gronde

5.3. Uit de feiten en stukken van bet dossier blijkt dat de geïntimeerde optreedt als arbeidsongevallenverzekeraar van vervoersmaatschappij DE LIJN, tot dekking van de schadelijke gevolgen van de arbeidsweg) ongevallen, waardoor diens statutaire personeelsleden worden getroffen.

Besturen en instellingen uit de publieke sector kunnen, teneinde de door hen te dragen lasten geheel of gedeeltelijk te dekken, verzekeringsovereenkomsten sluiten met een verzekeringsonderneming die toegelaten is tot de ongevallenverzekering of de ongevallenverzekering mag beoefenen in België door middel van een bijkantoor of in vrije dienstverrichting overeenkomstig de wet van 9 juli 19'75 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen (artikel 27 Koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg van en naar het werk),

[ ... ]

Met verwijzing naar de zogenaamde loondoorbetalingsarresten van het Hof van Cassatie argumenteert de geïntimeerde dat DE LIJN lastens de aansprakelijke derde ook beschikt over een eigen verhaalsrecht, gegrond op de principes van de artikelen 1382 en volgende B.W.

Gebruik makend van dit eigen recht zou DE LIJN vervolgens op de aansprakelijke voor het ongeval de totale schade kunnen verhalen, voortvloeiend uit de verplichting om het loon verder door te betalen terwijl men de arbeidsprestaties derft die daar normalerwijze tegenover staan.

De geïntimeerde is van oordeel dat zij zich ais gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde eveneens kan beroepen op een dergelijk eigen recht op schadeloosstelling, dat beheerst wordt door de klassieke beginsels van het burgerlijk recht.

Uit de door de appellante aangehaalde rechtspraak blijkt dat zij in essentie het bestaan bekritiseert van een eigen verhaalsrecht dat niet door de klassieke dubbele begrenzing van de subrogatoire vordering aan banden wordt gelegd. Wat de appellante betreft, is er aan de zijde van de overheidwerkgever geen ruimte voor het gelijktijdig bestaan van een subrogatievordering enerzijds en een vordering op grond van artikel 1382 B.W. anderzijds. De jurisprudentiële constructie waar dergelijk keuzerecht uit afgeleid wordt, verwerpt de appellante ais niet wettelijk, onlogisch, weinig billijk en strijdig met diverse rechtsbeginselen.

5.4 In de zogenaamde "loondoorbetalingsarresten" van 19 en 20 februari 2001 oordeelde bet Hof van Cassatie dat bet bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uitsluit dat schade in de zin van artikel 1382 of 1383 B.W. ontstaat, tenzij wanneer uit de inhoud of strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement blijkt dat de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de Vlet of het reglement moest verrichten (Cass. (3e k.) AR C.99.0014.N, 19 februari 2001 (Royale Beige N.V. / Belgocontrol) (18 oktober 2001), Arr. Cass. 2001, afl. 2, 324, T.Verz. 2001, 771, Juristenkrant 2001 (weergave DE CORTE, R.), afl. 26, l, Pas. :2001, afl. 2, 322, RW 2001-02, 238, noot -; TBBR 2003, afl. 3, 182, noot ; Cass, (2e k.) AR P.98.1629.N, 20 februari 2001 (B.S. / De Post) http:// www.cass.be (18 oktober 2001), Arr. Cass. 2001, afl. 2, 336, Pas. 2001, afl. 2, 334).

[ ... ]

5.5. Met de loondoorbetalingsarresten heeft het Hof van Cassatie gepoogd duidelijkheid te scheppen over het spanningsveld tussen de subrogatoire vordering van de overheid/werkgever enerzijds en een vordering op basis van de klassieke beginselen van civiele aansprakelijkheid anderzijds.
Het subrogatoire verhaalsrecht van de werkgever uit de publieke sector berust op artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg van en naar het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (hierna afgekort als: Wet van 3 juli 1967),

[ ... ]

Deze wetsbepaling raakt de openbare orde.

5.6. Subrogatie wordt klassiek omschreven als een juridische techniek waarbij in een bepaalde rechtssituatie een substitutie optreedt van ofwel een persoon ofwel een goed, terwijl deze oorspronkelijke rechtssituatie voor het overige volledig onveranderd is gebleven. In het geval van persoonlijke subrogatie, houdt dit met andere woorden concreet in dat een bepaalde persoon de plaats inneemt van een andere, zonder dat er voor het overige iets verandert aan de oorspronkelijke rechtssituatie. Wanneer A gesubrogeerd wordt in de rechten van B, is het met andere woorden alsof de situatie nooit anders is geweest. A oefent immers de oorspronkelijke vordering van B uit) op de wijze zoals deze dat zelf zou hebben gedaan en dus met alle daaraan verbonden rechten en beperkingen (cf. R. JANSEN, "Verbintenissenrecht subrogatie", in Overzicht bijzondere overeenkomsten, blz. 10-11, nrs, 1-2).

