-A +A

Akkoord tussen partijen tijdens een procedure dient nog steeds door de rechter getoetst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer burgers of rechtspersonen een procedure voeren gebeurt het meer dan eens dat tijdens de loop van het geding partijen tot een akkoord komen.

Dit akkoord kan ertoe leiden dat de partijen afstand doen van het geding.

Maar in heel wat gevallen volstaat de afstand van het geding niet om het geschil juridisch af te sluiten. De partijen hebben immers behoefte aan rechtszekerheid waarbij het akkoord over het hangende geschil volledig en in een geschrift wordt beslecht. In dit geval wordt een akkoordvonnis aan de rechter gevraagd waarbij dit akkoord tot stand komt via een akkoordconclusie ondertekend door alle partijen, dan wel door afzonderlijke conclusies waarin elke partij haar akkoord betuigt en waarbij dus alle partijen een uitspraak in dezelfde zin vragen.

De rechter is evenwel niet gehouden, lees niet verplicht, om dit akkoord zomaar in te willigen. De rechter dient na te zien of het akkoord verzoenbaar is met de Openbare Orde en dus met de dwingende wetten. Waar nodig zal de rechter dus ten gronde dienen te oordelen alvorens het akkoord te bekrachtigen. De rechter kan aldus het akkoord weigeren.

Een akkoordvonnis is een vonnis verleend door de rechtbank op verzoek van de partijen waarbij een akkoord over een hangend geschil wordt geakteerd en waarbij dit vonnis niet meer vatbaar is voor beroep.

De rechter dient 4 zaken na te zien:

1° werd de rechter rechtmatig gevat
2° werd de rechter gevat met betrekking tot een daadwerkelijk geschil
3° wordt er een daadwerkelijk akkoord gesloten
4° Is het akkoord verzoenbaar met de openbare orde

Enkel de partijen zijn gebonden door en akkoordvonnis, zodat tegen een akkoordvonnis derdenverzet openstaat.

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 1043. De partijen kunnen de rechter verzoeken akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben ter oplossing van het geschil dat bij hem regelmatig aanhangig is gemaakt.
Tegen dit vonnis staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen en behoudens de wijzen van uitlegging en van verbetering, bepaald in de artikelen 793 tot 801, indien daartoe grond bestaat.

 

Art. 793. De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Art. 794. De rechter kan de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Art. 795. De vorderingen tot uitlegging of verbetering worden gebracht voor de rechter die de uit te leggen of te verbeteren beslissing heeft gewezen.

Art. 796. De vorderingen tot uitlegging of verbetering worden, ingeval de partijen het eens zijn, ingeleid volgens de regels van de vrijwillige verschijning, of anders in de gewone vorm van de dagvaardingen.

Art. 797. Uitlegging en verbetering kunnen niet ambtshalve geschieden.

Art. 798. Tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, kan de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie zijn verstreken.
Zij kan niet worden ingesteld wanneer tegen de beslissing hoger beroep of voorziening in cassatie is ingesteld.
De uitlegging van het bevestigde vonnis staat aan de rechter die deze bevestiging uitspreekt.

Art. 799. De rechter mag een beslissing enkel verbeteren in zover ze niet is bestreden.

Art. 800. De griffier maakt op de kant van de uitgelegde of verbeterde beslissing melding van het beschikkende gedeelte der uitleggende of verbeterende beslissing.
Geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van de uitgelegde of verbeterde beslissing mag worden uitgereikt, tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkende gedeelte der uitleggende of verbeterende beslissing.

Art. 801. Hij die uitlegging of verbetering vordert, geeft het door de Koning te bepalen bedrag van de kosten in consignatie ter griffie. De dagvaarding wordt in debet (betekend). Indien de beslissing de vordering toewijst, komen de kosten ten laste van de Staat, en wordt de in consignatie gegeven som aan de eiser teruggegeven. In het tegenovergestelde geval kunnen de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de eiser worden gebracht en van het in consignatie gegeven bedrag worden afgenomen. <W 24-6-1970, art. 11>

Art. 801bis. <Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 5; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De rechter kan de verschrijvingen of misrekeningen verbeteren die voorkomen in een door hem gewezen certificaat, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000. De Koning kan dit artikel van toepassing verklaren op certificaten, bedoeld in andere internationale Instrumenten.
Als de verschrijving of de misrekening enkel in het certificaat voorkomt, wordt de vordering tot verbetering ingeleid op eenzijdig verzoekschrift.
Als de verschrijving of de misrekening in het certificaat werd veroorzaakt door een verschrijving of een misrekening in de door de rechter gewezen beslissing waarvoor het werd uitgevaardigd, wordt de verbetering van het certificaat samen gevorderd met een verbetering van de door de rechter gewezen beslissing. De rechtspleging in de artikelen 794 tot 801 wordt gevolgd.
De griffier zendt per gewone brief een afschrift van het verbeterde certificaat naar alle partijen in het geding.