De betaling met indeplaatsstelling is één van de belangrijkste toepassingsgevallen van de persoonlijke subrogatie. Het is een bijzondere vorm van betaling waarbij men in beginsel andermans schuld betaalt en daardoor in de rechten treedt van de oorspronkelijke schuldeiser. Wanneer men vervolgens tegen de oorspronkelijke schuldenaar optreedt, botst men evenwel op de volgende "dubbele begrenzing":

- het verbod op onrechtmatige verrijking verzet zich ertegen dat men meer zou vorderen dan men zelf betaalde;
- het overnemen van de oorspronkelijke rechtssituatie laat niet toe dat men meer vordert dan de oorspronkelijke schuldeiser had kunnen doen.

In de loondoorbetalingsarresten wijst bet 1-iof van Cassatie met zoveel woorden op het bestaan van een subrogatoire vordering aan de zijde van de overheid/werkgever.

De gelijktijdige erkenning van een eigen recht op schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. wordt door het Hof van Cassatie uitsluitend verantwoord aan de hand van (1) de eigen interpretatie die aan het betrokken subrogatoir verhaalsrecht wordt gegeven en (2) de gevestigde rechtspraak van het Hof zelf over het doorbreken van het causaal verband door een eigen juridische oorzaak

Uit het toekennen van een subrogatoire vordering wordt immers afgeleid dat de wetgever niet bedoeld heeft dat deze uitgaven definitief ten laste zouden blijven van de overheid die deze heeft verricht.

Deze opvatting is vooreerst niet verzoenbaar met de aard en de inherente beperkingen van de subrogatoire vordering zelf. Het behoort immers net tot de essentie van de betaling met indeplaatsstelling dat men niet meer rechten kan laten gelden dan deze die het oorspronkelijke slachtoffer had kunnen benutten. Het is in die zin onlogisch om uit het subrogatoire verhaalsrecht een verantwoording te putten voor de toekenning van een recht op integrale schadeloosstelling naar klassiek civiel aansprakelijkheidsrecht. Het Hof van Cassatie legt in de loondoorbetalingsarresten nergens uit hoe deze tegenstrijdigheid te rijmen valt

Het bovenstaande toont verder aan dat het subrogatoir verhaal krachtens artikel 14, § 3 'Wet 3 juli 196'7 weliswaar te onderscheiden is van het eigen verhaalsrecht van artikel 1382 B.W. en door eigen principes wordt beheerst, doch het zijn precies de wetmatigheden van de subrogatie die het gelijktijdig bestaan van een eigen verhaalsrecht op grond van artikel 1382 B.W. uitsluiten. Men kan voor hetzelfde schadegeval niet tegelijk beschikken over een door de subrogatie beperkt verhaalsrecht enerzijds en een onbeperkt eigen verhaalsrecht anderzijds. Artikel 14, § 3 Wet 3 juli 1967 dient aldus met de aan subrogatie inherente beperkingen voor het recht op schadevergoeding benaderd te worden ais een zogenaamde "lex specialis", waarvan de toepassing primeert op de algemene, door artikel 1382 B.W. ingegeven regel van de integrale schadeloosstelling.

De rechtbank vestigt ter zake tevens de aandacht op de pertinente kritiek, geuit door auteur Ingrid BOONE Verhaal van derdebetalers op de aansprakelijke, Intersentia -Antwerpen/Oxford, 2008, blz. 442, nr. 4.56):

"Wat echter stoort, is dat deze oplossing wordt vastgeknoopt aan de "inhoud en strekking" van de toepasseliike wetsbepalingen. Daar de betreffende wetsbepalingen in een subrogatoire verhaalsrecht ten gunste van de tewerkstellende overheid voorzien, valt uit die bepalingen weliswaar af te leiden dat de uitgaven niet definitief voor rekening moeten blijven van de overheid} maar dan wel slechts binnen de strikte grenzen van het subrogatoir verhaalsrecht. Zoals hierboven vermeld, vallen de werkgeversbijdragen op de wedde niet binnen die grenzen. Op grond van de inhoud en de strekking van de toepasselijke nonnen, kan dus bezwaarlijk besloten worden dat het volledige bedrag van de doorbetaalde wedde inclusief alle lasten, op de aansprakelijke derde moet rusten, ongeacht de omvang van het subrogatoir verhaal”.

De stelling van de geïntimeerde dat de loondoorbetalingsarresten onder meer steun zou vinden in gezaghebbende rechtsleer, moet dan ook met de nodige zin voor nuance worden benaderd. Het is al even kort door de bocht om de door de appellante geciteerde vonnissen en arresten als een zeldzaam dissident geluid weg te wuiven. Hoewel er evident ook rechtscolleges zijn die zich houden aan de krijtlijnen die het Hof van Cassatie heeft uitgezet, blijkt de rechtspraak die er anders over oordeelt nog steeds in oprr1ars en alleszins al voldoende aanhangers te tellen om niet langer als verwaarloosbaar beschouwd te worden.

5. 7. Het Hof van Cassatie getuigt echter op nog een ander vlak van een weinig standvastige en eerder dubbelzinnige koers.

In zijn arrest van 9 januari 2006 oordeelde het Hof immers dat de arbeidsongevallenrente, betaald door de publiekrechtelijke werkgever, wél definitief te zijnen laste behoort te blijven zodat de werkgever, door het nakomen van deze verplichting, geen schade lijdt die hij van de aansprakelijke derde kan terugvorderen (Cass, (3e k.) AR C.05.0007.N, 9 januari 2006, NJW2007, afl. 158, 221, noot BOONE, I, Pas. 2006, afl. 1, 95, RW 2008-09 (samenvatting), afl. 24, 995 en http.r/www.rw.be (2 maart 2009), noot --, T. Verz. 2007 afl. I, 97).

De rechtspraak nopens de arbeidsongevallenrente wordt ook met zoveel woorden door de appellante aangehaald.

Bij de lezing van dit arrest n1ag één belangrijk aspect niet over het hoofd worden gezien: in het bestreden vonnis werd uitdrukkelijk gepreciseerd dat de arbeidsongevallenrente niet in ruil komt voor arbeidsprestaties. De situatie zou aldus niet te vergelijken zijn met deze waarin de overheid verplicht wordt tot het doorbetalen van loon, terwijl zij de arbeidsprestaties van haar personeelslid moet ontberen.

In de rechtsleer werd hieruit geconcludeerd dat van een breuk met de loondoorbetalingsarresten geen sprake was: het Hof zou immers, •-• volledig in lijn met de reeds uitgetekende krijtlijnen -, hebben geoordeeld dat, in de mate een wettelijke of reglementaire norm een werkgever die optreedt als verzekeraar, verplicht sommen te betalen waarvan het bedrag groter is dan wat hij als werkgever zou hebben betaald voor gepresteerde diensten, deze norm tot strekking heeft dat die sommen definitief ten laste blijven van die werkgever (cf. [. JACQMAIN, Incapacité de travail due au fait d'un tiers: une précision, Soc.Kron. 2009, afl. 10, 499).

De rechtbank begrijpt evenwel niet in welk opzicht deze situatie zo essentieel verschillend zou zijn van deze die aanleiding gaf tot de arresten van 2001.

In beide gevallen is de financiële last die op de overheid rust immers groter dan de uitgave die zij had moeten verrichten indien het slachtoffer gewoon verder arbeid had kunnen verrichten. 'Waar dit "surplus" bij de arbeidsongevallenrente wordt aangegrepen om te oordelen dat het de bedoeling Vlas dat deze definitief voor rekening zou blijven van de overheid, ziet de rechtbank niet in waarom men voor de doorbetaling van het loon anders zou oordelen.

Het is verder niet logisch dat met deze rechtspraak het eigen verhaalsrecht opengesteld blijft voor de vergoedingen ingevolge een tijdelijke arbeidsongeschiktheid terwijl de overheid-werkgever voor de vergoedingen na consolidatiedatum dan weer zou botsen op de beperkingen van het subrogatoir verhaal. De appellante laat hierbij terecht gelden dat de rechten van de overheidsinstellingen aldus afhankelijk worden gemaakt van de medische beslissing tot consolidatie, waar men geen enkel vat op heeft.

Bovendien wordt met deze rechtbank de vergoedbare schade te veel verengd tot de weggevallen arbeidsprestaties, in strijd met de eerder tussengekomen rechtspraak van het Hof Wanneer men terugkoppelt naar de loondoorbetalingsarresten van 2002, rijst immers de vraag naar het nut van de woorden "(voor zover zij hierdoor schade lijdt"
Hieruit kan men immers enkel afleiden dat het Hof het louter doorbetalen van loon zonder arbeidsprestaties op zich niet voldoende achtte om te besluiten tot een vergoedbare schade. In diezelfde zin zou men er ook moeten van uitgaan dat bet louter betalen van een vergoeding die meer bedraagt dan wat men als werkgever voor de diensten zou betalen, evenmin volstaat.
Deze visie neigt ten andere al te veel naar het benaderen van de vergoedbare schade als een loutere feitenkwestie, een techniek waarvan het Hof nochtans uitdrukkelijk afstand poogde te nemen met zijn arrest van 18 september 2007.

Doch ook vanuit een andere invalshoek beschouwd, dringt de conclusie zich op dat de vergoedbare schade afglijdt naar een louter feitelijk discours. De aanspraken van de overheid-werkgever blijken immers afhankelijk van de door medische besluitvorming beheerste vraag of het slachtoffer tijdelijk dan wel blijvend arbeidsongeschikt is, hetgeen evenzeer een loutere feitenkwestie uitmaakt.

5.8. De kwalificatie van de strekking van de wettelijke verplichting, dan wel het statuut of contract op grond waarvan de doorbetaling wordt verricht) als een zuivere rechtsvraag zorgt evenwel nog op een ander vlak voor problemen,
De bedoelde wet, het statuut of contract moeten immers, conform de eigen rechtspraak van bet Hof, in abstracto door de rechter worden uitgelegd, zonder acht te slaan op de achterliggende feitelijke omstandigheden. In die zin mag de rechter dus geen acht slaan op de specifieke ongevalssituatie of andere feiten die de concrete aanleiding vormen voor het ontstaan van de verplichting tot doorbetaling van het loon.