 

Franse term: 
jugement d'accord
Rechtsleer: 

GHYSELEN, M., Een akkoordvonnis: niet altijd voordelig, RW 2004-05, afl. 36, 1419-1421
LAENENS, J., Over het accordandum, RW 1998-99, 1123

 

Rechtspraak: 

Mons 2 maart 2010, Juridat: Verschijnen voor de rechtbank, zonder een betwisting te formuleren impliceert nog geen akkoord met de vordering van de eiser. De rechtbank kan wel de afwezigheid vban de betwisting vaststellen, doch dit maakt van haar vonnis nog geen akkoordvonnis.

2008/RG/380
EN CAUSE DE :
C. S, appelant, 
CONTRE :
La BANQUE POPULAIRE DU NORD, société de droit français, dont le siège social est sis en France à 59700 MARCQ-EN-BAROEUL, avenue de la République, 847, intimée, 

L'APPEL
Recevabilité
L'appel est dirigé contre les seules dispositions du jugement prononcé le 13 février 2008 et condamnant l'actuel appelant, défendeur originaire, à payer 6.018,50 euro en principal à l'intimée ;
L'intimée soutient que l'appel est irrecevable au motif que l'appelant a comparu en personne à l'audience à laquelle la cause fut plaidée et prise en délibéré pour aboutir au jugement dont appel et qu'il n'a formé aucune contestation à l'encontre de ce chef de la demande en sorte que, ayant marqué son accord sur l'objet de la demande, il n'est plus recevable à en interjeter appel ;
L'article 1043 du Code judiciaire prévoit que le jugement qui acte l'accord conclu par les parties sur la solution à donner au litige dont le juge est régulièrement saisi n'est pas susceptible d'appel ;
Pour qu'il y ait accord au sens de cette disposition, il est nécessaire que les parties le présentent tel quel au juge, autrement dit qu'il existe entre elles un concours de volonté clair sur une décision qui met fin au moins à l'un des aspects du litige, solution sur laquelle chacune des parties a donné sans équivoque son consentement ;
La partie qui comparaît et qui, comme en l'espèce, ne formule pas de contestation sur les prétentions de son adversaire ne peut être considérée comme exprimant un consentement sur la demande dirigée contre elle et comme sollicitant en outre du juge d'acter ce consentement dans la forme authentique d'un jugement ;
L'article 1043 du Code judiciaire n'est dès lors pas applicable en l'espèce et l'appel est recevable ;
Ainsi jugé et prononcé en audience publique civile de la quatorzième chambre de la cour d'appel de Mons, le DEUX MARS DEUX MILLE DIX, où sont présents: Martine CASTIN, président, Eddy GUERET, greffier.

juridat
 

 

Commentaar: 

Rechtspraak

• Hof van Beroep te Gent, 14e B Kamer – 15 februari 2011, RW 2012-2013, 904

samenvatting:

Een rechter die in een proces-verbaal van plaatsopneming en persoonlijke verschijning akte neemt van een akkoord van de partijen, verleent geen akkoordvonnis.

tekst arrest

Inzake BVBA E. t/ BVBA M.

...

Partijen zijn verwikkeld in een geschil omtrent de verkoop van een “Maxi-box”, zijnde een verplaatsbare garagebox, door geïntimeerde aan appellante. Deze zou gebreken vertonen.

Appellante ging op 1 juli 2002 over tot dagvaarding in kort geding. Met de beschikking van 11 juli 2002 werd een gerechtsdeskundige aangesteld met de in deze beschikking bepaalde opdracht. In zijn verslag stelt de deskundige dat de oorzaak van de gebreken bij een onvoldoende degelijke montage van een deel van de constructie ligt en dat de oorzaak feitelijk en technisch toe te rekenen is aan geïntimeerde. De deskundige vermeldde voorts in zijn verslag dat hij van oordeel is dat het raadzaam is dat appellante aan geïntimeerde de mogelijkheid geeft de tent in orde te brengen tegen uiterlijk 15 oktober 2004, en adviseerde, bij gebreke daaraan, een genotsderving van 100 euro per maand vanaf die datum.