De veelheid van omstandigheden die de overheid-werkgever verplichten tot de doorbetaling van het loon bij afwezigheid van een personeelslid, tonen in dat opzicht een zekere gelijkenis aan met de verplichtingen die op een verzekeraar rusten. De overheid moet verondersteld worden zich ten allen tijde bewust te zijn van het aan de tewerkstelling inherente risico dat er zich situaties kunnen voordoen waarin men het loon loon verder moet doorbetalen hoewel geen arbeidsprestaties worden verricht. Men mag er tegelijk van uitgaan dat de overheid, net zoals de verzekeraar bij het bepalen van de premie, de risico's ter zake ook incalculeert bij het bepalen van de wedde en de inhoudingen daarop.

Precies de diverse omstandigheden die de loondoorbetalingsplicht kunnen activeren, tonen aan dat de visie van het Hof van Cassatie geen hout snijdt.

Terwijl het Hof er geen graten in ziet om, vanuit de analyse van de strekking van de wettelijke verplichting tot doorbetaling van bet loon aan de zijde van de tewerkstellende overheid, een eigen recht te verlenen om dit loon op de derde-aansprakelijke te verhalen, blijkt er geen enkele mogelijkheid tot verhaal te bestaan wanneer diezelfde loondoorbetalingsplicht in werking treedt naar aanleiding van ziekte, arbeidsongeschiktheid door een vreemde oorzaak of overmacht of nog, een arbeidsongeval waar de werknemer zelf voor verantwoordelijk is. Nochtans is in elk van deze gevallen dezelfde wettelijke grondslag in het geding die, gezien de abstracte benadering als rechtsvraag, geacht moet worden ook in elk van deze gevallen dezelfde strekking te hebben.

Eén en ander is slechts met elkaar te verzoenen wanneer men de relevantie erkent van de concrete omstandigheden die tot de arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De herhaalde vertolking van het standpunt dat men de onderliggende strekking van de wet, het reglement of contract integendeel dient te benaderen als een rechtsvraag, maakt dit evenwel onmogelijk.

De rechtbank kan de appellante derhalve enkel bijtreden in haar stelling dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie aldus ook haaks blijkt te staan op de socio-economische pijlers van de huidige maatschappij. De sociale vrede berust mede op een aantal essentiële waarborgen ten gunste van de werknemer, die zich gerustgesteld weet door de wetenschap dat de werkgever de risico's draagt, verbonden aan de onmogelijkheid om in bepaalde omstandigheden verder arbeid te verrichten. Het past er in deze context tevens aan te herinneren dat het hierboven aangehaalde artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967, tot creatie van het subrogatoir verhaalsrecht van de overheid-werkgever, van openbare orde is en in die zin eveneens aan de kern van onze maatschappij raakt.

Er kan geen twijfel over bestaan dat de werkgever zich van zijn kant bewust is van deze risico's, ze aanvaardt als een logische tegenhanger van de voordelen van de tewerkstelling en hier bij zijn beleid en organisatie ten allen tijde rekening mee houdt.

[ ... ]

5.10. Sinds kort wordt ook voor de rechtspositie van de verzekeraar van de tewerkstellende overheid die na uitbetaling gesubrogeerd wordt in diens rechten, door het Hof van Cassatie aansluiting gezocht bij de leer van de loondoorbetalingsarresten.

Het Hof oordeelde meer bepaald in zijn arrest van 17januari2011 dat uit de hierboven aangehaalde bepaling van artikel 41 van de 'Wet op de Landverzekeringsovereenkomst volgt dat de subrogatie van de verzekeraar met wie de tewerkstellende overheid een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten niet beperkt is tot de subrogatoire vordering die aan deze overheidsinstantie is toegekend door artikel 14, § 3, van de Wet van 3 juli 1967, maar zich ook uitstrekt tot de andere rechten en rechtsvorderingen die deze tegen de schadeveroorzaker kan doen gelden, daarin begrepen het verhaal naar de klassieke aansprakelijkheidsregels van artikel 1382 B.W. (cf. Cass, (3e k.) AR C.08.0303.F, C.09.0461.I\ 17 januari 2011 (Ethias - Droit cornrnun / Axa Belgium e.a.),JTT 2011, afl. 1095, 171; Pas. 2011, afl. I, 194; T.Verz. 2012, afl. 4, 513, noot ULRICHTS, H.; VAV 2011, afl. 3, 202, noot -).

Het Hof heeft hiermee afstand genomen van het eerder verdedigde principe dat de verzekeraar als derde-betaler nog steeds onder de klassieke dubbele begrenzing valt, ook al beschikt de tewerkstellende overheid in wiens rechten de verzekeraar gesubrogeerd wordt zelf over een eigen verhaalsrecht conform artikel 1382 en volgende B.W.

Voortaan mag de verzekeraar als derdebetaler dus ook vergoeding vorderen van de schade door repercussie, gevallen aan de zijde van diens verzekerde (werkgever), krachtens de subrogatie in diens "eigen" recht op schadevergoeding.

Het is precies op deze rechtspraak dat de huidige geïntimeerde haar vordering lastens de appellante, als BA-verzekeraar van de aansprakelijke, heeft geënt.