De herstellingen werden niet uitgevoerd en appellante ging op 11 maart 2005 over tot dagvaarding van geïntimeerde voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk. Zij vorderde de ontbinding van de overeenkomst alsook de betaling van de in de dagvaarding vermelde bedragen, waaronder de terugbetaling van de aankoopprijs.

Met het vonnis van 29 november 2005 werd een plaatsopneming (art. 1007 e.v. Ger.W.) alsook een persoonlijke verschijning van de partijen (art. 1012 en art. 992 e.v. Ger.W.) bevolen. Daartoe wordt plaatsvervangend rechter in handelszaken, F.V., aangesteld.

...

Beoordeling

Volgens appellante hebben partijen, ter oplossing van het tussen hen gerezen geschil, een dading gesloten en werd de inhoud van deze dading opgenomen in het proces-verbaal van 16 januari 2006.

Appellante benoemt het proces-verbaal van 16 januari 2006 als een “akkoordvonnis” en voert uit voor dwangsommen, die naar haar oordeel verbeurd zijn krachtens de dading, opgenomen in het proces-verbaal van 16 januari 2006.

In de bevelen tot betalen van 15 maart 2007 en van 18 juli 2007 wordt in uitdrukkelijke bewoordingen gesteld dat geïntimeerde wordt bevolen tot het betalen van: “de dwangsom door de bevolene partij verschuldigd louter en alleen door het niet voldoen aan de veroordeling waarbij zij als accessorium was opgelegd geworden en waarvan de tekst luidt (...)”.

In de overeenkomst is een “boetebeding” opgenomen. Appellante voert evenwel niet uit voor verschuldigde boetes. Op vraag van het hof heeft zij ter zitting van 18 januari 2011 nogmaals uitdrukkelijk verklaard uit te voeren voor dwangsommen en niet voor boetes. Er wordt dus geëxecuteerd voor dwangsommen, in de zin van art. 1385bis Ger.W.

Naar luid van art. 1385bis Ger.W. kan de rechter op vordering van één van de partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn.

Hieruit volgt dat een partij uitsluitend door de “rechter” kan worden “veroordeeld” tot het betalen van een dwangsom en dit voor het geval een partij “een hoofdveroordeling” niet nakomt. Een veroordeling tot het betalen van een dwangsom is dus een bijkomende – door de rechter uitgesproken – veroordeling.

Appellante kan niet worden bijgevallen, wanneer zij aanvoert dat zij dwangsommen kan verbeuren krachtens de in het proces-verbaal opgenomen overeenkomst.

Zowel de persoonlijke verschijning als de plaatsopneming zijn in wezen onderzoeksmaatregelen die tegelijkertijd kunnen worden aangewend als een verzoeningspoging (B. Allemeersch, “Artikel 992” in Comm.Ger., p. 4, nr. 4, en “Art. 1007” in Comm.Ger., p. 2 en 3, nrs. 2 en 3).

Hoewel de overeenkomst tussen partijen in het proces-verbaal wordt voorafgegaan door de woorden “Op heden wordt beslist”, is het zonder meer duidelijk dat tijdens de plaatsopneming door de plaatsvervangend rechter in handelszaken, bijgestaan door zijn griffier, geen beslissing werd genomen en dat hij zich, bijgestaan door zijn griffier, beperkt heeft tot het louter en ook letterlijk notuleren van de tussengekomen overeenkomst. Dit geschiedde wellicht in het licht van een verzoeningspoging, waartoe een plaatsopneming zich in principe kan lenen.

De plaatsvervangend rechter in handelszaken heeft aldus een niet-rechtsprekende handeling gesteld, die een rechter, bijgestaan door zijn griffier, stelt naar aanleiding van een plaatsopneming, een persoonlijke verschijning, een verschijning tot minnelijke schikking of een getuigenverhoor (Cass. 4 februari 1988, Arr.Cass. 1987-88, 700). Een dergelijke handeling onderscheidt zich van de rechtsprekende handeling van de rechter, die kan worden omschreven als de uitspraak van een rechtscollege van de rechterlijke macht (organiek criterium) waarbij, na verloop van een wettelijk vastgestelde rechtspleging (formeel criterium), een geschil tussen minstens twee partijen wordt beslecht (materieel criterium) en waartegen in principe rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (B. Maes, Inleiding tot het Burgerlijk Procesrecht, Brugge, die Keure, 2008, 140).