Het Hof van Cassatie heeft met dit arrest weliswaar gepoogd aan de kritiek te verhelpen nopens de verschillende behandeling van de werkgever en diens verzekeraar binnen het leerstuk van de loondoorbetalingsarresten, door beiden voortaan toe te laten hun verhaal op dezelfde uniforme manier uit te oefenen, doch dit kan bezwaarlijk een reden tot juichen opleveren. Immers, door de principes van de loondoorbetalingsarresten thans ook uit te breiden tot de verzekeraar die in de rechten van de overheid gesubrogeerd worden, heeft het Hof zijn principiële keuze voor deze leer herbevestigd en als het ware geconsolideerd, daarmee de gefundeerde kritiek van andersluidende rechtspraak en rechtsleer naast zich neer leggend.

Bovendien worden het mechanisme van de subrogatie en de beginselen van klassieke civiele aansprakelijkheid andermaal miskend en heeft het Hof, in zijn ijver om de aangeklaagde verschillende behandeling van de publieke werkgever en diens verzekeraar de wereld uit te helpen, een cruciaal verschil in bun beider rechtsposities over bet hoofd gezien,

De situatie van de arbeidsongevallenverzekeraar onderscheidt zich immers van deze van de werkgever door het feit dat de verzekeraar niet rechtstreeks gesubrogeerd wordt in de rechten van het arbeidsongeschikte slachtoffer. Het overheidsbedrijf wordt in eerste instantie gesubrogeerd in de rechten van haar personeelslid op grond van het aangehaalde artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967. Pas in een tweede fase wordt de verzekeraar dan op zijn beurt krachtens artikel 41 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst gesu brogeerd in de rechten van de werkgever tegen de aansprakelijke derde. De verzekeraar wordt met andere woorden niet gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer, doch enkel in de aanspraken van de eigen verzekerde, - met wie bij een overeenkomst afsloot -•, tegen de aansprakelijke derde. Er is geen rechtstreekse subrogatie van de verzekeraar in de rechten en aanspraken van bet arbeidsongeschikte personeelslid.

De tekst van het bovenvermelde artikel 27 van het KB van 13 juli 1970 betreffende de arbeidsongevallenverzekering in de publieke sector is daarbij niet zonder belang:

"Besturen en instellingen uit de publieke sector kunnen, teneinde de door hen te dragen lasten geheel of gedeeltelijk te dekken, verzekeringsovereenkomsten sluiten met een verzekeringsonderneming die toegelaten is tot de ongevallenverzekering of de ongevallenverzekering mag beoefenen in België door middel van een bijkantoor of in vrije dienstverrichting overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen" (eigen markering van de rechtbank).

De term "lasten" verwijst naar de lasten die de werkgever zelf moet dragen krachtens artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967, welke uitsluitend bestaan uit de vergoeding bij arbeidsongeval ten gunste van het personeelslid, en dus niet uit de eigen schade die de werkgever lijdt doordat hij verstoken blijft van de arbeidsprestaties van bet getroffen personeelslid. De afgesloten verzekering dekt enkel de schade van het getroffen personeelslid, zoals uitbetaald door de verzekerde in zijn hoedanigheid van werkgever.

De -- volgens het Hof van Cassatie -- vergoedbare “'eigen schade" van de werkgever moet nauwkeurig worden onderscheiden van deze door de wet opgelegde "lasten",

De arbeidsongevallenverzekeraar kan op zijn beurt krachtens artikel 41 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst enkel in de rechten treden die de werkgever zelf ontleend heeft aan zijn eigen subrogatie in de rechten van het slachtoffer.

Een analyse van de verschillende situatie waarin de werkgever en diens arbeidsongevallenverzekeraar zich bevinden toont het ongerijmde van de visie van het Hof van Cassatie aan.

De verzekeraar die wordt gesubrogeerd in de rechten van de werkgever betaalt enkel zijn eigen schuld aan de overheid/verzekerde, terwijl het voordeel van de geïnde premies dat hier tegenover staat onverminderd behouden blijft. De verzekeraar betaalt uit binnen de grenzen van de afgesloten polis. De werkgever beschikt daarbij ten andere over de keuze om de te dragen lasten bij arbeidsongeschiktheid van haar personeel door de onrechtmatige daad van een derde geheel of gedeeltelijk te laten waarborgen (cf. artikel 2'7 KB 13 juli 1970).

De essentie van de loondoorbetalingsarresten komt hierop neer dat de werkgever door de subrogatie in de rechten van het eigen personeelslid de schade kan terugvorderen die dit personeelslid zelf als slachtoffer op de aansprakelijke derde had kunnen verhalen (artikel 14, § 3 'Wet 3 juli 1967). Daar bovenop kan deze werkgever dan krachtens een eigen recht op schadevergoeding ook de bijdragen die op het netto-loon betaald werden, terugvorderen (1382 s.w).

Het is juridisch niet aan elkaar vast te knopen dat dit "eigen recht", dat door het Hof met zoveel moeite van de door subrogatie overgedragen rechten en aanspraken werd onderscheiden, vervolgens het vooni\/erp kan uitmaken van een subrogatie ten voordele van de arbeidsongevallenverzekeraar,

De relatie tussen de werkgever uit de publieke sector en diens arbeidsongevallenverzekeraar is een nieuwe en onderscheiden rechtsverhouding, beheerst door eigen principes en karakteristieken. Indien het Hof meent dat ook deze verzekeraar van de principes van de loondoorbetalingsarresten kan genieten, dan moet men deze ook op de bedoelde rechtsverhouding zélf gaan toepassen en de verzekeraar aan dezelfde analyse naar "eigen schade" onderwerpen. Deze "eigen schade" moet dus benaderd worden vanuit de persoonlijke situatie van bet betrokken rechtssubject, in dit geval de arbeidsongevallenverzekeraar.

Het antwoord op de vraag of de verzekeraar door de uitbetaling ook een eigen, persoonlijke schade lijdt moet echter negatief beantwoord worden. Hierboven werd immers reeds aangetoond dat de verzekeraar in ruil voor deze uitkering de nodige premies heeft geïnd en dit voordeel op geen enkele wijze wordt beknot.

De "eigen" schade van de verzekeraar kan per definitie niet bestaan uit de "eigen" schade van de werkgever-verzekerde, zoals deze door het Hof werd ingevuld.

Om een van oorsprong eigen recht te doen overgaan van het ene naar het andere rechtssubject, is men noodzakelijkerwijze aangewezen op de techniek van de subrogatie. De eigen rechten en aanspraken van de werkgever als verzekerde gaan in principe door de betaling met indeplaatssrelling over op de verzekeraar (artikel 41 Wet Landverzekeringsovereenkornst). Bijgevolg zou ook het zogenaamde "eigen recht" op vergoeding van de werkgever conform artikel 1382 B.W. in beginsel enkel via deze subrogatoire techniek in handen van de verzekeraar kunnen terechtkomen, zoals de geïntimeerde ook zelf erkent.

Artikel 27 van het KB van 13 juli 19'70 en artikel 41 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst beperken de subrogatie in het voordeel van de verzekeraar echter tot de hierboven omschreven lasten, bestaande uit het doorbetaalde netto-loon. Het "eigen" recht op vergoeding van de werkgever kan bijgevolg niet via de subrogatie aan de verzekeraar worden overgedragen. De verzekering dekt immers enkel de schade van het getroffen personeelslid, uitbetaald door bet overheidsbedrijf in haar hoedanigheid van werkgever op grond van artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967. Hier speelt precies de klassieke dubbele begrenzing: de "eigen schade" van de werkgever-verzekerde valt buiten de grenzen van datgene wat de verzekeraar zelf contractueel verschuldigd is. In de mate dat hij voor deze "eigen schade" van de werkgever een vordering zou instellen tegen de aansprakelijke derde of diens eigen verzekeraar, zou hij dus meer vorderen dan hij zelf betaalde. Het gebruik van de subrogatie als "vehikel" om de vordering tot vergoeding van de eigen schade aan de zijde van de werkgever door te geven aan diens verzekeraar, impliceert evident dat men ook alle aan deze rechtsfiguur verbonden beperkingen moet eerbiedigen, dus ook de klassieke dubbele begrenzing.

Deze dubbele grens indachtig kan de verzekeraar dus, net zoals de verzekerde werkgever voor hem, slechts in de rechten van zijn verzekerde worden gesubrogeerd ten belope van het aan het slachtoffer betaalde netto-loon.

De vraag rijst dan ook hoe de "eigen" schade van de werkgever, indien zij niet via de subrogatie aan de verzekeraar kan worden doorgegeven, dan toch zijn ,veg kan vinden tot bij de verzekeraar en aldaar eenzelfde "eigen" recht op schadevergoeding kan doen ontstaan. Een aanspraak op vergoeding kan onmogelijk tegelijk subrogatoir en persoonlijk van aard zijn -- beide sluiten elkaar noodgedwongen uit. een gegeven dat door deze nieuwe rechtspraak zonder meer miskend wordt.

Er is naar bet oordeel van deze rechtbank geen enkele wettelijke of andere bepaling of techniek denkbaar die de door het Hof beoogde overdracht in bet voordeel van de verzekeraar tot stand kan brengen. De appellante beeft het dan ook bij bet rechte eind waar zij tot het besluit komt dat er geen wettelijke basis voorhanden is voor het inwilligen van de vordering van de geïntimeerde.

Het is juridisch volstrekt onjuist verzekeraar en werkgever als het ware met elkaar te gaan vereenzelvigen en het eigen recht op schadevergoeding van deze laatste, met de gederfde arbeidsprestaties als voorwerp, te laten" doorwerken" in de verhouding tussen de verzekeraar en de aansprakelijke derde. Dergelijk eigen recht is immers onlosmakelijk verbonden met de specifieke en persoonlijke arbeidsverhouding tussen de overheid en haar personeelsleden en als dusdanig niet transponeerbaar (of beter: "subrogeerbaar") naar de verzekeringsrechtelijke context, zoals hierboven werd aangetoond.

Bovendien lijkt het in deze constellatie haast alsof de verzekeraar rechtstreeks wordt gesubrogeerd in de rechten van het getroffen personeelslid en zelf het loon met bijhorende lasten doorbetaalt, terwijl de werkgever/verzekerde als essentiële schakel tussen de onderlinge rechtsverhoudingen wordt gev\7ÎSL De tussenkomst van twee opeenvolgende, van elkaar te onderscheiden subrogaties, die elk op een eigen wetsbepaling berusten) wordt hierbij uit het oog verloren.