Het bovenstaande geldt des te meer, aangezien de plaatsopneming te dezen trouwens niet geschiedt door het rechtscollege dat zich moet uitspreken over de vorderingen tussen partijen, maar wel – en met toepassing van art. 1009 Ger.W. – door één lid van dit rechtscollege dat daartoe bij vonnis werd aangesteld met een duidelijk omschreven opdracht, waaronder het verlenen van een akkoordvonnis niet werd en ook niet kon worden begrepen.

Er dient derhalve te worden besloten dat naar aanleiding van de plaatsopneming en de persoonlijke verschijning geen vonnis werd verleend en dat er ter gelegenheid van de plaatsopneming en de persoonlijke verschijning geen rechterlijke uitspraak, waarbij werd veroordeeld tot het betalen van een dwangsom, werd gewezen.

En zelfs al zou met appellante nog worden aangenomen dat ter gelegenheid van de plaatsopneming een “akkoordvonnis” werd verleend, wat niet het geval is, dan nog kunnen de middelen en argumenten van appellante niet worden aanvaard.

In de tekst van het proces-verbaal wordt het integrale akkoord van de partijen opgenomen. Onder dit akkoord is ook begrepen het beding waarin wordt bepaald dat de partij die in gebreke blijft haar verbintenissen tegen de gestelde datum uit te voeren, van rechtswege een boete van 250 euro per dag vertraging verschuldigd is aan de wederpartij.

Allereerst stelt het hof vast dat partijen in duidelijke bewoordingen de termen “boetebeding” en “boete” hebben aangewend, zodat niet kan worden aangenomen dat zij bedoelden dat een dwangsom zou verbeuren, indien de verbintenissen niet werden nagekomen.

En ook al zou nog moeten worden aangenomen dat partijen daadwerkelijk een dwangsom bedoelden, dan nog is het, met toepassing van art. 1385bis, eerste lid Ger.W., uitsluitend de rechter die veroordeelt tot het betalen van een dwangsom, in zoverre de hoofdveroordeling niet wordt nagekomen. Aan een akkoordvonnis kan dus geen dwangsom worden verbonden (K. Wagner, in Dwangsom in APR, p. 121, nr. 126), omdat uitsluitend akte wordt verleend van hetgeen partijen overeenkwamen. Daaronder is te dezen begrepen wat zij overeenkwamen in verband met het boetebeding. Appellante kan niet worden bijgevallen wanneer zij aanvoert dat de rechter de partijen op hun vordering heeft veroordeeld tot het betalen van een dwangsom voor zover het gesloten akkoord niet wordt nagekomen. Dit is niet het geval. De boete maakte deel uit van het gesloten en genotuleerde akkoord. De rechter heeft niet, op vordering van één van hen, veroordeeld tot het betalen van een dwangsom voor zover hetgeen werd overeengekomen niet werd nagekomen.

...
 

Gerelateerd
Nog dit: 

Dading -  akkoorden en en arbitrage:

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 1715. 1. Wanneer voor een scheidsgerecht een dading is tot stand gekomen ter beëindiging van een voor dat gerecht aanhangig geschil, kan deze dading worden vastgesteld in een akte die wordt opgemaakt door het scheidsgerecht en zowel door (arbiters) als door partijen wordt ondertekend. Op deze akte zijn de bepalingen van het tweede lid van artikel 1702 toepasselijk; op verzoekschrift van de belanghebbende partij kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de akte van dading uitvoerbaar verklaren. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg wijst het verzoek af indien de dading of de tenuitvoerlegging ervan in strijd is met de openbare orde of indien het geschil niet vatbaar was voor beslechting door arbitrage.
3. Binnen vijf dagen na de beslissing geeft de griffier daarvan bij gerechtsbrief kennis aan de verzoeker.

Art. 1716. 1. De beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de akte van dading moet door de verzoeker aan de wederpartij worden betekend. Binnen een maand na de betekening kan tegen de beslissing bij de rechtbank van eerste aanleg verzet worden gedaan.
2. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan de verzoeker hoger beroep instellen overeenkomstig artikel 1711.
3. De beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de akte van dading heeft geen gevolg voor zover de dading is vernietigd.

 

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 03/03/2015 - 21:43
Laatst aangepast op: di, 03/03/2015 - 21:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.