Indien men al meegaat in de leer van de loondoorbetalingsarresten en aldus bet bestaan aanvaardt van een dergelijk "eigen recht" tot vergoeding voor de lasten op het loon, dan kan dit alleszins uitsluitend gelden ten voordele van de werkgever zelf nu enkel hij door het wegvallen van de arbeidsprestaties van het betrokken personeelslid een persoonlijke schade lijdt. De arbeldsongevallenverzekeraar van de werkgever kan in elke denkbare hypothese slechts beschikken over een subrogatoir recht, met alle daarbij horende beperkingen (zie hierover tevens: H. ULRICHTS, "Duiding - terugvorderingsrecht arbeidsongevallenverzekeraar publieke sector", in T. Verz. 2012, afl. 4, 517-518).

Voor zover ook de verzekeraar door de principes van de loondoorbetalingsarresten ook over een (vergelijkbaar) eigen recht zou kunnen beschikken, dan zou dergelijk recht dus enkel invulling kunnen krijgen door binnen de specifieke verzekeringsrechtelijke verhouding de analyse te maken nopens het bestaan van een persoonlijk geleden schade. Dergelijike schade is naar het oordeel van de rechtbank echter niet voorhanden nu de uitbetaling de tegenprestatie uitmaakt van de in het verleden ontvangen premies.

In die zin is de appellante pertinent in baar opmerking dat de zogenaamde eigen vordering tot schadevergoeding van de geïntimeerde nog steeds het bewijs vereist van een persoonlijk geleden schade. In dit geval kan enkel worden besloten dat de geïntimeerde faalt in deze bewijslast, nu deze schade niet kan bestaan uit bet nadeel van de weggevallen arbeidsprestaties waarvoor loon werd doorbetaald.

5.11. Op grond van bovenstaande overwegingen moet de rechtbank de appellante bijtreden in haar kritiek op de rechtspraak, uitgestippeld in de loondoorbetalingsarresten nu deze (1) niet op een wettelijke grondslag berust, (2) op gespannen voet leeft met de klassieke concepten van aansprakelijkheid en verbintenissenrecht, (3) weinig interne logica en samenhang vertoont en (4) indruist tegen de sociaal-economische pijlers van de hedendaagse maatschappij.

Dit klemt nog meer nu artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967, de wetsbepaling w-aarop de subrogatolre vordering ten voordele van de werkgever rust, de openbare orde raakt.

Het komt de rechtbank voor dat het Hof Van Cassatie vanuit een bepaalde sociale bekommernis aan de wetgever bepaalde intenties toeschrijft die echter niet verzoenbaar zijn met de uitdrukkelijke keuze voor een subrogatoir verhaalsrecht. Op die manier wordt in wezen een eigen beleidskeuze gemaakt, waarmee het Hof zich ten onrechte op het terrein van de wetgever begeeft en de beperkingen van de rechterlijke macht miskent.

Bij gebrek aan een uitdrukkelijk optreden van de wetgever, waarbij opnieuw afstand wordt genomen van het subrogatoir karakter van de vordering lastens de derde-aansprakelijke, oordeelt de rechtbank dat er naar de huidige stand van het recht geen eigen verhaalsrecht toekomt aan de overheid/werkgever.

Indien de Wet van 3 juli 196'7 immers conform de wil van de wetgever wordt geïnterpreteerd, dan dienen de uitgaven gedaan door de overheid in het kader van deze wet definitief te zijnen laste te blijven voor zover zij de rechten, die het slachtoffer zelf lastens de derde-aansprakelijke kan laten gelden, overschrijden. Door aldus bij de totstandkoming van de wet een sub rogatoire vordering te voorzien - ondanks het toen reeds lang bestaande artikel 1382 B.W. •- heeft de wetgever uiting gegeven aan de wil en de bedoeling het verhaalsrecht van de tewerkstellende overheid -• die bij diezelfde wet verplicht wordt tot de doorbetaling van de wedde - tegenover de aansprakelijke derde te beperken. Bij gebrek aan een wetgevend optreden tot wijziging van deze bepaling, moet zulks geacht worden thans nog steeds de uitdrukkelijke keuze van de wetgever te zijn.

Het toekennen van een rechtstreekse vordering zoals thans in bepaalde rechtspraak geschiedt - zonder enige beperking en ten belope van alle uitgaven -, druist in tegen deze wettelijke bepalingen die, zoals hoger reeds gesteld, van openbare orde zijn. Het is ongetwijfeld even logisch (indien niet logischer) te besluiten dat hetgeen de subrogatie overtreft ten laste van de betalende derde dient te blijven, dan te besluiten dat het instellen van een dergelijk verhaal de verantwoording vormt voor het aanvaarden van een onbeperkt verhaal door de derde-betaler lastens de aansprakelijke derde (cf. Pol. Brussel, o.c., blz. 28).

Bijgevolg beschikt de tewerkstellende overheid naar het oordeel van deze rechtbank niet over enig keuzerecht en kan zij enkel haar rechten laten gelden op grond van artikel 14, § 3 van de Wet van 3 juli 1967 (cf. Ingrid BOONE, o.c., blz. 473-474, nrs 494-495).

5.12. Nu aan DE LIJN geen eigen verhaalsrecht krachtens artikel 1382 B.W. toekomt, kan dergelijk recht dus hoe dan ook niet door de techniek van de subrogatie op de geïntimeerde als arbeidsongevallenverzekeraar zijn overgegaan. Men kan als gesubrogeerde immers nooit meer rechten laten gelden dan diegene wiens rechtspositie men na de betaling met indeplaatsstelllng heeft ingenomen.

Voor zover men het bestaan van een dergelijk eigen recht op schadevergoeding aan de zijde van de werkgever toch erkent, dan kan dit echter nog steeds niet als onderdeel van een subrogatolr verhaal worden doorgegeven aan de verzekeraar, De subrogatoire vordering van de verzekeraar is immers beperkt tot de rechten en aanspraken van het getroffen personeelslid, waarin de werkgever voordien zelf werd gesubrogeerd en welke duidelijk te onderscheiden zijn van het eigen recht op schadeloosstelling.
Anders gezegd, de subrogatie in het voordeel van de geïntimeerde is beperkt tot de subrogatoire vordering die aan DE LIJN zelf ais werkgever is toegekend bij artikel 14 § 3 van de 'Wet van 3 juli l961, een vordering welke door de klassieke dubbele begrenzing, hierboven uiteengezet, aan banden wordt gelegd.

Uit het bovenstaande volgt bovendien dat, zelfs indien in het voordeel van de geïntimeerde ais verzekeraar en derde-betaler eveneens het bestaan wordt aanvaard van een dergelijk eigen recht, het voorwerp hiervan nooit kan bestaan uit het nadeel van de weggevallen arbeidsprestaties, gezien de onlosmakelijke verbondenheid met de arbeidsrelatie tussen de werkgever en het getroffen personeelslid, doch integendeel een eigen invulling moet krijgen, binnen de perken van de verzekeringspolis. Bij de zoektocht naar deze invulling botst de geïntimeerde dan op het onvermijdelijke obstakel dat zij geen persoonlijk geleden schade kan aantonen, nu de uitbetaling aan de eigen verzekerde beschouwd moet worden als de tegenhanger van de premies die zij van diezelfde verzekerde heeft ontvangen.

De rechtbank wil verder nog opmerken dat overeenkomstig een gevestigde rechtspraak en rechtsleer de aan het slachtoffer verschuldigde vergoeding voor het loonverlies bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid naar gemeen recht steeds berekend dient te worden op het nettoloon, nu niet wordt aangetoond, noch vaststaat, dat de fiscale en sociale lasten op de gemeenrechtelijke schadevergoeding gelijkwaardig zijn aan deze die het inkomen bezwaren (Aloïs VAN OEVELEN, Geert JOCQUÉ, Chris PERSYN en Bart DE TEMMERMAN: "Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad en schadeloosstelling (1993-2006)", nr. 43.3, a.1°, p. 1157/1158).
Anderzijds is de vergoeding wegens inkomstenverlies voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid fiscaal te beschouwen als een vervangingsinkomen en bijgevolg belastbaar. Als vervangingsinkomsten genieten de vergoedingen voor het inkomstenverlies een belastingvermindering ingevolge artikel 146 e.v, W.l.R 1992.
Dit gunstregime is echter meer dan eens gewijzigd en daarenboven verre van doorzichtig. Dit belastingvoordeel kan ais resultaat zowel de totale afwezigheid van belastingenhebben als een quasi normale belastingheffing. Een exacte fiscale berekening is derhalve alleen te maken met behulp van fiscale computerprogramma's BOGAERT J. en GRAULUS P.: "Handboek letselschade in gemeen recht" (Kluwer), DL I, p. 56.

Nu de geïntimeerde niet aantoont dat op de gemeenrechtelijke schadevergoeding dezelfde lasten wegen, moet voor het berekenen van de vergoeding dus hoe dan ook worden uitgegaan van het netto-loon.

In de mate dat de geïntimeerde aldus aanspraak maakt op de terugbetaling van de toelagen, patronale pensioenbijdragen, verlofgelden en dergelijke welke bovenop de doorbetaalde netto-wedde werden voldaan, dient deze vordering te worden afgewezen.

Het bestreden vonnis, dat de bedoelde vordering integraal heeft ingewilligd, moet in die zin worden hervormd.

Het door de appellante ingestelde hoger beroep komt aldus gegrond voor.

[ ... J

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

[ ... j

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond. HERVORMT het aangevochten vonnis van 6 november 2012 van de politierechter te Gent, zetelend in burgerlijke zaken [ ... ]. Wijst de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde lastens de appellante, strekkende tot de betaling van de som van 1.226,26 EUR, meer de interesten, derhalve af als ontvankelijk doch ongegrond.

[ ... ]

Noot: Yves Stevens, Hoever gaat het subrogatierecht? NJW 2014/310, 808

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 19/11/2014 - 23:59
Laatst aangepast op: wo, 19/11/2014 - 23:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.